Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:2434

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
23-05-2018
Datum publicatie
25-05-2018
Zaaknummer
C/01/322557 / HA ZA 17-426
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

zorgplicht assurantietussenpersoon, stelplicht verweer, klachtplicht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/322557 / HA ZA 17-426

Vonnis van 23 mei 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. A.C.M. Kitslaar te 's-Hertogenbosch,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] .,

gevestigd te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. P.M. Leerink te Deventer.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 20 september 2017

het proces-verbaal van comparitie van 29 januari 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

Bij de beoordeling van deze zaak gaat de rechtbank uit van de navolgende feiten. Deze staan vast omdat ze niet, of onvoldoende gemotiveerd, zijn betwist.

2.1.

[gedaagde] is een middelgroot assurantiekantoor dat zowel particulieren, ondernemers, zzp’ers, freelancers en bedrijven adviseert op het gebied van verzekeringen.

2.2.

[gedaagde] is vanaf 1997 de vaste tussenpersoon van [eiser] . Medio 2009 besluit [eiser] als zzp’er te beginnen als standbouwer en monteur van ramen en kozijnen. In dit kader neemt hij contact op met [gedaagde] voor het afsluiten van een aov. Op 30 september 2009 heeft hij een bespreking hierover met de [A] op het kantoor van [gedaagde] . [eiser] geeft te kennen dat hij tot aan zijn 65e levensjaar verzekerd wil zijn voor arbeidsongeschiktheid. [eiser] en [A] vullen samen een aanvraagformulier van Delta Lloyd in. Daarop vullen zij een eindleeftijd van 65 jaar in, een 2 % rentestijging en een eigen risicotermijn van 30 dagen.

2.3.

Delta Lloyd laat daarop aan [A] weten dat zij de rug van [eiser] niet wenst mee te verzekeren. [eiser] vindt de premie te hoog. [eiser] geeft vervolgens aan [gedaagde] de opdracht verder te zoeken naar een aov die past bij zijn kenbaar gemaakte voorwaarden. [gedaagde] zoekt vervolgens contact met Generali met de vraag of zij bereid is [eiser] te accepteren tegen betere voorwaarden dan Delta Lloyd. [gedaagde] stuurt hiervoor in eerste instantie aan Generali het volledig ingevulde aanvraagformulier van Delta Lloyd door. De betrokken medewerkster bij Generali deelt bij e-mail van 15 januari 2010 aan [gedaagde] mee bij definitieve aanvraag graag nog een volledig ingevuld aanvraagformulier van Generali te ontvangen.

2.4.

Bij brief van 31 maart 2010 stuurt [gedaagde] aan [eiser] een offerte van Generali met daarbij drie premieberekeningen, die ieder uitgaan van een eindleeftijd van 65 jaar. Alleen de duur van de eigen-risicotermijn verschilt.

2.5.

[gedaagde] verstrekt vervolgens aan [eiser] een aanvraagformulier van Generali. Dit aanvraagformulier is al deels door [gedaagde] ingevuld.

[eiser] heeft onderdeel 6 van het aanvraagformulier (“Betalingswijze”) zelf ingevuld en ondertekend, op 25 mei 2010. Dit betreft alleen de machtiging voor betaling.

Bij onderdeel 8 van het aanvraagformulier (“Dekkingsgegevens”) staat als eindleeftijd aangekruist “ 60 jaar”. Dit is niet door [eiser] zelf aangekruist, maar door een medewerker van [gedaagde] .

[eiser] heeft de aanvraag ondertekend (onderdeel 21 van het aanvraagformulier). Als datum van ondertekening staat “30-06-10” genoteerd.

2.6.

In een e-mail van 8 juni 2010 van Generali aan [gedaagde] staat het volgende: “Ik heb de aanvraag van relatie [eiser] bekeken. Technisch ga ik akkoord met de navolgende aanname’s

-verblijf in het buitenland (zakelijk) is in Europa;

-relatie heeft geen personeel in dienst;

-ondertekening van de aanvraag is 30 mei 2010 in plaats van 30 juni 2010. (…)”

2.7.

Op 11 juni 2010 heeft Generali de bijbehorende polis opgemaakt. Op dit polisblad staat als eindleeftijd 65 aangegeven en bij rentestijging staat vermeld: 2 % voor en na arbeidsongeschiktheid. Op 1 februari 2011 heeft Generali een nieuwe polis opgemaakt vanwege een adreswijziging. Verder is deze polis inhoudelijk gelijk aan die van 11 juni 2010.

2.8.

Op 14 mei 2011 ontvangt [eiser] een brief van Generali. Daarin staat: “Zoals elk jaar verlengen wij uw arbeidsongeschiktheidsverzekering. De verlenging kan gevolgen hebben voor uw premie. U ontvangt een actuele polis en een uitleg van het polisblad. Kijkt u de polis goed na (…)” Op het polisblad staat opnieuw als eindleeftijd 65 aangegeven en een rentestijging van 2%.

2.9.

Op 9 juni 2011 neemt [eiser] telefonisch contact met [gedaagde] op. Van het telefoongesprek is door [gedaagde] een telefoonnotitie opgemaakt. Daarin staat: “Klant heeft gebeld, zijn premie is ineens wel heel erg gestegen. [naam 2] had hem al uitgelegd dat zijn starterskorting is gewijzigd. Maar de polis is geindexeerd, terwijl op avf en offerte is aangegeven dat de polis gelijkblijvend moet zijn. Gebeld met Generali, [naam 1] , gaat het per 01-06-2011 aanpassen. Doorgegeven aan relatie.”

2.10.

Op diezelfde dag stuurt [gedaagde] aan [eiser] een e-mail waarin staat: “In de bijlage zenden wij de offerte zoals deze destijds is uitgebracht. Wij hebben een offerte in ons dossier waarop staat tot 60 jaar gelijkblijvend en een offerte tot 65 jaar met stijging van het verzekerd bedrag met 2%. Omdat op het aanvraagformulier stond dat het verzekerd bedrag gelijk dient te blijven, hebben wij Generali verzocht de polis dienovereenkomstig op te maken. Het gewijzigde polisblad zullen we zo spoedig mogelijk aan u toezenden.” Het bijgevoegde pdf-document correspondeert met de offerte met als eindleeftijd 65 jaar. Dit heeft [A] ter zitting van 29 januari 2018 erkend.

2.11.

Op 19 juli 2011 mailt [A] naar [naam] van Generali als volgt: “Conform telefonische afspraak bijgaand onze bevindingen. Conform het aanvraagformulier van Generali getekend door de klant op 30-06-2010 kiest de klant voor de optie zoals geoffreerd in bijlage 1 berekening 1. Klant zou dan een premie betalen in het 1e jaar van € 3.555,16. Per maand is dit een bedrag van € 296,26. Door jullie is in rekening gebracht per maand een bedrag van € 456,- per maand. Dit is per jaar € 5.472,-. Voor het 2e jaar geldt volgens de offerte een jaarpremie van € 5.176,73. Dit is per maand € 431,39. Door jullie wordt in rekening gebracht (na correctie polis) € 491,14. Dit is per jaar € 5.893,68. Graag correctie van de polis en restitutie van de teveel betaalde premie.” Aan de e-mail zijn de bijlagen “Off. 1 tot 60 jaar [eiser] .PDF; Off. 2 tot 65 jaar [eiser] .PDF” gehecht.

2.12.

In een telefoonnotitie van 22 juli 2011 van [gedaagde] staat het volgende:
“ Medewerker: [A] . Tel in [naam] . Generali is ok uitgegaan van het avf van DL. en niet van het avf van Generali. Zij gaat nu de polis herstellen vanaf de ingangsdatum. Ik heb vandaag [eiser] hierover gesproken en hij is weer helemaal tevreden. Bij binnenkomst polis goed controleren a.d.h.v. het avf van Generali.”

2.13.

Op 28 juli 2011 ontvangt [eiser] een nieuw polisblad. Daarop staat nog steeds als eindleeftijd 65 vermeld, maar bij de rentestijging staat nu “Gelijkblijvend”. De premie is aangepast naar de premie die behoort bij een eindleeftijd van 60 jaar.

2.14.

Op 28 juli 2011 restitueert Generali aan [eiser] een bedrag van € 2.884,95.

2.15.

In een telefoonnotitie van 1 augustus 2011 van [gedaagde] staat het volgende:
“ Medewerker: [naam 2] . Tel in [eiser] , hij heeft polis ontvangen en is oke. Alleen is het bedrag toch nog 2% gestegen. Moet 40.000 euro zijn en is nu € 40.800,-. Dit moet nog aangepast worden volgens hem. Dus na jouw vakantie nog even naar kijken en evt. aanpassen. De gewijzigde polis al wel ingescand.”

2.16.

In een telefoonnotitie van 2 augustus 2011 van [gedaagde] staat het volgende: “Medewerker [naam 3] . Mw. [eiser] nu weer gebeld, er ontbreekt 192,- volgens haar berekening. Ze gaat het nog even mailen naar ons. Dus GOED de polis checken en de restitutie. Dan klant bellen dat alles wordt geregeld.”

2.17.

Op 10 augustus 2011 ontvangt [eiser] van Generali een brief met als bijlage een polisblad van dezelfde datum. Het verzekerde bedrag is daarbij aangepast naar € 40.000,- en de eindleeftijd is aangepast naar 60 jaar. In de brief staat het volgende: “Op uw AOV Extra combi onder 61024381 krijgt u € 1.667,50 van ons terug. Wij zullen dit bedrag binnen enige dagen overmaken (…)”.

2.18.

Op diezelfde dag restitueert Generali het aanvullend bedrag aan premie van
€ 1.667,50 aan [eiser] .

2.19.

Op 23 september 2011 is door Generali een nieuwe polis afgegeven vanwege een verandering in de betalingswijze. Ook daarop staat als eindleeftijd 60 jaar aangegeven.

2.20.

Op 2 januari 2012 meldt [eiser] zich arbeidsongeschikt bij Generali.

2.21.

Op 22 juni 2012 dient [eiser] bij [gedaagde] een klacht in. In de interne klachtenregistratie van [gedaagde] staat daarover het volgende genoteerd: “Klant is ao en komt er nu achter dat zijn polis maar loopt tot eindleeftijd 60 jaar. Maatregelen: Dossier uitgezocht en op 03-07-2012 besproken met de klant. Polis is uiteindelijk (na 6 polissen) goed opgemaakt conform avf en offerte.”

2.22.

Bij e-mail van 5 juli 2012 bericht [naam] van Generali aan [gedaagde] het volgende:

“Onderwerp: AOV ten name van [eiser] (…) Had het dossier snel vanuit ons archief ontvangen (….) Uit het dossier haal ik het volgende (…) Waar we de ‘fout’ mee in zijn gegaan is dat op het aanvraagformulier van Delta Lloyd 65 jaar staat met een stijging van
2 % voor en na arbeidsongeschiktheid. Deze gegevens zijn ons systeem ingegaan en daarna (aan de hand van het juiste aanvraagformulier) niet aangepast.

11-06-2010 afgifte document

09-06-2011 Tel van [naam 4] aan collega [naam 5] : per 1-06-2011

jaarrente € 40.000 + gelijkblijvende jaarrente

Een en ander stond ook zo op het aanvraagformulier

23-06-2011 Tel aan [naam 4] door mijn collega [naam 6] . Wat moeten

we aanhouden mbt de rente ?

Antwoord gelijkblijvend

11-07-2011 el van im rente is gelijkblijvend maar clausule 6065 staat er nog op

19-07-2011 Tel van [A] naar mij, verzoek dossier erbij en samen bespreken. Gaat niet

goed.

22-07-2011 Tel met [A] , eindleeftijd moet per ingangsdatum 60 jaar en de rente

gelijkblijvend.

-10-08-2011 polis gewijzigd.(…)”

2.23.

Bij brief van 2 augustus 2012 heeft SRK, de rechtsbijstandsverzekeraar van [eiser] , Generali verzocht om de eindleeftijd weer terug te zetten naar 65 jaar. Daarop heeft Generali afwijzend gereageerd.

2.24.

Op 20 augustus 2012 heeft SRK [gedaagde] aansprakelijk gesteld.

2.25.

Op 24 juni 2015 heeft [eiser] een klacht ingediend bij het KiFiD. Bij (niet-bindend) advies van 24 juni 2015 heeft de geschillencommissie van het KiFiD de klacht van [eiser] afgewezen. Aan haar beslissing legt de geschillencommissie onder andere ten grondslag dat niet is komen vast te staan dat [eiser] tegen de afgifte van de polis d.d. 10 augustus en 23 september 2011 heeft gereageerd.

2.26.

[eiser] heeft de rechtbank verzocht zes getuigen te mogen horen in een voorlopig getuigenverhoor. In zijn verzoekschrift stelt [eiser] dat hij een aov heeft afgesloten met een eindleeftijd van 65 jaar, althans dat zijn wil altijd daarop gericht is geweest en [gedaagde] met die wil bekend was, althans behoorde te zijn. De getuigen die [eiser] wil laten horen zijn: [A] , G.J.C. [gedaagde] (directeur van [gedaagde] ), [naam 7] (werknemer [gedaagde] ), [naam 8] (werknemer [gedaagde] ), [naam 9] (echtgenote van [eiser] ) en [eiser] zelf. De rechtbank heeft het verzoek toegewezen en op 13 oktober 2016 en 3 november 2016 de zes getuigen verhoord. Vervolgens heeft op verzoek van [gedaagde] een contra-enquête plaatsgevonden, waarbij [A] en [gedaagde] op 18 janauari 2017 2016 nogmaals zijn gehoord.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, na vermindering van eis:

  • -

    een verklaring voor recht dat [gedaagde] haar zorgplicht heeft geschonden jegens [eiser] bij het afsluiten van de onderhavige aov en jegens [eiser] toerekenbaar is tekortgeschoten dan wel onrechtmatig heeft gehandeld,

  • -

    een verklaring voor recht dat de hoogte van de door [eiser] als gevolg daarvan geleden schade /nog te lijden schade € 120.000,- bedraagt,

  • -

    veroordeling van [gedaagde] primair tot betaling van de schadevergoeding ineens
    (ter zitting geeft mr. Kitslaar aan dat dit een bedrag van ongeveer € 91.000,- netto bedraagt), en subsidiair tot betaling van periodiek uit te keren bedragen, zijnde
    € 24.000,- per jaar, vanaf het moment dat [eiser] de leeftijd van 60 jaar bereikt (14 januari 2026) tot [eiser] de leeftijd van 65 jaar zal hebben bereikt, dan wel tot zijn eerdere datum van overlijden, met de verplichting tot zekerheidsstelling van in totaal € 200.000,-, in de vorm van een bankgarantie,

  • -

    veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 2.775,00 aan buitengerechtelijke incassokosten,

met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding, inclusief de nakosten en de kosten van het voorlopig getuigenverhoor, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] tekort is geschoten in haar zorgplicht als assurantietussenpersoon. Hij stelt daartoe ten eerste dat [gedaagde] tegen de wil van [eiser] 60 jaar als eindleeftijd voor de aov heeft aangekruist op het aanvraagformulier van Generali, terwijl [eiser] zijn wens van een eindleeftijd van 65 jaar altijd duidelijk heeft uitgesproken richting [gedaagde] . Ten tweede stelt hij dat [gedaagde] niet heeft opgemerkt en niet aan [eiser] heeft doorgegeven dat de eindleeftijd van 65 jaar op meerdere polisbladen (minimaal drie stuks in de periode tussen juni 2010 en augustus 2011) stond vermeld. Ten derde heeft [gedaagde] niet opgemerkt dat bij [eiser] vanaf juni 2010 tot augustus 2011 een premie in rekening is gebracht –die [eiser] telkens ook heeft betaald- die ruim boven de verschuldigde premie behorend bij een eindleeftijd van 60 jaar uitkomt. Ten vierde heeft [gedaagde] de (belangrijkste aspecten van de) afgesloten aov niet met [eiser] besproken en heeft [gedaagde] ook niet gecontroleerd of deze nog voldeden aan de wensen en belangen van [eiser] . Ten slotte heeft [gedaagde] de polis omgezet naar een eindleeftijd van 60 jaar, zonder daarover eerst contact op te nemen c.q. ruggenspraak te houden met [eiser] . Dit alles brengt volgens [eiser] mee dat [gedaagde] aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade die [eiser] heeft geleden c.q. zal gaan lijden doordat de eindleeftijd van zijn aov niet (meer) 65 jaar, maar 60 jaar is.

3.3.

[gedaagde] heeft betwist dat zij haar zorgplicht jegens [eiser] heeft geschonden. Ook betwist zij het causale verband met de gestelde schade en de omvang van de schade. Tot slot voert zij het verweer dat [eiser] zijn klachtplicht heeft geschonden en dat er sprake is van eigen schuld van [eiser] .

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat de rechtsverhouding tussen partijen moet worden gekwalificeerd als een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 BW. Als assurantietussenpersoon dient [gedaagde] op grond van artikel 7:401 BW bij haar werkzaamheden de zorg te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend tussenpersoon mag worden verwacht. De reikwijdte van deze zorgplicht is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, met name van de aard en inhoud van de opdracht en de belangen van de cliënt voor zover kenbaar voor de tussenpersoon.

4.2.

Op [eiser] , die heeft gesteld dat zijn assurantietussenpersoon in de nakoming van zijn zorgplicht is tekortgeschoten, rust de stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden die zijn stelling kunnen dragen. Volgens vaste jurisprudentie kan van een beroepsbeoefenaar evenwel worden verlangd dat hij voldoende feitelijke gegevens verstrekt ter motivering van de betwisting van de desbetreffende stellingen, teneinde degene die hem aanspreekt aanknopingspunten voor eventuele bewijslevering te verschaffen (HR 10 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2244, NJ 1999/286 en HR 19 februari 2016 ECLI:NL:HR:2016:288). Mocht hij daaraan niet voldoen, heeft hij niet aan zijn motiveringsplicht voldaan, hetgeen dan voor zijn risico komt.

4.3.

De stellingen van [eiser] komen erop neer dat [gedaagde] heeft bewerkstelligd dat [eiser] een aov heeft afgesloten met een eindleeftijd van 60 jaar, terwijl de opdracht van [eiser] aan [gedaagde] (nog steeds) een aov met een eindleeftijd van 65 jaar inhield. Indien dat komt vast te staan, draagt dat de conclusie dat [gedaagde] niet aan haar zorgplicht heeft voldaan. [gedaagde] heeft de stellingen van [eiser] betwist. De rechtbank zal allereerst nagaan of [gedaagde] bij die betwisting aan haar zojuist genoemde motiveringsplicht voldaan heeft.

4.4.

Vast staat dat [eiser] in aanvang aan [gedaagde] kenbaar heeft gemaakt dat hij een aov wenste met een eindleeftijd van 65 jaar (dat wil zeggen een aov dit uitkeert tot het bereiken van de leeftijd van 65 jaar). Met die leeftijd als uitgangspunt is [gedaagde] gaan zoeken naar een passende verzekering voor [eiser] . Zij is vervolgens bij Delta Lloyd uitgekomen, maar die wilde de rug van [eiser] niet meeverzekeren en [eiser] vond de premie te hoog. Vervolgens heeft [gedaagde] contact gezocht met Generali. Zij heeft [eiser] op grond van het aanvraagformulier van Delta Lloyd voorlopig geaccepteerd voor een verzekerde som van € 40.000,- in combinatie met een clausule waarbij klachten aan de wervelkolom waren uitgesloten van dekking. Vervolgens heeft [gedaagde] (op 31 maart 2010) een drietal premieberekeningen/offertes aan [eiser] gestuurd, gebaseerd op een eindleeftijd van 65 jaar. Tot zover zijn partijen het met elkaar eens.

4.5.

[gedaagde] stelt vervolgens dat [eiser] haar op 1 april 2010 telefonisch heeft te kennen gegeven alle drie de opties te duur te vinden, en dat nadat [gedaagde] [eiser] een aantal alternatieven voorrekende, [eiser] koos voor een aov met een eindleeftijd van 60 jaar. [eiser] heeft dit bestreden. [gedaagde] heeft de inhoud van dat telefoongesprek niet schriftelijk vastgelegd en evenmin aan [eiser] schriftelijk bevestigd.

4.6.

Verder stelt [gedaagde] dat zij bij e-mail van 1 april 2010 (zonder begeleidende brief) drie nieuwe premieberekeningen heeft gestuurd op basis van een eindleeftijd van 60 jaar. [eiser] betwist de drie nieuwe premieberekeningen te hebben ontvangen.

4.7.

[gedaagde] heeft de e-mail van 1 april 2010 niet in het geding gebracht. Maar ook al zou aangenomen worden dat [eiser] de nieuwe premieberekeningen heeft ontvangen, kan daaruit nog niet de wens van [eiser] worden afgeleid om een aov met eindleeftijd van 60 jaar af te sluiten. [gedaagde] heeft immers daags daarvoor drie premieberekeningen die uitgingen van een eindleeftijd van 65 aan [eiser] toegestuurd, en er blijkt niet van een keuze van [eiser] voor de ene of voor de andere variant.

4.8.

Verder stelt [gedaagde] dat de eindleeftijd van 60 jaar door [A] met [eiser] is besproken bij het periodieke onderhoud van 20 april 2010 bij [eiser] thuis, waarbij alle lopende via [gedaagde] afgesloten verzekeringen zijn besproken. Ook dit wordt door [eiser] betwist. [gedaagde] verwijst naar een interne notitie die door [A] is opgemaakt (productie 6 CvA). Uit die notitie blijkt echter niet dat de eindleeftijd van 60 jaar met [eiser] besproken is. Weliswaar staat daarin: “Offerte is aangepast naar eindleeftijd 60 jaar. Acc door Generali. Avf volgt.”, maar niet gebleken is dat dit daadwerkelijk onderwerp van gesprek met [eiser] is geweest. Zoals [A] ter zitting heeft gesteld, betreft de notitie een checklist die [A] heeft gemaakt ter voorbereiding op de afspraak met de klant. [eiser] heeft echter betwist dat dit met hem besproken is. Het enkele feit dat dit onderwerp op de voorbereidende checklist van [A] staat wil nog niet zonder meer zeggen dat dit, naast alle andere lopende verzekeringen die besproken zijn, daadwerkelijk onderwerp van gesprek is geweest. Verder staat de eindleeftijd van 60 jaar, in tegenstelling tot enkele andere onderwerpen, niet als afzonderlijk besproken onderwerp vermeld en als zodanig aangekruist. Evenmin blijkt uit het formulier “Collectiviteit [gedaagde] bij CZ” dat dit onderwerp met [eiser] besproken is. [gedaagde] heeft verder niet vastgelegd wat zij met [eiser] besproken heeft.

4.9.

Tevens stelt [gedaagde] dat aan het aanvraagformulier aov van Generali, waarop de eindleeftijd van 60 jaar is aangekruist, geen andere logische conclusie kan worden verbonden dan dat [eiser] de wens heeft gehad om een aov met als eindleeftijd 60 jaar af te sluiten, althans dat Generali en [gedaagde] daarvan redelijkerwijs mochten uitgaan. De rechtbank volgt [gedaagde] hierin echter niet op grond van het navolgende.

4.10.

Ten eerste staat vast dat [eiser] niet zelf de eindleeftijd van 60 jaar heeft aangekruist, maar dat een medewerker van [gedaagde] dat gedaan heeft. Partijen verschillen van mening of dit voor of na de ondertekening van [eiser] is gedaan, en dit kan nu niet meer achterhaald worden. De omstandigheid dat [eiser] op het aanvraagformulier zelf heeft toegevoegd “monteur van ramen en deuren” doet daarvoor niet ter zake.

Verder verbindt de rechtbank geen gevolgen aan de aanvankelijke (onjuiste) verklaring van [eiser] dat hij het aanvraagformulier pas op 30 juni 2010 in plaats van op 30 mei 2010 heeft ondertekend. Ter zitting heeft [eiser] daar immers over verklaard dat hij naar aanleiding van de e-mail van Generali (zie r.o. 2.6) over die datum is gaan twijfelen en dat het kan zijn dat hij een verkeerde datum heeft ingevuld en het formulier op 30 mei 2010 in plaats van 30 juni 2010, zoals hij op het formulier heeft gezet, heeft ondertekend. De rechtbank acht die verklaring aannemelijk.

Ten derde heeft [eiser] na indienen van het aanvraagformulier polisbladen van Generali ontvangen (op 11 juni 2010, 1 februari 2011, 14 mei 2011, en 28 juli 2011) waarop steeds als eindleeftijd vermeld staat: 65 jaar. Hoewel partijen van mening verschillen hoe vaak [eiser] met [gedaagde] contact heeft opgenomen naar aanleiding van de gegevens op de polisbladen (volgens [eiser] was dit al vanaf de ontvangst van het eerste polisblad, volgens [gedaagde] pas vanaf het derde polisblad), vaststaat dat [eiser] alleen geklaagd heeft over de toepassing van de indexering, en niet over de toegepaste eindleeftijd van 65 jaar. Ook heeft [gedaagde] , in ieder geval tot 9 juni 2011, niet gesignaleerd dat op die polisbladen de in haar visie foutieve eindleeftijd van 65 jaar stond vermeld en zij heeft dus ook niet [eiser] daarop geattendeerd.

Onder deze omstandigheden kan uit het aanvraagformulier niet ondubbelzinnig de wens van [eiser] voor een eindleeftijd van 60 worden afgeleid, ook al staat daarop als eindleeftijd 60 jaar aangekruist.

4.11.

De (eveneens door [eiser] weersproken) stelling van [gedaagde] dat zij met [eiser] op 9 juni 2011 telefonisch heeft besproken dat zij de polis zou terugzetten naar een eindleeftijd van 60 jaar, wordt niet onderbouwd door de stukken waarop zij zich beroept. In de desbetreffende telefoonnotitie (aangehaald in r.o. 2.9) wordt alleen melding gemaakt van de wijziging van de starterskorting en de indexering (en dus niet van de te hoge eindleeftijd) als oorzaak van de premiestijging. Ook haar stelling dat zij [eiser] in een e-mail van 9 juni 2011 heeft meegedeeld dat de polis conform de offerte met als eindleeftijd 60 jaar zou worden aangepast, is feitelijk onjuist. In die e-mail, aangehaald in r.o. 2.10, wordt immers verwezen naar de premieberekeningen die als uitgangspunt een eindleeftijd van 65 jaar hadden, zoals ook door [gedaagde] ter zitting is erkend. Verder valt uit de tekst van de e-mail niet af te leiden dat de polis naar een eindleeftijd van 60 jaar zou worden aangepast.

4.12.

Verder overweegt de rechtbank dat, ook in het geval dat niet zou komen vast te staan dat [eiser] bij [gedaagde] heeft geprotesteerd na ontvangst van de polisbladen d.d. 10 augustus en 23 september 2011 waarop als eindleeftijd 60 jaar staat (op dit punt komt de rechtbank hieronder nog terug), daaruit nog niet ondubbelzinnig de wens van [eiser] voor een eindleeftijd van 60 jaar kan worden afgeleid, gezien de context van hetgeen hiervoor besproken is. Ditzelfde geldt voor de omstandigheid dat [eiser] niet heeft geprotesteerd tegen de premierestitutie door Generali. Ook daaruit kan niet ondubbelzinnig zijn wens voor een gewijzigde eindleeftijd worden afgeleid.

4.13.

Geconcludeerd moet worden, dat uit geen van de stukken waarop [gedaagde] zich beroept ondubbelzinnig blijkt van de wens van [eiser] voor een aov met een eindleeftijd van 60 jaar. [gedaagde] heeft dit ook niet zodanig vastgelegd dat die wens daaruit ondubbelzinnig kan worden afgeleid. Dit had echter wel van haar verlangd mogen worden omdat vaststaat dat [eiser] in aanvang een eindleeftijd van 65 jaar wenste, en een wijziging naar 60 jaar aanzienlijke financiële consequenties met zich brengt. Dit klemt te meer, nu op de polisbladen die Generali tot en met 28 juli 2011 heeft afgegeven, steeds de eindleeftijd van 65 jaar vermeld stond en [eiser] daarop niet door [gedaagde] geattendeerd is, zelfs niet nadat [eiser] naar aanleiding van de gegevens op een of meer van die polisbladen contact heeft opgenomen met [gedaagde] en [gedaagde] die polisbladen dus onder ogen moet hebben gehad.

4.14.

Dit alles betekent dat [gedaagde] niet aan haar motiveringsplicht, zoals genoemd in r.o.v. 4.2. heeft voldaan. Dit heeft als consequentie dat [gedaagde] de stelling van [eiser] dat de opdracht (nog steeds) een aov met een eindleeftijd van 65 jaar inhield, onvoldoende gemotiveerd heeft weerlegd. De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] niet aan haar zorgplicht heeft voldaan, nu zij heeft bewerkstelligd dat [eiser] een aov met een eindleeftijd van 60 jaar is aangegaan. Dit leidt in beginsel tot aansprakelijkheid van [gedaagde] voor de schade die [eiser] dientengevolge heeft geleden.

4.15.

[gedaagde] heeft daarnaast het verweer gevoerd dat [eiser] niet heeft geprotesteerd toen hij de polisbladen van 10 augustus en 23 september 2011 had ontvangen, waarop wel als eindleeftijd 60 jaar stond genoteerd. Indien [eiser] toen zou hebben gewenst om de polis aan te passen naar een eindleeftijd van 65 jaar, zou dit hebben gekund. [eiser] was op dat moment immers niet arbeidsongeschikt. [eiser] heeft echter pas op 22 juni 2012, na het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid in januari 2012, bij [gedaagde] geklaagd over de eindleeftijd. Dit alles aldus [gedaagde] .

4.16.

[eiser] heeft daartegen ingebracht dat hij op 10 augustus 2011 meteen telefonisch contact heeft gezocht met [A] en daarbij heeft aangegeven hoogst verbaasd te zijn over de aanpassing van de eindleeftijd van zijn verzekering nu hij dit nooit heeft gewild en daarentegen altijd heeft aangegeven verzekerd te willen zijn tot zijn 65e levensjaar. Hij heeft verder gesteld dat hij en zijn echtgenote in de maanden augustus en september 2011 meerdere malen telefonisch contact hebben gehad met de heren [A] en [gedaagde] . Telkens kregen zij echter te horen dat [eiser] gehouden werd aan zijn handtekeningen onder het aanvraagformulier van Generali. [eiser] biedt van deze stellingen expliciet bewijs aan.

4.17.

De rechtbank vat het verweer van [gedaagde] op als een beroep op de schending van de klachtplicht. Volgens vaste jurisprudentie geldt deze ook bij overeenkomsten van zakelijke dienstverlening zoals de onderhavige (vergelijk HR 11 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL8297). Uit de stellingen van [eiser] blijkt onomstotelijk dat hij op de polisbladen van 10 augustus en 23 september 2011 gezien heeft dat de eindleeftijd tot 60 jaar liep. Hij heeft toen immers, zo stelt hij, naar aanleiding daarvan direct contact opgenomen met [gedaagde] . De klachtplicht is dus na ontvangst van die polisbladen beginnen te lopen. [eiser] had immers vanaf dat moment [gedaagde] er op kunnen wijzen dat de eindleeftijd niet klopte, hetgeen hij naar hij stelt ook gedaan heeft. [gedaagde] was toen ook nog in de gelegenheid de eindleeftijd te laten aanpassen naar een eindleeftijd van 65 jaar, hetgeen zij op haar beurt onweersproken heeft gesteld.

4.18.

Op [eiser] rust de stelplicht en de bewijslast dat en op welke wijze hij tijdig en op een voor [gedaagde] kenbare wijze heeft geklaagd. [eiser] heeft in het voorlopig getuigenverhoor zichzelf, zijn vrouw, [A] en de heer [gedaagde] al over dit onderwerp laten horen. Hij heeft echter bij dagvaarding een specifiek bewijsaanbod op dit onderdeel gedaan. Daarenboven heeft hij ter zitting aangevoerd dat ook gegevens van zijn mobiele telefoon als bewijs kunnen dienen. De rechtbank zal [eiser] daarom in de gelegenheid stellen bewijs te leveren van zijn stelling dat hij en/of zijn echtgenote op een of meer tijdstippen in de maanden augustus en september 2011 bij [gedaagde] heeft geklaagd over de op de polisbladen van 10 augustus en/of 23 september 2011 vermelde eindleeftijd van 60 jaar.

4.19.

Indien [eiser] niet slaagt in het bewijs van zijn stelling, moet het beroep op schending van de klachtplicht worden gehonoreerd, hetgeen leidt tot afwijzing van de schadevordering. Indien [eiser] wel slaagt in het bewijs van zijn stelling, zal de hoogte van de schade nog begroot moeten worden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

draagt [eiser] op te bewijzen dat hij en/of zijn echtgenote op een of meer tijdstippen in de maanden augustus en september 2011 bij [gedaagde] heeft geklaagd over de op de polisbladen van 10 augustus en/of 23 september 2011 vermelde eindleeftijd van 60 jaar,

5.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 6 juni 2018 voor uitlating door [eiser] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

5.3.

bepaalt dat [eiser] , indien hij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

5.4.

bepaalt dat [eiser] , indien hij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op maandagen, dinsdagen en donderdagen in de maanden augustus tot en met oktober 2018 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.5.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. M.E. Bartels in het gerechtsgebouw te 's-Hertogenbosch aan de Leeghwaterlaan 8,

5.6.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Bartels en in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2018.