Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:2278

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
09-05-2018
Datum publicatie
14-05-2018
Zaaknummer
C/01/322288 / HA ZA 17-402
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vervoersovereenkomst inzake werknemersvervoer tussen Werkbedrijf dat voor 7 samenwerkende gemeentes de Participatiewet uitvoert en taxibedrijf. Taxibedrijf heeft zich verplicht een bepaald aantal begeleide werkplekken en/of detacheringsplekken t.b.v. werknemers van het Werkbedrijf te creëren (social returnverplichting). Aan deze verplichting is door partijen nader invulling gegeven in een Detacheringsovereenkomst. Geschil spitst zich toe op de vraag of de Detacheringsovereenkomst een minimumafnameverplichting voor het taxibedrijf van werknemers van het Werkbedrijf inhoudt, dan wel een resultaatsverplichting voor het Werkbedrijf tot het invullen van de door het taxibedrijf gecreëerde werkplekken. Uitleg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats Eindhoven

zaaknummer / rolnummer: C/01/322288 / HA ZA 17-402

Vonnis van 9 mei 2018

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

WERKBEDRIJF ATLANT DE PEEL,

zetelend te Helmond,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. I.J.A.J. Hanssen te Boxmeer,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ALPTAX TAXI SERVICE BV,

gevestigd te Deurne,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. L.E.M. Haverkort te Deventer.

Partijen zullen hierna Senzer en Alptax genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 27 september 2017

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 24 januari 2018

  • -

    de brief van 9 februari 2018 zijdens Alptax.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Senzer voert als Werkbedrijf de Participatiewet uit voor zeven Peelgemeentes. Medio 2013 heeft Senzer, toen geheten Atlant Groep, besloten om het vervoer van haar werknemers aan te besteden. Het bestek voor deze aanbesteding houdt onder meer het volgende in:

‘3.28 Wederkerigheid

De opdrachtgever stelt als eis dat door de Aanbieder tijdens de looptijd van de overeenkomst, tenminste 3% van het gemiddeld te vervoeren aantal werknemers aan begeleid werkplekken en/of detacheringsplekken worden gecreëerd. Vanaf de start dient sprake te zijn van minimaal 3 werkplekken. Uiterlijk na zeven maanden is het totale aantal benodigde werkplekken beschikbaar. Deze posities kunnen op basis van detachering vanuit Atlant Groep worden ingevuld. De opdrachtgever gaat ervan uit dat dit een continu proces is en dat de invulling gelijkmatig gedurende het eerste jaar plaatsvindt. Deze posities blijven minimaal beschikbaar voor de gehele looptijd van de overeenkomst. Het aantal te creëren werkplekken kan alleen dan lager zijn wanneer er onvoldoende geschikte werknemers beschikbaar zijn vanuit Atlant Groep. De werkplekken hoeven niet gerelateerd te zijn aan de uitvoering van het werknemersvervoer voor Atlant Groep. Het kan gaan om diverse functies.’

2.2.

Alptax heeft op 5 september 2013 op deze aanbesteding ingeschreven. Bijlage 8 bij de inschrijving van Alptax houdt onder meer het volgende in:

‘Hierbij verklaart de Aanbieder:

  • -

    Dat tijdens de looptijd van de overeenkomst, voor ten minste 3% van het gemiddeld te vervoeren aantal werknemers aan begeleid werkplekken en/of detacheringsplekken wordt gecreëerd. Vanaf de start dient sprake te zijn van minimaal 3 werkplekken. Uiterlijk na zes maanden is het totale aantal benodigde werkplekken beschikbaar.

  • -

    Deze kunnen op basis van detachering vanuit Atlant Groep worden ingevuld.

  • -

    Dat hij in overleg zal treden met de Opdrachtgever over de invulling.’

2.3.

Het vervoer is op 18 oktober 2013 definitief aan Alptax gegund en tussen Senzer als opdrachtgever en Alptax als aanbieder is in november 2013 een vervoersovereenkomst (hierna: de Vervoersovereenkomst) gesloten. Na gunning van de vervoersopdracht aan Alptax hebben partijen over een detacheringsovereenkomst onderhandeld en vervolgens is tussen Senzer en Alptax, als inlener, in november 2013 een (groeps)detacheringsovereenkomst (hierna: de Detacheringsovereenkomst) gesloten.

2.4.

De Vervoersovereenkomst houdt onder meer het volgende in:

‘Artikel 4: Duur overeenkomst en beëindiging.

  1. De overeenkomst wordt gesloten voor een periode van drie jaar en een maand, ingaande 1 december 2013 tot en met 31 december 2016. Er is een optie tot verlenging. De overeenkomst kan maximaal 2 keer met een periode van 1 jaar worden verlengd met als definitieve einddatum 31 december 2018.

  2. Het besluit tot verlenging van de overeenkomst moet uiterlijk op 30 september van het jaar voorafgaande aan het jaar van beëindiging schriftelijk aan de Aanbieder zijn medegedeeld. Aanbieder is verplicht mee te werken aan verlenging. Indien de overeenkomst niet wordt verlengd eindigt deze op 31 december 2016 van rechtswege of na een eerste verlenging op 31 december 2017 of na de tweede verlenging op 31 december 2018.’

2.5.

De Detacheringsovereenkomst houdt onder meer het volgende in:

‘In aanmerking nemende dat :

Partijen ingevolge de Vervoersovereenkomst met ingangsdatum 1 december 2013 (…) een structurele samenwerkingsrelatie wensen aan te gaan waarbij een aantal werknemers van Atlant Groep als groep voor Inlener werkzaamheden gaat verrichten ten bedrijve van Inlener onder leiding en toezicht van Inlener;

Partijen komen als volgt overeen:

Artikel 1 Inhoud

1.1

De tewerkstelling door Atlant Groep bij Inlener (hierna “(groeps)detachering” betreft per jaar, ingaande 1 januari 2014, een minimum aantal van 3% van het aantal te vervoeren medewerkers in collectief vervoer uitgevoerd door inlener uitgedrukt in aantal fte. Bij aanvang van deze overeenkomst tot 1 januari 2014 wordt in afwijking van het in dit artikel overeengekomen percentage een minimum aantal van 6,0 fte tewerk gesteld.

(…)

Artikel2 Ingang, duur en beëindiging van de overeenkomst

2.1.

De overeenkomst wordt aangegaan per 1 december 2013 voor de duur van 3 jaren en één maand en loopt dus van rechtswege af op 31 december 2016 waarbij partijen de optie hebben om de overeenkomst twee maal met één jaar te verlengen aan het einde van het derde en vierde jaar.

2.2.

Indien een partij de overeenkomst niet wenst te verlengen conform het gestelde in 2.1 dan zal zij de andere partij daarvan per aangetekend schrijven in kennis stellen en daarbij een opzegtermijn van 3 maanden hanteren.

(…)

Artikel 7 Aansprakelijkheid

(…)

7.5.

Atlant Groep aanvaardt geen aansprakelijkheid voor schade als gevolg van het niet beschikbaar zijn van gedetacheerden.’

2.6.

Bij brief van 7 november 2016, met als onderwerp ‘Verlenging vervoersovereenkomst’ heeft Senzer aan Alptax het volgende medegedeeld:

‘Zoals u bekend is met uw organisatie een vervoersovereenkomst gesloten welke loopt tot en met 31 december 2016 met een optie tot verlenging van tweemaal met een periode van een jaar. Hierbij bevestigen wij u dat wij hebben besloten tot verlenging van de overeenkomst, in ieder geval tot en met 31 december 2017.’

2.7.

Bij brief van 14 december 2016 heeft de heer [naam medewerker Senzer] (hierna: [naam medewerker Senzer] ) namens Senzer aan Alptax het volgende medegedeeld:

‘In het kader van de door u uit te voeren vervoersovereenkomst zijn tussen ons afspraken gemaakt om medewerkers te detacheren bij uw organisatie. Dit gedeelte van de afspraken is neergelegd in de groepsdetacheringsovereenkomst. Voor de rechten en verplichtingen moet dan ook gekeken worden naar dit document.

Zoals tussen u en ons afgesproken was het de bedoeling om medewerkers te detacheren voor het verrichten van vervoerswerkzaamheden. Dus als chauffeur.

(…)

Het contract heeft een bepaalde duur van 3 jaar. Dat wil zeggen tot 31 december 2016. Met de mogelijkheid van een verlenging. Aldus artikel 2.1. Daarvan is door ons gebruik gemaakt. Het contract is verlengd tot 31 december 2017.

In artikel 7.5 van de detacheringsovereenkomst is opgenomen dat wij geen aansprakelijkheid aanvaarden voor schade als gevolg van het niet beschikbaar zijn van gedetacheerden. Dit zogenaamde exoneratiebeding sluit derhalve schade als gevolg van tekortkomingen op het gebied van de ter beschikking stelling van gedetacheerden uit.

Daarbij willen wij nadrukkelijk aangeven dat het onzerzijds geen onwil is dat thans niet wordt voldaan c.q. kan worden voldaan aan de minimumverplichting.’

3 Het geschil

in conventie

3.1.

Senzer vordert een verklaring voor recht dat de groepsdetacheringsovereenkomst op of omstreeks 6 juni 2016 (stilzwijgend) met wederzijds goedvinden door partijen is beëindigd, dan wel van rechtswege per 31 december 2016 en dat Alptax aansprakelijk is voor de omzetschade die Senzer heeft geleden door per 1 januari 2014 niet te voldoen aan de minimumafnameverplichting als neergelegd in artikel 1 van de detacheringsovereenkomst, deze schade nader op te maken bij staat, met veroordeling van Alptax in de kosten van het geding.

3.2.

Alptax voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

Alptax vordert - na wijziging van haar eis en samengevat - een verklaring voor recht dat Senzer ingevolge artikel 1.1 Detacheringsovereenkomst jegens Alptax een resultaatsverbintenis is aangegaan om medewerkers bij Alptax ter detachering aan te bieden en tewerk te stellen, gedurende de looptijd van de Detacheringsovereenkomst, een verklaring voor recht dat de Detacheringsovereenkomst door verlenging een looptijd heeft gehad tot en met 31 december 2017, een verklaring voor recht dat Senzer aansprakelijk is voor schade die Alptax heeft geleden en nog zal lijden ten gevolge van het niet nakomen van de detacheringsverplichting en veroordeling van Senzer tot betaling van primair € 330.076,84 met rente, subsidiair € 299.743,46 met rente en meer subsidiair een door de rechtbank te bepalen bedrag aan schadevergoeding, vermeerderd met kosten.

3.5.

Senzer voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1.

Senzer heeft ter comparitie bezwaar gemaakt tegen de indiening van producties door Alptax bij akte aanvullende producties tevens akte wijziging eis in reconventie omdat deze te laat zijn ingediend. Nu deze producties niet in beoordeling van de zaak zijn betrokken, behoeft Senzer niet alsnog in de gelegenheid te worden gesteld op deze producties te reageren.

4.2.

Senzer heeft aan haar vordering in conventie onder meer het volgende ten grondslag gelegd. Uit de bestekken met toelichting blijkt dat door haar als eis is gesteld aan het gunnen van de vervoersopdracht dat de opdrachtnemer tenminste 3% van het gemiddeld te vervoeren aantal werknemers aan begeleid werkplekken en/of detacheringsplekken dient te creëren. Dit is een verplichting door opdrachtgever aan de opdrachtnemer, de zogeheten social return verplichting. Alptax is sinds 1 januari 2014 tekortgeschoten in de nakoming van deze minimumafnameverplichting. Alptax is aansprakelijk voor de schade die Senzer heeft geleden, bestaande in omzetverlies.

De detachering is met wederzijds goedvinden stopgezet op 6 juni 2016 en daarmee is een einde gekomen aan de Detacheringsovereenkomst. En anders is de Detacheringsovereenkomst van rechtswege op grond van artikel 2.1 van die overeenkomst per 31 december 2016 afgelopen nu geen van partijen voor die datum de andere partij te kennen heeft gegeven de Detacheringsovereenkomst te willen verlengen.

4.3.

Alptax heeft tot haar verweer in conventie en ter onderbouwing van haar vordering in reconventie onder meer het volgende aangevoerd.

De in het kader van de aanbesteding gestelde social return voorwaarde staat los van de Detacheringsovereenkomst. Senzer heeft zich bij de Detacheringsovereenkomst verbonden aan een detacheringsverplichting zoals in die overeenkomst omschreven inhoudende dat Senzer verplicht was om gedurende de looptijd van de Detacheringsovereenkomst een minimum aantal medewerkers bij Alptax te detacheren. Er bestond voor Alptax geen afnameverplichting anders dan de verplichting om door Senzer aangeboden medewerkers, die voldeden aan de voorwaarden genoemd in de Detacheringsovereenkomst, in te zetten.

Senzer is tekortgeschoten in de nakoming van haar detacheringsverplichting. De exoneratie van artikel 7.5 van de Detacheringsovereenkomst, waarop Senzer zich heeft beroepen, is niet van toepassing omdat die bepaling ziet op de situatie dat een medewerker is gedetacheerd bij Alptax en lopende de tewerkstelling tijdelijk niet beschikbaar is.

Senzer is gehouden de schade die Alptax als gevolg van de tekortkoming van Senzer heeft geleden, te vergoeden.

De Detacheringsovereenkomst is door Senzer zowel mondeling als schriftelijk verlengd tot 31 december 2017. De tewerkstellingen zijn niet gestopt per 6 juni 2016.

4.4.

Senzer heeft onder verwijzing naar hetgeen door haar in conventie is gesteld tot haar verweer in reconventie onder meer aangevoerd dat er geen sprake is van een verplichting harerzijds zoals door Alptax gesteld en dat zij op grond van het bepaalde in artikel 7.5 van de Detacheringsovereenkomst niet aansprakelijk is voor schade als gevolg van het niet beschikbaar zijn van werknemers om bij Alptax te plaatsen.

4.5.1.

Het geschil tussen partijen spitst zich voor een belangrijk deel toe op de vraag of de Detacheringsovereenkomst een minimumafnameverplichting van Alptax van werknemers van Senzer inhoudt, zoals Senzer stelt, dan wel een resultaatsverbintenis van Senzer tot het invullen van door Alptax gecreëerde werkplekken, zoals Alptax stelt. Ter beantwoording van deze vraag zal de Detacheringsovereenkomst moeten worden uitgelegd. De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.

4.5.2.

Hetgeen is bepaald in het bestek onder 3.28 komt er op neer dat er voor Alptax een verplichting bestaat om een bepaald aantal begeleid werkplekken en/of detacheringsplekken (hierna: detacheringsplekken) te creëren. Deze verplichting wordt door Senzer aangeduid als de social return verplichting. Alptax heeft bij zijn inschrijving verklaard deze detacheringsplekken te zullen creëren (zie hiervoor onder 2.2). Over een afnameverplichting als thans door Senzer voorgestaan, die er feitelijk op neer komt dat Alptax ook werknemers van Senzer moet plaatsen als deze niet door Senzer beschikbaar worden gesteld voor de gecreëerde plekken, wordt in het bestek en in de antwoorden van Senzer op de door Alptax over dit onderwerp gestelde vragen, niet gerept. In het bestek en de hiervoor bedoelde verklaring van Alptax staat dat de door Senzer te creëren plekken op basis van detachering door Senzer kunnen worden ingevuld.

De Vervoersovereenkomst houdt ten aanzien van de verplichting tot het creëren van detacheringsplekken geen nadere bepalingen in en biedt geen aanknopingspunten voor de uitleg van de Detacheringsovereenkomst.

Uit de stellingen van partijen volgt dat zij bedoeld hebben in de Detacheringsovereenkomst deze in het bestek opgenomen verplichting nader uit te werken. Volgens Senzer is de minimumafnameverplichting neergelegd in artikel 1 van de Detacheringsovereenkomst. Uit de bewoordingen van die bepaling valt niet af te leiden dat partijen hebben bedoeld een minimumafnameverplichting voor Alptax overeen te komen. Senzer heeft verwezen naar de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 1 van de Detacheringsovereenkomst. Uit hetgeen Senzer, mede onder verwijzing naar de e-mailcorrespondentie tussen partijen in de periode van 20 tot en met 29 november 2013, heeft gesteld over hetgeen aan het sluiten van de Detacheringsovereenkomst is vooraf gegaan, valt geen minimumafnameverplichting van Alptax af te leiden, laat staan een afnameverplichting die ook zou bestaan als Senzer geen medewerkers beschikbaar heeft voor werkplekken die Alptax heeft gecreëerd. Ook uit de wijze waarop partijen aan de Detacheringsovereenkomst uitvoering hebben gegeven kan niet worden afgeleid dat partijen hebben bedoeld een dergelijke afnameverplichting voor Alptax overeen te komen. Tussen partijen staat immers vast dat sinds 1 november 2014 nimmer werknemers van Senzer bij Alptax zijn gedetacheerd in de aantallen genoemd in die overeenkomst en gesteld noch gebleken is dat Senzer Alptax op enig moment op haar minimumafnameverplichting heeft aangesproken.

4.5.3.

Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden moet ervan worden uitgegaan dat van een minimumafnameverplichting als door Senzer gesteld, geen sprake is zodat Alptax niet ten aanzien van een dergelijke verplichting kan zijn tekortgeschoten. Alptax kan daarom niet op grond van de gestelde tekortkoming aansprakelijk worden gehouden wegens omzetverlies van Senzer.

4.5.4.

Alptax heeft zich er op beroepen dat er sprake is van een resultaatsverbintenis, in die zin dat Senzer gehouden is de door Alptax gecreëerde werkplekken daadwerkelijk met haar werknemers in te vullen. Volgens Alptax bevatte de social return verplichting zoals neergelegd in paragraaf 3.28 van het bestek voor Senzer geen harde verplichting om direct en in volle omvang van de door Alptax te creëren detacheringsmogelijkheid gebruik te maken maar is een dergelijke verplichting wel in artikel 1.1 van de Detacheringsovereenkomst neergelegd. Een dergelijke vergaande verplichting valt echter niet zonder meer in de bewoordingen van die bepaling te lezen. Alptax heeft ter onderbouwing van haar stellingen gewezen op de onderhandelingen die aan de totstandkoming van de Detacheringsovereenkomst vooraf zijn gegaan en de in verband daarmee tussen partijen gevoerde e-mailcorrespondentie. Die onderhandelingen zijn gestart met een bespreking tussen partijen op 14 oktober 2013 waarvan het verslag is neergelegd in de e-mail van Senzer van 17 oktober 2013 (productie 8 van Alptax). Blijkens die e-mail heeft Senzer de intentie uitgesproken om de mogelijkheid van detachering van chauffeurs te bespreken en heeft Alptax te kennen gegeven zowel mogelijkheden als beperkingen te zien. Uit dat verslag blijkt niet dat is gesproken over verplichtingen over en weer in verband met detachering van werknemers van Senzer. De correspondentie waar Alptax naar verwijst, ziet niet op afspraken die partijen over verplichtingen van Senzer tegenover Alptax wensten te maken maar over de voorwaarden die zouden gelden als detachering plaats zou vinden, zoals de inzetbaarheid van werknemers en de tarifering. Over een verplichting tot het aanbieden van chauffeurs, laat staan in die zin dat er van een resultaatsverbintenis aan de kant van Senzer sprake zou zijn, valt in die correspondentie niet te lezen. Anders dan Alptax heeft gesteld valt in haar e-mail van 28 november 2013 niet te lezen, evenmin als in andere e-mails, dat het voor Alptax een zeer belangrijk punt vormde welke gerechtvaardigde verwachtingen zij mocht hebben ten aanzien van de aanwezigheid van voldoende competente en inzetbare te detacheren medewerkers, in elk geval niet in die zin dat Senzer gehouden zou zijn dergelijke medewerkers bij Alptax te plaatsen. Het zijn ook die voorwaarden van inzetbaarheid en tarifering die in de Detacheringsovereenkomst zijn vastgelegd en niet de verplichting om voldoende medewerkers die aan die voorwaarden zouden voldoen, bij Alptax te plaatsen.

Een resultaatsverbintenis zoals door Alptax voorgestaan valt ook niet goed te rijmen met het bij Alptax bekende uitgangspunt van Senzer zoals dat is weergegeven in het bestek onder 3.28, inhoudende dat het aantal te creëren werkplekken minimaal beschikbaar zou blijven voor de gehele tijd van de overeenkomst en alleen dan lager zou kunnen zijn wanneer er onvoldoende geschikte werknemers beschikbaar zijn vanuit Senzer. Hieruit volgt dat voor Senzer het aantal te plaatsen medewerkers mede afhankelijk zou zijn van het aantal geschikte medewerkers dat beschikbaar zou zijn. Onweersproken is ook gebleven dat Senzer als werkbedrijf afhankelijk is van werknemers met een afstand tot de arbeidsmarkt die op een bepaald moment beschikbaar zijn. Senzer heeft in haar brief van 14 december 2016 weliswaar aangegeven dat niet voldaan wordt aan de minimumverplichting maar daarmee kan zij nog niet worden geacht te hebben erkend dat er sprake was van een resultaatsverbintenis. Daarbij komt dat Senzer in deze brief een beroep heeft gedaan op het bepaalde in artikel 7.5 van de Detacheringsovereenkomst. Volgens Senzer heeft deze bepaling betrekking op de situatie dat zij niet in staat is om medewerkers aan Alptax ter beschikking te stellen. Alptax heeft daartegenover gesteld dat deze bepaling ziet op de situatie dat reeds bij haar gedetacheerde medewerkers van Senzer tijdelijk uitvallen. Partijen hebben omtrent de totstandkoming van deze bepaling niets gesteld. Gelet op de afhankelijkheid van Senzer van beschikbaarheid van voor detachering geschikte medewerkers en op het bepaalde in het bestek onder 3.28, inhoudende dat het aantal te creëren werkplekken alleen dan lager kan zijn wanneer er onvoldoende geschikte werknemers beschikbaar zijn vanuit Senzer, wordt ervan uitgegaan dat deze bepaling betrekking heeft op de situatie dat Senzer geen geschikte werknemers heeft voor de invulling van door Alptax gecreëerde plekken.

Ook uit de wijze waarop partijen aan de Detacheringsovereenkomst uitvoering hebben gegeven kan niet worden afgeleid dat partijen hebben beoogd een resultaatsverbintenis aan te gaan. Zoals hiervoor al is overwogen staat immers vast dat sinds 1 november 2014 nimmer werknemers van Senzer bij Alptax zijn gedetacheerd in de aantallen genoemd in de Detacheringsovereenkomst. Alptax heeft onder verwijzing naar haar productie 17 gesteld dat partijen met elkaar op zoek waren naar manieren om invulling aan de detacheringsverplichting te geven en deze invulling te verbeteren. Uit die correspondentie blijkt niet dat partijen ervan uitgingen dat op Senzer de verplichting rustte om een bepaald aantal werknemers bij Alptax te plaatsen. Evenmin blijkt daaruit dat Alptax Senzer op deze verplichting heeft aangesproken terwijl dat gelet op het belang dat Alptax stelt te hebben bij die plaatsing, wel voor de hand zou hebben gelegen. Op het moment dat Alptax Senzer aansprak op nakoming van de door haar gestelde verplichting, in december 2016, heeft Senzer het bestaan van een dergelijke verplichting betwist.

4.5.5.

Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden kan er niet van worden uitgegaan dat partijen een resultaatsverbintenis zijn aangegaan. Van een tekortkoming en een aanspraak op schadevergoeding op de door Alptax genoemde grond, is daarom geen sprake.

4.6.1.

Tussen partijen is voorts in geschil op welk moment de Detacheringsovereenkomst is geëindigd. Senzer heeft gesteld dat de Detacheringsovereenkomst per 6 juni 2016 is geëindigd omdat er na die datum geen medewerkers van Senzer meer waren tewerkgesteld bij Alptax. Subsidiair heeft Senzer zich op het standpunt gesteld dat de Detacheringsovereenkomst van rechtswege is geëindigd per 31 december 2016. Alptax heeft zich daartegenover op het standpunt gesteld dat de Detacheringsovereenkomst met één jaar is verlengd, tot en met 31 december 2017.

4.6.2.

Nog los van het feit dat Alptax heeft weersproken dat er na 6 juni 2016 geen werknemers van Senzer meer bij haar waren tewerkgesteld, brengt de enkele omstandigheid dat er op enig moment geen werknemers van Senzer meer bij Alptax gedetacheerd zijn, nog niet mee dat de Detacheringsovereenkomst eindigt. De omstandigheid dat door partijen op enig moment geen uitvoering meer wordt gegeven aan een overeenkomst leidt immers niet zonder meer tot beëindiging van die overeenkomst. Gesteld noch gebleken is dat partijen over een beëindiging van de Detacheringsovereenkomst per die datum hebben gesproken, laat staan dat Alptax daarmee heeft ingestemd. Van een beëindiging met wederzijds goedvinden als bedoeld in artikel 2.3 van de Detacheringsovereenkomst is, anders dan Senzer heeft gesteld, geen sprake.

4.6.3.

Bij brief van 7 november 2016 (zie hiervoor onder 2.6) is de Vervoersovereenkomst met één jaar verlengd. De Detacheringsovereenkomst is daarbij niet genoemd. De brief van 14 december 2016 (zie hiervoor onder 2.7) gaat over de detachering van medewerkers en de Detacheringsovereenkomst. In die brief is met zoveel woorden aangegeven dat de Detacheringsovereenkomst door Senzer is verlengd tot 31 december 2017. Anders dan Senzer heeft gesteld blijkt uit de brief van Alptax van 23 december 2016 niet dat Alptax de brief van 14 december 2016 zo interpreteert dat daarin wordt vermeld dat de Vervoersovereenkomst is verlengd, maar de Detacheringsovereenkomst niet. Uit die brief blijkt immers dat Alptax er aanspraak op maakt dat Senzer ook in de toekomst aan de Detacheringsovereenkomst uitvoering zal geven. Er moet dan ook van worden uitgegaan dat de Detacheringsovereenkomst is verlengd tot 31 december 2017. Van een beëindiging van rechtswege per 31 december 2016 is geen sprake.

4.7.

De slotsom van het voorgaande is dat de vordering in conventie in zijn geheel moet worden afgewezen en dat de vordering in reconventie moet worden afgewezen, met uitzondering van de gevraagde verklaring voor recht ter zake de looptijd van de Detacheringsovereenkomst, die zal worden toegewezen.

4.8.

In conventie zal Senzer als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. Die kosten worden tot aan deze uitspraak begroot op in totaal € 1.704,00, waarvan € 618,00 griffierecht en € 1.086,00 salaris advocaat (2 punten, tarief II à € 543,00 per punt).

4.9.

In reconventie zal Alptax als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld de in proceskosten. Die kosten worden tot aan deze uitspraak begroot op

€ 2.402,00 salaris advocaat (2 punten, tarief VI à € 2.402,00 per punt, x factor ½).

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst het gevorderde af,

5.2.

veroordeelt Senzer in de kosten van deze procedure aan de zijde van Alptax gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op € 1.704,00,

in reconventie

5.3.

verklaart voor recht dat de Detacheringsovereenkomst door verlenging een looptijd heeft gehad tot en met 31 december 2017,

5.4.

veroordeelt Alptax in de kosten van deze procedure aan de zijde van Senzer gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op € 2.402,00,

5.5.

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E.M. Effting-Zeguers en in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2018.