Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:2067

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
01-05-2018
Datum publicatie
01-05-2018
Zaaknummer
17/_2957
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:2865, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Griffierecht zonder geldige reden niet tijdig betaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2018/496
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ‘s Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 17/2957

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 mei 2018 in de zaak tussen

[eiser] , in [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. C.B. Buisman),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (voorheen: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie), verweerder,

(gemachtigde: mr. M.M. van Asperen).

Procesverloop

Bij besluit van 22 januari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder het Nederlanderschap van eiser ingetrokken.

Bij besluit van 21 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2018.

Eiser is naar de zitting gekomen, bijgestaan door zijn gemachtigde en door mr. B. Stapert, kantoorgenoot van eisers gemachtigde. Verweerder is met kennisgeving niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser is afkomstig uit Rwanda. Eiser heeft in 2001 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gekregen. Op onbekende datum is eiser een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd verleend. Bij besluit van 11 september 2006 is eiser het Nederlanderschap verleend.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn bij het primaire besluit ingenomen standpunt gehandhaafd dat het Nederlanderschap van eiser wordt ingetrokken op grond van het bepaalde in artikel 14, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (Rwn). Verweerder werpt eiser tegen dat hij heeft gezwegen over zijn rol bij de gebeurtenissen in Rwanda voorafgaand aan en tijdens de genocide, en daarmee essentiële informatie heeft achtergehouden die, als deze informatie bekend zou zijn geweest, er toe zou hebben geleid dat hem een verblijfsvergunning zou zijn onthouden op grond van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Daarmee zou eiser op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rwn ook niet in aanmerking zijn gekomen voor verlening van het Nederlanderschap.

3. De rechtbank ziet zich ambtshalve gesteld voor de vraag of het beroep ontvankelijk is.

4. Op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt van de indiener van het beroepschrift een griffierecht geheven.

Ingevolge artikel 8:41, vijfde lid, moet het griffierecht binnen vier weken na verzending van de mededeling van de griffier zijn bijgeschreven op de rekening van het gerecht dan wel ter griffie zijn gestort.

Het zesde lid van artikel 8:41 bepaalt dat het beroep niet-ontvankelijk is als het bedrag niet tijdig is bijgeschreven of gestort, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

5. Bij niet aangetekend verzonden nota van 2 november 2017 heeft de rechtbank eisers gemachtigde meegedeeld dat een griffierecht van € 168,– verschuldigd is en dat dit bedrag uiterlijk vier weken na de datum van de nota moet zijn bijgeschreven op een in de nota genoemd rekeningnummer. Daarbij is aangegeven dat als het griffierecht niet of niet tijdig is bijgeschreven de kans bestaat dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaart en niet inhoudelijk behandelt. Deze nota is verzonden naar het kantoor van eisers gemachtigde, Stapert Advocaten, ter attentie van eisers gemachtigde. Deze nota is onbetaald gebleven.

6. Bij aangetekend verzonden brief van 1 december 2017 heeft de rechtbank eisers gemachtigde herinnerd aan de nota van 2 november 2017 en vermeld dat het griffierecht van € 168,– uiterlijk vier weken na dagtekening van deze brief moet zijn overgemaakt naar het in de nota genoemde rekeningnummer. Daarbij is opnieuw vermeld dat als het griffierecht niet of niet tijdig is bijgeschreven de kans bestaat dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaart en niet inhoudelijk behandelt. Ook deze brief is verzonden naar het kantoor van eisers gemachtigde, ter attentie van eisers gemachtigde. De brief is op 5 december 2017 om 13:37 uur afgeleverd op het adres [adres] . Voor ontvangst is getekend door ene [naam] .

7. Bij brief van 17 januari 2018 heeft de rechtbank eisers gemachtigde het volgende laten weten:

Naar aanleiding van het door u op 31 oktober 2017 ingediende beroepschrift van [eiser] heeft de Rechtspraak, Dienstencentrum Rechtspraak (LDCR), u bij nota van 2 november 2017 bericht dat het voor deze procedure verschuldigde griffierecht ten bedrage van € 168,00 binnen vier weken na dagtekening op de in die brief genoemde rekening van Grjffie LDCR moet zijn overgemaakt. Bij aangetekende brief van 1 december 2017 bent u erop gewezen dat uit de administratie is gebleken dat u nog niet heeft voldaan aan de uitnodiging om het griffierecht te betalen. Daarbij bent u er nogmaals op gewezen dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na dagtekening van de brief moet zijn overgemaakt. Deze herinneringsbrief is op 5 december 2017 door PostNL op uw kantoor bezorgd en voor ontvangst getekend.

Ik wijs u op artikel 8:41, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Daarin is bepaald dat het beroep niet-ontvankelijk is indien het bedrag niet tijdig is bijgeschreven of gestort, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Uit de administratie is thans gebleken dat u niet heeft voldaan aan het verzoek. Ik stel u hierbij in de gelegenheid te reageren op het voorgaande. Indien u meent dat het verschuldigde griffierecht is betaald, verzoek ik u daarvan een betalingsbewijs over te leggen.

Uw reactie zie ik graag per ommegaande, doch uiterlijk binnen twee weken tegemoet.

8. Op 19 januari 2018 is het voor het beroep verschuldigde griffierecht betaald.

9. Bij brief van 30 januari 2018 heeft eisers gemachtigde gereageerd op de brief van de rechtbank van 17 januari 2018. Zij heeft deze reactie op de zitting van 20 maart 2018 toegelicht.

10. Op wat eisers gemachtigde naar voren heeft gebracht, zal de rechtbank in het navolgende, voor zover relevant, ingaan.

11. Eisers gemachtigde heeft niet betwist dat zij de inleidende nota griffierecht van. 2 november 2017 heeft ontvangen, en dat die niet is betaald.

12. Eisers gemachtigde heeft primair ontkend dat zij de aangetekende brief van 1 december 2017 heeft ontvangen, zodat geen sprake is van een verzuim om het verschuldigde griffierecht te voldoen. Het bepaalde in artikel 8:41, zesde lid, van de Awb is daarom niet van toepassing. Eisers gemachtigde heeft er op gewezen dat de brief voor ontvangst is getekend door ene [naam] . Dit is volgens eisers gemachtigde de heer [naam] , werkzaam bij Polska, Polish Tourist Organisation (Polska). Dit bedrijf is gevestigd in het pand waarin ook het kantoor van eisers gemachtigde is gevestigd, [adres] . PostNL heeft de brief van 1 december 2017 niet bezorgd bij het kantoor van eisers gemachtigde, maar bij Polska. Voor de ontvangst van de brief is immers getekend door de heer [naam] . De heer [naam] heeft desgevraagd tegenover eisers gemachtigde verklaard dat hij zich niets meer kan herinneren van de aanbieding van de brief of van het feit dat hij voor ontvangst daarvan heeft getekend. De brief is ook niet meer teruggevonden. Door deze fout van PostNL heeft eisers gemachtigde de brief van 1 december 2017 niet ontvangen. Het beroep kan dus niet op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard, aldus eisers gemachtigde.

13. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat op het adres [adres] vijf bedrijven zijn gevestigd. Polska is gevestigd op de begane grond. Het kantoor van eisers gemachtigde is gevestigd op de tweede verdieping van het pand. Alle bedrijven gebruiken hetzelfde postadres. Het pand heeft één voordeur, één brievenbus, en een bellenbord met vijf drukknoppen. In de centrale hal zijn open postvakken aangebracht. Ook hangt er een bord waarop iedere persoon die in het pand werkzaam is zijn aan- en afwezigheid kan registreren. Zoals eisers gemachtigde tijdens de zitting heeft verklaard, zijn er geen concrete afspraken gemaakt tussen de gebruikers van het pand over hoe moet worden omgegaan met op het adres bezorgde post in het algemeen of aangetekende post in het bijzonder.

14. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 21 februari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:585) volgt dat als een poststuk aangetekend is verzonden en de belanghebbende de ontvangst ervan ontkent, moet worden onderzocht of het stuk door PostNL op regelmatige wijze aan het adres van de belanghebbende is aangeboden. Wanneer PostNL bij aanbieding van het stuk niemand thuis treft en daarom een afhaalbericht achterlaat, komt het niet ophalen van dat stuk bij het kantoor van PostNL voor rekening en risico van de belanghebbende. Stelt de belanghebbende geen afhaalbericht te hebben ontvangen, dan ligt het op zijn weg feiten aannemelijk te maken op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat een afhaalbericht is achtergelaten.

15. De rechtbank oordeelt dat de hiervoor vermelde jurisprudentie van de Afdeling ook van toepassing is n dit geval, waarin geen afhaalbericht is achtergelaten, maar het poststuk is uitgereikt aan een bewoner dan wel gebruiker van het adres van de gemachtigde van eiser. Niet betwist is immers dat de brief van 1 december 2017 aangetekend en correct geadresseerd is verzonden en door PostNL op het adres van eisers gemachtigde is aangeboden. Dat PostNL de brief niet aan een medewerker van het kantoor van eisers gemachtigde heeft aangeboden, maar aan een persoon die bij een van de andere bedrijven in hetzelfde pand, maakt niet dat de brief niet op regelmatige wijze aan het adres van de belanghebbende is aangeboden. Het komt voor rekening en risico van eisers gemachtigde dat de bezorging van post achter de voordeur van het adres [adres] niet op een sluitende manier is geregeld. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eisers gemachtigde geacht kan worden op de hoogte te zijn van het belang van tijdige kennisname van gerechtelijke stukken. Bovendien beschikt zij over mogelijkheden om te voorkomen dat dergelijke post in het ongerede raakt, bijvoorbeeld door het maken van sluitende afspraken met de medegebruikers van het pand over de omgang met aangetekende post, of door het aanhouden van een postbus. Specifiek voor de voldoening van het verschuldigde griffierecht bestaat tenslotte de mogelijkheid van het openen van een rekening-courant bij de rechtbank.

16. Gezien het voorgaande is sprake geweest van een verzuim als bedoeld in artikel 8:41, zesde lid, van de Awb, en bestaat geen grond voor het oordeel dat eisers gemachtigde daarvan redelijkerwijs geen verwijt valt te maken.

17. Subsidiair heeft eisers gemachtigde betoogd dat een niet‑ontvankelijkverklaring van het beroep achterwege moet blijven op grond van de hardheidsclausule. Het zou voor iedereen, niet alleen voor eiser, onbevredigend zijn en voor eiser zeer schrijnend zijn als het inhoudelijke standpunt van verweerder niet aan een rechterlijke toets zal worden onderworpen. Hierbij komt dat de procedure al ruim 4,5 jaar duurt, eiser de kosten van rechtsbijstand in deze procedure zelf moet betalen en dat deze procedure eiser emotioneel zwaar valt. Als het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, is de volgende stap een uitlevering dan wel uitzetting naar Rwanda. In een uitzettingsprocedure of een uitleveringsprocedure zal eiser niet meer de gelegenheid krijgen om de tegen hem geuite beschuldigingen aan te vechten. Tijdens de zitting is nog toegelicht dat eiser belang heeft bij een reisdocument dat hem in staat stelt naar Senegal te reizen, waar eiser actief betrokken is bij een bijenproject. Verweerder heeft volgens eisers gemachtigde al aangegeven dat hij niet bereid is eiser na intrekking van het Nederlanderschap, en dus het verlies van zijn Nederlandse paspoort, te voorzien van een reisdocument voor reizen buiten Europa. Er hangt eiser dus veel boven het hoofd. Eisers gemachtigde heeft betoogd dat eiser niet moet boeten voor haar beroepsfout. Zij acht de sanctie van een niet-ontvankelijkverklaring onevenredig en disproportioneel, met name omdat eiser geen enkele blaam treft.

18. Dit betoog slaagt niet. In het geval verzuimd is het griffierecht te voldoen, schrijft artikel 8:41, zesde lid, van de Awb dwingend niet-ontvankelijkverklaring van het beroep voor. Een belangenafweging is daarbij dus niet aan de orde. De door eisers gemachtigde gestelde schrijnende omstandigheden kunnen dus niet tot het door eiser gewenste resultaat leiden. Hetzelfde heeft te gelden voor het feit dat eiser door de intrekking van het Nederlanderschap niet meer naar Senegal zou kunnen reizen.

19. De gemachtigde van verweerder heeft er op gewezen dat door de intrekking van het Nederlanderschap de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd is herleefd. Aangezien in deze procedure geen inhoudelijke beoordeling van de aan eiser verweten gedragingen heeft plaatsgevonden, kan eiser in een eventuele procedure tot intrekking van die verblijfsvergunning de tegenwerping van het bepaalde in artikel 1F in verband met die gedragingen ten volle aan de orde zou kunnen stellen. Eiser kan bovendien een effectief rechtsmiddel aanwenden tegen een voorgenomen verwijdering naar Rwanda, als die zou leiden tot een behandeling in strijd met het verbod van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Van de door eiser gestelde schending van eisers rechten onder de artikelen 6 en 13 van het EVRM en artikel 47 van het EU Handvest door de niet-ontvankelijkverklaring van dit beroep is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.

20. Het beroep moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Wat voor het overige is aangevoerd leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

21. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F.C.J. Mosheuvel, voorzitter, en mr. H.M.H. de Koning en mr. M.H. Dworakowski-Kelders, leden, in aanwezigheid van mr. J.R. Leegsma, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.