Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:2015

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
19-04-2018
Datum publicatie
25-04-2018
Zaaknummer
SHE 17/2527
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De zaak gaat over de hoogte van een tegemoetkoming in verband met de tracébesluiten tot aanpassing van de A2. Ter hoogte van Best voorzien de tracébesluiten in geluidsschermen die het zicht ontnemen op het daar achtergelegen pand van eiser.

De rechtbank ziet geen aanleiding om een aftrek van 5% voor normaal maatschappelijk risico zonder meer aanvaardbaar te achten. De wegverbreding van de A2 was een voorzienbare ontwikkeling maar niet voorzienbaar is dat er dichte betonnen geluidschermen zouden moeten komen. De rechtbank stelt zelf het normaal maatschappelijk risico vast op 4% van de schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2018-0120
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 17/2527

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 april 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. T.I.P. Jeltema),

en

de minister van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder

(gemachtigde: mr. R.J.A. Soupart).

Procesverloop

Bij besluit van 12 november 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een schadevergoeding van € 365.000,– toegekend, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 augustus 2015, in verband met het onherroepelijk geworden Tracébesluit A2 ’s-Hertogenbosch-Eindhoven.

Bij besluit van 31 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld op de zitting op 6 februari 2018. Eiser en zijn gemachtigde zijn naar de zitting gekomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser is eigenaar van een perceel aan de [adres] (het perceel). Hierop is een pand gebouwd. Na de bouw is het in februari 2006 verhuurd aan [naam bedrijf] Deze vennootschap exploiteert daar het autobedrijf “ [naam] ”.

1.2

Op 6 juni 2011 heeft de (toenmalige) minister van Infrastructuur en Milieu het tracébesluit A2 ’s-Hertogenbosch-Eindhoven vastgesteld. Op 25 januari 2012 heeft de minister het tracébesluit gewijzigd. De beide tracébesluiten zijn onherroepelijk geworden na de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: Afdeling) van 10 december 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4431). De besluiten voorzien in de wijziging van de A2 tussen de aansluiting Veghel en knooppunt Ekkersweijer en van de A58 tussen knooppunt Ekkersweijer en de aansluiting Ekkersrijt. In de buurt van het perceel van eiser voorziet het tracébesluit in de verbreding van de A2 van twee keer twee naar twee keer drie rijbanen en in de plaatsing van ondoorzichtige geluidschermen met een lengte van 450 meter en een hoogte van vijf meter ter hoogte van afrit 28 en viaduct Eindhovenseweg-Zuid Best. Vooral het wijzigingsbesluit van 25 januari 2012 is belangrijk voor eiser. Daarin is bepaald dat het geluidscherm wordt verhoogd naar 5 meter en het scherm in zuidelijke richting 210 meter wordt doorgetrokken. Daardoor is het pand op het perceel van eiser vanaf de A2 niet meer te zien.

1.3

Eiser heeft op 24 augustus 2015 een verzoek om nadeelcompensatie bij verweerder ingediend. Verweerder heeft het verzoek laten beoordelen door de ‘adviescommissie nadeelcompensatie infrastructuur en milieu tracébesluit A2 ’s-Hertogenbosch-Eindhoven’ In het definitieve advies is geconcludeerd dat het geluidscherm van vijf meter, zoals dat mogelijk wordt gemaakt in het tracébesluit, niet was toegestaan onder het bestemmingsplan, waardoor zicht voor verkeer op de A2 dat in zuidelijke richting rijdt wordt belemmerd.

1.4

De commissie heeft geadviseerd om de schade van eiser te vergoeden met een aftrek van 5% vanwege het normaal maatschappelijk risico. De commissie taxeert de schade van eiser op € 550.000,-, dit is ca. 14,9 % van de waarde van het onroerend goed voorafgaand aan de peildatum. Verweerder heeft het advies overgenomen in het primaire besluit.

2.1

Eiser is het niet eens met de aftrek van 5% vanwege het normaal maatschappelijke risico. Volgens eiser kan uit de rechtspraak niet worden afgeleid dat een aftrek van 5% bij infrastructurele projecten breed is aanvaard. Een dergelijk hoge drempel wordt misschien in de Omgevingswet opgenomen, maar dit is in de vakliteratuur breed bekritiseerd.

2.2

Volgens verweerder kan uit de rechtspraak van de Afdeling een aftrek van 5% als uitgangspunt worden afgeleid. Verweerder verwijst naar de uitspraken van de Afdeling van 1 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2071 en van 2 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:530. Verweerder ziet in dit geval geen bijzondere omstandigheden die zouden moeten leiden tot vaststelling van een lager percentage dan 5%. Verweerder verwijst ook naar de uitspraak van deze rechtbank van 29 augustus 2017 waarin de rechtbank heeft bepaald dat een forfaitaire drempel van 5% bij infrastructurele projecten niet onaanvaardbaar is.

2.3

In twee uitspraken van 29 augustus 2017 van deze rechtbank (zaaknummers SHE 17/989 en SHE 17/990) over schade door de afsluiting van een afrit op de A59 heeft de rechtbank het volgende overwogen: “Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat, onder meer gelet op het gemeentelijke beleid, afsluiting van de betreffende afrit als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat een forfaitaire drempel van 5% bij infrastructurele projecten niet onaanvaardbaar is. In hetgeen eiseressen naar voren hebben gebracht, ziet de rechtbank geen aanleiding voor toepassing van een lagere drempel.”

2.4

De rechtbank heeft in de door verweerder genoemde uitspraken zeker niet bedoeld om bij ieder infrastructureel project een aftrek van 5% voor normaal maatschappelijk risico acceptabel te achten. De uitspraken hadden geen betrekking op een planologische maatregel maar op een verkeersmaatregel. Ook in de door verweerder genoemde uitspraken van de Afdeling leest de rechtbank niet dat de Afdeling zonder meer een aftrek van 5% voor normaal maatschappelijk risico aanvaardbaar acht. Beide uitspraken van de Afdeling betroffen inbreidingslocaties en dat is hier niet aan de orde. De door verweerder gekozen benadering om een aftrek van 5% als uitgangspunt te nemen, om vervolgens te bezien of er bijzondere omstandigheden zijn om deze aftrek naar beneden bij te stellen, is volgens de rechtbank onjuist. Deze benadering doet geen recht aan de verplichting die op verweerder rust om de omvang van het normaal maatschappelijk risico te motiveren (zie de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2071). Van belang is onder meer of de planologische ontwikkeling als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd waarmee de aanvrager rekening had kunnen houden, in die zin dat die ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag, ook al bestond geen concreet zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop deze ontwikkeling zich zou voordoen. In dit verband komt betekenis toe aan de mate waarin de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en het in een reeks van jaren gevoerde planologische beleid past. Omstandigheden die verder van belang kunnen zijn, zijn de afstand van de locatie waar de ontwikkeling heeft plaatsgevonden tot de onroerende zaak van de aanvrager en de aard en de omvang van het door de ontwikkeling veroorzaakte nadeel. De beroepsgrond slaagt.

3.1

Volgens eiser wordt de schade niet veroorzaakt door de wegverbreding maar alleen door de geluidschermen. Het plaatsen van een betonnen, 5 meter hoog, geluidscherm over een lengte van 450 meter lag volgens hem niet in de lijn der verwachting. Op vele locaties in Nederland is gekozen voor volstrekt andere oplossingen met minder impact. Eiser noemt ‘fluisterasfalt’, stillere auto’s en geluidsarme banden. Eiser noemt de aanwezigheid van een woonwijk als een wel erg algemene omstandigheid om de plaatsing van een scherm van deze aard en omvang te rechtvaardigen.

3.2

Verweerder heeft gesteld dat de wegverbreding een normale maatschappelijke ontwikkeling is. Gelet op de nabijheid van een woonwijk is ook het plaatsen van geluidschermen een normale maatschappelijke ontwikkeling. Tijdens de zitting heeft verweerder hier aan toegevoegd, dat het plaatsen van dichte absorberende geluidschermen de minste kosten met zich bracht en het meeste kon bijdragen aan het beperken van de overlast voor geluidgevoelige objecten aan weerszijden van de snelweg. Daarom lagen dichte geluidschermen ook in de lijn der verwachting. Andere mogelijkheden om de geluidsoverlast te beperken waren op het peilmoment nog in ontwikkeling en boden onvoldoende zekerheid dat de geluidsoverlast voldoende kon worden beperkt.

3.3

De rechtbank is van oordeel dat de wegverbreding in de lijn der verwachting lag. Verweerder heeft terecht opgemerkt dat de A2 een steeds drukker wordende snelweg is. Dat is ook niet bestreden door eiser. Verweerder heeft ook voldoende gemotiveerd dat de door eiser genoemde andere oplossingen nog onvoldoende waren ontwikkeld, zodat de plaatsing van geluidschermen kan worden beschouwd als een normale maatschappelijke ontwikkeling, zeker gelet op de ruimtelijke structuur van de omgeving, met een woonwijk vlakbij de A2. Dat er een industrieterrein tussen de woonwijk en de A2 ligt, wil nog niet zeggen dat de woonwijk geen geluidsoverlast kan krijgen van een verbrede A2.
De rechtbank is echter wel van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft onderbouwd waarom dit dichte betonnen geluidschermen zouden moeten zijn. Verweerder heeft tijdens de zitting bevestigd dat er meerdere soorten geluidschermen zijn, waaronder doorzichtige geluidschermen. Verweerders stelling dat absorberende geluidschermen nodig zijn om weerkaatsing te voorkomen, kan de rechtbank niet volgen. Ter hoogte van het perceel van eiser liggen geen geluidgevoelige objecten aan de oostkant van de A2 en er staat geen geluidswal aan de oostkant van de A2. Het kan goed zijn dat een transparant geluidscherm duurder is dan een betonnen dicht geluidscherm, maar dat wil nog niet zeggen dat een dicht geluidscherm altijd in de lijn der verwachting ligt. Dit standpunt is onvoldoende gemotiveerd.

4.1

Eiser is verder van mening dat het plaatsen van dichte geluidschermen niet past in het geldende planologische beleid. Hij wijst op het bestemmingsplan “T-Best- Noord” waarin de locatie van zijn bedrijfspand uitdrukkelijk bedoeld is als zichtlocatie (‘eyecatcher’ voor het verkeer bij het inrijden van de Brainport regio).

4.2

Verweerder merkt op dat voor de vaststelling van het bestemmingsplan “T-Best- Noord” in 2010 de aanvangsbeslissing van verweerder al was genomen. Toen lag de plaatsing van geluidschermen al in de lijn der verwachting.

4.3

De rechtbank begrijpt verweerders verwijzing naar de aanvangsbeslissing niet. Het kan zo zijn dat deze voor de vaststelling van het bestemmingsplan “T-Best- Noord” is genomen, maar dat wil niet zeggen dat geen enkele betekenis toekomt aan de bedoeling van de planwetgever in dit bestemmingsplan met het perceel van eiser. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiser terecht heeft opgemerkt dat het hogere geluidscherm niet mogelijk is gemaakt met het tracébesluit, maar pas met het wijzigingsbesluit. De rechtbank acht de motivering van verweerder op dit onderdeel niet voldoende. Anderzijds kan de rechtbank ook niet voorbijgaan aan de omstandigheid dat in het oude planologische regime wel geluidschermen van 3 meter hoogte konden worden geplaatst (zie het op dit punt niet bestreden advies van de adviescommissie, pagina 9).

5. Partijen hebben met betrekking tot de afstand tussen het object en de schadeveroorzakende maatregel en de aard en omvang van het nadeel geen standpunten ingenomen. De rechtbank is wel opgevallen dat de adviescommissie de aftrek van 5% lijkt te hebben vastgesteld voorafgaande aan de taxatie van de schade. In zoverre betwijfelt de rechtbank of de adviescommissie en verweerder de aard en de omvang van de schade wel hebben betrokken bij de bepaling van het normaal maatschappelijk risico.

6.1

Gelet op het bovenstaande is het beroep gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

6.2

Hierboven is geoordeeld dat de verbreding van de A2 en de plaatsing van geluidschermen kan worden beschouwd als een normale maatschappelijke ontwikkeling. Deze lag in de lijn der verwachting gelet op de nabijgelegen woonwijk. Daardoor is sprake van een normaal maatschappelijk risico van meer dan 2%. Gelet op de aard van de omgeving (vooral aan de oostkant van de A2) en het bestemmingsplan “T Best Noord” lag de plaatsing van dichte geluidschermen niet geheel in de lijn der verwachting. Gelet op de locatie van het perceel en het pand van eiser en gelet op de relatief hoge omvang van de schade, stelt de rechtbank het percentage aftrek wegens normaal maatschappelijk risico vast op 4%. Gelet op de getaxeerde schade van € 550.000,– komt eiser in aanmerking voor een tegemoetkoming van € 402.000,– (vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 augustus 2015 tot aan de dag der algehele voldoening).

7.1

Eiser heeft op 20 oktober 2017 verweerder verzocht om een bijdrage in de kosten van juridische bijstand als bedoeld in artikel 6.5 van de Wet ruimtelijke ordening.

7.2

In het verweerschrift heeft verweerder gezegd dat kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat niet voorafgaand aan het primaire besluit een verzoek om vergoeding is ingediend. Verweerder verwijst in dit verband naar een uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2014 (ECLI:NL:RVS: 2014:450) en maakt een vergelijking met de verplichting op basis van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

7.3

Op verzoek van partijen zal de rechtbank dit aspect om proceseconomische redenen beoordelen. Uit de door verweerder genoemde uitspraak van de Afdeling leidt de rechtbank niet af dat een verzoek om vergoeding van de kosten in de fase voorafgaand aan het primaire besluit ook voor dat primaire besluit moet zijn ingediend. Het is mogelijk om later te verzoeken om vergoeding van deze kosten, al zal toekenning niet leiden tot herroeping van het primaire besluit wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid (en dus niet tot een proceskostenveroordeling op basis van artikel 7:15 of artikel 8:75 van de Awb). De rechtbank acht inschakeling van een deskundige niet onredelijk. De kosten zijn grotendeels gemaakt tussen het uitbrengen van het conceptadvies en het primaire besluit. De rechtbank ziet niet in waarom de kosten die zijn gemaakt na 23 maart 2016 (de datum van de zienswijze van eiser) voor vergoeding in aanmerking zouden moeten komen. De rechtbank stelt de vergoeding in goede justitie vast op een bedrag van € 2.750,–.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.004,– (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit;

  • -

    bepaalt dat eiser in aanmerking komt voor een tegemoetkoming van € 402.000,– (vierhonderdentweeduizend euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 augustus 2015 tot aan de dag der algehele voldoening en met een bedrag van € 2.750,– aan deskundigenbijstand;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,– aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.004,–.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzitter, en mr. D. J. de Lange en mr. J. Lie, leden, in aanwezigheid van mr. A.F. Hooghuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 april 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.