Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:2007

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
25-04-2018
Datum publicatie
25-04-2018
Zaaknummer
01/865053-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voor doodslag en mishandeling wordt verdachte veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf jaar. De benadeelde partijen worden niet ontvankelijk in de vorderingen verklaard voor zover die vorderingen betrekking hebben op vergoeding van affectieschade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0384
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/865053-17

Datum uitspraak: 25 april 2018

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [land] ) op [1991] ,

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 14 augustus 2017, 9 november 2017, 31 januari 2018 en 11 april 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 10 juli 2017.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 14 augustus 2017 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 29 april 2017 te Oss [slachtoffer 1]

opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer 1] met een mes in/door het hart en/of de linkerlong, althans in de borstkas te steken;

art 287 Wetboek van Strafrecht

2. hij op of omstreeks 29 april 2017 te Oss ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal, met twee handen bij de keel heeft gepakt en/of (telkens) de keel van die [slachtoffer 2] heeft dichtgeknepen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 29 april 2017 te Oss

[slachtoffer 2] heeft mishandeld door de keel van die [slachtoffer 2] met kracht dicht te drukken en/of op/tegen de keel van die [slachtoffer 2] te drukken en/of die [slachtoffer 2] met haar hoofd tegen een muur te gooien/stoten en/of aan het haar van die [slachtoffer 2] te trekken;

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak.

De officier van justitie heeft vrijspraak van het onder feit 2 primair ten laste gelegde (te weten: poging tot doodslag op [slachtoffer 2] ) gevorderd. Ook de raadsman is van mening dat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank is eveneens van oordeel dat het onder 2 primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Meer specifiek acht de rechtbank de verklaringen van de aangeefster onvoldoende om bewezen te kunnen verklaren dat een of meer handelingen hebben plaatsgevonden op een zodanige wijze (qua duur en kracht) dat deze hebben kunnen bijdragen aan het onder 2 primair aan verdachte gemaakte verwijt.

Bewijs.

Inleiding.

Verdachte wordt er onder feit 1, kortgezegd, van beschuldigd dat hij [slachtoffer 1] , al dan niet met voorbedachten rade, om het leven heeft gebracht door hem met een mes in/door het hart en in de linkerlong te steken.

Voorts wordt verdachte onder feit 2 subsidiair verweten dat hij [slachtoffer 2] heeft mishandeld.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan verdachte onder feit 1 ten laste gelegde moord en de onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde mishandeling wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft primair bepleit dat verdachte van alle hem tenlastegelegde feiten moet worden vrijgesproken bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs.

Voor wat betreft feit 1 stelt de verdediging dat niet verdachte, maar een ander, [slachtoffer 1] heeft gedood. De getuigen die verdachte aanwijzen als de dader zijn onbetrouwbaar en hun verklaringen kunnen niet voor het bewijs worden gebezigd.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte ten aanzien van feit 1 in ieder geval dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde moord.

Het oordeel van de rechtbank. 1

De bewijsmiddelen:

Ten aanzien van feit 1:

1 Vaststaande feiten.

Aantreffen lichaam

Op zaterdag 29 april 2017 werd via een 112-melding gemeld dat een steekpartij had plaatsgevonden op de [straat 2] te Oss.

De ter plaatse gekomen politie trof op de [straat 2] , ter hoogte van de brandgang tussen de woningen 25 en 27, op het trottoir een bebloede en levenloze man aan. Hij had een hoofdwond en een steekwond ter hoogte van het hart en was ter plaatse overleden. De man lag met zijn benen in de richting van de brandgang.2

Het slachtoffer bleek te zijn: [slachtoffer 1] . 3

Aanwezigen plaats delict

Op de plaats delict waren onder andere [getuige 1]4 en [getuige 2] aanwezig.5

Forensisch onderzoek slachtoffer

Bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer 1] werd links aan de borstkas een letsel (letsel A) vastgesteld, dat bij leven is ontstaan door ingewerkt uitwendig mechanisch scherprandig snijdend en perforerend geweld, zoals opgeleverd kan worden door een mes.

Gerelateerd aan letsel A is er een steekkanaal door de borstwand en perforatie van de voorzijde en de achterzijde van de linkerkamer van het hart; perforatie van de achterzijde van het hartzakje en eindigend in het longweefsel van de linkeronderkwab.. De beschadiging van deze organen, en het daarmee gepaarde bloedverlies, leidt doorgaans tot functieverlies van hart en de linkerlong en algehele weefselschade door substantieel bloedverlies, waarmee het overlijden zonder meer wordt verklaard.6

Slachtoffer bij woning aan [straat 1] te Oss

In de avond van 29 april 2017 vond een confrontatie plaats tussen verdachte en het latere slachtoffer [slachtoffer 1] .

Verdachte heeft hierover desgevraagd verklaard, dat hij in de woning van zijn ex-vriendin [slachtoffer 2] aan het [straat 1] te Oss aanwezig was en ruzie met haar had. Ook was [getuige 2] in de woning aanwezig.7 Zij heeft toen haar vriendin [getuige 3]8 gebeld, die vervolgens [slachtoffer 1] belde met de vraag naar de desbetreffende woning te gaan.

Verdachte heeft verklaard dat die avond een man hard op het raam van de woning van [slachtoffer 2] bonkte, dat verdachte het raam opende en een slaande beweging heeft gemaakt richting de man, maar de man daarbij niet raakte. De man gooide hierna het raam dicht, waardoor de vinger van verdachte ertussen kwam te zitten, hetgeen zeer pijnlijk was. Verdachte liep hierdoor letsel op en bloedde. Verdachte herkende het latere slachtoffer als de man die op het raam bonkte.9

Wie waren er in de brandgang?

Getuige [getuige 1] heeft ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat [getuige 2] eerst de brandgang inliep, vrijwel direct gevolgd door [slachtoffer 1] . De man die achter [getuige 2] liep ging hierna ook de brandgang in.10

Getuige [getuige 6] heeft ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat hij op enig moment [getuige 2] aan zag komen lopen en dat zij het gangetje in liep. [slachtoffer 1] zag haar aan komen lopen en is toen ook het gangetje ingegaan.

Verdachte heeft desgevraagd ter terechtzitting verklaard dat hij [getuige 2] vanuit de woning aan het [straat 1] te voet is gevolgd tot aan de [straat 2] . Zij is daar het gangetje in gegaan. Achter haar ging nog een man het gangetje in. Daarna ging verdachte het gangetje in.11

De tapgesprekken

In TGO Ravel werden diverse telefoontaps aangesloten, onder andere op de telefoonnummers van de broer en de vader van verdachte.

Nummer [telefoonnummer 1] in gebruik bij [broer verdachte] , broer verdachte.

Nummer [telefoonnummer 2] in gebruik bij [vader verdachte] , vader verdachte.12

Transcriptie tapgesprek 30-04-2017 te 19:45 uur: 13

De gebruiker van het telefoonnummer 06-16257662 belt naar het (getapte) telefoonnummer van [broer verdachte] , nummer [telefoonnummer 1] .

Gesprek wordt hieronder letterlijk verwerkt.

NNman 7662=A

NNman 2144=B (broer)

NNman 2l44vervolg=C (papa)

B: Hallo

A: He maat alles goed

B: Goed, met jou?

A: Ja man

B: o jongen, luister,

A: Vertel ff snel

B: Ik geef m aan papa dan kan hij vertellen

C: Hallo

A: He pap

C: Lieve jongen/schat waar ben je?

A: Ik ben bij iemand verstopt ik ben nog hier

C: Met verstoppen los je het niet op (strekking van wat gezegd wordt) Ik heb [slachtoffer 2] gezien en er was nog een ander meisje, kind ook nog gezien. Ze zeggen dat het niet [verdachte] was.

A: Ja ik heb ze vandaag ook gezien [slachtoffer 2] en het kind. Ja klopt, ze hebben gezegd dat ik het niet was. Ze hebben gezegd dat het het meisje was. Wat moet ik nu doen? Zal ik me gaan aangeven?

C: Dat is het beste om dat te doen. Alleen als dat wat ze zeggen de waarheid is. Je moet…

A: Dat is het, Hoe weet ik of wat ze gezegd hebben.

C: Ja klopt, hoe weet je dat, neem afstand en dan ben je er vanaf.

A: Ja als ik weet

C: Ze zeggen dat diegene( letterlijk vertaald die weze) vier of vijf steken heeft gekregen. Maar heb jij zoiets gedaan?

A: Kan niet, 1, 1 en dan ben ik weggelopen.

C: Dan was het dat meisje

A: 1 keer, 1 toen ben ik weggelopen, Ja ok ik wil niet meer met deze telefoon lang praten. Ja ik, straks komt een jongen, deze schakel ik uit, en dan bel later, ongeveer over twee uur. Ja? ik kijk even

C:ja

A: Deze ga ik uitschakelen en daarna bel ik

C: [naam 1] is dan op zijn werk (Telefoon waarschijnlijk in gebruik bij [broer verdachte] )

A: ok ik wil niet naar huisnummer bellen. Vertel tegen hem dat hij jou nummer even smst.

(op de achtergrond is te horen dat vermoedelijk [broer verdachte] zegt dat hij de telefoon thuis laat).

C: [naam 1] laat telefoon thuis.

A: Ok

C: Is goed

A: Ok, ik bel jullie over twee a drie uur.

C: ok

Transcriptie tapgesprek 30-04-2017 te 19.23 uur 14

NNman 6088=B

NNman 7478=A

A: Hallo

B: [naam 2] ?

A: Ha vriend

B: Hallo, ben jij op het werk?

A: Nee thuis

B: Slaap je?

A: Nee zit in de tuin

B: Wat doe jij dan, roken?

A: Zat te roken vriend

B: Vriend hoe gaan we doen dan?

A: [naam 3] weet ik nog niet, zit even iets mee

B: Vriend laat los, de dagen zijn om en op de 5de wordt de keuken gebracht en wij moeten beginnen en afmaken, toch?

A: [naam 3] , vriend, er is een probleem, ben er mee bezig,

B: wat is er?

A: iets gebeurd, met zoon

B: wat is er?

A: Niks, iemand gestoken

B: Nee toch?

A: ja

B: Waar?

A: In Oss

B: Wie, wat?

A: Poolse

B: Met wie hij woonde?

A: Nee een andere jongen

B: En toen?

A: En toen is die dood

B: Met een mes

A: Ja

(..)

Transcriptie tapgesprek 01-05-2017 te 17:28 uur 15

De gebruiker van het nummer [telefoonnummer 2] (vader van verdachte [verdachte] , wordt in dit gesprek “pa” genoemd) belt uit met het nummer [telefoonnummer 3] (in gebruik bij verdachte [verdachte] , wordt in dit gesprek “ [verdachte] ” genoemd).

[verdachte] = A

Papa= B

A: Hallo

B: Hallo

A: Hallo pa

B: [verdachte] waar ben je?

A: Ik kom er zo, van wie is dit nummer?

B: Van [naam 4]

A: ok ik ben er over een anderhalf uur

B: lieve schat ik wil even iets vragen: Dat heb jij niet gedaan!

A: Wat heb ik niet gedaan?

B: Dat ding heb jij niet gedaan!

A: Beter geweest dat ik niet heb gedaan. Maar ik....laat maar ik ga nu niet over de telefoon ding doen

B: Waar kom jij heen over anderhalf uur?

A: ik ben in Eindhoven....ik bel...

B: Hoe kom jij dan?

A: laat maar ik wil niet over de telefoon...ik doe iets en bel je.

B: is goed

2 De getuigen:

[slachtoffer 2]

Over hetgeen in haar woning voorviel heeft zij onder andere verklaard16:

“Ik woon aan het [straat 1] te Oss. Vandaag wilde mijn ex-vriend [verdachte] ons kindje zien. [verdachte] begon met mij te praten dat hij mij terug wilde. Ik wilde dat niet. Toen kwam [getuige 2] thuis. [getuige 2] logeert bij mij. [getuige 2] was erg dronken. [verdachte] vond dit niet goed. Ik hoorde dat ze begonnen te schreeuwen tegen elkaar. Ik zag dat [verdachte] met zijn handen [getuige 2] bij haar schouders vastpakte en haar duwde. Zij viel toen en kwam op de grond terecht. Ik zag dat [verdachte] geld gooide naar [getuige 2] . Ik ging mij er mee bemoeien. Ik kwam tussen hen. [verdachte] pakte mij daarop vast bij mijn nek. Hij deed zijn twee handen om mijn nek. Hij heeft mij ook vastgepakt bij mijn haren. Hij trok hard aan mijn haren. Daarna sloeg hij met mijn hoofd tegen de muur. Ik kwam op de grond terecht. [verdachte] is toen bovenop mij gaan zitten en heeft mij toen weer bij mijn nek vastgepakt. Ik ben toen naar de slaapkamer gevlucht met mijn kindje. Even later hoorde ik [getuige 2] met iemand praten aan de telefoon. Daarop hoorde ik iemand kloppen op het raam. Ik zag dat [verdachte] naar het raam liep om te gaan kijken. Ik hoorde iemand Pools praten. Een Poolse man. Ik kon zien dat [verdachte] het raam opende en daarna maakte [verdachte] een slaande beweging met zijn rechterarm. Toen zijn arm terug kwam zag ik bloed aan zijn hand. Toen gooide [verdachte] opnieuw [getuige 2] op de grond.

[getuige 2]

Getuige heeft onder andere verklaard:

Ik ken het adres niet uit mijn hoofd maar ik woon daar met een vriendin en haar kind en de vriend van die vriendin is degene die de jongen heeft neergestoken. De vriendin heet [slachtoffer 2] . De vriend van [slachtoffer 2] heet [verdachte] .

(-) Ze hadden ruzie daar. Ze hadden ruzie binnen. Ik zie in de woning dat [verdachte] haar klappen geeft met zijn vuist. In haar gezicht. Ik belde [getuige 4] en vertelde haar dat ik was geslagen door [verdachte] . [getuige 4] heeft toen [slachtoffer 1] gebeld. Ik ben thuis gebleven en in de keuken een sigaretje gaan roken. Ik zette het raam open en zag [slachtoffer 1] aan komen lopen. 17

[getuige 1]

De getuige heeft onder andere verklaard18:

Wij zijn samen naar buiten gegaan. Ik volgde [slachtoffer 1] . Een vriendje van [getuige 5] wandelde met zijn hond. Wij, [slachtoffer 1] en ik, hebben even met hem staan praten. Ik stond met [slachtoffer 1] ter hoogte van nummer 23. Terwijl wij daar met zijn drieën staan te praten zeg ik tegen [slachtoffer 1] “Kom wij gaan naar huis, we gaan slapen.” Ik zie dat [getuige 2] uit de bocht komt ter hoogte van [straat 2] . Zij ging bij nummer 25 de brandgang in. Achter haar liep een vent. Ik denk dat hij ongeveer 10 meter achter haar liep. Alles ging heel snel. Hij liep achter [slachtoffer 1] de brandgang in en daarna is hij heel snel weggerend. [slachtoffer 1] ging die brandgang in achter [getuige 2] aan. Ik heb wel iets gehoord. Daarom ben ik in de richting van de brandgang gelopen. Toen ik bij de brandgang kwam, ik was nog net niet in de brandgang, ik naderde de brandgang, kwam die onbekende man eruit gesprongen met een mes. Toen de man uit de brandgang rende met dat mes zag ik dat hij dat mes in zijn hand had. Verder zag ik [slachtoffer 1] omvallen en toen riep ik [getuige 6] . [slachtoffer 1] viel niet in de brandgang, maar net voor de ingang van de brandgang. Hij kwam de brandgang uitgelopen. [getuige 2] was in de brandgang toen ik [slachtoffer 1] op de grond zag vallen.

[getuige 6]

De getuige heeft onder andere verklaard:19

Op zaterdag 29 april 2017 heb ik omstreeks 23:10 uur de hond uitgelaten. Ik was bij een vrouwelijke kennis op de [straat 2] . De kennis heet [getuige 5] Ik was bijna bij de woning waar ik was. Ik hoorde toen ik er bijna was dat [slachtoffer 1] mij riep. Ik zag [slachtoffer 1] toen en ben naar hem toe gelopen. Ik heb hem denk ik tien minuten gesproken. Ik zag dat er een vrouw de brandgang inliep waar [slachtoffer 1] woont. Dat was [getuige 2] . Ze liep naar [slachtoffer 1] zijn woning. Ik denk dat hij haar ook had gezien want hij liep ook weer naar zijn woning. Ik stond daar nog en hoorde opeens geschreeuw. Dat geschreeuw kwam vanuit de brandgang waar [slachtoffer 1] daarvoor inliep. Ik hoorde iemand roepen “Laat hem met rust” en “Sla hem niet”. Dit was [getuige 2] . Ik herkende die stem duidelijk. Toen was het stil.

Het verhoor van getuige bevat voorts de volgende passage20:

O: De getuige heeft ondertussen zijn GSM gepakt en legt dan zijn telefoon op tafel en wijst naar het scherm van zijn GSM. De getuige kijkt ons daarop indringend aan en zegt dit was de man die [slachtoffer 1] op de grond heeft gegooid. Wij verbalisanten zien dat de getuige een foto laat zien van de verdachte. (-)

V: Oke, U laat ons een foto zien van een manspersoon. Wie is dit?

A: Dit is [verdachte] . Ik ken hem van café Mozaiek. Ik ken hem ongeveer een jaar. [verdachte] heeft mij een keer in elkaar geslagen. Omdat ik met zijn vrouw heb gepraat. (-)

De getuige verklaarde voorts onder andere:

Ik zag dat [verdachte] een mes had. Ik zag dat hij het bij zijn been hield en hield het in zijn rechter hand. Ik zag het lemmet van het mes glimmen ter hoogte van zijn been.

Ik zag dat [slachtoffer 1] nog even stil stond en toen viel die. Ik zag dat [slachtoffer 1] wegrende in de richting van de Lidl.

Er was nog een persoon bij. Hij is daar de hele tijd gebleven totdat de politie kwam toen heeft hij de benen genomen. Die derde man stond buiten op straat.21.

3 De verklaring van verdachte:

Verkort en zakelijk weergegeven luidt zijn ter zitting afgelegde verklaring:

Ik was op 29 april 2017 in de woning van mijn ex-vriendin [slachtoffer 2] aan het [straat 1] te Oss. [getuige 2] was er ook en zij was erg dronken. Ik wilde haar daar niet hebben. Ze ging in de keuken een sigaret roken. Er werd hard op het raam gebonkt. Er stond een meneer bij het raam. Ik heb het raam open gemaakt en ik heb een slaande beweging gemaakt, maar ik heb de man niet geraakt. Hij gooide het raam keihard dicht en mijn vinger zat er tussen. Ik had daar pijn van. Ik had er last van en ik werd er ook boos door. Ik ben naar buiten gelopen om te kijken waar die man was. Ik heb tegen [getuige 2] geroepen dat ze weg moest en dat ze op moest rotten. Het zou goed kunnen dat ik heb geroepen “ik maak hem dood, ik maak hem dood”. Ik was gewoon boos en ik heb geschreeuwd. Ik was boos door de hele situatie. Omdat [getuige 2] dronken thuis was gekomen. Omdat er een man op het raam stond te bonken. En ook omdat die stomdronken man het raam dichtgooide terwijl mijn vinger ertussen zat. Ik ben achter [getuige 2] aan gegaan toen zij de woning verliet. Ze liep toen door en ze kwam aan bij de [straat 2] . Ik was daar al eens eerder geweest. Ik woon al langer in Oss dus ik ken er de weg. [getuige 2] ging het poortje in en achter haar aan ging een man het poortje in. Daarna ging ik het poortje in. De man draaide zich om en er werd geduwd en getrokken.

Ik heb wel de gesprekken met mijn vader en mijn broer gevoerd 22

Alternatief scenario door verdachte

Voorts heeft de verdachte het volgende (alternatieve scenario) naar voren gebracht.

Ik was er van overtuigd dat [getuige 2] de telefoon van [slachtoffer 2] had meegenomen.

Ik ben naar buiten gegaan en [getuige 2] is daarna naar buiten gegaan. Toen ik de jongen niet meer zag staan ben ik terug naar binnen gegaan, heb mijn hand gewassen en verbonden met de theedoek. Toen ben ik naar de woonkamer gegaan. Toen ik terug kwam van buiten en de keuken inging waren [slachtoffer 2] en [getuige 2] niet meer in de woning.

Ik heb [getuige 2] onderweg een klap gegeven en haar de telefoon die zij in haar handen had afhandig gemaakt. Ik was er van overtuigd dat het de telefoon van [slachtoffer 2] was. Ik zag toen dat het niet de telefoon van [slachtoffer 2] was.

In het poortje werd ik van achteren door een andere man aan mijn haren getrokken en tegen mijn hoofd geschopt. De man die achter mij stond had mij namelijk naar de grond getrokken. Ook van voren werd ik geschopt. Ik hoorde [getuige 2] schreeuwen “sla hem niet, laat hem met rust”. De jongen achter me stopte toen, maar de andere man ging nog even door. Ik lag op mijn rug op de grond. [slachtoffer 1] was de man die voor mij stond. Hij maakte een draaiende beweging en ik zag dat [getuige 2] hem met een mes stak. Daarna gooide zij het mes op de grond. De tweede man, die achter mij stond, betrof [getuige 7] . Hij is in de brandgang geweest.

Ik zag dat [slachtoffer 1] aan de bovenkant van de borst gestoken werd. Hij was half omgedraaid. Hij stond niet helemaal met zijn rug naar mij toe. [getuige 2] stak hem met het mes in haar rechterhand. Zij stond achter hem. Hij draaide naar haar toe. Ze gooide het mes op de grond. Het was een groot mes. Nadat zij het mes op de grond had gegooid ben ik opgestaan en weggerend. Ik was geschrokken en bang. Ik was in shock.

Ik heb me niet gemeld omdat ik bang was. Ik weet niet waarom ik gehandeld heb zoals ik heb gehandeld. Ik ben achter [getuige 2] aan gegaan vanwege de telefoon.

Toen ik wegrende stond meneer nog. Het op mijn schoen aangetroffen bloedspoor is te verklaren; ik ben daar immers aanwezig geweest.

Ze proberen mij de schuld te geven. Het is een Poolse gemeenschap. Ik heb meneer niet doodgestoken.

Met de zin “beter dat ik het niet heb gedaan” heb ik bedoeld te zeggen dat het goed is dat ik het niet was die gestoken had. Het is vertaald. Ik spreek straattaal; zowel in het Nederlands als in het Armeens. Ik spreek niet zo heel erg goed Armeens.

Bij de brandgang stond een lantaarnpaal en er scheen licht in het gangetje. Ik kon [getuige 2] en [slachtoffer 1] goed zien. De tweede man heb ik ook goed kunnen zien. Hij stond net buiten de steeg en ik lag met mijn hoofd bij de uitgang van het gangetje.

[getuige 2] maakte een onderhandse stekende beweging naar [slachtoffer 1] . Ze stak haar hand uit, trok deze terug en gooide het mes weg. Ik weet niet of zij dit met kracht deed. Zij was hartstikke dronken. Misschien dat zij zich vergist heeft in de persoon. Ik had een jaar geleden een baardje. Het dodelijke slachtoffer was dezelfde man als die eerder op het raam van de woning van [slachtoffer 2] stond te bonken. Ik wist niet waarom hij daar was. Ik kende hem niet.

Bewijsoverwegingen.

Tegen de achtergrond van de feiten en omstandigheden als hiervoor genoemd zal de rechtbank bespreken:

  • -

    De interpretatie van de tapgesprekken

  • -

    De waardering van de verklaringen van verdachte en de getuigen;

  • -

    Causaal verband tussen het handelen van verdachte en de dood van [slachtoffer 1] ;

  • -

    Opzet op de dood;

  • -

    Voorbedachte raad;

  • -

    De conclusie.

De interpretatie van de tapgesprekken.

De verdediging heeft aangevoerd dat de zin “Beter geweest dat ik niet heb gedaan” straattaal betreft en dat verdachte bedoelde te zeggen dat hij het niet gedaan had.

De rechtbank gaat hierin niet mee. Dat sprake zou zijn geweest van modern taalgebruik zou het geval kunnen zijn geweest indien verdachte in het Nederlands had gesproken. Verdachte sprak echter in het Armeens en de tolk heeft op geen enkel moment kenbaar gemaakt dat de zinsnede anders geïnterpreteerd zou moeten worden. De rechtbank legt de zin dan ook zo uit als zou verdachte hebben gezegd “Het was beter geweest wanneer ik het niet gedaan had”.

De waardering van de verklaring van verdachte en de getuigen.

De raadsman heeft aangevoerd dat de door de getuigen [getuige 2] , [getuige 7] en [getuige 6] afgelegde verklaringen op meerdere punten uiteen lopen, maar ook dat de getuigen hun verklaringen tussendoor aanpassen en dat zij liegen, hetgeen maakt dat de verklaringen onbetrouwbaar zijn zodat zij niet voor het bewijs gebezigd kunnen worden.

De rechtbank stelt voorop dat bij het beoordelen van de betrouwbaarheid van een getuigenverklaring onder meer moet worden gelet op consistentie, plausibiliteit, accuratesse en volledigheid. Het enkele feit dat een verklaring op een enkel of enkele punten tegenstrijdigheden of ongerijmdheden bevat, maakt een verklaring op zichzelf nog niet onbetrouwbaar. Dergelijke tegenstrijdigheden kunnen te wijten zijn aan de feilbaarheid van het menselijke geheugen, teweeggebracht onder invloed van emoties veroorzaakt door het delict, of door het tijdsverloop.

De rechtbank constateert dat door de getuigen inderdaad niet op alle tijdstippen op gelijke wijze wordt verklaard. Echter, op twee cruciale punten verklaren de getuigen gelijkluidend:

- [getuige 2] is als eerste het brandgangetje ingegaan; daarna is [slachtoffer 1] achter haar het brandgangetje ingegaan en vervolgens is verdachte het brandgangetje in gegaan (hetgeen door verdachte ter terechtzitting bevestigd is).

- Zowel de getuige [getuige 7] als de getuige [getuige 6] hebben gezien dat een man met een mes wegrende uit de richting van de brandgang.

De verklaringen van de getuigen komen mogelijk op onderdelen niet met elkaar overeen, of zijn mogelijk onwaar, maar dat maakt de verklaringen op andere meer cruciale punten niet onbetrouwbaar.

Verdachte heeft zijn alternatieve lezing pas afgelegd nadat hij met het dossier bekend was geraakt. Zijn verklaring vindt op cruciale onderdelen géén steun in de hiervoor genoemde bewijsmiddelen.

De rechtbank acht de verklaring van de verdachte afgelegd ten overstaan van de politie op 13 maart 2018 als ook ter zitting van 11 april 2018 volkomen ongeloofwaardig en gefabuleerd.

- Uit de getuigenverklaringen volgt dat er geen vierde persoon was in het brandgangetje ten tijde van de steekpartij.

- De getuigen hebben verdachte en niet [getuige 2] op de plaats delict met een mes gezien.

- [getuige 2] had voorts geen enkele reden om het slachtoffer neer te steken; hij wilde haar juist beschermen en was een vriend van haar. Zij is steeds bij het slachtoffer gebleven en in haar omgeving is geen mes aangetroffen.

- Daarbij kwam dat [getuige 2] erg dronken was en ook heeft zij naar alle waarschijnlijkheid niet de kracht om het mannelijke slachtoffer met één messteek door de kleding en de borstkas dodelijk te raken.

[getuige 2] is derhalve niet degene die [slachtoffer 1] dodelijk heeft gestoken.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van de getuigen zoals hiervoor aangehaald betrouwbaar zijn en voor het bewijs kunnen worden gebruikt.

De verklaring van verdachte schuift de rechtbank als volstrekt ongeloofwaardig terzijde.

Causaal verband tussen het handelen van verdachte en de dood van [slachtoffer 1] .

Bij de sectie is - kort gezegd - vastgesteld dat het slachtoffer door één messteek is overleden.

De rechtbank heeft vastgesteld dat alleen [getuige 2] , [slachtoffer 1] en verdachte in het brandgangetje aanwezig waren.

Zoals hiervoor overwogen heeft de rechtbank gesteld dat [getuige 2] niet degene is geweest die [slachtoffer 1] heeft gestoken.

De verdachte is voorts, terwijl hij van het brandgangetje wegrende, herkend en had ten tijde van het wegrennen een mes in zijn hand.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat boven iedere twijfel is verheven dat er een causaal verband bestaat tussen de aanwezigheid van verdachte in de brandgang en de dood van [slachtoffer 1] .

Opzet op de dood.

Gelet op het voorgaande is er geen ruimte voor een andere conclusie dan dat verdachte in de brandgang éénmaal met een mes op het slachtoffer heeft ingestoken, welke handeling bewust is ingezet met minst genomen het voorwaardelijk opzet om [slachtoffer 1] van het leven te beroven.

De voorbedachte raad.

De rechtbank heeft bij de beoordeling van de vraag of sprake is van voorbedachte raad in het bijzonder gelet op het arrest van de Hoge Raad van 28 februari 2012, (ECLI:NL:HR:2012:BR2342), waarin is overwogen dat:

“Voor een bewezenverklaring van dit bestanddeel moet, zoals hierboven ook is weergegeven, komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.”

De rechtbank overweegt, dat uit het dossier en bij gebrek aan een geloofwaardige verklaring van verdachte niet valt af te leiden dat verdachte een vooropgezet plan had om [slachtoffer 1] te doden. Ook kan niet worden vastgesteld hoe de schermutseling in de brandgang precies heeft plaatsgevonden. Dit alles in aanmerking nemende en indachtig de reikwijdte van het begrip “voorbedachte raad”, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld of de verdachte de vereiste tijd en gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Ondanks dat de rechtbank van oordeel is, dat de beslissing van verdachte om het slachtoffer te steken niet in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling is genomen, acht de rechtbank mitsdien niet bewezen dat verdachte heeft gehandeld met “voorbedachte raad”, zodat hij van de onder 1 impliciet primair ten laste gelegde “moord” zal worden vrijgesproken. Dat verdachte ongeveer tien minuten voor het daadwerkelijke steekmoment zou hebben geroepen “Ik maak hem dood, ik maak hem dood” maakt dit niet anders.

De conclusie

De conclusie is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op al het voorgaande, dat verdachte op 29 april 2017 [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd door hem met een mes door het hart en in de long te steken. Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan “doodslag” zoals onder feit 1 impliciet subsidiair ten laste is gelegd.

Ten aanzien van feit 2 subsidiair:

Aangeefster [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij door haar ex-vriend [verdachte] (verdachte) in de avond van 29 april 2017 in haar woning aan het [straat 1] te Oss met twee handen om haar nek/keel is vast gepakt en dat dit pijn deed. Hij pakte haar ook bij de haren vast, waarna hij haar met het hoofd tegen de muur sloeg en zij op de grond terecht kwam. Verdachte is toen bovenop haar gaan zitten en heeft haar wederom bij de nek vast gepakt. [getuige 2] was hierbij aanwezig.23

De getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij sinds 4 maanden bij [slachtoffer 2] inwoont. In de avond van op 29 april 2017 kwam zij thuis en zag zij dat verdachte [slachtoffer 2] klappen gaf. 24

De politie heeft [slachtoffer 2] in de nacht van 29 april 2017 gezien. Zij heeft tegenover de politie verklaard dat zij door verdachte was mishandeld en zij liet daarbij haar nek zien. De politie constateerde dat er flinke krassen in haar nek stonden.25

Verdachte heeft ter terechtzitting26 desgevraagd verteld dat hij in de avond van 29 april 2017 een conflict had met zijn vriendin. Dit vond plaats in haar woning aan het [straat 1] te Oss. Die avond was ook [getuige 2] in de woning aanwezig.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zijn ex-vriendin [slachtoffer 2] heeft mishandeld door haar (meerdere malen) bij de keel te pakken, haar hoofd tegen een muur te stoten en aan haar haren te trekken.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1. hij op 29 april 2017 te Oss [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer 1] met een mes door het hart en in de linkerlong te steken

2. subsidiair

hij op 29 april 2017 te Oss [slachtoffer 2] heeft mishandeld door op de keel van die [slachtoffer 2] te drukken en die [slachtoffer 2] met haar hoofd tegen een muur te stoten en aan het haar van die [slachtoffer 2] te trekken

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft - uitgaande van een bewezenverklaring van de onder feit 1 tenlastegelegde moord - gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) jaren wordt opgelegd, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft zich, ondanks dat door hem een integrale vrijspraak is bepleit, wat betreft de strafmaat op het standpunt gesteld dat als uitgangspunt voor “doodslag” een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren dient te gelden.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft meer in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft op 29 april 2017 [slachtoffer 1] door één enkele messteek om het leven gebracht. De verdachte heeft een onomkeerbaar verlies teweeg gebracht en zeer groot leed toegebracht aan de nabestaanden van het slachtoffer, die zich geconfronteerd zagen met de gewelddadige dood van een dierbare, hetgeen treffend tot uitdrukking is gebracht in een ter terechtzitting namens de zus van het slachtoffer voorgedragen slachtofferverklaring. Juist de omstandigheid dat onduidelijk is gebleven wat er precies is gebeurd en waarom - vragen die de verdachte bij uitstek had kunnen beantwoorden hetgeen hij tot op heden heeft nagelaten - maakt het verlies voor de nabestaanden welhaast nog tragischer.

Verdachte heeft voorts, voorafgaande aan de steekpartij, zijn ex-vriendin in haar woning mishandeld. Bovendien heeft verdachte dit feit gepleegd in het bijzijn van hun 5-jarige dochtertje. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Ten nadele van de verdachte heeft bovendien zijn proceshouding te gelden. Verdachte heeft zich bijna een jaar lang op zijn zwijgrecht beroepen alvorens, na het gereed komen van het procesdossier, ten aanzien van de steekpartij op een volstrekt ongeloofwaardig alternatief scenario te wijzen.

Ook heeft verdachte ten aanzien van de mishandeling van zijn vriendin geen enkele openheid van zaken willen geven. Verdachte ontduikt op deze wijze iedere verantwoordelijkheid voor zijn daden.

De rechtbank heeft er bij de beslissing over de strafoplegging voorts acht op geslagen dat verdachte blijkens het hem betreffende uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister in de vijf jaren voorafgaande aan het plegen van de onderhavige feiten meerdere malen is veroordeeld ter zake van misdrijven in de geweldssfeer, waaronder een bedreiging van zijn ex-vriendin.

Door te handelen zoals bewezen verklaard, heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan doodslag, één van de ernstigste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. Door een dergelijk delict wordt de rechtsorde ernstig geschokt; het brengt in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid te weeg.

De wetgever heeft de buitengewone ernst van dit feit tot uitdrukking gebracht door daarop 15 jaar gevangenisstraf als strafmaximum te stellen. Voor deze feiten worden doorgaans langdurige gevangenisstraffen opgelegd.

De rechtbank neemt daarbij in ogenschouw dat verdachte niet bereid is geweest mee te werken aan een persoonlijkheidsonderzoek. Het rapport van het Pieter Baan Centrum aangaande de persoon van verdachte houden onder meer in dat zij concluderen dat verdachte consequent geen medewerking aan de onderzoeken heeft verleend en dat niet kan worden vastgesteld dat er sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens of een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens.

De rechtbank heeft geen enkele aanleiding deze bevindingen in twijfel te trekken en is van oordeel dat de bewezen verklaarde feiten verdachte geheel kunnen worden toegerekend.

Al de hierboven genoemde aspecten bepalen de hoogte van de straf en brengen de rechtbank tot het oordeel dat een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden is. Op deze gevangenisstraf zal de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht in mindering worden gebracht.

De rechtbank legt een lichtere straf op dan door de officier van justitie gevorderde straf nu de rechtbank ten aanzien van feit 1 tot een andere bewezenverklaring komt. De straf die de rechtbank zal opleggen brengt naar het oordeel van de rechtbank de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel dient te worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft zich primair, gelet op de bepleite vrijspraak, op het standpunt gesteld, dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering.

Subsidiair refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling. De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

De vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen, die zien op het verkrijgen van een vergoeding wegens affectieschade, niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. De wet biedt immers (nog) geen ruimte voor een vergoeding van affectieschade.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft zich primair, gelet op de bepleite vrijspraak, op het standpunt gesteld, dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in de vorderingen.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de gevorderde vergoedingen ter zake affectieschade niet kunnen worden toegewezen nu daarvoor iedere wettelijke basis ontbreekt.

Beoordeling. Affectieschade betreft immateriële schade die bestaat uit het verdriet en de pijn die is veroorzaakt door onder meer het overlijden van een persoon tot wie de benadeelde partij in een nauwe en affectieve relatie stond. Aanspraak op vergoeding van immateriële schade bestaat slechts indien en voor zover de wet op vergoeding hiervan recht geeft, zoals volgt uit de laatste zinssnede van artikel 6:95 BW.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 22 februari 2002 het volgende overwogen:

‘Het stelsel van de wet brengt mee dat nabestaanden ingeval iemand met wie zij een nauwe en/of affectieve band hadden, overlijdt ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is, geen vordering geldend kunnen maken tot vergoeding van nadeel wegens het verdriet dat zij ondervinden als gevolg van dit overlijden. Art. 6:108 BW geeft immers in een dergelijk geval slechts aan een beperkt aantal gerechtigden de mogelijkheid tot het vorderen van bepaalde vermogensschade. Hoewel deze bepaling van tamelijk recente datum is, kan er grond bestaan om de redenen die tot de daarin neergelegde regeling van de schadevergoeding hebben geleid, te heroverwegen. Niet uitgesloten is dat het wettelijk stelsel onvoldoende tegemoet komt aan de maatschappelijk gevoelde behoefte om aan degenen die in hun leven de ernstige gevolgen moeten ondervinden van het overlijden van een persoon tot wie zij - zoals hier - in een affectieve relatie hebben gestaan, enige vorm van genoegdoening te verschaffen. Het gaat echter de rechtsvormende taak van de rechter te buiten te dezer zake in afwijking van het wettelijk stelsel zonder meer een vergoeding toe te kennen. In de eerste plaats zou immers opnieuw een, aan de wetgever voorbehouden, afweging moeten worden gemaakt van de voor- en nadelen die aan het huidige stelsel verbonden zijn. Voorts vergt een herziening van het bestaande stelsel een afbakening van de gevallen waarin een vergoeding passend wordt gevonden en een concrete aanwijzing van de personen aan wie een dergelijke vergoeding toekomt. Ten slotte is het ook aan de wetgever te beoordelen of, en zo ja in hoeverre, aan de toekenning van een dergelijke vergoeding financiële grenzen gesteld moeten worden in verband met de consequenties die daaraan kunnen zijn verbonden’.

De raadsman van de benadeelde partijen heeft gewezen op het feit dat het wetsvoorstel dat vergoeding van affectieschade tracht mogelijk te maken op 10 april 2018 door de Eerste Kamer is aangenomen. De inwerkingtreding van deze nieuwe wet is evenwel bepaald op 1 januari 2019. Op dit moment bestaat er derhalve geen wettelijke basis voor vergoeding van affectieschade. Gelet hierop en voorts gelet op hetgeen de Hoge Raad hierover heeft overwogen, kunnen de betreffende vorderingen niet worden toegewezen. De benadeelde partijen zullen dan ook ten aanzien van hun vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partijen kunnen de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de kosten van partijen compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 24c, 27, 36f, 57, 63, 287, 300.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

t.a.v. feit 2 primair: verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder feit 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 en feit 2 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1: doodslag T.a.v. feit 2 subsidiair: mishandeling verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf:

T.a.v. feit 1, feit 2 subsidiair: Gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 1: Maatregel van schadevergoeding van € 3721,94 subsidiair 47 dagen hechtenis

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1] van een bedrag van € 3.721,94 (zegge: drieduizend zevenhonderdeenentwintig euro en vierennegentig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 47 dagen hechtenis.

Het bedrag bestaat uit materiële schadevergoeding (post "begrafeniskosten e.d.").

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] , van een bedrag van

€ 3.721,94 (zegge: drieduizend zevenhonderdeenentwintig euro en vierennegentig eurocent) aan materiële schadevergoeding (post "begrafeniskosten e.d.").

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

T.a.v. feit 1: Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] in de vorderingen.

De rechtbank zal de kosten van partijen compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.A. Waals, voorzitter,

mr. A.M. Kooijmans-de Kort en mr. E.W. van den Heuvel, leden,

in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Wentholt, griffier,

en is uitgesproken op 25 april 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgenomen in het einddossier van de politie Eenheid Oost-Brabant, Team Grootschalige Opsporing “Ravel”, met registratienummer OBRAB17003, afgesloten d.d. 31 juli 2017, aantal pagina’s: 619.

2 Proces-verbaal van bevindingen blz. 205-207, 237

3 Proces-verbaal van bevindingen blz. 274

4 Proces-verbaal van bevindingen blz. 210

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] blz. 412

6 Rapport NFI “Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood” d.d. 31 mei 2017, blz. 257, 258 en 260

7 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 11 april 2018

8 Verklaring getuige [getuige 3] blz. 569-571

9 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 11 april 2018

10 Verklaring [getuige 7] t.o.v. de rechter-commissaris d.d. 23 oktober 2017

11 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 11 april 2018

12 Proces-verbaal van bevindingen blz. 281-282

13 Proces-verbaal van bevindingen gesprek blz. 280

14 Proces-verbaal gesprek blz. 295

15 Proces-verbaal van bevindingen gesprek blz. 287

16 Verhoor getuige [slachtoffer 2] d.d. 30 april 2017 blz. 525-527

17 Verklaring getuige [getuige 2] blz. 412-415

18 Verklaring getuige [getuige 7] d.d. 30 april 2017 blz. 434

19 Verklaring getuige [getuige 6] d.d. 4 mei 2017 blz. 465-

20 Verhoor getuige [getuige 6] blz. 469

21 Verklaring getuige [getuige 6] d.d. 8 mei 2017 blz. 478-480

22 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 11 april 2018

23 Verklaring aangeefster [slachtoffer 2] blz. 525, 526, 534

24 Verklaring getuige [getuige 2] blz. 413, 414, 423

25 Proces-verbaal van bevindingen blz. 203

26 Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 11 april 2018