Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:2006

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
25-04-2018
Datum publicatie
25-04-2018
Zaaknummer
01/855038-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De minderjarige verdachte wordt veroordeeld voor medeplegen van verkrachting. De rechtbank legt een jeugddetentie van 180 dagen op met aftrek van het voorarrest, waarvan 110 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en onder meer de voorwaarden van toezicht van de jeugdreclassering en het meewerken aan een behandeling. Tevens legt de rechtbank een werkstraf van 100 uren subsidiair 50 dagen jeugddetentie op.

Verdachte moet met zijn mededader een schadebedrag van € 3.473,83 aan het slachtoffer betalen, waaronder een bedrag van € 3.000,-- aan immateriële schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/855038-17

Datum uitspraak: 25 april 2018

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [land] ) op [2001] ,

wonende te [postcode 1] , [adres 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 april 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 6 maart 2018.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 23 september 2017 te Eindhoven, althans in het arrondissement

Oost Brabant tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen door geweld en/of een (andere) feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of een (andere) feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader

- die [slachtoffer] tegengehouden en/of vastgepakt en/of

- die [slachtoffer] tegen een trap(je) aangeduwd en/of gehouden en/of

- die [slachtoffer] onverhoeds gekust en/of

- die [slachtoffer] een tongzoen gegeven en/of

- (vervolgens) de bh/kleding van die [slachtoffer] omhoog en/of omlaag getrokken en/of

- (vervolgens) de broek en/of onderbroek van die [slachtoffer] naar beneden getrokken en/of

- zijn/hun vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] geduwd en/of gehouden en/of die [slachtoffer] gevingerd en/of

- zijn/hun penis in de vagina en/of de anus van die [slachtoffer] geduwd en/of gehouden en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer] op de grond gelegd en/of geduwd en/of gehouden en/of

- zijn/hun penis tussen/tegen de billen van die [slachtoffer] gehouden en/of heen en weer bewogen en/of

- (meermalen) de verbale en non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [slachtoffer] genegeerd en/of

- (aldus) een dreigende situatie voor die [slachtoffer] doen ontstaan;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging acht het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. De raadsman stelt zich op het standpunt dat de verklaring van aangeefster niet betrouwbaar is en dat meer waarde moet worden gehecht aan de verklaringen van verdachte en de medeverdachte, inhoudende dat er geen sprake was van dwang en dat de seks met aangeefster met haar instemming was.

Het oordeel van de rechtbank. 1

Vaststaande feiten

De onderstaande feiten volgen rechtstreeks uit de hieronder opgenomen bewijsmiddelen en hebben bij de behandeling van de zaak niet ter discussie gestaan. Het vaststellen van deze feiten behoeft daarom geen andere motivering door de rechtbank dan een verwijzing naar de desbetreffende bewijsmiddelen.

Verdachten hebben samen op 23 september 2017 bij het station in Eindhoven seksuele handelingen verricht met het slachtoffer [slachtoffer] , waarbij medeverdachte haar lichaam is binnengedrongen.

Bewijsmiddelen

Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] d.d. 4 oktober 2017, op ambtsbelofte opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , pagina’s 133, 134, 135, 138 t/m 141:

Ik ben 19 jaar oud. Ik was op zaterdag 23 september 2017 in Eindhoven op stap met vrienden. Het was al 05.30 – 05.45 uur en ik wilde de eerste trein nemen. Onderweg kwam ik 2 jongens tegen. Ik vertelde dat ik naar huis ging. Ze vertelden dat ze ook naar het station moesten, dus we liepen met zijn drieën naar het station.

We gingen zitten, daar waar het is gebeurd, bij een grote klok zodat we de tijd in de gaten konden houden. 1 jongen vertelde dat hij 17 was en sprak niet zo goed Nederlands en hij vertelde dat hij uit Syrië kwam. De 18-jarige jongen, daarvan weet ik niet waar hij vandaan kwam. De jongste legde zijn hand op mijn been en ik zei dat hij het niet moest doen en deed zijn arm weg. Ik zag op de klok dat het 8 over 6 was, dus ik besloot om vast aan te lopen om naar mijn trein te gaan.

Alleen toen werd ik tegen gehouden door de 17-jarige jongen. Bij het trapje. Met mijn gezicht richting de leuning/zijkant van het trapje. En toen begon hij overal aan te zitten. De andere jongen hielp hem om mijn broek uit te trekken. Hij stak zijn tong in mijn mond en toen werd ik een beetje naar de achterkant van het trapje geduwd. Toen werd mijn bh omhoog getrokken, ik weet niet door wie, omdat mijn gezicht naar het trapje was. En toen probeerde 1 van de 2 jongens zijn piemel in mij te steken, maar dat ging niet zo makkelijk omdat ik niet opgewonden was en zo. 1 van de 2 is heel even in mij geweest. Toen ben ik op de grond gelegd of geduwd, ik weet het niet precies hoe. En toen heeft hij met zijn penis de hele tijd tussen mijn kont liggen schuren en is hij klaargekomen over de bovenkant en onderrug van mijn kont.

Ondertussen zei zijn vriend de hele tijd van ‘kom kom’. Ze vertrokken en ik bleef nog even liggen met mijn gezicht in het gras en ik heb mijn broek en zo goed gedaan. Ongeveer 5 à 10 minuten later kwamen er 2 jongens die hun fiets gingen zoeken bij de fietsenstalling. Ze vroegen of alles goed was. Ik moest huilen en zei wat er gebeurd was. Ze hebben de politie gebeld.

Dader 1 (de jongste dader, toevoeging rechtbank) hield mij dus tegen. Ik werd tegen het ijzer van de zijkant van de trap gezet. Hij stond achter me en hij duwde me. Hij deed in ieder geval iets met mijn armen want ik weet nog dat ik niets meer kon met mijn armen. Mijn armen werden vastgehouden. Ondertussen werd ik ook betast. Door dader 1.

Hij pakte mij als eerste en zat overal aan. Op een gegeven moment merkte ik wel dat dader 2 mijn gezicht vastpakte en via mijn kin mijn hoofd opzij draaide en mij wilde kussen. Door zijn tong in mijn mond te steken. Het lukte om mijn hoofd weg te draaien omdat hij mijn hoofd los liet.

Ik zei of ze het alstublieft niet wilden doen. Ze zeiden er niets op terug. Ze zeiden helemaal niets tegen mij tijdens het voorval. Waar werd je betast? Overal eigenlijk. Borsten, kont, vagina, overal.

Mijn broek was al best snel uit. Mijn shirt hield ik aan maar mijn BH werd omhoog getrokken. Dit was trouwens pas even later toen ik achter bij de trappen stond. Ze trokken van achteren op kont hoogte mijn broek naar beneden. Mijn onderbroek werd eigenlijk tegelijk met mijn broek uitgetrokken. Naar beneden tot iets over je kont.

1. probeert met zijn piemel in mij te gaan, maar dat lukte best slecht.

Ik stond met mijn gezicht tegen de achterkant van de trap aan en naar voren gebukt. De persoon die probeert met zijn piemel in me te gaan, stond achter me. Daarom kon ik niet zien wie het was.

Ik deed niks mee. Ik was aan het huilen en probeerde een beetje te verzetten maar dat lukte niet echt meer. Ik werd best goed vastgehouden maar ik probeerde me weg te trekken.

Eerder, in het begin probeerde ik mijn armen los te rukken en los te slaan, maar het lukte gewoon niet. Achter de trap had ik dit een beetje opgegeven eigenlijk.

In het begin heb ik geschreeuwd dat ze dat niet moesten doen. Ze reageerden daar niet op.

Die persoon is wel in mij geweest, maar niet heel erg lang. Ik voelde eerder al dat er de hele tijd iets tegen mijn kont aan probeerde te gaan, dus ik wist wel dat het zijn piemel was. Die was stijf.

Hij ging gewoon van voren naar achteren met zijn piemel. Het duurde nog geen eens een halve minuut. De andere persoon stond ook achter me ergens.

Ik beland op de grond. Volgens mij werd ik neergelegd of neer geduwd. Het kwam niet uit mezelf. Ik werd naar de grond gebracht. Aan de andere kant van de trap op het gras, een stukje van de trap af. Ik lag met mijn buik op het gras en dader 2 stond rechts voor me en de dader 1 zat achter me. Dader 2 wilde weg, maar dader 1 zei “nog even wachten”.

Mijn benen zijn op dat moment gespreid en dader 1 was op dat moment met zijn penis tegen mijn kont aan het schuren.

Toen kwam hij klaar over mij heen. Ik voelde het. Er kwam iets over mijn rug en kont heen.

Ik denk dat hij opgestaan is en met zijn vriend is weggelopen. Ik weet niet waarheen.

Ik bleef liggen en ik deed mijn BH en mijn broek weer goed. Ik ben een beetje overeind gaan zitten en toen kwam ik de twee jongens tegen die bij de fietsen stonden. Ik moest huilen en ze kwamen dichterbij en toen heb ik ze een beetje verteld wat er gebeurd was. Ik vertelde dat ik misbruikt was.

Proces-verbaal Forensisch Medisch Onderzoek (F.M.O.), op 4 oktober 2017 op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 1] , pagina’s 152 t/m 155:

Het onderzoek is verricht in de onderzoeksruimte van het centrum seksueel geweld gehuisvest in het Catharinaziekenhuis aan de Michelangelolaan 2 te Eindhoven.

Aangeefster [slachtoffer] was gekleed in:

- een zwarte doorschijnende blouse met gekleurde print (bloemen en vogels);

- een zwarte spijkerbroek met scheuren / beschadigingen;

- zwarte korte sokken;

- een zwarte onderbroek (string);

- een zwarte BH.

Tijdens het F.M.O. werden de navolgende plaatsen bemonsterd met een wattenstaafje:

Vagina:

Buitenste schaamlippen - nat 3045835, droog 3045842

Binnenste schaamlippen - nat 3045949, droog 3046280

Tussen de buitenste en binnenste schaamlip zagen wij groen botanisch materiaal. Dit werd veiliggesteld (gras).

Diep vaginaal - I 3045623, II 3047000

Anus:

Om anus / perianaal - nat 3045835, droog 3052803

Overige lichaamsbemonsteringen:

Onderrug boven bilspleet - nat 3046710, droog 3046589

Op/onder beide borsten - nat 3045865, droog 3046061.

De zedenkit en de kleding van aangeefster zijn in beslag genomen.

Proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] d.d. 28 september 2017, op ambtseed opgemaakt door verbalisant [verbalisant 6] op 28 september 2017, pagina’s 186 en 187:

Op 23 september 2017 ben ik samen met [getuige 2] naar “ [feest] ” geweest in Eindhoven. Omstreeks 06.10 uur liepen wij naar het NS Station te Eindhoven. Ik stond bij de fietsenstalling en zag daar een meisje op de grond zitten, ingetogen en in tranen. Ik ben naar het meisje gelopen. Zij zei meteen dat zij door 2 jongens was verkracht. [getuige 2] is toen naar het NS Station gelopen om iemand te waarschuwen. Ik ben bij dit meisje gebleven. Wat ik mij kan herinneren van het gesprek met haar is dat het 2 jongens waren. Zij wist hoe oud ze waren, 17 en 18 jaar. Dat zij [voornaam slachtoffer] heette en dat zij uit een dorp naast [gemeente] kwam.

Ze zei dat zij op stap was geweest met een vriendin. Haar vriendin was iets te dronken en was ergens gebleven. Zij liep toen alleen met die 2 jongens die zij in de stad was tegengekomen. Zij zei ook nog dat zij tegen een ijzeren hek was aangeduwd. Vervolgens kwam [getuige 2] met iemand aan lopen die de politie had gebeld. Ik weet nog dat zij het echt zwaar had.

Het meisje zat onder de ijzeren trap toen ik haar aansprak. Ik kon haar niet goed zien. Ik hoorde meer een geluid van huilen en keek daardoor naar rechts. Het meisje had zwarte kleren aan en daardoor kon ik haar ook niet goed zien. Ze had een zwarte broek met 2 gaten bij de knie en een zwart jack aan.

Proces-verbaal van bevindingen, op ambtsbelofte opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] op 23 september 2017, pagina’s 212 en 213:

Op zaterdag 23 september 2017 omstreeks 06:45 uur kregen wij de melding te gaan naar het Neckerspoel Station Eindhoven. Medewerkers van Service en Veiligheid treffen daar een meisje aan vlak naast de fietsenstalling zittend tegen de muur van het spoor in het gras. Bij dit meisje zaten twee jongens welke aangaven dat het meisje hen zojuist zou hebben verteld verkracht te zijn door 2 jongens. Wij, verbalisanten, zijn naar het meisje toegelopen en hebben haar gevraagd hoe het met haar ging. Wij zagen dat het meisje gehuild had en het koud had.

Wij, verbalisanten, hebben het meisje gevraagd of er dingen gebeurd waren die zij niet had gewild. We hoorden haar zeggen dat het inderdaad zo was, en ze knikte hierbij Ja.

Wij, verbalisanten, besloten het meisje, later te noemen [slachtoffer] , mee te nemen naar het hoofdbureau van de politie gelegen aan de Mathildelaan 4 te Eindhoven. Toen ik, verbalisant [verbalisant 3] , [slachtoffer] in ons dienstvoertuig plaatste vertelde ze wat er deze nacht gebeurd zou zijn. Ik hoorde haar zeggen dat ze op stap was geweest met een vriendin op Stratumseind. Haar vriendin was dusdanig onder invloed dat zij die met een vriend op bed heeft gelegd in een hotelkamer in het [hotel] . Nadat ze haar vriendin op bed had gelegd is zij weggegaan en richting het station in Eindhoven gelopen. Ik hoorde haar zeggen dat ze van plan was om de trein richting Oss te pakken, om richting huis te gaan. Onderweg naar het station komt zij 2 jongens tegen. Ik hoorde haar zeggen dat deze jongens beide van buitenlandse afkomst waren. Zij dacht dat deze jongens mogelijk van Syrische afkomst waren. Zij vroegen haar wat ze ging doen. Toen zij vertelde dat zij richting het station moest, vroegen ze aan haar of ze met haar mee mochten lopen. Ik hoorde haar zeggen dat het jongens van 17 en 18 jaar oud waren en dat zij met hen richting het station is gelopen. Ik hoorde haar zeggen dat één van hen de hele tijd probeerde haar aan te raken. Ik hoorde haar zeggen dat dit vaker gebeurde en dat ze de hand van die jongen een paar keer heeft weggeduwd en dat ze hierbij gezegd heeft dat ze dat niet wilde. Ik hoorde haar zeggen dat zij aan de achterzijde van het station uitkwamen, vlakbij de fietsen. Ik zie dat zij met haar vinger wijst naar de muur waar we haar hadden aangetroffen. Ik hoorde haar zeggen dat zij door de jongens meerdere malen tegen het hek van het trapje aan werd geduwd. Ik hoorde haar zeggen dat zij meerdere keren hen heeft weg weten te duwen, maar dat zij elke keer terugkwamen. Ik hoorde haar zeggen dat zij het niet voor elkaar kreeg om weg te komen of hen harder weg te duwen. Ik hoorde haar zeggen dat die jongens haar vastpakte en dat één van de jongens bij haar naar binnen is geweest.

NFI rapport d.d. 30 januari 2018, zaaknummer 2017.11.13.221 (aanvraag 001 t/m 003), opgemaakt door dr. R.J. Bink:

De inhoud van de onderzoeksset zedendelicten ZAAC7020NL van het slachtoffer [slachtoffer] betreft 14 bemonsteringen. Deze bemonsteringen zijn onderworpen aan een onderzoek naar biologische sporen en een DNA-onderzoek. Deze bemonsteringen zijn onderzocht op de aanwezigheid van spermacellen, speeksel en bloed. De resultaten van deze onderzoeken zijn vermeld in Tabel 1.

Tabel 1.

SIN

Omschrijving

Spermacellen aangetroffen

Aanwijzing op aanwezigheid van speeksel?

Bloed aangetroffen

Onderzoeksset zedendelicten ZAAC7020NL van het slachtoffer [slachtoffer]

ZAAC7020NL#01

Grote schaamlippen nat

Ja

Nee

Nee

ZAAC7020NL#02

Kleine schaamlippen nat

Ja

Nee

Nee

ZAAC7020NL#03

Diep vaginaal I

Ja

Nee

Ja

ZAAC7020NL#04

Grote schaamlippen droog

Ja

Nee

Nee

ZAAC7020NL#05

Kleine schaamlippen droog

Ja

Nee

Nee

ZAAC7020NL#06

Diep vaginaal II

Ja

Nee

Ja

ZAAC7020NL#07

Peri anus nat

Ja

Niet onderzocht

Nee

ZAAC7020NL#08

Peri anus droog

Ja

Niet onderzocht

Nee

ZAAC7020NL#11

Onderrug nat

Ja

Nee

Nee

ZAAC7020NL#12

Onderrug droog

Ja

Nee

Nee

ZAAC7020NL#13

Borsten nat

Niet onderzocht

Niet onderzocht

Nee

ZAAC7020NL#14

Borsten droog

Niet onderzocht

Niet onderzocht

Nee

Resultaten, interpretatie en conclusie.

Bemonsteringen ZAAC7020NL#01, #02, #04 en #05 (schaamlippen)

Op grond van het vergelijkend DNA-onderzoek kan het sperma in deze bemonsteringen afkomstig zijn van de verdachten [medeverdachte] en [verdachte] . Vanwege de overige resultaten in deze zaak is er geen bewijskracht van de matches met de DNA-profielen van deze verdachten berekend.

Bemonsteringen ZAAC7020NL#03 en #06 (vaginaal)

Op grond van het vergelijkend DNA-onderzoek kan het sperma in deze bemonsteringen afkomstig zijn van de verdachte [verdachte] . De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met het DNA-profiel van het sperma in deze twee bemonsteringen is kleiner dan één op één miljard.

Bemonsteringen ZAAC7020NL#07 en #08 (peri anus)

Op grond van het vergelijkend DNA-onderzoek kan het sperma in deze bemonsteringen afkomstig zijn van de verdachte [medeverdachte] . De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met het DNA-profiel van het sperma in deze twee bemonsteringen is kleiner dan één op één miljard.

Bemonsteringen ZAAC7020NL#11 en #12 (onderrug)

Op grond van het vergelijkend DNA-onderzoek kan het sperma in deze bemonsteringen afkomstig zijn van de verdachte [medeverdachte] . De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met het DNA-profiel van het sperma in deze twee bemonsteringen is kleiner dan één op één miljard.

Bemonsteringen ZAAC7020NL#13 en #14 (borsten)

Op grond van het vergelijkend DNA-onderzoek kan het sperma in deze bemonsteringen afkomstig zijn van de verdachte [medeverdachte] en het slachtoffer [slachtoffer].

Bewijsoverweging ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster.

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de verklaring van aangeefster niet betrouwbaar is en dat aangeefster heeft ingestemd met de seksuele handelingen van verdachte.

De rechtbank acht de verklaring van aangeefster [slachtoffer] betrouwbaar en gaat derhalve uit van de juistheid daarvan. Aangeefster heeft consistent verklaard over het voorval. Aangeefster vertelt direct na het voorval tegen de twee jongens, die haar na het incident nabij de trap huilend hebben aangetroffen, dat zij was verkracht en desgevraagd tegen de gearriveerde politie dat er dingen gebeurd waren die zij niet had gewild. Tijdens de rit naar het politiebureau met dezelfde verbalisanten vertelt aangeefster in detail wat er is gebeurd en datzelfde verhaal vertelt zij ook tijdens het informatieve zedengesprek en in haar aangifte. De verklaringen van aangeefster stroken met de overige bevindingen in het dossier, zoals de wijze waarop de twee jongens haar na het voorval hebben aangetroffen en de uitkomsten van het DNA-onderzoek door de deskundige van het NFI. Uit dit DNA-onderzoek kan worden opgemaakt dat verdachte het slachtoffer heeft gepenetreerd en is gebleken dat sperma van de beide verdachten in en op het lichaam van het slachtoffer is aangetroffen.

Daar staat tegenover dat de beide verdachten tegenstrijdig hebben verklaard, zowel in hun eigen steeds wisselende verklaringen als ten opzichte van de verklaringen van de medeverdachte. Verdachte heeft aanvankelijk verklaard dat hij nog nooit seks heeft gehad, daarna dat hij alleen met zijn vriendin seks heeft gehad en (pas) in derde instantie dat hij op de bewuste dag seks heeft gehad met het slachtoffer nadat zijn vriend het ook met het meisje had gedaan. Hij dicht zijn vriend het grootste aandeel toe. De medeverdachte heeft in zijn eerste verhoor bij de rechter-commissaris erkend dat hij het slachtoffer (anaal) heeft gepenetreerd, maar is daar in zijn tweede verhoor op teruggekomen. Zijn verklaringen komen erop neer dat zijn vriend handelingen bij het meisje heeft verricht maar dat hij niet heeft gezien welke handelingen dit waren. Zelf heeft hij de hand van het meisje gepakt, haar gezoend en met haar op de grond gelegen, zonder dat sprake was van penetratie en de medeverdachte is boven op haar klaargekomen. Ter terechtzitting hebben beide verdachten uiteindelijk verklaard dat zij het slachtoffer niet in haar vagina hebben gepenetreerd of dit hebben geprobeerd.

De ontkenning dat het slachtoffer in de vagina is gepenetreerd wordt echter weerlegd door de resultaten uit het onderzoek van de zedenkit door de deskundige van het NFI. In de bemonstering “diep vaginaal” is het DNA van verdachte aangetroffen en in de bemonsteringen van de schaamlippen is het DNA van de beide verdachten aangetroffen. Ook is het DNA van de medeverdachte aangetroffen in de bemonsteringen van de borsten van het slachtoffer, terwijl beide verdachten hebben verklaard dat ze het slachtoffer niet bij de borsten hebben betast.

Uitgaande van de verklaring van aangeefster is de rechtbank van oordeel dat – anders dan door de verdediging is betoogd – wel degelijk sprake was van dwang. De rechtbank verwijst naar hetgeen aangeefster heeft verklaard in haar aangifte met betrekking tot het tegenhouden, het vastpakken, het tegen een trapje aanduwen en houden, het (gedeeltelijk) ontkleden, het op de grond leggen en de verbale en non-verbale signalen die aangeefster beschrijft, zoals het huilen, het proberen los te rukken, het wegdraaien van haar hoofd en het aan verdachten vragen of ze het niet wilden doen.

Conclusie.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met de medeverdachte schuldig heeft gemaakt aan verkrachting. Daarbij is sprake geweest van voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 23 september 2017 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een ander, door geweld en/of een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam,

immers hebben verdachte en/of zijn mededader

- die [slachtoffer] tegengehouden en vastgepakt en

- die [slachtoffer] tegen een trap aangeduwd en gehouden en

- die [slachtoffer] een tongzoen gegeven en

- (vervolgens) de bh/kleding van die [slachtoffer] omhoog getrokken en

- (vervolgens) de broek en onderbroek van die [slachtoffer] naar beneden getrokken en

- zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] geduwd en

- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd en gehouden en

- (vervolgens) die [slachtoffer] op de grond gelegd en

- zijn penis tussen/tegen de billen van die [slachtoffer] gehouden en heen en weer bewogen en

- (meermalen) de verbale en non-verbale signalen van weerstand van die [slachtoffer] genegeerd en

- (aldus) een dreigende situatie voor die [slachtoffer] doen ontstaan.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert 180 dagen jeugddetentie, waarvan 110 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van het voorarrest, met algemene en bijzondere voorwaarden zoals die door de Raad voor de Kinderbescherming zijn geadviseerd en een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 100 uur, subsidiair 50 dagen jeugddetentie. De officier van justitie vordert tevens de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman verzoekt de rechtbank, in het geval van een bewezenverklaring, te volstaan met het opleggen van een gedeeltelijk voorwaardelijke werkstraf met aftrek van het voorarrest, met afwijzing van de gevorderde dadelijke uitvoerbaarheid. Daarnaast stelt de raadsman zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich als ruim 15-jarige samen met zijn 16-jarige vriend schuldig gemaakt aan verkrachting van een 19-jarige vrouw. De beide verdachten hielden haar aanvankelijk tijdens het wachten op de trein gezelschap en hebben haar korte tijd later onverhoeds overweldigd met hun gedrag. Op het moment dat de vrouw naar de trein wilde gaan, hebben de verdachten haar tegengehouden en gedwongen tot het ondergaan van seksuele handelingen, waaronder zelfs penetratie van haar lichaam. Na afloop hebben zij de jonge vrouw daar alleen achtergelaten.

De twee jeugdige verdachten hebben door hun handelen een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit, de persoonlijke levenssfeer en de persoonlijke bewegingsvrijheid van het slachtoffer. Zij hebben hun eigen lustgevoelens laten prevaleren boven de gevoelens van de jonge vrouw, hebben geen oog gehad voor haar verbale en non-verbale weerstand en verschuilen zich achter de gestelde instemming. De verdachten hebben de jonge vrouw allebei tegen- en vastgehouden en hebben een zodanig fysiek overwicht op haar gehad, dat het verzet van het slachtoffer op enig moment is gebroken en zij niet anders kon dan de beide verdachten laten begaan.

Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. Uit de toelichting op de vordering benadeelde partij blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is.

GZ-psycholoog mw. drs. M. Kaper-Janssen Steenberg heeft een Pro Justitia rapportage over verdachte opgemaakt, gedateerd 19 januari 2018. Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:

Bij [verdachte] is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Er is sprake van forse traumatisering en een forse achterstand in de sociaal emotionele ontwikkeling met als gevolg een oppositionele opstandige-stoornis en een gebrekkige gewetensontwikkeling. Er is sprake van een achterblijvende identiteitsontwikkeling, beïnvloedbaarheid en naïviteit en een tekort aan oplossings- en zelfcontrolevaardigheden en copings-strategieën, als ook gebrek aan reflectievermogen, inlevingsvermogen en het overzien van de gevolgen van keuzes en eigen gedrag. Dit was ten tijde van het delict ook het geval en is van invloed geweest op de gedragskeuzes en gedragingen van [verdachte] ten tijde van het ten laste gelegde.

[verdachte] heeft de vaardigheden waar hij wel over beschikt (intelligentie, cognitieve vaardigheden t.a.v. morele zaken etc.) niet kunnen toepassen in deze situatie waarin de hedonistische dynamiek het overnam, hij hierdoor impulsief mee ging in het gedrag van zijn vriend en hij over onvoldoende zelfcontrole en inzicht beschikte. Door zijn gebrekkige sociaal emotionele ontwikkeling met als gevolg onvoldoende copingvaardigheden, zelfcontrolevaardigheden, onvoldoende inzicht in de gevolgen van zijn gedrag voor de ander, heeft [verdachte] zijn interne kompas niet goed kunnen gebruiken om vooraf een goede keuze te kunnen maken en de gevolgen van zijn gedrag voor het meisje te kunnen overzien. Vanwege bovenstaande problematiek wordt geadviseerd het ten laste gelegde in een verminderde mate aan [verdachte] toe te rekenen.

De rechtbank neemt dit advies over de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte over.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de omtrent verdachte uitgebrachte rapporten door [medewerker Kinderbescherming] , werkzaam bij de Raad voor de Kinderbescherming, en van [medewerker Stichting Jeugdzorg] , werkzaam bij de Stichting Jeugdzorg Brabant.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. De rechtbank hecht er waarde aan te vermelden dat deze oriëntatiepunten ten aanzien van jeugdigen sterk afwijken van de oriëntatiepunten voor dezelfde strafbare feiten ten aanzien van meerderjarigen. Van het misdrijf van verkrachting kan, zoals uit de praktijk blijkt, in verschillende situaties sprake zijn met vele, in ernst variërende, gradaties. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met andere belangrijke omstandigheden, waaronder de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Het is in alle gevallen aan de rechter om de hoogte van de straf vast te stellen en te motiveren. Behoudens strafvermeerderende en/of strafverminderende nadere omstandigheden in de onderhavige strafzaak, geldt voor verkrachting als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van zes maanden.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf en de strafmodaliteit is in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 1 maart 2018 niet eerder is veroordeeld..

De rechtbank leidt voorts uit de aangifte af dat verdachte, zijnde de jongste van de twee daders, het initiatief heeft genomen tot de in verkrachting uitmondende handelingen. De rechtbank rekent hem het feit daarom extra zwaar aan. Deze omstandigheid maakt ook dat de rechtbank aan verdachte, ondanks dat het feit aan hem – anders dan bij de medeverdachte – verminderd kan worden toegerekend, dezelfde straf zal worden opgelegd als aan de medeverdachte.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een jeugddetentie voor de duur van zes maanden. De rechtbank zal deze jeugddetentie – gelet op persoon van de verdachte, diens leeftijd en de verminderde toerekenbaarheid van het feit – voor een groot deel voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zullen in het belang van begeleiding en behandeling van verdachte na te noemen bijzondere voorwaarden worden verbonden, zoals geadviseerd in het rapport van [medewerker Kinderbescherming] . Daarnaast acht de rechtbank het van belang om aan verdachte ook een meldplicht op te leggen zoals in het dictum nader te omschrijven.

De rechtbank zal aan het voorwaardelijk deel een proeftijd van twee jaar verbinden, nu artikel 77y van het Wetboek van Strafrecht de door de officier van justitie gevorderde proeftijd van 3 jaar niet toelaat. De rechtbank ziet geen grond de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden uit te spreken.

De rechtbank acht naast het opleggen van een deels voorwaardelijke jeugddetentie het opleggen van een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 100 uur passend en geboden.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de gehele vordering van de benadeelde partij toewijsbaar.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen.

Beoordeling. De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering, te weten immateriële schadevergoeding tot een bedrag van EUR 3.000,00 (smartengeld) en EUR 473,83 materiële schadevergoeding (reiskosten, eigen risico en kleding), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 september 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de vordering ten aanzien van de immateriële schadevergoeding voor zover dit het bedrag van EUR 3.000,00 te boven gaat. De rechtbank is van oordeel dat beoordeling van de gegrondheid van dit deel van de vordering nader onderzoek en daarmee ook een nieuwe terechtzitting zou vergen, hetgeen maakt dat behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De benadeelde partij kan voornoemd deel van de gevorderde immateriële schadevergoeding bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Motivering van de hoofdelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 september 2017 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Voorlopige hechtenis

Gelet op de aan verdachte op te leggen straf zal de rechtbank het, op 10 januari 2018 reeds geschorste, bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte niet opheffen. De rechtbank acht het van belang dat het toezicht van en de meldplicht bij de Reclassering worden voortgezet.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 27, 36f, 47, 77a, 77g, 77i, 77l, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 242 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

medeplegen van verkrachting verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straffen en maatregel.

Jeugddetentie voor de duur van 180 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht waarvan 110 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren:

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door de jeugdreclassering van de Jeugdbescherming Brabant, [adres 4] , [postcode 2]

- zich gedurende de proeftijd op de door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering van de gecertificeerde instelling, te weten Jeugdbescherming Brabant, op de door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen, zo vaak en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht en de aanwijzingen van de jeugdzorgwerker zal volgen;

- zal deelnemen aan onderwijs/ of andere vorm van dagbesteding, zoals bepaald door de jeugdreclassering;

- medewerking verleend aan behandeling welke wordt geboden door de GGzE (trauma verwerking en behandeling met betrekking tot seksualiteit);

- zich houdt aan de afspraken welke worden gemaakt met en door de ambulante gezinsbegeleiding welke wordt geboden door Stichting Omnia.

Geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen jeugddetentie.

Deze taakstraf in de vorm van een werkstraf bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid en dient te zijn verricht binnen één jaar na onherroepelijk worden van dit vonnis.

Maatregel van schadevergoeding van EUR 3.473,83 subsidiair 10 dagen jeugddetentie.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] van een bedrag van EUR 3.473,83 (zegge: drieduizend vierhonderd drieënzeventig euro en drieëntachtig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen jeugddetentie. Het bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 3.000,00 immateriële schadevergoeding (post 4b: smartengeld) en EUR 473,83 materiële schadevergoeding (post 4a: reiskosten, eigen risico en kleding).

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn mededader [medeverdachte] (01/875002-17) is betaald.

De toepassing van deze vervangende jeugddetentie heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 september 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van EUR 3.473,83 (zegge: drieduizend vierhonderd drieënzeventig euro en drieëntachtig eurocent), te weten EUR 3.000,00 immateriële schadevergoeding (post 4b: smartengeld) en EUR 473,83 materiële schadevergoeding (post 4a: reiskosten, eigen risico en kleding).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 september 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn mededader [medeverdachte] (01/875002-17) is betaald.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering (EUR 1.000,00 immateriële schadevergoeding) niet ontvankelijk is.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R.M.L. Heemskerk-Pleging, voorzitter en teven kinderrechter-plaatsvervanger,

mr. T. van de Woestijne en mr. R.H. van Marle, leden,

in tegenwoordigheid van M.J.H. Rijnbeek, griffier,

en is uitgesproken op 25 april 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgenomen in het einddossier van de politie Oost-Brabant, Dienst Regionale Recherche- Zeden, onderzoek [onderzoeksnaam] , OBRBC2017124, proces-verbaalnummer 2017197100, afgesloten d.d. 10 januari 2018, aantal doorgenummerde bladzijden: 265. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen opgenomen in genoemd einddossier.