Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:1992

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
18-04-2018
Datum publicatie
22-05-2018
Zaaknummer
17_2024
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zuiveringsheffing. Eiseres huurt de woning voor huisvesting van acht (verstandelijk) beperkte (jong)volwassenen. De bewoners moeten worden aangemerkt als een met een gezin gelijk te stellen andere leefeenheid. De voor een gezin kenmerkende duurzaamheid in personele samenstelling en de sociale cohesie is aanwezig. Er is geen sprake van regelmatige wisseling in de samenstelling van de bewonersgroep. De woning moet worden aangemerkt als woonruimte in de zin van de Verordening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/1059
Belastingblad 2018/258 met annotatie van E.J. Monsma
Viditax (FutD), 22-05-2018
FutD 2018-1438
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 17/2024

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 april 2018 in de zaak tussen

Stichting Zorgenloos, te Heesch, eiseres

(gemachtigden: mr. A.G.W. Schoenmakers),

en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant, verweerder

(gemachtigde: J. Tammel).

Procesverloop

Bij voorlopige aanslag van 31 maart 2017 (aanslagbiljetnummer [aanslagnummer] ) heeft verweerder van eiseres voor het kalenderjaar 2017 voor het adres [adres] zuiveringsheffing ten bedrage van € 471,60 geheven.

Bij uitspraak op bezwaar van 8 juli 2017 (de bestreden uitspraak) heeft verweerder de aanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft een aanvullend beroepschrift met bijlagen ingediend.

Verweerder heeft een nader verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2018. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en J. Reinders (medebestuurder en penningmeester). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten

Eiseres huurt sinds 2002 de woning, gelegen aan [adres] (hierna: de woning), voor huisvesting van (verstandelijk) beperkte (jong)volwassenen, die zorg, ondersteuning en begeleiding nodig hebben. De eigenaar van de woning, Woningcorporatie Mooiland, heeft bij de bouw rekening gehouden met de specifieke wensen van eiseres wat betreft de indeling van de woning. Het huis is daardoor groter dan een doorsneehuis. Stichting Zorgenloos is opgericht met het uitsluitende doel om voor deze bewoners een gezinsvervangende woonomgeving te creëren. Eiseres heeft met iedere bewoner een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten. De woning biedt ruimte aan acht (verstandelijk) beperkte (jong)volwassenen. Iedere bewoner beschikt over een eigen toilet, douche en zitkamer. Daarnaast is er een gemeenschappelijke woonkamer en een keuken, die door de bewoners gezamenlijk worden gebruikt. Op de begane grond is er een gezamenlijk toilet. De oorspronkelijke groep van acht bewoners bestond geheel uit kinderen van de oprichters van Stichting Zorgenloos. Van die oorspronkelijke groep wonen er thans nog vier. Twee bewoners zijn overleden en twee bewoners zijn vertrokken, waarvan één vanwege een toegenomen zorgbehoefte en één omdat deze zelfstandig ging wonen. De bewoners die daarvoor in de plaats zijn gekomen, betreffen eveneens (verstandelijk) beperkte (jong-)volwassenen, die er voor onbepaalde tijd zijn komen wonen. De bewoners vormen een hechte groep. Er wordt elke dag gezamenlijk gekookt en gegeten. De bewoners hebben verder ook ieder een taak in het huishouden. Elke maand wordt één weekend met een gezamenlijke activiteit georganiseerd, twee keer per jaar gaan de bewoners samen op vakantie en twee keer per jaar gaan zij samen naar de schouwburg en een concert. Ook worden feestdagen samen gevierd. De ouders van de bewoners hebben allemaal een taak (onderhoud van de tuin, klussen, administratieve taken) in en om de woning. Er is 24 uur per dag een begeleider aanwezig van Heart Care, de zorgaanbieder waarmee eiseres een contract heeft afgesloten voor de professionele begeleiding van de bewoners Voor die begeleider is er in de woning een kamer met een wastafel. Daarnaast zijn er, op dagdelen, nog twee of drie begeleiders van Heart Care aanwezig.

Geschil en beoordeling

1. In geschil is of de woning dient te worden aangemerkt als woonruimte, dan wel als bedrijfsruimte, zoals gedefinieerd in de Verordening zuiveringsheffing waterschap Aa en Maas 2017 (hierna: de Verordening).

2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de woning een bedrijfsruimte in de zin van voormelde Verordening is.

3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de woning aangemerkt moet worden als woonruimte. Daartoe voert eiseres aan dat Stichting Zorgenloos is opgericht door de ouders van acht jongvolwassenen met een Wajong-uitkering, met als doel om een verlengde thuissituatie te creëren. De Stichting is enkel opgericht om die doelstelling te kunnen realiseren. De bewoners hebben huisregels, vaste huishoudelijke taken en vormen een hechte groep, die veel gezamenlijk doet. Verder wijst eiseres erop dat tot voor kort altijd kwijtschelding van de zuiveringsheffing is verleend, omdat het inkomen van de bewoners slechts bestaat uit een Wajong-uitkering. De aanslag stond in die tijd, anders dan nu, op naam van een van de bewoners.

4. In artikel 1, aanhef en onder h en i, van de Verordening worden de begrippen woonruimte en bedrijfsruimte als volgt uitgelegd:

h. woonruimte: een ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd is om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven;

i. bedrijfsruimte: een naar zijn of haar aard en inrichting als afzonderlijk geheel te beschouwen terrein of ruimte, niet zijnde een woonruimte, een zuiveringtechnisch werk of een riolering.

5. Het begrip woonruimte in de Verordening dient in overeenstemming met artikel 122h, eerste lid, van de Waterschapswet (Wsw) te worden uitgelegd. Deze bepaling is ontleend aan het voor de invoering van die bepaling geldende artikel 18, tweede lid van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo). De wetgever heeft blijkens de wetsgeschiedenis van de Wsw bewust ervoor gekozen om de begripsbepaling van woonruimte van de Wsw aan te laten sluiten bij de jurisprudentie over het begrip woonruimte van de Wvo. Dat volgt uit de Memorie van Toelichting, waarin staat: “Ingevolge de huidige bepaling moet voor de belastingplichtigheid als ingezetene worden uitgegaan van het gebruik van woonruimte in het algemeen. Dat kan betekenen dat ook bewoners van collectieve woonruimten zoals bejaardentehuizen of studentenflats individueel belastingplichtig zijn. Daartegenover staat de uitleg die het begrip woonruimte heeft verkregen in de rechtspraak, volgens welke voor artikel 18, tweede lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren de eis dat het moet gaan om een zelfstandige woonruimte is aanvaard (HR 23 juli 1984, BNB 1984/282). In zijn arrest van 26 juni 1996 (Belastingblad 1996, blz. 431, m.nt. P. de Bruin, Het Waterschap 1996, blz. 478) komt de Hoge Raad op grond van wetshistorische interpretatie tot het oordeel, dat voor de onderhavige heffingsbepaling in de Waterschapswet aan de term woonruimte dezelfde betekenis ware toe te kennen als voor de verontreinigingsheffing krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. De Hoge Raad verwijst daarvoor naar de conclusie van de advocaat-generaal. Daarin wijst deze erop, dat bij de totstandkoming van de Waterschapswet voor de onderhavige heffingsbepaling is verwezen naar het stelsel van de verontreinigingsheffing. In het thans voorgestelde nieuwe derde lid wordt, door het daarin onder a opnemen van een begripsbepaling van woonruimte voor de waterschapsomslag, aangesloten bij die jurisprudentie.” (Kamerstukken II, 1998/1999, 26 235, nr. 3, p. 13) De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 23 juli 1984 (BNB 1984/282, ECLI:NL:HR:1984:AW8590) met betrekking tot artikel 18, tweede lid, van de Wvo het volgende geoordeeld: “De in deze laatste wetsbepaling getroffen regeling voor de heffing van een forfaitair bepaald gelijk bedrag ‘per woonruimte’ heeft tot strekking de heffing te vereenvoudigen voor een groot aantal gevallen van in omvang ongeveer gelijke vervuiling, te weten die door een gezin of daarmee gelijk te stellen andere leefeenheid in een afzonderlijke woning.”

6. Een ruimte wordt aangemerkt als woonruimte indien die ruimte blijkens zijn inrichting is bestemd om als afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid, zonder dat daarbij delen van die ruimte in afzonderlijk gebruik worden gegeven. Een ruimte voorziet blijkens zijn inrichting als afzonderlijk geheel in woongelegenheid, indien de voor de bewoning wezenlijke voorzieningen in die ruimte aanwezig zijn. Een met een gezin gelijk te stellen andere leefeenheid is aanwezig indien personen, die naar het spraakgebruik geen gezin vormen, gezamenlijk een huishouding voeren, die de voor een gezin kenmerkende eigenschappen heeft.

7. De rechtbank stelt allereerst vast dat de kamers van de bewoners niet bestemd zijn om in afzonderlijk gebruik te worden genomen, omdat in de kamers geen kookgelegenheid aanwezig is. Deze kamers beschikken wel over een aparte wasgelegenheid en een toilet en deze voor bewoning essentiële voorzieningen staan uitsluitend aan de gebruikers van de betreffende kamers, zijnde de bewoners, ter beschikking. Met andere woorden, zij hoeven deze essentiële voorzieningen niet met anderen te delen. Ter zitting is gebleken dat verweerder het voorgaande in wezen niet betwist. Wel betwist verweerder dat sprake is van een met een gezin gelijk te stellen andere leefeenheid. De rechtbank zal zich, gelet daarop, in het hierna volgende dan ook beperken tot de beantwoording van die vraag.

8. De rechtbank is van oordeel dat de bewoners moeten worden aangemerkt als een met een gezin gelijk te stellen andere leefeenheid en overweegt daartoe als volgt. De voor een gezin kenmerkende duurzaamheid in de personele samenstelling en de sociale cohesie van de leefeenheid is naar het oordeel van de rechtbank aanwezig. Weliswaar is de samenstelling van de bewonersgroep sinds 2002 door onvoorziene omstandigheden veranderd, maar daardoor is het gezinsvervangende karakter van de bewonersgroep niet gewijzigd. Eiseres is destijds opgericht met het uitsluitende doel om voor de kinderen van haar oprichters een verlengde thuissituatie te creëren. Met dat doel is de woning gehuurd. De doelstelling van eiseres was en is dus niet het aanbieden van begeleid wonen als zodanig, zoals wel het geval is bij de door verweerder genoemde Stichting Dichterbij. Laatstgenoemde Stichting heeft, blijkens de informatie op haar website, medewerkers in dienst en is gericht op het aanbieden van beschermd en begeleid wonen als zodanig, waarvoor ook actief geworven wordt. Eiseres heeft ter zitting aangegeven dat zij geen medewerkers heeft en er ook geen sprake is van een bedrijfsmatige opzet of doelstelling. Eiseres adverteert niet en werft niet actief bewoners. Verweerder heeft dat niet betwist. Naar het oordeel van de rechtbank verschilt eiseres daarmee van de voorbeelden van begeleid wonen, die verweerder ter zitting heeft genoemd. Het uitgangspunt is onveranderd dat de huidige bewoners van de woning er voor onbepaalde tijd wonen. Er is dan ook geen sprake van een regelmatige wisseling in de samenstelling van de bewonersgroep, zoals bij studentenhuizen, maar ook bij andere vormen van begeleid wonen, wel het geval is. Er is, blijkens de ter zitting gegeven toelichting, sprake van een hechte bewonersgroep, die veel samen doet. De bewoners koken en eten dagelijks gezamenlijk, doen gezamenlijk het huishouden, vieren samen feestdagen, ondernemen regelmatig gezamenlijke activiteiten en gaan twee keer per jaar samen op vakantie. De rechtbank ziet in al deze factoren, in onderlinge samenhang bezien, voldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de woning moet worden aangemerkt als woonruimte in de zin van de Verordening.

9. Aan het oordeel van de rechtbank doet niet af dat het om een groep van acht personen gaat. Aangezien het om een met een gezin gelijk te stellen andere leefeenheid moet gaan, is echter wel voorstelbaar dat er een getalsmatige bovengrens is, waardoor op een gegeven moment geen sprake meer kan zijn van gelijkstelling met een gezin. In aanmerking genomen dat er ook heden ten dage nog gezinnen van een nog veel grotere omvang dan acht personen voorkomen, is de rechtbank van oordeel dat die bovengrens in het onderhavige geval niet is bereikt.

10. Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is. De rechtbank vernietigt de bestreden uitspraak en ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door de aanslag van 31 maart 2017 (aanslagbiljetnummer [aanslagnummer] ) te verminderen naar het ingevolge de Verordening voor woonruimten geldende tarief zuiveringsheffing. De rechtbank bepaalt dat haar uitspraak in de plaats treedt van de bestreden uitspraak.

11. Omdat het beroep gegrond is, gelast de rechtbank verweerder aan eiseres het griffierecht te vergoeden.

12. Eiseres heeft niet verzocht om vergoeding van proceskosten en de rechtbank is ook niet gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten .Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- vermindert de voorlopige aanslag van 31 maart 2017 (aanslagbiljetnummer [aanslagnummer] ) naar het ingevolge de Verordening voor woonruimten geldende tarief zuiveringsheffing;

- bepaalt dat haar uitspraak in de plaats treedt van de bestreden uitspraak;

- gelast verweerder aan eiseres het griffierecht ten bedrage van € 333 te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Rijnbeek, rechter, in aanwezigheid van

mr. F.C. Meulemans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 april 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.