Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:1909

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
20-04-2018
Datum publicatie
24-04-2018
Zaaknummer
18_723
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze zaak heeft een labyrintisch procesverloop. In de kern gaat het om de vraag of de burgemeester te laat is met het beslissen op drie bezwaarschriften die door verzoekers zijn ingediend. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dat voor twee van de drie bezwaarschriften het geval is. In één van die twee zaken is dat duidelijk: daar erkent de burgemeester ook dat hij te laat is met beslissen. In de andere zaak ligt het gecompliceerder, omdat zich daar een aantal bijzonderheden in het procesverloop hebben voorgedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 18/723, SHE 18/724, SHE 18/891, SHE 18/892, SHE 18/893 en SHE 18/894

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 april 2018 op de beroepen en de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[verzoeker] , verzoeker,

[verzoekster] , verzoekster,

beiden te [woonplaats] , samen: verzoekers

en

de burgemeester van de gemeente Eindhoven, de burgemeester

(gemachtigden: mr. B. Timmermans en H. Oprins).

Procesverloop

Het – labyrintische – procesverloop in deze zaken is zo nauw verweven met de beoordeling van de zaken dat het niet zinvol is om er onder deze rubriek een opsomming van te geven.

Daarom wordt hier volstaan met de mededeling dat de kern van de zaken de vraag betreft of de burgemeester te laat is met het beslissen op drie bezwaarschriften die verzoekers hebben ingediend. Er is op 13 april 2018 een zitting geweest waarbij de drie in de kop van deze uitspraak genoemde verzoeken tot het treffen van voorlopige voorzieningen gevoegd zijn behandeld. Verzoekers zijn naar de zitting gekomen, en voor de burgemeester zijn zijn gemachtigden naar de zitting gekomen.

Onder de rubriek “Overwegingen” zal de rest van het procesverloop uit de doeken worden gedaan.

Overwegingen

Vooraf: kortsluiten

1. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaken, doet zij ook uitspraak in de hoofdzaken (artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)).

Het ontstaan van de procedure

2. De procedure is begonnen met een brief van verzoekers van 23 augustus 2017. In die brief hebben zij een verzoek gedaan om inzage in het gebruik van hun persoonsgegevens door het RIEC (Regionaal Informatie- en Expertisecentrum) Oost-Brabant. Het verzoek is gebaseerd op artikel 35 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wpg).

3. Op 28 september 2017 hebben verzoekers aan de burgemeester een brief gestuurd waarin staat dat hun brief van 23 augustus 2017 ook moet worden gezien als een verzetschrift op grond van artikel 40 van de Wbp.

4. Naar aanleiding van die brief zijn er door partijen twee verschillende procedurele ‘wegen’ bewandeld: aan de ene kant de weg van de beslissing op het verzoek op grond van artikel 35 van de Wpg, en aan de andere kant de weg van de beslissing op het verzoek op grond van artikel 40 van de Wpg. Hierna zullen die twee wegen apart uiteen worden gezet.

Het verzoek op grond van artikel 35 van de Wpg

5. Bij brief van 27 oktober 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders een beslissing genomen op het verzoek. In die brief is vermeld dat het verzoek wordt gehonoreerd en dat het RIEC nog bezig is om twee overzichten van de verwerkte persoonsgegevens op te stellen. Uiterlijk binnen twee weken wordt het overzicht toegestuurd, zo staat ook in die brief. Onderaan de brief is vermeld dat verzoekers een bezwaarschrift kunnen indienen als ze het niet eens zijn met de beslissing.

6. Op 20 november 2017 hebben verzoekers bij de burgemeester een bezwaarschrift ingediend tegen die beslissing (het eerste bezwaarschrift).

7. Op 21 december 2017 heeft de burgemeester een primair besluit genomen waarbij de twee overzichten zijn verstrekt en waarbij verder is medegedeeld dat er geen verdere overzichten worden verstrekt, omdat er nog een strafrechtelijk onderzoek loopt. De burgemeester verwijst daarbij naar artikel 43 van de Wbp.

8. Ook daartegen hebben verzoekers een bezwaarschrift ingediend, en wel op 23 januari 2018 (het tweede bezwaarschrift).

9. Op 10 januari 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders aan verzoekers een brief gestuurd, waarin staat dat de wettelijke termijn om op het bezwaarschrift van 20 november 2017 te beslissen, met zes weken wordt verlengd.

10. Op 27 februari 2018 hebben verzoekers een brief aan de burgemeester gestuurd, waarin ze de burgemeester in gebreke stellen in verband met het niet tijdig beslissen op hun bezwaarschrift van 20 november 2017. Die ingebrekestelling zag dus op het eerste bezwaarschrift.

11. Op 22 maart 2018 hebben verzoekers bij de rechtbank een beroep in verband met het niet tijdig beslissen op hun bezwaarschrift ingediend. Tegelijkertijd hebben ze (met dezelfde brief) een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

Het verzoek op grond van artikel 40 van de Wpg

12. Bij primair besluit van 12 oktober 2017 heeft de burgemeester beslist op het verzet dat volgens verzoekers in de brief van 23 augustus 2017 was vervat. De burgemeester heeft daarin vermeld dat het verzet niet gerechtvaardigd was, onder meer omdat verzoekers geen persoonlijke omstandigheden hadden aangevoerd die leidden tot de conclusie dat zij in een bijzondere situatie verkeerden.

13. Op 20 november 2017 hebben verzoekers bezwaar gemaakt tegen dat primaire besluit. Dat bezwaar was vervat in dezelfde brief als waarin het bezwaar tegen de beslissing van het college van burgemeester en wethouders van 27 oktober 2017 (dat is de beslissing genoemd in punt 5 van deze uitspraak) was vervat.

14. Op 23 januari 2018 en op 27 februari 2018 hebben verzoekers ingebrekestellingen naar de burgemeester verstuurd, waarin zij de burgemeester sommeren om binnen twee weken te beslissen op hun bezwaarschrift van 20 november 2017.

15. Op 22 maart 2018 hebben verzoekers bij de rechtbank een beroep in verband met het niet tijdig beslissen op hun bezwaarschrift ingediend. Tegelijkertijd hebben ze (in dezelfde brief) een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Het gaat hier om hetzelfde document als het document dat is genoemd in punt 11 van deze uitspraak.

Drie zaken aangelegd

16. Er zijn dus twee ‘wegen’, terwijl er één beroepschrift en één verzoek om een voorlopige voorziening zijn ingediend. Maar uit de tekst van het stuk waarin dat beroepschrift en verzoekschrift zijn vervat, blijkt dat verzoekers zich richten tegen het niet tijdig beslissen op alle (drie de) bezwaarschriften die ze hebben ingediend. Tijdens de zitting heeft de voorzieningenrechter daarom met partijen besproken om aparte zaken (met aparte zaaknummers) aan te leggen. Er wordt, zoals ook tijdens de zitting besproken, geen griffierecht geheven voor de nieuw aan te leggen zaken en de uitspraak in alle drie de zaken wordt in één document (deze uitspraak) vervat.

17. De zaken die dus in deze procedure voorliggen zijn:

  1. 18/723 (voorlopige voorzieningprocedure in de zaak gericht tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 20 november 2017 over het artikel 35 Wpg-verzoek)

  2. 18/724 (beroepsprocedure in de zaak gericht tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 20 november 2017 over het artikel 35 Wpg-verzoek)

  3. 18/891 (voorlopige voorzieningprocedure in de zaak gericht tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 23 januari 2018 over het artikel 35 Wpg-verzoek)

  4. 18/892 (beroepsprocedure in de zaak gericht tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 23 januari 2018 over het artikel 35 Wpg-verzoek)

  5. 18/893 (voorlopige voorzieningprocedure in de zaak tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 20 november 2017 over het artikel 40 Wpg-verzoek)

  6. 18/894 (beroepsprocedure in de zaak tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 20 november 2017 over het artikel 40 Wpg-verzoek)

Is de burgemeester te laat met het beslissen op de bezwaarschriften?

- In de zaak over artikel 40 van de Wpg:

18. In zaak 18/894 (f) is het helder: daar is de burgemeester te laat met het beslissen op het bezwaarschrift van verzoekers. De termijn voor het beslissen op het bezwaarschrift verliep op 5 januari 2018. Een rechtsgeldige ingebrekestelling is verstuurd op 23 januari 2018. De burgemeester heeft dat ook tijdens de zitting erkend en verder heeft de burgemeester gezegd dat de maximale dwangsom is verbeurd en dat verzoekers recht hebben op uitbetaling van die dwangsom.

19. De dwangsom bedraagt € 1.260,–.

20. Dat betekent dat het beroep in de zaak 18/894 (f) gegrond is. De burgemeester wordt veroordeeld tot betaling van de dwangsom, genoemd in de vorige overweging. Verder wordt de burgemeester opgedragen binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit te nemen op het bezwaarschrift van verzoekers van 20 november 2017, voor zover dat is gericht tegen het primaire besluit van 12 oktober 2017 over de artikel 40 Wpg-zaak. De rechtbank zal daaraan overeenkomstig artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb een nadere dwangsom verbinden van na te melden hoogte voor elke dag dat de burgemeester in gebreke blijft de uitspraak na te leven.

- In de zaken over artikel 35 van de Wpg:

21. In de andere twee zaken 18/724 (b) en 18/892 (d), over het artikel 35 Wpg-verzoek) ligt het wat gecompliceerder. Dat komt omdat er zich een aantal bijzonderheden in het procesverloop hebben voorgedaan. In de eerste plaats heeft niet de burgemeester, maar het college van burgemeester en wethouders de beslissing van 27 oktober 2017 genomen (zie punt 6 van deze uitspraak). In de tweede plaats stelt de burgemeester zich op het standpunt dat die beslissing geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb, zodat daartegen volgens de burgemeester geen bezwaar openstond. Tot slot speelt hier de vraag of de burgemeester de beslistermijn rechtsgeldig heeft verdaagd met de brief van 10 januari 2018 (genoemd in punt 9 van deze uitspraak). Op al deze punten zal de voorzieningenrechter in het vervolg van deze uitspraak nader ingaan.

22. Volgens de burgemeester is de beslissing van 27 oktober 2017 dus geen besluit in de zin van de Awb. Om die reden was volgens de burgemeester het eerste bezwaarschrift (van 20 november 2017, genoemd in punt 6 van deze uitspraak) niet-ontvankelijk. Dat heeft volgens de burgemeester dan weer tot gevolg, zo heeft zijn gemachtigde tijdens de zitting uiteengezet, dat de ingebrekestelling van 27 februari 2018 ten onrechte is verstuurd. De voorzieningenrechter volgt de burgemeester niet in die redenering. Los immers van de vraag of de beslissing van 27 oktober 2017 wel of geen besluit in de zin van de Awb is, vaststaat dat er – bij de burgemeester – een bezwaarschrift tegen is ingediend. En daarop moet de burgemeester beslissen. Het maakt daarbij niet uit dat de burgemeester vindt dat het bezwaarschrift niet tegen een voor bezwaar vatbaar besluit is gericht; als de burgemeester dat vindt, dan kan de burgemeester het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren, maar dat moet dan wel gebeuren in een besluit op bezwaar. Vaststaat dat dat nog niet is gebeurd. thal

23. Om dezelfde reden komt in deze procedure ook geen betekenis toe aan de – ambtshalve geconstateerde – omstandigheid dat de beslissing van 27 oktober 2017 door het college van burgemeester en wethouders is genomen, en niet door de burgemeester. Het gaat immers om de vraag of tijdig op het daartegen gerichte bezwaarschrift is beslist, en dat bezwaarschrift is bij de burgemeester ingediend.

24. Daarmee komt de vraag aan de orde of de burgemeester de beslistermijn rechtsgeldig heeft verdaagd. De brief die op 10 januari 2018 is verstuurd, is niet ondertekend of verstuurd door de burgemeester, maar door administratief juridisch medewerker T. Poldervaart, namens het college van burgemeester en wethouders. Tijdens de zitting heeft de burgemeester hierover slechts gezegd dat het feit dat de verdagingsbrief door het college is verstuurd, niet betekent dat de verdaging niet geldig is. De voorzieningenrechter denkt daar anders over: een door een daartoe niet bevoegd orgaan verstuurde verdaging is geen verdaging. Dat het college bevoegd was de beslissing op het bezwaarschrift dat bij de burgemeester was ingediend, te verdagen, heeft de burgemeester niet gesteld. De voorzieningenrechter oordeelt daarom dat de beslistermijn niet rechtsgeldig is verdaagd (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 30 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY994).

25. De termijn voor het beslissen op het eerste bezwaarschrift (dat aan de orde is in zaak 18/724 (b) is dus verlopen op 22 januari 2018 (zes weken gerekend vanaf de dag na die waarop de bezwaartermijn verliep, en de bezwaartermijn verliep op 8 december 2017, zie artikel 7:10 van de Awb). Verzoekers hebben op 27 februari 2018 een rechtsgeldige ingebrekestelling verstuurd. Het beroep inzake het niet tijdig beslissen op het eerste bezwaarschrift is daarom terecht ingesteld.

26. Dat betekent dat het beroep in de zaak 18/724 (b) gegrond is. De burgemeester wordt opgedragen binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit te nemen op het bezwaarschrift van verzoekers van 20 november 2017, voor zover dat is gericht tegen de beslissing van 27 oktober 2017 over de artikel 35 Wpg-zaak. De rechtbank zal daaraan overeenkomstig artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb ook een nadere dwangsom verbinden voor elke dag dat de burgemeester in gebreke blijft de uitspraak na te leven.

27. De burgemeester heeft ook in deze zaak een dwangsom verbeurd. Die bedraagt € 1.260,–.

28. Dan ligt tot slot nog voor de vraag of ook in zaak 18/892 (d) het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 23 januari 2018 terecht is ingediend. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dat niet het geval is. In deze zaak is immers geen ingebrekestelling verstuurd, terwijl dat op grond van artikel 4:17 van de Awb wel vereist is. De ingebrekestelling van 27 februari 2018 ziet, gezien de tekst ervan, alleen op het bezwaarschrift van 20 november 2017: “Per brief van 20 november 2017 heb ik bezwaar gemaakt tegen uw besluit zoals bekend gemaakt middels uw brief van 27 oktober 2017. De termijn om te beslissen op dit bezwaar is inmiddels (ruimschoots) verstreken.” Dat betekent dat het beroep in zaak 18/892 (d) ongegrond wordt verklaard.

Slot

29. De beroepen in de zaken 18/724 (b) en 18/894 (f) zijn gegrond. Bij het treffen van een voorlopige voorziening bestaat daarom geen belang meer, zodat de verzoeken in de zaken 18/723 (a) en 18/893 (e) worden afgewezen. Omdat het beroep in zaak 18/892 (d) ongegrond is, wordt ook het verzoek om een voorlopige voorziening in zaak 18/891 (e) afgewezen.

30. Verzoeker heeft recht op vergoeding van het griffierecht. Van voor op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht in aanmerking komende proceskosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het beroep in zaak 18/724 gegrond;

  • -

    draagt de burgemeester op om binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een beslissing te nemen op het bezwaarschrift van 20 november 2017 tegen het besluit van 27 oktober 2017, genoemd in punt 6 van deze uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep in zaak 18/894 gegrond;

  • -

    draagt de burgemeester op om binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een beslissing te nemen op het bezwaarschrift van 20 november 2017 tegen het besluit van 12 oktober 2017, genoemd in punt 13 van deze uitspraak;

  • -

    bepaalt dat de burgemeester een aan verzoeker te betalen dwangsom van € 100,– verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,– voor de twee afzonderlijke besluiten;

  • -

    stelt vast dat de burgemeester als gevolg van het niet tijdig beslissen een dwangsom heeft verbeurd van in totaal € 2.520,–;

  • -

    verklaart het beroep in zaak 18/892 ongegrond;

  • -

    wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening in de zaken 18/723, 18/891 en 18/893 af;

  • -

    draagt de burgemeester op het betaalde griffierecht van € 170,– aan verzoekers te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Lie, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van B.C.T. Rabou-Coort LLB, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

20 april 2018.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.