Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:18

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
04-01-2018
Datum publicatie
05-01-2018
Zaaknummer
01/993331-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich gedurende een periode van een half jaar bezig gehouden met de productie van synthetische drugs. Verdachte heeft als 'de kok' daarin een actieve en essentiële rol.

De rechtbank legt een gevangenisstraf van 6 jaren met aftrek van het voorarrest op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/993331-15

Datum uitspraak: 4 januari 2018

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] 1972 ,

thans gedetineerd te: PI Vught, Vosseveld 2 HvB Regulier.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 1 juli 2016, 19 september 2016, 12 december 2016, 2 februari 2017, 19 april 2017, 7 juni 2017, 4 september 2017, 29 en 30 november 2017 en 21 december 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 30 mei 2016.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 16 september 2015 tot en met 4 april 2016 te Best en/of Rotterdam en/of Apeldoorn en/of [gemeente 2] , in elk geval in Nederland en/of te Merksplas en/of Oud-Turnhout, in elk geval in België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, -een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

en/of

-zich en/of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen en/of

-voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan verdachte en/of zijn mededader(s)wisten of ernstige redenen had/hadden om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en), hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s)

- een of meer loodsen in Nederland en/of in België gehuurd en/of ter beschikking gesteld en/of

- in een of meer loods(en) in Nederland en/of in België APAAN ten behoeve van de bereiding en/of vervaardiging van MDMA en/of amfetamine of (een) ander(e) midde(en)l vermeld op lijst 1 van de Opiumwet voorhanden gehad en/of

- in bovengenoemde periode (een) hoeveelhe(i)d(en) chemicaliën, waaronder aceton en/of mierenzuur en/of methanol voorhanden gehad;

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 16 september 2015 tot en met 4 april 2016 te Best en/of Rotterdam en/of Apeldoorn en/of [gemeente 2] , in elk geval in Nederland en/of te Lommel en/of Merksplas en/of Oud-Turnhout, in elk geval in België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde MDMA en/of amfetamine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Inleiding.

Uit eerdere onderzoeken onder de naam [onderzoeksnaam 1] en [onderzoeksnaam 2] bleek dat een loods aan de [pleegadres 1] in Best werd gebruikt als ontmoetingsplaats. Bij de politie rees het vermoeden dat in voornoemde loods gesprekken en/of ontmoetingen plaatsvonden die te maken hadden met criminele activiteiten. Er werd een bevel afgegeven tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie in de loods. Eén van de personen die regelmatig de [pleegadres 1] te Best bezocht, bleek verdachte [verdachte] te zijn. Op 29 oktober 2015 is vervolgens een opsporingsonderzoek gestart onder de naam [onderzoeksnaam 3] . Dit onderzoek werd gestart naar aanleiding van informatie uit voornoemde eerdere onderzoeken en naar aanleiding van meerdere CIE-meldingen over verdachte [verdachte] in relatie tot de productie van synthetische drugs. Het onderzoek Lagrein en de inhoud van de opgenomen communicatie in de loods aan de [pleegadres 1] te Best leidden uiteindelijk tot de verdenking dat medeverdachte [medeverdachte 1] leiding gaf aan een criminele organisatie die structureel bezig was met de grootschalige productie en handel in synthetische drugs. [verdachte] zou verantwoordelijk zijn voor de productie van synthetische drugs en alle processen die daarmee samenhangen, zoals onder andere het aankopen van precursoren, chemicaliën en hardware. Naast het opnemen van vertrouwelijke communicatie in de loods in Best werden nog veel andere bijzondere opsporingsmiddelen ingezet, zoals stelselmatige observaties door politieambtenaren, peilbakens, videocamera’s en het vorderen van historische (print)gegevens. Ook zijn er rechtshulpverzoeken uitgegaan naar België. Op deze wijze kwamen ook andere personen in beeld en werd het onderzoek naar deze personen uitgebreid. Medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] zouden belast zijn met ondersteunende taken zoals het huren van loodsen, het ter beschikking stellen van hun eigen loodsen, huren en ter beschikking stellen van voertuigen, helpen bij het opbouwen van productielocaties, aankopen van goederen ten behoeve van de productielocaties en het verbergen van crimineel verkregen geld van de organisatie. De onderzoeken hebben geleid tot een actiedag op 4 april 2016, waarbij meerdere verdachten zijn aangehouden, een groot aantal locaties en woningen van de verdachten is doorzocht en waarbij een grote hoeveelheid, ook druggerelateerde, goederen in beslag is genomen.

Het strafdossier.

Het totale dossier Lagrein beslaat 26 ordners en bevat persoonsdossiers ten aanzien van de verdachten, zaaksdossiers en aanvullingen op het eindproces-verbaal. De rechtbank is van oordeel dat het dossier in zijn geheel moet worden beschouwd en dat de tenlastegelegde feiten niet los van elkaar, maar in onderling verband en samenhang moeten worden bezien. Dit betekent onder meer dat bij feiten in het kader van een bepaald zaaksdossier ook stukken uit andere zaaksdossiers kunnen worden betrokken. Dit neemt echter niet weg dat voor ieder tenlastegelegd feit afzonderlijk moet worden beoordeeld of er sprake is van voldoende wettig en overtuigend bewijs.

Aanpak van de rechtbank.

De vraag of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is, zal hierna per pleegplaats en zaaksdossier worden besproken. Voor zover de rechtbank tot de beslissing komt dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust deze beslissing op de feiten en omstandigheden als vervat in de opgenomen bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang en (tijds)verband beschouwd.

De beschuldigingen.

Verdachte wordt onder feit 1 verweten dat hij voorbereidingshandelingen heeft verricht ten behoeve van de productie van synthetische drugs en onder feit 2 wordt hij ervan verdacht synthetische drugs te hebben geproduceerd, verhandeld en vervoerd.

Het standpunt van de officier van justitie.

Op de in het schriftelijk requisitoir uitgewerkte gronden heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank tot een bewezenverklaring zal komen van de feiten 1 en 2 ten aanzien van de pleegplaatsen Rotterdam, [gemeente 2] , Oud-Turnhout en Merksplas. Van strafbare feiten op de overige in de tenlastelegging genoemde pleegplaatsen dient verdachte te worden vrijgesproken. Verdachte heeft een prominente rol gehad als producent. Hij heeft locaties opgebouwd, synthetische drugs geproduceerd en anderen aangestuurd.

Ten aanzien van de pleegplaats Rotterdam heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat verdachte op 1 april 2016 op heterdaad is aangehouden nadat hij de productielocatie voor amfetamine en apaan aan de [pleegadres 2] in Rotterdam had verlaten. In de auto Ford Fiësta die bij hem in gebruik was, werden diverse goederen aangetroffen die in relatie staan tot de productie van synthetische drugs. Bovendien werd er A-olie in zijn auto aangetroffen. Derhalve kan volgens de officier van justitie bewezen worden verklaard dat verdachte zowel voorbereidingshandelingen (feit 1) heeft verricht alsmede dat hij amfetamine heeft geproduceerd (feit 2) in Rotterdam.

Met betrekking tot de pleegplaats [gemeente 2] heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat in het [bedrijf 1] in [gemeente 2] een MDMA- en amfetaminelaboratorium is aangetroffen. Verdachte is op 15 december 2015 gezien bij de parkeerplaats van Van der Valk. Hij legde wat in de kofferbak van de auto van medeverdachte [medeverdachte 2] en is vervolgens naar het [bedrijf 1] gereden. Daar aangekomen pakte hij een grijze sporttas en kratten uit de kofferbak en is hij het bedrijf binnengelopen. Uit de peilbaken van de Audi Q5 van verdachte bleek dat hij veelvuldig aldaar in [gemeente 2] is geweest. Volgens de officier van justitie kan wettig en overtuigend worden bewezenverklaard dat verdachte in [gemeente 2] drugs heeft geproduceerd, feit 2.

In [gemeente 2] is tevens een bus met chemisch afval aangetroffen. Uit onderzoek van het LFO in combinatie met het NFI bleek dat dit afval amfetamine bevatte. DNA onderzoek naar een bloedspoor op de achterbank heeft een match met verdachte opgeleverd. Wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte deze bus voorhanden heeft gehad en derhalve voorbereidingshandelingen heeft verricht (feit 1). Voorts heeft hij daarmee drugs vervoerd (feit 2).

Ten aanzien van de pleegplaats Oud-Turnhout heeft de officier van justitie aangevoerd dat aan de [pleegadres 6] te Oud-Turnhout een apaanomzettingslaboratorium en een amfetaminelaboratorium in aanbouw zijn aangetroffen. Deze loods is door verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] gebruikt voor hun criminele activiteiten. Nu de laboratoria nog in aanbouw waren en er nog niet was geproduceerd, kunnen enkel de voorbereidingshandelingen als bedoeld onder feit 1, worden bewezenverklaard.

Met betrekking tot de pleegplaats Merksplas heeft de officier van justitie aangevoerd dat in deze loods een sterke chemische geur is waargenomen. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft ook nadrukkelijk verklaard over het gebruik van deze loods. Ten aanzien van verdachte kan aldus wettig en overtuigend worden bewezenverklaard dat hij voorbereidingshandelingen heeft verricht (feit 1).

Het standpunt van de verdediging.

Met betrekking tot de productielocatie Rotterdam heeft de raadsvrouw zich voor wat betreft feit 1 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Er was sprake van een laboratorium in opbouw en derhalve is er in dit laboratorium niets geproduceerd. De in de auto van verdachte aangetroffen stof was geen eindproduct. Verdachte dient daarom voor feit 2 in Rotterdam te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de pleegplaats [gemeente 2] dient verdachte vrijgesproken te worden, omdat de betrokkenheid van verdachte onvoldoende kan worden vastgesteld. Verdachte is slechts één keer geobserveerd bij het [bedrijf 1] . Waargenomen is dat hij twee blauwe kratten met daarin zes frisdrankflessen achterlaat bij het bedrijf. Over de inhoud van de flessen kan niets worden gezegd. Uit de bakengegevens blijkt dat de Audi van verdachte nog twee bezoeken heeft gebracht aan het autobedrijf. Het voorgaande is echter onvoldoende om te stellen dat verdachte daar handelingen heeft verricht die in verband kunnen worden gebracht met de handel in synthetische drugs. De vermeende bezoeken van verdachte die uit de bakengegevens van de Audi af te leiden zijn, zijn bovendien te kort om in verband te kunnen worden gebracht met de productie van synthetische drugs.

Met betrekking tot de aangetroffen bus in [gemeente 2] heeft de raadsvrouw zich voor wat betreft het vervoeren onder feit 2, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Voor feit 1 dient verdachte te worden vrijgesproken, nu het stadium van voorbereidingshandelingen op dat moment voorbij was.

De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de betrokkenheid van verdachte bij het laboratorium in Oud-Turnhout niet kan worden bewezen. De betrokkenheid van verdachte kan enkel worden gebaseerd op de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 2] , maar deze verklaringen moeten als ongeloofwaardig en onbetrouwbaar terzijde geschoven worden. Verdachte dient derhalve vrijgesproken te worden voor zowel feit 1 als feit 2 ten aanzien van de pleegplaats Oud-Turnhout.

Ten aanzien van de pleegplaats Merksplas was enkel sprake van een opslagplek. Er zijn nooit verdovende middelen geproduceerd. Verdachte dient derhalve vrijgesproken te worden voor feit 2. Voor feit 1 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank. 1

[pleegadres 2] te Rotterdam.

Verbalisant [verbalisant 1] 2 heeft – zakelijk weergegeven – als volgt gerelateerd:

Op vrijdag 1 april 2016 omstreeks 21.39 uur werd door mij voor een doorzoeking ter inbeslagneming binnengetreden in een loods aan de [pleegadres 2] Rotterdam. Onder leiding van mij werd de loods kort doorzocht waarbij werd geconstateerd dat zich in de loods zeer waarschijnlijk een Apaan omzettingslab en een amfetaminelab in opbouw bevonden. Tevens werd door mij geconstateerd dat zich grote hoeveelheden chemische stoffen in de loods bevonden welke mogelijk gebruikt kunnen worden bij de productie van synthetische drugs.

Verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] 3 hebben – zakelijk weergegeven – gerelateerd:

Op vrijdag 1 april 2016 hebben wij ondersteuning verleend bij het onderzoeken van een loods gelegen aan de [pleegadres 2] te Rotterdam. Wij zagen dat de ruimte A van de loods was ingericht en in gebruik was met een opstelling zeer waarschijnlijk ten behoeve van de omzetting van APAAN en BMK met behulp van een zuur (rokend zoutzuur). Wij zagen namelijk dat deze opstelling bestond uit twee au bain-marie bakken, ieder voorzien van twee blauwe 200l klemdekselvaten waarvan de deksel middels slangen waren aangesloten op twee 1000L IBC’s kennelijk ingericht als gaswassers. Wij zagen verder dat onder iedere au bain-marie bak twee gasbranders stonden welke middels een gasslang aangesloten waren op een gasfles. Bij later onderzoek zagen wij dat de vaten allen half gevuld waren met een nog warme massa: geel kleurig ‘schuim’ en sterk rokend zoutzuur. Met behulp van een warmtebeeldcamera zagen wij dat de vaten nog warm waren, namelijk 20-22 graden. De au bain-marie bakken, vermoedelijk gevuld met water, waren tevens nog warm namelijk 31 graden. Kennelijk was deze opstelling recentelijk gebruikt. Wij zagen verder dat in het verlengde van de au bain-marie opstelling onder andere een groot aantal verpakkingen met chemicaliën stonden opgeslagen. Namelijk 4 x 30 L klemdekselvaten met resten APAAN, zakken met opschrift waspoeder, 220 L formamide vaten, jerrycans zoutzuur en jerrycans mierenzuur. Wij zagen dat een ruimte op de eerste verdieping in gebruik was als slaapplaats (o.a. matras). Ruimte L moest kennelijk ingericht worden als lab ruimte (in aanbouw) ten behoeve van de vervaardiging van amfetamine middels de Leuckart methode met behulp van de ter plaatse vervaardigde BMK. In deze ruimte stond de benodigde hardware, deels nog verpakt in dozen, namelijk onder anderen: een werkbank met diverse gebruiksgoederen: gereedschap, dozen handschoenen, 6 vacuümpompen, 2 zakken van 1 kg met APAAN, 2 volgelaatsmaskers (met filters) en gebruikte handschoenen.

Er zijn spoednummers van diverse chemicaliën genomen. Door het LFO zijn meerdere goederen en stoffen onderzocht en bemonsterd. Van deze monsters zijn drie monsters geselecteerd en voor analyse aangeboden aan het NFI. Uit de resultaten van de spoedanalyse van het NFI blijkt dat het monster met SIN AAEI5973NLAA2a BMK en Apaan bevat en het monster met SIN AAHU0595NLL2a amfetamine bevat.

Verbalisant [verbalisant 4] 4 heeft – zakelijk weergegeven – als volgt gerelateerd:

Op maandag 4 april 2016 omstreeks 7:00 uur werd door mij verbalisant als forensisch onderzoeker op verzoek van het tactisch team van de landelijke eenheid een forensisch onderzoek naar sporen verricht op de locatie [pleegadres 2] te Rotterdam. Op de werkbank zag ik twee gasmaskers en één paar gebruikte wegwerphandschoenen liggen. Tevens zag ik dat er in een doos in de opslagruimte een derde gasmasker aanwezig was. De drie gasmaskers en de wegwerphandschoenen heb ik op de voorgeschreven wijze veiliggesteld voor nader onderzoek. Het gasmasker aangetroffen aan de wand boven de werkbank op de begane grond werd voorzien van SIN AAHF3029NL.

Uit het rapport van het NFI 5 van 28 juni 2016 blijkt dat er een match is gevonden met de bemonstering van het masker aan de wand bij de werkbank op de begane grond. Dit spoor is nader gespecificeerd met SIN AAHZ3917NL en matcht met het DNA-profiel van verdachte. De matchkans is kleiner dan één op één miljard.

Verbalisant [verbalisant 5] 6 heeft – zakelijk weergeven – het volgende gerelateerd:

Op vrijdag 1 april 2016 omstreeks 21.30 bevond ik mij nabij het bedrijvencomplex [pleegadres 2] te Rotterdam. Mijn aanwezigheid daar had te maken met een observatie die daar die dag had plaatsgevonden. Daarbij was gezien dat de verdachte [verdachte] om 19.41 uur uit de richting van perceel [huisnummer pleegadres 2] te Rotterdam aan de [pleegadres 2] kwam gelopen en als bestuurder en enige inzittende in de personenauto met kenteken [kenteken 1] stapte en wegreed. Er werd gezien dat [verdachte] een pruik op zijn hoofd droeg. Omdat het vermoeden bestond dat [verdachte] in een van de bedrijfsunits op de [pleegadres 2] zich had bezig gehouden met de productie van verdovende middelen werd hij op vrijdag 1 april 2016 te 20.23 uur door een arrestatieteam van politie aangehouden in de personenauto [kenteken 1] op de openbare weg de Rijksweg A58 ter hoogte van hectometerpaal 497. Verdachte werd bij zijn aanhouding aan een veiligheidsfouillering onderworpen en daarbij werden onder andere 3 sleutels in zijn fouillering aangetroffen. In zijn kleding werd nog 1 sleutel aangetroffen. De 3 sleutels waren identiek en pasten op het cilinderslot van de toegangsdeur van bedrijfsunit [pleegadres 2] te Rotterdam. 1 sleutel had een groen label met daarop de tekst Front. Deze sleutel paste op het kettingslot van de poort/hek dat toegang verschafte tot het gehele bedrijvencomplex [pleegadres 2] te Rotterdam. Verder zijn in de auto aangetroffen onder anderen een handschoen, een Ph-meter en twee jerrycans met vloeistof8.

Verbalisant [verbalisant 2] 9 heeft – zakelijk weergegeven – als volgt gerelateerd:

Op vrijdag 1 april 2016 heb ik twee jerrycans gevuld met onbekende vloeistof onderzocht. Deze jerrycans waren op vrijdag 1 april 2016 aangetroffen in een personenauto, merk Ford Fiësta, gekentekend [kenteken 1] op de snelweg A-58 te hoogte van Tilburg. De monsters werden door mij verpakt en voorzien van een kenmerk en een uniek monsternummer (AAEI5977NL en AAEI5978NL).

Uit het rapport van het NFI 10 van 13 april 2016 blijkt dat de monsters oranje vloeistof met SIN nummers AAEI5977NL en AAEI5978NL amfetamine bevatten.

Medeverdachte [medeverdachte 2] 11 heeft bij de politie – zakelijk weergegeven – als volgt verklaard:

Op een bepaald moment moest ik spullen in mijn privé auto doen, de Mercedes SLC met Nederlands kenteken. Dat waren zakken, die moest ik achter in de kofferbak doen. Het was bij een bowlingcentrum. Ik moest achter een personenauto aanrijden. We reden naar een garage toe, deze zat onder een hoog herenhuis. Dit was aan de [adres] te Rotterdam. Er werden daar 4 of 5 zakken achter in mijn auto gegooid. Toen ben ik naar Merksplas gereden. Ik moest de zakken in Merksplas uitladen. Na deze keer ben ik nog een keer in Rotterdam geweest. De bus was ’s-nachts op mijn oprit in [gemeente 1] achtergelaten. Ik ben met een geladen bus naar Rotterdam gereden. Het waren zware spullen die erin lagen, dat merkte ik aan het rijden. Ik kreeg via SMS te horen dat ik in Noord moest zijn, bij een winkelcentrum. Daarna kreeg ik een SMS dat ik naar de MacDonalds op Rotterdam Zuid moest komen. Daar werd mijn auto weer overgenomen. Anderhalf uur later kwam hij terug en nam hij de bus weer over. Toen reed ik weer met een lege bus naar [gemeente 1] .

Overweging.

Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte betrokken is geweest bij de (voorbereiding van de) productie van synthetische drugs in de loods aan de [pleegadres 2] te Rotterdam. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat op basis van het bewijs vastgesteld kan worden dat sprake is geweest van het medeplegen van strafbare voorbereidingshandelingen. Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich eveneens schuldig heeft gemaakt aan de productie van synthetische drugs.

De aangetroffen laboratoriumopstelling, productiemiddelen, chemicaliën, stoffen en sporen zijn kenmerkend voor een professioneel ingericht productieproces. Verdachte had een viertal sleutels in zijn bezit die toegang verschaften tot de loods. Het DNA van verdachte is ter plaatse aangetroffen op het volgelaatsmasker, dat in de productieruimte lag. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte het volgelaatsmasker heeft gedragen. Daarnaast hebben verbalisanten geconstateerd dat vaten en bakken in de locatie nog warm waren. Deze zijn dus niet al te lang voordat het LFO aan haar onderzoek begon nog gebruikt. Daarbij komt dat in de auto waarin verdachte is aangehouden vlak nadat hij de productielocatie in Rotterdam verliet, een handschoen, een Ph-meter en twee jerrycans zijn aangetroffen. Na onderzoek door het NFI bleek de vloeistof in de jerrycans amfetamine en derhalve een eindproduct te bevatten. Ook op de productielocatie zelf is amfetamine aangetroffen. Gelet op het samenstel van de hiervoor opgesomde omstandigheden, alsmede gelet op het aantreffen van het eindproduct in zowel de auto waarin verdachte is aangehouden als in de productielocatie, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dat dat verdachte synthetische drugs heeft geproduceerd zoals onder feit 2 is tenlastegelegd.

Het produceren van synthetische drugs is een dusdanig complex proces dat dit niet door één persoon kan worden uitgevoerd. Er zijn veel grondstoffen, hardware en kennis nodig en het proces vereist een planning en organisatie waaraan meerdere personen hun bijdrage dienen te leveren. Dat van onderlinge afstemming en samenwerking sprake was, volgt ook evident uit de inhoud van de OVC-gesprekken in het dossier. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte met één of meer anderen, in vereniging, synthetische drugs heeft geproduceerd en daartoe voorbereidingshandelingen heeft gepleegd.

[pleegadres 3] te [gemeente 2] .

Verbalisanten werkzaam bij de eenheid Limburg, Dienst Regionale Recherche, hebben – zakelijk weergegeven – als volgt gerelateerd 12 :

Wij hebben op dinsdag 15 december 2015 geobserveerd en daarbij hebben wij de volgende waarnemingen, bevindingen gedaan en/of handelingen verricht:

Ik zag omstreeks 11:37 uur dat de Q5 [kenteken 2] de parkeerplaats van het Van der Valk hotel te Gilze opreed. Ik zag dat de Q5 op de genoemde parkeerplaats geparkeerd werd. Ik zag dat [verdachte] in de [kenteken 2] bleef zitten. Ik zag dat een blanke man, ongeveer 50 a 60 jaar oud met grijs haar nader te noemen NN1, naar [verdachte] en de Q5 liep. Ik zag dat [verdachte] contact had met NN1. Ik zag dat NN1 naar een Mercedes, type SLK, kleur blauw en voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken 3] , nader te noemen als SLK [kenteken 3] liep. Ik zag dat hij in deze SLK stapte. Ik zag dat de SLK [kenteken 3] naar de Q5 [kenteken 2] reed. Ik zag dat [verdachte] een achterportier opende van de Q5 en dat [verdachte] , vanaf de achterbank een sporttas, grijs van kleur en voorzien van een roze streep, een tweetal blauwe kratten en een klein wit plastic zakje uit de Q5 [kenteken 2] pakte en dat deze in de kofferbak van de SLK werden gelegd. Ik zag dat de genoemde kratten zogenaamde kratten zijn waarmee flessen frisdrank vervoerd kunnen worden. Ik zag tevens dat in deze krat elk 6 flessen zaten. Omstreeks 12:05 uur zag ik dat de SLK [kenteken 3] het terrein, van [bedrijf 1] opreed. [bedrijf 1] is gelegen aan de [pleegadres 3] te [gemeente 2] . Ik zag dat [verdachte] uit de SLK stapte. Ik zag dat [verdachte] uit de kofferbak de eerder genoemde sporttas pakte. Ik zag dat deze sporttas ongeveer 50 centimeter bij 30 centimeter groot was. Ik zag tevens dat [verdachte] de eerder genoemde blauwe kratten uit de kofferbak van de SLK pakte. Ik zat dat [verdachte] en NN1, met de kratten en de sporttas, het [bedrijf 1] naar binnen gingen. Omstreeks 12:19 uur zag ik dat NN1 als bestuurder van de SLK [kenteken 3] vertrok vanaf het [bedrijf 1] .

Verbalisant [verbalisant 6] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd 13 :

Op 6 november 2015 werd op grond van een aanvraagproces-verbaal een bevel ex artikel 126g SV afgegeven contra verdachte [verdachte] . In dit bevel werd tevens toestemming gegeven voor gebruik van plaatsbepalingsapparatuur aan elke auto die in gebruik was bij de verdachte. [verdachte] bleek later gebruik te maken van een Audi Q5 met kenteken [kenteken 2] . Op 3 december 2015 werd aan de auto [kenteken 2] een peilbaken bevestigd. Op 19 december 2015 is de volgende bakenstop te zien: 08:58 stop [pleegadres 3] te [gemeente 2] , [bedrijf 1] . Op 09:28 vertrek. Op 28 december 2015 is de volgende bakenstop te zien: 15:55 uur stop [pleegadres 3] te [gemeente 2] , [bedrijf 1] . Op 16:45 uur vertrek. Op 9 januari 2016 is de volgende bakenstop gezien. Op 13:16 uur stop [pleegadres 3] te [gemeente 2] , [bedrijf 1] . Op 14:04 uur vertrek.

Verbalisant [verbalisant 7] 14 heeft – zakelijk weergegeven – als volgt gerelateerd:

Op maandag 4 april 2016 omstreeks 12:00 uur werd door mij ondersteuning geleverd bij een doorzoeking door collega’s van de politie Landelijke Eenheid Dienst Landelijke Recherche bij [bedrijf 1] , gevestigd op het adres [pleegadres 3] te [gemeente 2] . Locatie [gemeente 2] [pleegadres 3] is een autobedrijf alwaar in een afsluitbare inpandige ruimte (ruimte 04-A en ruimte 04-B) onder andere chemicaliën werden aangetroffen (ongeveer 120-liter mierenzuur, ongeveer 150-liter mengsel methanol/methylamine). In de labruimte 04-B werden tevens twee custom made RVS-ketels aangetroffen waarvan bij één ketel sporen van MDMA-productie zichtbaar waren en sterke MDMA-geur te ruiken was. Tevens bleek de labruimte (04-B) en de voorruimte (04-A) volledig besmet met blauw poeder welke zeer waarschijnlijk eerder gebruikt was voor de vervaardiging van XTC-tabletten met tabletteermachines in die ruimte. In die voorruimte 04-A werden in een zwarte emmer resten (22 gram) van dit blauwe poeder aangetroffen waarin zich tevens nog één blauwe XTC-tablet met vorm en logo automerk ‘Bentley’ bevond alsmede een blauwe vierkante XTC-tablet met diepdruk ‘klaver-aas’ van kaartspel. Dit poeder en tabletten zijn door mij middels Ramantechnologie onderzocht alsmede door het NFI en bleek MDMA te bevatten. Ik heb tevens in deze ruimten een emmer met gekristalliseerde resten MDMA (26 gram) aangetroffen die na onderzoek met TruNarc en door het NFI eveneens MDMA bleek te zijn. Tevens was er een kunststof bak met ongeveer 2 kilogram wit/gele pasta aanwezig die na onderzoek met FirstDefender/TruNarc en door het NFI positief was geanalyseerd op amfetamine.

Met betrekking tot de labruimte 04-B heb ik de overtuiging dat deze voorheen zeer waarschijnlijk gebruikt is als tabletteerruimte om in ieder geval blauwe XTC-tabletten te vervaardigen. Bij het proces tabletteren ontstaat veel stuifpoeder welke zich in de gehele ruimte verspreid en neerdaalt waarbij dit aangetroffen beeld mij overeenkomt met vele tientallen eerder aangetroffen en onderzochte tabletteerplaatsen.

In één van de aanhangers (03-09) bleken enkele gebruikte keukenblenders en de daarbij behorende mengbekers aanwezig waarin zich restanten blauwe kleurstof met sterke MDMA-achtige geur bevond alsmede bevond zich in die aanhanger een kartonnen doos met daarin een plastic zak met ongeveer 11,4 kilogram blauw poeder, identiek aan het in de ruimten 04-A en 04-B aangetroffen blauwe poeder. Tevens bleek er in die aanhanger een witte emmer aanwezig met nog ongeveer 1,55 kg wit fijn poeder welke na onderzoek met de FirstDefender indicatief calciumstearaat bleek te bevatten.

Ook bleek er een grote vrieskist aanwezig in ruimte 03 waarin zich op de bodem de mij herkenbare afdrukken van ronde wijddekselvaten bevonden en waar uit die vriezer bij het openen een zeer sterke acetongeur kwam. Ik vermoed dat de vriezer eerder gebruikt is om in de laatste productiefase van het drugslab MDMA-olie te kristalliseren ofwel om de MDMA-olie om te zetten naar een vaste stof in de vorm van MDMA-kristallen.

Tevens werden er in twee in de het autobedrijf aanwezige aanhangers chemicaliën en materialen aangetroffen die passen bij de vervaardiging van MDMA alsmede werd er in twee pas gemaakte nieuwe ruimten, achter in de loods, 11 waterstofgascilinders aangetroffen die in combinatie met de aangetroffen chemicaliën en RVS-reactieketels zeer waarschijnlijk gebruikt zijn of moesten worden bij de vervaardiging van MDMA.

In de werkplaats van het autobedrijf ruimte 05 werd op een werkbank een pot met ongeveer 500 gram zwart kruit aangetroffen alsmede onder werkbank in een kartonnen doos een pollepel met sterke amfetaminegeur en een kunststof literfles met ongeveer 0.5-liter olieachtige vloeistof die bij onderzoek met FirstDefender de precursor BMK (benzylmethylketon) voor het vervaardigen van amfetamine bleek te bevatten. Tevens werd door mij rechts achterin de werkplaats nabij de hydraulische pers twee kunststof maatbekers aangetroffen van elk 5-liter volume waarin zich nog op de bodem restanten heldere olie bevond die na onderzoek met FirstDefender indicatief amfetamineolie bevatte.

In de ruimte 11 op het erf achter het pand [pleegadres 3] bleek onder een soort van overkapping diverse vaten met afgewerkte motorolie te staan waaronder één blauw 220-liter kunststof vat waarin zich op de bodem witte kristallen bevonden met een sterke amfetamineachtige geur. Daarnaast bevond zich een blauw 60-liter vat met een restant water met een sterke MDMA-achtige geur. In het hondenhok naast de overkapping zag ik een 6-tal zelf vervaardigde koperen roerstaven zoals wij die geregeld aantreffen in synthetische drugsproductieplaatsen en tevens aanwezig bleek op de mengmachine in de aanhanger.

Door het LFO zijn meerdere goederen en stoffen onderzocht en bemonsterd. Van deze monsters zijn drie monsters geselecteerd en voor analyse aangeboden aan het NFI (SIN AAEI5760NL, AAEI5761NL en AAEI5766NL). Uit de resultaten van de spoedanalyse van het NFI15 blijkt dat de monsters met SINAAEI5760NL en AAEI5761NL MDMA bevatten en het monster met SIN AAEI5766NL amfetamine.

Uit het rapport van het NFI van 23 juni 2016 16 blijkt dat in het onderzoeksmateriaal onder andere MDMA, amfetamine, APAAN en BMK is aangetoond. Het onderzoeksmateriaal AAHU2912NL past bij de vervaardiging van BMK uit APAAN.

Uit het rapport van het NFI van 24 juni 2016 17 blijkt dat in het onderzoeksmateriaal onder andere MDMA, amfetamine, PMK en piperonal is aangetoond. De onderzoeksmaterialen AAEI5768NL en AAEI5769NL zijn te relateren aan de vervaardiging van MDMA uit PMK door middel van reductieve aminering.

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft op 13 juni 2016 18 bij de politie – zakelijk weergegeven – verklaard:

Ik heb [verdachte] een keer bij [bedrijf 1] auto’s afgezet en ik ben er zelf twee keer geweest. Hij kwam aanrijden en toen stopte hij dingen in mijn kofferbak. Toen zijn we naar [bedrijf 1] gereden.

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft op 6 juni 2016 19 – zakelijk weergegeven – als volgt verklaard:

Ik heb [verdachte] ook een paar keer in Oud-Turnhout afgezet bij een loods. Ik heb [verdachte] altijd alleen afgezet. Als [verdachte] in de loods was mocht ik er absoluut niet meer komen. [verdachte] had altijd een sporttas met kleding bij zich. Ik denk dat hij in de loods verbleef.

Overweging.

De rechtbank leidt uit de in de garage aan de [pleegadres 3] te [gemeente 2] aangetroffen voorwerpen en stoffen af dat daar sprake is geweest van een productieproces van synthetische drugs. Uit het onderzoek van het NFI blijkt dat MDMA, amfetaminebase, PMK, methylamine, piperonal, amfetamine, apaan en BMK zijn aangetroffen. Deze materialen zijn te relateren aan de vervaardiging van MDMA en amfetamine. De betrokkenheid van verdachte blijkt uit de observatie op 15 december 2015. Hieruit volgt dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] samen gezien zijn op genoemde locatie. Uit deze observatie is gebleken dat verdachte met een sporttas en twee kratten de garage naar binnen ging. Ook uit de bakengegevens van de auto van verdachte is gebleken dat hij meerdere malen bij de garage aan de [pleegadres 3] te [gemeente 2] is geweest. Het samenstel van goederen en het aangetroffen eindproduct, de aanwezigheid van verdachte op de plaats delict, in combinatie met de gelijkende modus operandi die in het dossier naar voren komt, namelijk dat verdachte de producent was bij de productie van synthetische drugs, alsmede het ontbreken van een aannemelijke en verifieerbare verklaring van verdachte omtrent zijn aanwezigheid in de garage in [gemeente 2] , leiden de rechtbank tot de conclusie dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem verweten wordt onder feit 2 van de tenlastelegging, te weten het produceren van synthetische drugs.

Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat op grond van de stukken in het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte in [gemeente 2] ook de voorbereidende handelingen als bedoeld onder feit 1 heeft verricht.

Aantreffen Volkswagenbus met kenteken [kenteken 4] aan de [pleegadres 4] te [gemeente 2] .

Verbalisant [verbalisant 8] 20 heeft – zakelijk weergegeven – als volgt gerelateerd:

Op woensdag 3 februari 2016 trof politieambtenaar [verbalisant 9] omstreeks 18:30 uur een grijze bestelauto van het merk Volkswagen type Transporter, voorzien van Belgische kentekenplaten luidend [kenteken 4] , geparkeerd in de [pleegadres 4] te [gemeente 2] . Verbalisant [verbalisant 9] is woonachtig in deze omgeving en hem was sinds ongeveer een week deze bestelbus opgevallen21. Politieambtenaar [verbalisant 9] constateerde dat de kentekenplaten op het voertuig niet overeen kwamen met het chassisnummer, waarop hij de meldkamer verzocht om een eenheid ter plaatse te laten komen. Omstreeks 19:15 uur kwamen politieambtenaren [verbalisant 10] en [verbalisant 11] ter plaatse. Zij constateerden beiden de hen ambtshalve bekende amfetaminegeur in de cabine van het voertuig, waarop zij de brandweer en het LFO waarschuwden. Na onderzoek ter plaatse aan het voertuig door het LFO werd door het LFO bevonden dat de bus geprepareerd was om drugsafval mee te lozen en dat achterin het voertuig een gevulde IBC (integrated bulk carrier) bevattende 1000 liter met drugsafval afkomstig van amfetamine was aangetroffen.

Verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 7] hebben – zakelijk weergegeven – als volg gerelateerd 22 :

Wij hebben monsters genomen van diverse goederen uit het aangetroffen Volkswagen Transporter busje, voorzien van het Belgische kenteken [kenteken 4] . Deze monsters voorzien van SIN AAFF6191NL, AAEI5737NL, AAEI5738NL en AAEI5739NL zijn ter analyse overgebracht naar het NFI.

Uit het NFI rapport van 7 juni 2016 23 is gebleken dat het monster met SIN AAFF69191NL BMK en Amfetamine bevat. De monsters met SIN AAEI5737NL en AAEI5738NL bevatten Amfetamine en N-Formylamfetamine.

Verbalisant [verbalisant 16] 24 heeft – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:

Op donderdag 4 februari 2016 te 09:15 uur werd door mij een forensisch onderzoek naar sporen verricht in verband met het aantreffen van een gesignaleerd voertuig Volkswagen Transporter met vals kenteken [kenteken 4] , aangetroffen op woensdag 3 februari 2016 te [gemeente 2] . In de bestelauto rechtsachter op de rugleuning van de verwijderde achterbank werd een onbekend positief op tetra base getest, bloedcontact spoor aangetroffen, hetgeen door mij middels een wattenstaafje werd bemonsterd, gewaarmerkt en veiliggesteld voor DNA-onderzoek (SIN AAJA9886NL).

Uit het rapport van het NFI van 22 april 2016 25 blijkt dat het bloedspoor met SIN AAJA9886NL matcht met het DNA-profiel van [verdachte] . De matchkans is kleiner dan één op één miljard.

Medeverdachte [medeverdachte 2] 26 heeft bij de politie op 13 juni 2016 – zakelijk weergegeven – verklaard:

Ik wilde die bus kwijt (op 27 januari 2016). Ik haalde [verdachte] eerst in [gemeente 3] op. Toen heeft hij me afgezet bij de loods. Ik ben achterom naar binnen gegaan en heb de Volkswagen bus uit de loods gereden. Toen ben ik naar Baarle-Nassau gereden en heb de bus aan [verdachte] overgedragen. Ik ben daar weer in mijn eigen auto gestapt.

Overweging.

De rechtbank is gelet op bovenstaande bewijsmiddelen van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het vervoeren van amfetamine, zoals is tenlastegelegd onder feit 2. Er is geen sprake van invoer, zoals door de officier van justitie is betoogd, nu niet kan worden vastgesteld dat verdachte met de bus de grens over is gegaan en Baarle-Nassau een plaats in Nederland betreft.

[pleegadres 6] te Oud-Turnhout.

Op 4 april 2016 heeft er een huiszoeking plaatsgevonden in de loods gelegen aan de [pleegadres 6] te Oud-Turnhout. In het proces-verbaal van de federale gerechtelijke politie van de provincie Antwerpen is – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd: 27

Na onderzoek ter plaatse samen met het labo interventie team (LIT) en de medewerkers van het NICC durven wij te concluderen dat er in het verleden in de loods, met name in de koelcontainer en in de aangebouwde afgesloten ruimte, een productieproces voor synthetische drugs heeft plaatsgevonden. In de loods werd een onmiskenbare penetrante chemische geur waargenomen, die kenmerkend is voor een synthetisch drugslaboratorium. Op de zijkant van de schap(p)enwand werd vermoedelijk het kookrecept genoteerd.

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft op 6 juni 2016 28 – zakelijk weergegeven – als volgt verklaard:

Ik heb [verdachte] ook een paar keer in Oud-Turnhout afgezet bij een loods, in deze loods stonden mijn oude auto’s. Dit was in ieder geval na november 2015. Deze loods heb ik al een hele tijd. Ik heb [verdachte] daar een paar keer afgezet, ik schat 4 keer. Ik heb [verdachte] altijd alleen afgezet. Als [verdachte] in de loods was mocht ik er absoluut niet meer komen. [verdachte] had altijd een sporttas met kleding bij zich. Ik denk dat hij in de loods verbleef.

Op 13 juni 2016 heeft medeverdachte [medeverdachte 2] aanvullend als volgt verklaard 29 :

Bij mij in [gemeente 1] heb ik die blauwe vaten gezien.

Overweging.

Gelet op de inhoud van de voornoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat sprake is van medeplegen van de strafbare voorbereidingshandelingen zoals is tenlastegelegd onder feit 1. De verdediging heeft gesteld dat de verklaringen van [medeverdachte 2] onbetrouwbaar zijn en daarom niet kunnen meewerken aan het bewijs. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat [medeverdachte 2] tegenstrijdig heeft verklaard door eerst verdachte bij de politie te belasten en vervolgens ter terechtzitting met een andere verklaring te komen.

De rechtbank constateert dat medeverdachte [medeverdachte 2] bij zijn eerste verhoor bij de politie nog een grotendeels ontkennende houding heeft aangenomen en dat hij tijdens latere verhoren meer openheid van zaken heeft gegeven. Hij heeft gedetailleerde verklaringen afgelegd, die worden ondersteund door de overige bewijsmiddelen in het dossier. Voorts weegt de rechtbank mee dat de door [medeverdachte 2] afgelegde verklaringen ook bepaald belastend zijn voor hemzelf. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen van [medeverdachte 2] bij de politie. Dat [medeverdachte 2] ter terechtzitting grotendeels terugkomt op deze verklaringen, maakt het voorgaande niet anders. De rechtbank plaatst de houding van [medeverdachte 2] ter terechtzitting in het kader van de angstproblematiek waarmee medeverdachte [medeverdachte 2] blijkens zijn verklaring kampt, mede gelet op hetgeen medeverdachte [medeverdachte 3] is overkomen. De rechtbank acht de verklaringen van [medeverdachte 2] , zoals hij die bij zijn derde en vierde verhoor heeft afgelegd bij de politie, dan ook betrouwbaar. Het verweer wordt daarom verworpen.

Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat op grond van de stukken in het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte in Oud-Turnhout daadwerkelijk synthetische drugs heeft geproduceerd. Verdachte zal derhalve ten aanzien van de pleegplaats Out-Turnhout worden vrijgesproken van feit 2.

[pleegadres 5] te Merksplas.

Op 4 april 2016 heeft er een huiszoeking plaatsgevonden in de unit gelegen aan de Veldenbergstraat 8 te Merksplas. In het proces-verbaal van de federale gerechtelijke politie van de provincie Antwerpen is – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd: 30

[pleegadres 5] te [pleegadres 5] Merksplas is een bedrijfsgebouw dat onderverdeeld is in verschillende units. De gehele unit is volledig leeg en zorgvuldig gepoetst. Wel kunnen wij nog een chemische geur waarnemen, wat er op kan wijzen dat er hier in het verleden mogelijk een synthetisch drugslabo was ondergebracht of dat er hier chemische producten werden opgeslagen.

Verbalisanten [verbalisant 14] en [verbalisant 15] hebben – zakelijk weergegeven – als volgt gerelateerd 31 :

Op verzoek van de Nederlandse Opsporingsautoriteiten, middels een Rechtshulpverzoek d.d. 15 december 2015, werd door de Belgische Opsporingsautoriteiten toestemming verleend aan het onderzoeksteam 26Lagrein, om een vaste cameraopstelling te plaatsen met zicht op de achterzijde van de loods gelegen aan de [pleegadres 5] te Merksplas. Voornoemde cameraopstelling is op 30 december 2015 geplaatst en de opgenomen camerabeelden zijn door verbalisanten dagelijks uitgekeken.

Camerabeelden d.d. 21 januari 2016 [pleegadres 5] te Merksplas:

Uit camerabeelden van 21 januari 2016 is gebleken dat:

  • -

    Te 09:01 uur werd gezien dat een witte Mercedes Vito met het kenteken [kenteken 5] hierna te noemen de [kenteken 5] , bij de loods aan kwam. [verdachte] was gekleed in een donkere broek en donkere jas met capuchon, opende de loodsdeur en ging naar binnen.

  • -

    Te 09:03 uur werd gezien dat [verdachte] de [kenteken 6] de loods uit reed. Vervolgens reed NNman2 de [kenteken 5] de loods in. [verdachte] kwam weer de loods in gelopen en liep naar de achterzijde van de loods.

  • -

    Te 09:06 uur werd gezien dat [verdachte] de loods uit kwam gelopen, kort daarop kwam de [kenteken 5] de loods uit gereden. Gezien werd dat de achterdeur van de [kenteken 5] openstond.

  • -

    Te 09:08 uur werd gezien dat [verdachte] van achter de [kenteken 5] aan kwam lopen en de loods in liep. [verdachte] droeg op dat moment roodkleurige handschoenen en droeg een blauw vat, waarvan de rand aan de bovenzijde zilverkleurig was. NNman 2 komt eveneens de loods in gelopen; ook hij droeg op dat moment zwarte handschoenen. [verdachte] rommelde wat met het blauwe vat; het leek erop alsof er iets van een plastic tas op of in het vat zat. [verdachte] liep vervolgens weer in de richting van de [kenteken 5] en zette het blauwe vat in deze bus, waarop NNman2 de achterdeur sloot.

  • -

    Te 09:09 uur werd gezien dat [verdachte] zijn handschoenen uittrok, het licht in de loods uit deed en de roldeur sloot.

  • -

    Te 09:12 uur werd gezien dat de [kenteken 5] vertrok, kort daarop gevolgd door de [kenteken 6] .

Medeverdachte [medeverdachte 2] 32 heeft bij de politie op 13 juni 2016 - zakelijk weergegeven – verklaard:

[verdachte] reed het busje wel eens naar buiten en naar binnen in Merksplas, zodat de jerrycans gelost konden worden. Hij was er vaak bij als die jerrycans gelost werden. Ik moest de deur opendoen en dan kwam hij later tijdens het lossen nog wel eens een keer aan. Met betrekking tot het huren van de loods in Merksplas ben ik onder druk gezet door [verdachte] , hij zegt die loods moeten we gewoon hebben, die ligt mooi apart, die kan niemand zien en die moet jij gaan huren. Ik ben een paar keer op de locatie in België geweest, die is opgerold. Ik heb daar materiaal binnen gegooid, zoutzuur, mierenzuur en gasflessen. Dat heb ik een paar keer gedaan. Die kwamen uit de loods in Merksplas. Die spullen waren daar opgeslagen door [verdachte] . Die kwamen ze met een auto brengen en daar is [verdachte] zelf een paar keer bij geweest.

Overweging.

Gelet op de inhoud van de voornoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat sprake is van medeplegen van de strafbare voorbereidingshandelingen zoals is tenlastegelegd onder feit 1. Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat op grond van de stukken in het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte in Merksplas synthetische drugs heeft geproduceerd. Verdachte zal derhalve ten aanzien van de pleegplaats Merksplas worden vrijgesproken van feit 2.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

Ten aanzien van feit 1.

in de periode van 16 september 2015 tot en met 1 april 2016 te Rotterdam en te Merksplas en te Oud-Turnhout, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken en vervoeren, van middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden

-voorwerpen, vervoermiddelen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en zijn mededaders wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van die feiten, hebbende verdachte en/of verdachtes mededaders

- loodsen in Nederland en in België gehuurd en/of ter beschikking gesteld en

- in een loods in Nederland APAAN ten behoeve van de bereiding en vervaardiging van MDMA alsmede amfetamine voorhanden gehad en

- in bovengenoemde periode hoeveelheden chemicaliën, waaronder aceton, mierenzuur en methanol voorhanden gehad.

Ten aanzien van feit 2.

in de periode van 16 september 2015 tot en met 1 april 2016 te Rotterdam en [gemeente 2] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft bereid en bewerkt en verwerkt en vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde MDMA en/of amfetamine telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat rekening gehouden dient te worden met het gegeven dat verdachte al ruim tien jaar niet meer is veroordeeld voor feiten die gerelateerd zijn aan de Opiumwet. Voorts dient rekening gehouden te worden met het feit dat verdachte onder financiële druk heeft besloten om ’te gaan koken’ voor anderen. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met de omstandigheid dat verdachte hoogstwaarschijnlijk in België nog vervolgd zal worden voor de productielocatie [locatie] , terwijl deze locatie ook bij de onderhavige zaak aangebracht had kunnen worden, zoals is verzocht door de verdediging. Aan verdachte is onterecht een leidinggevende rol toebedeeld, terwijl verdachte slechts ‘de kok’ was en de ‘grote jongens’ buiten beeld zijn gebleven. De gevorderde straf staat volgens de raadsvrouw ook niet in verhouding tot de straf die gevorderd is ten aanzien van de veronderstelde leider van de criminele organisatie in deze zaak.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van een half jaar bezig gehouden met de productie van synthetische drugs. Verdachte had als ‘de kok’ daarin een actieve en essentiële rol. Zonder hem had de productie van synthetische drugs niet zo profesioneel en op een zo grote schaal kunnen plaatsvinden.

De chemische processen bij de productie van synthetische drugs, de ongecontroleerde opslag van chemicaliën ten behoeve van deze productie en de dumping van drugsafval brengen grote risico’s voor mens en milieu met zich. Het is ook algemeen bekend dat het gebruik van synthetische drugs grote gezondheidsrisico’s met zich brengt voor de gebruikers van deze drugs, dat voornoemde drugs kunnen leiden tot een lichamelijke of geestelijke verslaving en dat verslaafde gebruikers misdrijven plegen om aan geld te komen om in hun verslaving te kunnen voorzien.

Het is tot slot ook een feit van algemene bekendheid dat de productie van en handel in synthetische drugs in handen is van grote, georganiseerde criminele verbanden die daarmee grote winsten maken en hun belangen beschermen met geweld en bedreiging met geweld. Dit alles rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

Verdachte heeft geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden en heeft kennelijk enkel gehandeld uit eigen belang zonder zich te bekommeren om de schadelijke gevolgen van zijn handelen voor de maatschappij.

De rechtbank ziet bij de strafoplegging geen ruimte rekening te houden met hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd ten aanzien van een toekomstige onzekere omstandigheid dat verdachte mogelijk in België nog vervolgd gaat worden. Bij de strafbepaling heeft de rechtbank wel rekening gehouden met het feit dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen, de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Beslag. De rechtbank stelt vast dat thans nog beslag rust op:

  • -

    Een personenauto Ford Fiësta [kenteken 1] , kleur grijs;

  • -

    Een pruik, kleur bruin.

Verder heeft de raadsvrouw ter terechtzitting van 29 en 30 november 2017 naar voren gebracht dat er in de woning van medeverdachte [medeverdachte 4] goederen van verdachte in beslag zijn genomen, waaronder een LTS-diploma. Dit diploma dient te worden geretourneerd aan verdachte, daar er geen strafvorderlijk belang bestaat om het beslag te laten voortduren.

De officier van justitie heeft verbeurdverklaring gevorderd van de personenauto en de pruik. Met betrekking tot het LTS-diploma heeft de officier van justitie te kennen gegeven opdracht te zullen geven dat dit diploma aan verdachte zal worden geretourneerd. Om deze reden zal de rechtbank geen beslissing meer nemen over het inbeslaggenomen LTS-diploma.

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen pruik vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer, omdat het een voorwerp is met behulp waarvan de feiten zijn begaan en het in onderlinge samenhang bezien van zodanige aard is dat het ongecontroleerd bezit ervan in strijd is met de wet.

De onder verdachte in beslag genomen personenauto behoort toe aan ander dan aan verdachte, namelijk aan [medeverdachte 4] , terwijl niet vaststaat dat hij bekend was met het gebruik van deze auto ten behoeve van strafbare feiten. De rechtbank zal daarom de teruggave van de personenauto aan de rechthebbende, zijnde [medeverdachte 4] gelasten.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 27, 36b, 36c, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 2:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

legt op de volgende straffen:

Ten aanzien van feit 1 en feit 2:

Een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

Ten aanzien van feit 1 en feit 2:

Onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen pruik, kleur bruin;

Teruggave van de inbeslaggenomen personenauto Ford Fiësta [kenteken 1] , kleur grijs aan de rechthebbende, te weten [medeverdachte 4] .

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H.A. van Gameren, voorzitter,

mr. H.M. Hettinga en mr. R. van den Munckhof, leden,

in tegenwoordigheid van mr. M.M.A. Akkers, griffier,

en is uitgesproken op 4 januari 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgenomen in het einddossier van de politie Landelijke Eenheid, Dienst Landelijke Recherche, onderzoek [onderzoeksnaam 3] , gesloten op 21 juni 2016. Het proces-verbaal bestaat uit een algemeen dossier, persoonsdossiers, zaaksdossiers 1 t/m 9, beslagdossiers, bobdossiers en aanvullende dossiers. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen opgenomen in genoemde dossiers.

2 Zaaksdossier 4, proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 6 april 2016, pagina 132.

3 Zaaksdossier 4, proces-verbaal bevindingen ondersteuning LFO d.d. 29 april 2016, pagina 161-193.

4 Zaaksdossier 4, proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 11 april 2016, pagina 138-140.

5 1ste aanvulling algemeen dossier, rapport van het NFI d.d. 28 juni 2016, pagina 197-202.

6 Zaakdsdossier 4, proces-verbaal van bevindingen sleutelvergelijking [pleegadres 2] d.d. 3 mei 2016, pagina 134-136.

7 Persoonsdossier ordner 2/3 proces-verbaal van aanhouding d.d. 1 april 2016, pagina 30-31.

8 Zaaksdossier 8, proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming ex artikel 96B van het Wetboek van Strafvordering, pagina 10-12.

9 Zaaksdossier 8, proces-verbaal van bevindingen ondersteuning LFO d.d. 8 april 2016, pagina 21-27.

10 Zaaksdossier 8, rapport van het NFI d.d. 13 april 2016, pagina 29-30.

11 Zaaksdossier 4, proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 8 april 2016, pagina 281-299.

12 Zaaksdossier 3, Proces-verbaal van observatie d.d. 16 december 2015, pagina 4-8.

13 Zaaksdossier 3, Proces-verbaal van bevindingen Bakengegevens d.d. 14 juni 2016, pagina 10-15.

14 Zaaksdossier 3, proces-verbaal bevindingen interpretatie LFO d.d. 10 april 2016, pagina 30-52.

15 Zaaksdossier 3, rapport NFI d.d. 8 april 2016, pagina 53-54.

16 1ste aanvulling algemeen dossier, NFI rapport d.d. 23 juni 2016, pagina 180-184.

17 1ste aanvulling algemeen dossier, NFI rapport d.d. 24 juni 2016, pagina 175-179.

18 Zaaksdossier 3, proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 13 juni 2016, pagina 241-291.

19 Zaaksdossier 2, proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 6 juni 2016, pagina 246-260.

20 Zaaksdossier 7, proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 juni 2016, pagina 14-15.

21 Zaaksdossier 7, proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 februari 2016, pagina 16.

22 1ste aanvulling algemeen dossier, proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 juni 2016, pagina 204-217.

23 1ste aanvulling algemeen dossier, NFI rapport d.d. 7 juni 2016, pagina 218-222.

24 Zaaksdossier 7, proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 5 februari 2016, pagina 47-52.

25 Zaaksdossier 7, NFI rapport d.d. 22 april 2016, pagina 71-74.

26 Zaaksdossier 7, proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 13 juni 2016, pagina 199-251.

27 Zaaksdossier 2, Pro Justitia navolgend proces-verbaal d.d. 5 april 2016, pagina 121-135.

28 Zaaksdossier 2, proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 6 juni 2016, pagina 246-260.

29 Zaaksdossier 2, proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 13 juni 2016, pagina 262-312.

30 Zaaksdossier 9, Pro Justitia navolgend proces-verbaal d.d. 4 april 2016, pagina 38-40.

31 Zaaksdossier 9, proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 mei 2016, pagina 28-36.

32 Zaaksdossier 9, proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 13 juni 2016, pagina 175-227.