Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:177

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
15-01-2018
Datum publicatie
10-09-2018
Zaaknummer
17_1099
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2019:86, Overig
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2019:1356, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betreft aan eiser verleende persoonsgebonden gedoogbeschikking met voorwaarden voor een bouwwerk. De rechtbank is van oordeel dat eiser belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep. Een persoonsgebonden gedoogbeschikking is geen besluit tot handhaving, maar een uitstel van het gebruik van de handhavingsbevoegdheid. Voor zover het beroep is gericht tegen de aan de gedoogbeschikking verbonden voorwaarden is dat niet-ontvankelijk omdat geen sprake is van een besluit in de van artikel 1:3 van de Awb. Voor het overige wordt het beroep na een inhoudelijke beoordeling ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2018-0204
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 17/1099

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 januari 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. B.J. Bloemendal),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bladel, verweerder,

(gemachtigde: mr. drs. S.M.W. Verouden).

Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een persoonsgebonden gedoogbeschikking verleend voor een bouwwerk op zijn perceel aan de [adres] (het perceel).

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 4 juli 2016 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluit van 21 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit met een nadere motivering in stand gelaten.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 4 april 2016 beroep ingesteld bij de rechtbank.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van 2 oktober 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat, bij de beoordeling van de zaak, uit van de volgende feiten.

Eiser is in 2013 eigenaar geworden van het perceel. Op dit perceel bevindt zich een stal met een overkapping. De stal is gebouw rond 1933. Op 8 april 1982 is voor het houden van mestvarkens in de stal een milieuvergunning verleend.

Op 6 januari 2016 heeft verweerder, in het kader van een project inzake schuilhutten en vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen, per abuis aan de voormalige eigenaar in plaats van eiser te kennen gegeven dat het gebouw illegaal is opgericht. Naar aanleiding van diverse reacties heeft verweerder geconcludeerd dat handhavend optreden tegen bouwwerken die voor 1980 gerealiseerd zijn, leidt tot een aperte onbillijkheid. Daarom heeft verweerder besloten om voor al die bouwwerken een persoonsgebonden gedoogbeschikking te verlenen.

Bij het primaire besluit is aan eiser dan ook een persoonsgebonden gedoogbeschikking verleend. Deze beschikking staat het eiser toe het betrokken bouwwerk te laten staan onder de volgende voorwaarden:

  1. de persoonsgebonden beschikking is persoonsgebonden en niet overdraagbaar;

  2. de persoonsgebonden beschikking vervalt in ieder geval op het moment wanneer eiser het perceel verkoopt of overlijdt;

  3. na afloop van de gedoogbeschikking, bijvoorbeeld bij verkoop of overlijden, dient het bouwwerk binnen 6 maanden te worden verwijderd;

  4. het bouwwerk mag niet worden vergroot of vernieuwd; slechts gedeeltelijke vernieuwing is toegestaan.

2.1

De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de, ambtshalve te beantwoorden, vraag of eiser belang heeft bij beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit (procesbelang). De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.

2.2

De beroepsgronden richten zich, naar hun strekking, tegen het bestreden besluit, als ware sprake van een handhavingsbesluit. Desgevraagd heeft eiser zich ter zitting op het standpunt gesteld dat hij belang heeft bij een oordeel van de rechtbank, omdat hij daarvan beperkingen zal ondervinden op het moment dat hij de onroerende zaak zou willen vervreemden.

2.3

De rechtbank volgt eiser in zijn opvatting dat hij in dit geval een procesbelang heeft. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1531), specifiek naar de rechtsoverwegingen 31 en 31.1. De Afdeling heeft in die uitspraak overwogen dat appelanten in die zaak, ondanks dat zij voor een persoonsgebonden gedoogbesluit in aanmerking waren gebracht en er geen handhavende maatregelen meer aan de orde waren, een procesbelang hadden, reeds omdat zij er belang bij hadden te weten wat hun juridische positie ten aanzien van het toegestane gebruik van hun tuinhuizen was, voor het geval zij deze zouden willen vervreemden.

Het beroep kan dan ook niet vanwege het ontbreken van een procesbelang niet‑ontvankelijk worden verklaard.

3.1

Volgens eiser bestaat er geen juridische basis voor het opleggen van een gedoogbeschikking met beperkingen. Verder kan de gedoogbeschikking niet worden gehandhaafd wanneer het perceel wordt verkocht. Op basis van het algemene beleidsuitgangspunt dat handhaven apert onbillijk is, kan ook niet tegen de koper/nieuwe eigenaar worden opgetreden.

3.2

De rechtbank vermag niet in te zien dat verweerder niet bevoegd zou zijn om een gedoogbesluit te nemen en daaraan voorwaarden te verbinden.

Het nemen van een gedoogbesluit vindt zijn grondslag in het niet opleggen van een bestuurlijke sanctie. In dit geval staat buiten kijf dat verweerder handhavend mocht optreden, vanwege de omstandigheid dat het op het perceel aanwezige bouwwerk in strijd is met het geldende bestemmingsplan "Buitengebied Bladel 2014", waarin aan het perceel de bestemming "Agrarisch" is toegekend. Op grond van deze bestemming is ter plaatse geen bebouwing toegestaan. Weliswaar heeft eiser - daar komt de rechtbank hierna nog op terug - aangevoerd dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of legalisatie heeft plaatsgevonden (of kan plaatsvinden), maar dit laat de bevoegdheid van verweerder onverlet.

Verweerder is, bij de afweging of hij gebruik zou maken van zijn bevoegdheid tot handhaving, tot de conclusie gekomen dat dit in eisers geval zou leiden tot een aperte onbillijkheid. Waar verweerder zou kunnen optreden, maar dit niet doet, is sprake van een begunstigende beschikking, tot het nemen waarvan verweerder, op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd is. Het gedoogbesluit ontbeert dan ook geen juridische basis.

3.3

Verweerder volgt eiser niet in zijn opvatting dat ook niet tegen de koper/nieuwe eigenaar kan worden opgetreden, omdat ook dat apert onbillijk zou zijn. Volgens verweerder, die daarbij aansluit bij wat de rechtbank heeft overwogen in haar, partijen bekende, uitspraak van 21 februari 2017 (ECLI:NL:RBOBR:2017:874), is met het gedoogbesluit nog niet besloten dat en hoe handhavend zal worden opgetreden na het eindigen van de situatie waarvoor hij blijkens de beschikking heeft toegezegd te gedogen.

3.4

De rechtbank overweegt, evenals in haar uitspraak van 21 februari 2017, dat een persoonsgebonden gedoogbeschikking juist geen besluit tot handhaving betreft, maar een uitstel van het gebruik van de handhavingsbevoegdheid.
Voor zover eiser zich met deze grond heeft willen richten tegen de aan de gedoogbeschikking gestelde voorwaarden, overweegt de rechtbank, dat in de gedoogbeschikking slechts omstandigheden zijn geduid waaronder het gedogen zal worden beëindigd. Die duiding is niet op rechtsgevolg gericht. In zoverre is het primaire besluit dan ook geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarmee is immers nog niet besloten dat en hoe handhavend zal worden opgetreden na het eindigen van de situatie waarvoor verweerder blijkens de beschikking heeft toegezegd te gedogen. Daarover zal verweerder te zijner tijd in het licht van de dan geldende rechtsregels en op basis van de feiten en omstandigheden moeten beslissen. Mocht er dan wel een handhavingsbesluit worden genomen, dan staan daartegen voor belanghebbenden rechtsmiddelen open.

3.5

Het beroep is, gelet hierop, voor zover het zich richt tegen de aan het gedoogbesluit verbonden voorwaarden niet‑ontvankelijk.

4.1

Volgens eiser is in het primaire en het bestreden besluit niet expliciet opgenomen op welk perceel en welke bouwwerken de gedoogbeschikking ziet.

4.2

Volgens verweerder kan er, gelet op de bij de beschikking gevoegde luchtfoto en kadastrale tekening, geen enkele twijfel over bestaan waarop de gedoogbeschikking betrekking heeft.

4.3

De rechtbank kan eiser in het geheel niet volgen in zijn standpunt. Bij de beschikking is een bijlage gevoegd met daarop een luchtfoto en een uittreksel uit het bestemmingsplan. Op deze bijlage zijn de coördinaten en de kadastrale gegevens van de locatie [adres] aangegeven. De opmerkingen van eiser passen bovendien niet goed bij de tekst in het bezwaarschrift over het jaartal van de bouw van de stal, over het gebruik daarvan en over de afgifte van een milieuvergunning voor dat gebruik.

Het betoog faalt.

5.1

Eiser heeft verder aangevoerd dat hij er, gelet op het lange stilzitten van verweerder, de afgifte van een milieuvergunning en het gegeven dat verweerder een fietspad om het gebouw heeft heen gelegd, op mocht vertrouwen dat verweerder het bouwwerk aan zou merken als een legaal bouwwerk en het ontbreken van een bouwvergunning hem dan ook niet had mogen worden tegengeworpen.

5.2

Eiser gaat er bij deze beroepsgrond vanuit dat sprake is van een handhavingsbesluit. Eerst wanneer een handhavingsbesluit zou worden genomen, zouden de door eiser genoemde omstandigheden een rol kunnen spelen. Bij het nemen van een gedoogbesluit zijn zij niet relevant.

Het betoog faalt.

6.1

Eiser is van menig dat het bouwwerk valt onder planologisch overgangsrecht van diverse opeenvolgende bestemmingsplannen. Het is hierdoor gelegaliseerd.

6.2

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het bouwwerk zonder vergunning is gebouwd en daarmee illegaal is. Het overgangsrecht geeft geen vergunning vervangende titel.

6.3

Nog daargelaten dat de legaliseringsvraag eerst relevant wordt op het moment dat verweerder een handhavingsbesluit neemt, heeft verweerder zich op juiste gronden op het standpunt gesteld dat het overgangsrecht geen vergunning vervangende titel geeft. Dit zou daarom niet aan handhaving in de weg staan.

Overigens heeft verweerder in het bestreden besluit uitgebreid op deze in het bezwaar aangevoerde stelling gereageerd. In beroep volstaat eiser met de blote opmerking dat het bouwwerk valt onder diverse opeenvolgende bestemmingsplannen, zonder dit te concretiseren en aan te geven in hoeverre verweerders reactie op het bezwaar niet adequaat is.

Het betoog faalt.

7.1

Volgens eiser heeft verweerder niet onderzocht, aan de hand van bestemmingsplannen uit het verleden, of legalisatie niet heeft plaatsgevonden en of sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 4 van bijlage II bij het Bor.

Vanwege het niet verrichten van dit onderzoek heeft verweerder het besluit niet zorgvuldig voorbereid, niet alle bij het besluit betrokken belangen betrokken en is sprake van een motiveringsgebrek.

7.2

Volgens verweerder ziet deze procedure niet op een verzoek om legalisatie en is geen sprake van de afwijzing van een dergelijk verzoek. Reeds hierom treft deze grond volgens verweerder geen doel.

7.3

De rechtbank volgt verweerder hierin. Eerst indien een aanvraag is ingediend en wordt geconstateerd dat deze niet past binnen de bestemmingsregels van een bestemmingsplan, is aan de orde of de aangevraagde activiteit valt onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan.

Dit betoog faalt.

8. Het voorafgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep, voor zover het ontvankelijk is, ongegrond is.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep niet-ontvankelijk, voor zover het is gericht tegen de aan het gedoogbesluit verbonden voorwaarden;

  • -

    verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. de Lange, rechter, in aanwezigheid van A.J.H. van der Donk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.