Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:1668

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
12-04-2018
Datum publicatie
12-04-2018
Zaaknummer
96-168716-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ten laste van verdachte is bewezen verklaard dat hij artikel 2:1 lid 2 van de APV Veldhoven [2007] heeft overtreden tijdens de deelname van verdachte aan een tegendemonstratie tegen de demonstratie van Eritrese politieke vluchtelingen. Nu deze gedraging onder de uitzonderingsbepaling van artikel 2:1 lid van voornoemde APV valt, levert het bewezen verklaarde geen strafbaar feit op. Verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 96.168716.17

Datum uitspraak: 12 april 2018

Verkort vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] ,

wonende te [postcode] , [straatnaam 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen in de zin van artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 30 maart 2018.

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

Inleiding

Op grond van de bewijsmiddelen1 stelt de kantonrechter de volgende feiten en omstandigheden vast.

1. Op 13 april 2017 zou in het [conferentiecentrum] gelegen aan [straatnaam 2] te Veldhoven een bijeenkomst plaatsvinden van de Eritrese politieke beweging YPFDJ. Verdachte is een Eritrese politieke vluchteling. Hij en ongeveer 127 andere Eritrese politieke vluchtelingen hadden zich op die dag in de loop van de middag en in het begin van de avond bij [conferentiecentrum] verzameld om te demonstreren tegen de aanwezigheid van de leden van de YPFDJ. De Burgemeester van de gemeente Veldhoven had voor het houden van deze tegendemonstratie geen toestemming verleend.

2. De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] waren op 13 april 2017 met meerdere collega’s bij [conferentiecentrum] aanwezig om de orde te bewaken. De tegendemonstratie verliep aanvankelijk rustig en deze werd daarom door hen in afwachting van een beslissing van de Burgemeester gedoogd. Zij hadden regelmatig contact met [teamchef] , die zich bij de Burgemeester bevond.

3. Om ongeveer 19.00 uur die dag arriveerden autobussen met de leden van YPFDJ bij [conferentiecentrum] . Op dat moment ontstond er een spanning binnen de groep van de tegendemonstranten. Om wanordelijkheden te voorkomen hadden de politieagenten een laag hekwerk geplaatst en een linie gevormd. Om ongeveer 19.10 uur dreigde de situatie uit de hand te lopen omdat er door een aantal personen geweld werd gebruikt. Deze personen konden vanwege het tumult niet door de politieagenten aangehouden worden. Vervolgens werden er vanuit de groep tegendemonstranten luid leuzen gescandeerd en ontstond er een zeer gespannen sfeer. De situatie was niet meer houdbaar omdat de tegendemonstranten agressief werden naar de politieagenten en de congresgangers. Gevreesd werd dat zij door de linie van de politieagenten zouden breken. De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] besloten toen de tegendemonstranten te bevelen om weg te gaan. Voor overleg met de teamchef en de Burgemeester was voor hen geen tijd meer omdat zij vanwege de noodsituatie direct dienden te handelen.

4. De tegendemonstranten werden door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] meerdere malen, in verschillende talen, met behulp van een megafoon en door het maken van gebaren gevorderd om weg te gaan. Daarna werd het stil in de groep van de tegendemonstranten en werd er door deze groep een afwachtende houding aangenomen. Omdat geen gevolg aan het bevel werd gegeven, werden ongeveer126 tegendemonstranten, onder wie verdachte, aangehouden en in autobussen naar het politiebureau gebracht. Dit is op rustige wijze en zonder incidenten gegaan.

5. Tegen verdachte is proces-verbaal opgemaakt wegens overtreding van artikel 2:1 lid 2 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de Gemeente Veldhoven 2017 (APV).

Verdachte is bij strafbeschikking een geldboete opgelegd. Hiertegen heeft verdachte tijdig verzet ingesteld.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij oproepingen van 5 oktober 2017.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 14 april 2017 in de gemeente Verlhoven, op een

openbare plaats, te weten [straatnaam 2] , bij enig voorval waardoor er

wanordelijkheden ontstonden of dreigden te ontstaan en/of bij een tot

toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor er

wanordelijkheden ontstonden of dreigden te ontstaan, aanwezig was,

niet heeft voldaan aan een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar

van politie, om zijn weg te vervolgen en/of zich in de door voornoemde

ambtenaar aangewezen richting te verwijderen;

Op 19 december 2017 is de behandeling van de zaak voor onbepaalde tijd aangehouden teneinde verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] tegen het tijdstip van de nadere terechtzitting te horen als getuige.
Middels de oproeping van 21 februari 2018 is de behandeling van de zaak op 30 maart 2018 hervat.

De formele voorvragen.

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan de wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de kantonrechter.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de kantonrechter bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Het standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw voert primair aan: Een aantal zaken van medeverdachten is geseponeerd. Niet inzichtelijk is hoeveel verdachten dit betreft en wat de reden van het sepot is. Het Openbaar Ministerie heeft hiermee gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur en is daarom niet ontvankelijk.

De raadsvrouw voert subsidiair aan: Het recht op betoging hangt nauw samen met het in artikel 7 van de Grondwet gegarandeerde recht van vrijheid van meningsuiting. Beide grondrechten worden eveneens gegarandeerd in de artikelen 10 en 11 EVRM en de

artikelen 19 en 21 IVBPR. De Wet openbare manifestaties (Wom) geeft uitvoering aan de regelingsopdracht neergelegd in artikel 9 van de Grondwet. De Wom kent alleen aan de Burgemeester bevoegdheden toe om aanwijzingen te geven voor het houden van een manifestatie of om een manifestatie te beëindigen. Door de demonstranten aan te houden is de politie haar bevoegdheden te buiten gegaan. Hiermee werd de manifestatie feitelijk beëindigd, terwijl een uitdrukkelijke voorafgaande opdracht daartoe van de Burgemeester aan de politie ontbrak. Het ingrijpen door de politie, waarmee een inbreuk werd gemaakt op het recht van betoging, dient volgens het Europese Hof proportioneel te zijn in verhouding tot de belangen van openbare orde en noodzakelijk te zijn. In het onderhavige geval waren de aanhoudingen van alle tegendemonstranten onnodig en disproportioneel. Dit alles levert een ernstig verzuim op dat dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

De beoordeling

Het primaire standpunt van de raadsvrouw

Voorop staat dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde, voor zover hier van belang het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur.

Met instemming van de raadsvrouw en de officier van justitie zijn zij door de kantonrechter in de gelegenheid gesteld om na de terechtzitting van 30 maart 2018 nog een schriftelijke conclusie te nemen met betrekking tot de door het Openbaar Ministerie genomen sepotbeslissingen. De raadsvrouw heeft in haar conclusie veertien namen genoemd van betrokken personen die niet (verder) vervolgd zouden zijn. De officier heeft hierop gereageerd. Volgens hem is de reden van niet vervolging van deze personen erin gelegen dat het minderjarigen betreft of dat geen woon- of verblijfplaats van deze personen bekend is. Bovendien geldt volgens de officier van justitie dat enkele van de raadsvrouw genoemde personen wel vervolgd zijn en dat ten aanzien van een aantal personen nog een beslissing om wel of niet te vervolgen genomen dient te worden in afwachting van de uitkomst in de onderhavige zaak.

Gelet op deze uitleg van de officier van justitie kan naar het oordeel van de kantonrechter niet aangenomen worden dat zich een uitzonderlijk geval in de hiervoor door de raadsvrouw gestelde zin voordoet, op grond waarvan tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie geconcludeerd zou moeten worden. Het primaire standpunt wordt daarom verworpen.

Het subsidiaire standpunt

Uit de vaststaande feiten en omstandigheden, zoals hiervoor weergegeven, blijkt dat de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ter voorkoming van verdere wanordelijkheden en ter bescherming van de openbare orde genoodzaakt waren om direct, zonder dat een besluit van de Burgemeester afgewacht kon worden, in te grijpen door verdachte en zijn mededemonstranten te bevelen weg te gaan en om hen aan te houden nadat dit bevel niet werd opgevolgd. Weliswaar heeft dit ingrijpen het bijkomend gevolg gehad dat de tegenmanifestatie door hen beëindigd werd, maar dit was niet het eigenlijke doel van de verbalisanten. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de kantonrechter niet aangenomen worden dat het handelen van de verbalisanten op de door de raadsvrouw gestelde gronden dient te leiden tot niet ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Het subsidiaire standpunt wordt daarom ook verworpen.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de officier van justitie ontvankelijk is.

Schorsing van de vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

De bewezenverklaring.

Het standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw stelt dat de tegendemonstranten, onder wie verdachte, door het tumult en de taalbarrière de vorderingen van de verbalisanten niet hebben gehoord en niet hebben begrepen. Verdachte dient daarom vrijgesproken te worden.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft in zijn requisitoir geconcludeerd tot een bewezenverklaring.

De beoordeling

De kantonrechter verwerpt de stelling van de raadsvrouw. Uit de wijze waarop de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] het bevel kenbaar hebben gemaakt en de reactie daarop van de tegendemonstranten, zoals dit uit de hiervoor onder punt 4 bij de inleiding vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt, moet worden aangenomen dat zij het bevel hebben gehoord en hebben begrepen.

De kantonrechter acht, op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte:

hij op of omstreeks 14 april 2017 in de gemeente Verlhoven, op een

openbare plaats, te weten [straatnaam 2] , bij enig voorval waardoor er

wanordelijkheden ontstonden of dreigden te ontstaan en/of bij een tot

toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor er

wanordelijkheden ontstonden of dreigden te ontstaan, aanwezig was,

niet heeft voldaan aan een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar

van politie, om zijn weg te vervolgen en/of zich in de door voornoemde

ambtenaar aangewezen richting te verwijderen;

Naar het oordeel van de kantonrechter bevat de tenlastelegging

een kennelijke verschrijving omdat daar waar Verlhoven geschreven staat, geschreven had moet staan Veldhoven. De kantonrechter zal de tenlastelegging als zodanig gewijzigd lezen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de kantonrechter niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw stelt dat er sprake was van een betoging of een demonstratie in de zin van de Wet openbare manifestaties (Wom). Artikel 2:1 van de APV is hier niet voor geschreven. Dit blijkt uit artikel 2:1 lid 5 van de APV. Hieruit volgt dat verdachte ontslagen dient te worden van rechtsvervolging.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting bij repliek geconcludeerd tot vrijspraak omdat de Wom van toepassing is. Naar de kantonrechter begrijpt, heeft de officier van justitie beoogd te stellen dat verdachte ontslagen dient te worden van rechtsvervolging. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat de Burgemeester op grond van de Wom een besluit tot beëindiging van de tegenmanifestatie had dienen te nemen en dat dan op grond van artikel 5, juncto artikel 11 van die wet in het onderhavige geval tot vervolging van verdachte had kunnen worden overgegaan. In dit geval hebben de verbalisanten zelf het besluit genomen en hebben zij de tegendemonstranten op grond van artikel 2:1 lid 2 van de APV bevolen te vertrekken. Dit artikel is, gelet op artikel 2:1 lid 5 van de APV, echter niet van toepassing.

De beoordeling

De Algemeen Plaatselijke Verordening van de gemeente Veldhoven 2017 (APV) luidt onder meer als volgt:

“(…)

HOOFDSTUK 2. OPENBARE ORDE

Afdeling 1. Bestrijding van ongeregeldheden

Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden

(…)

2.

Hij die op een openbare plaats aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

(…)

5.

Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

(…..).

Hoofdstuk 6. Straf-, overgangs- en slotbepalingen

Artikel 6:1 Strafbepaling

Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak (...)”.

Uit de hiervoor in de inleiding vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt naar het oordeel van de kantonrechter dat in het onderhavige geval sprake was van een tegendemonstratie, waar verdachte aan deelnam, en dat de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] dat ook aangenomen hebben. Vast staat ook dat op deze tegendemonstratie de Wom van toepassing is. Dat de Burgemeester (vooraf) geen toestemming heeft gegeven voor het houden van de tegendemonstratie doet daar niet aan af.

Naar het oordeel van de kantonrechter betekent dit dat het bewezenverklaarde gelet op artikel 2:1 lid 5 van de APV niet gekwalificeerd kan worden als een strafbare gedraging in de zin van artikel 2:1 lid 2, juncto artikel 6:1 van de APV. Verdachte dient daarom ontslagen te worden van alle rechtsvervolging.

DE UITSPRAAK

De kantonrechter:

vernietigt de strafbeschikking;

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Appelhof, kantonrechter, en op 12 april 2018 uitgesproken in tegenwoordigheid van A. van der Hall-van Lier, griffier.

1 De bewijsmiddelen zijn de processen-verbaal van bevindingen d.d. 13 april 2017, d.d. 17 mei 2017 en d.d. 5 januari 2018 van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en de door deze verbalisanten ter terechtzitting van 30 maart 2018 afgelegde getuigenverklaringen.