Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:1638

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
11-04-2018
Datum publicatie
27-11-2018
Zaaknummer
17_3004
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verwijdering uit het landelijk register kinderopvang

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 17/3004

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 april 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. R.P.V.W. Willems),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente ‘s-Hertogenbosch, verweerder

(gemachtigde: mr. R.M. Brill).

Procesverloop

Bij besluit van 3 mei 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten de gegevens van de voorziening voor gastouderopvang van eiseres met ingang van 19 mei 2017 te verwijderen uit het Landelijk Register Kinderopvang (het register).

Hiertegen heeft eiseres bij brief van 13 juni 2017 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 25 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder, met inachtneming van het advies van de bezwarencommissie, het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Voor het verweer heeft verweerder verwezen naar het bestreden besluit en het advies van de bezwarencommissie.

De zaak is behandeld op de zitting van 5 maart 2017. Eiseres is verschenen in het bijzijn van haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [persoon 1] en [persoon 2] , werkzaam bij verweerders gemeente.

Overwegingen

De feiten

1. Eiseres is via [naam] Gastouderbureau B.V. te ’s-Gravenhage werkzaam geweest als gastouder. Zij ving in die hoedanigheid in haar woning vijf dagen per week (tien uur per dag), drie tot zes kinderen in de leeftijd van nul tot vier jaar op. Na haar verhuizing heeft eiseres het gastouderschap in haar nieuwe woning voortgezet ingaande 1 mei 2016.

De GGD Hart voor Brabant (GGD) heeft op 14 juni 2016 een inspectie in de woning van eiseres uitgevoerd. In het naar aanleiding daarvan uitgebrachte rapport van 27 juni 2017 heeft de GGD verweerder geadviseerd om eiseres, gelet op de door de inspectie geconstateerde overtredingen, niet in het register op te nemen.

In een inspectierapport van de GGD van 18 juli 2016 is vermeld dat bij een onaangekondigd onderzoek in de woning van eiseres op 15 juli 2016 is gebleken dat eerder vastgestelde overtredingen zijn aangepakt. De GGD heeft geconcludeerd dat de voorziening van eiseres voldoet aan de getoetste kwaliteitseisen voor gastouderopvang en heeft verweerder geadviseerd dat er geen handhaving nodig is.

Op 7 februari 2017 heeft een kind van acht maanden tijdens de opvang in de woning van eiseres hete vloeistof over zich heen gekregen en ernstige brandwonden opgelopen. Het kind is daarna met spoed naar het ziekenhuis en vervolgens naar het Brandwondencentrum in Beverwijk gebracht. Het kind heeft blijvend letsel opgelopen.

Tijdens een gesprek op 10 februari 2017 tussen Veilig Thuis, de moeder van het kind, eiseres en een vertegenwoordiger van gastouderbureau [naam] , zijn onder meer de bevindingen van het ziekenhuis aan de orde gesteld. Op diezelfde datum heeft Veilig Thuis contact opgenomen met de arts van het Brandwondencentrum.

Gastouderbureau [naam] heeft op 14 februari 2017, na contact met Veilig Thuis, bij de GGD melding gemaakt van het incident op 7 februari 2017. Veilig Thuis heeft dit ongeval op 17 februari 2017 bij de GGD gemeld.

Na een onaangekondigd incidenteel onderzoek op 2 maart 2017 in de woning van eiseres heeft de GGD op 7 maart 2017 een concept-inspectierapport opgesteld. Nadat eiseres haar zienswijze had gegeven, heeft de GGD op 14 maart 2017 een definitief inspectierapport vastgesteld, waarin onder meer de volgende bevindingen zijn vermeld:

(…)

  • -

    op de begane grond ontbreekt een traphekje. De kinderen kunnen de trap beklimmen. In het plan van aanpak van het gastouderbureau is vermeld dat er een traphekje is geplaatst.

  • -

    het traphekje bovenaan de trap staat open terwijl er kinderen op bed liggen.

  • -

    er staan diverse paren schoenen op de trap, waarover gastouder en kinderen kunnen

struikelen. In het plan van aanpak is vermeld dat de gastouder geen spullen op de trap laat liggen om te voorkomen dat een kind van de trap valt.

  • -

    op de vensterbank in de woonkamer staat een pot thee op een theelichtenhouder waarin een waxinelichtje brandt. Deze wordt niet hoog weggezet op het moment dat de gastouder met de toezichthouders naar buiten loopt. Op dat moment zit een kind in de woonkamer televisie te kijken. In het plan van aanpak staat dat warme dranken ver op tafel of op het aanrecht worden gezet.

  • -

    de toegang tot de kelderkast in de keuken is niet beveiligd. De gastouder geeft aan dat er een speelgoedpiano voor de deur wordt geschoven als de kinderen in de woonkamer zijn. Op het moment van inspectie staat deze piano niet voor de kelderdeur. Ook is deze piano door een kind gemakkelijk opzij te schuiven. In het plan van aanpak staat beschreven dat de gastouder de kelder afzet met een veiligheidshekje. Dit is niet gebeurd.

  • -

    de voordeur is voor en tijdens de inspectie niet op slot. In het plan van aanpak staat dat de voordeur tijdens de opvang van kinderen altijd op slot is.

  • -

    de gastouder geeft aan dat ze zeer regelmatig met de kinderen op pad gaat. De twee jongste kinderen gaan in een dubbele wandelwagen, de twee oudere kinderen rijden op een loopfietsje mee. De risico’s rondom deze situatie zijn niet opgenomen in de RIE en het plan van aanpak.

(…)

Een eerder incident, waarbij hetzelfde kind uit een kinderstoel is gevallen en gewond is geraakt, is niet op een ongevallenlijst vastgelegd.

(…)

De GGD heeft in het rapport geconcludeerd dat de voorziening van eiseres niet voldoet aan de getoetste kwaliteitseisen voor gastouderopvang en heeft verweerder geadviseerd te handhaven conform het handhavingsbeleid.

De GGD heeft in een bij het primaire besluit gevoegd verslag geconcludeerd dat eiseres onvoldoende deskundig is om de opvang zodanig te organiseren dat dit leidt tot verantwoorde gastouderopvang. Het risico dat er zich een nieuw ongeval zal voordoen, is groot en niet verantwoord om te nemen. Eiseres heeft niet laten zien dat zij kan acteren op eerdere aanwijzingen van de GGD om de veiligheid structureel te verbeteren. Eiseres laat recidiverend zien dat zij onvoldoende in staat is om zelfstandig gevaren en risico’s te herkennen en onderkennen, aldus de GGD.

Het standpunt van verweerder

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bij het primaire besluit ingenomen standpunt gehandhaafd dat gelet op de bevindingen en conclusies van de GGD, gezien in samenhang met de incidenten uit 2016 en onder verwijzing naar de van toepassing zijnde regelgeving, de door eiseres geëxploiteerde voorziening voor gastouderopvang met ingang van 19 mei 2017 uit het register kon worden verwijderd.

De bespreking van het bestreden besluit aan de hand van de beroepsgronden

3. Eiseres heeft in beroep gesteld dat zij niet de door de GGD vermelde feiten betwist, maar dat zij het niet eens is met de conclusies die de GGD aan deze feiten heeft verbonden. Met name bestrijdt eiseres de conclusie van de GGD dat het risico op een nieuw ongeval groot is en niet verantwoord is om te nemen. Eiseres stelt dat verweerder zich er ten onrechte niet van heeft vergewist of het onderzoek van de GGD zorgvuldig is geweest.

4. De rechtbank stelt voorop dat indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, een bestuursorgaan zich er op grond van artikel 3.9 van de Algemene wet bestuursrecht van dient te vergewissen dat dit onderzoek op een zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.

5. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 april 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1103), blijkt dat een bestuursorgaan, gelet op de deskundigheid van de GGD, in beginsel van het inspectierapport mag uitgaan. Dit neemt niet weg dat een bestuursorgaan zich ervan moet vergewissen dat het aan het advies ten grondslag liggende onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze is verricht en dat de feiten de conclusies kunnen dragen. Dat is bijvoorbeeld niet het geval indien de feiten aan de conclusies te weinig of te weinig directe grondslag bieden of omdat ze in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met hetgeen overigens bekend is. Voorts moet het bestuursorgaan zich zelfstandig een oordeel vormen omtrent de feiten die aan het advies ten grondslag zijn gelegd, indien de feiten door de belanghebbende worden betwist.

6. Omdat eiseres de door de GGD vermelde feiten niet betwist, is verweerder niet gehouden om zich een zelfstandig oordeel te vormen omtrent de feiten die aan het advies ten grondslag zijn gelegd te vormen. Wel moet verweerder zich ervan vergewissen dat die feiten de conclusies kunnen dragen.

7. Onder verwijzing naar de motivering in het advies van de bezwarencommissie stelt verweerder zich bij het bestreden besluit op het standpunt dat er in het licht van de bezwaren van eiseres geen reden is om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het onderzoek door de GGD of aan de wijze van totstandkoming van het advies.

8. Nadat verweerders voornemen om haar voorziening als gastouder te verwijderen uit het register mondeling aan eiseres was medegedeeld, is er op 3 april 2017 een gesprek geweest tussen eiseres, de ambtenaar van verweerders gemeente [persoon 2] , een vertegenwoordiger van het Gastouderbureau [naam] , twee ouders van opvangkinderen en twee vertegenwoordigers van de GGD. [persoon 2] heeft verder naar aanleiding van de bevindingen van de GGD en met het oog op verweerders besluitvorming intern overleg en nader overleg met de GGD en de Nederlandse Vereniging van Gemeenten gevoerd.

9. Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, waarbij verweerder inzicht heeft gegeven in zijn handelen en de gemaakte afwegingen, oordeelt de rechtbank dat verweerder zich er voldoende van heeft vergewist dat de aangenomen feiten de door de GGD vermelde conclusies kunnen dragen. Verweerder heeft het advies van de GGD van 14 maart 2017 dan ook aan zijn besluitvorming ten grondslag mogen leggen. De beroepsgrond slaagt niet.

10. Eiseres vindt verder dat verweerder er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat zij al jarenlang zonder incidenten kinderen in haar woning heeft opgevangen, afgezien van het incident op 7 februari 2017. Verweerder heeft volgens eiseres niets gedaan met haar weerlegging van de verweten gedragingen.

11. Onder verwijzing naar het advies van de bezwarencommissie betoogt verweerder dat zijn besluitvorming niet zo zeer is gebaseerd op de opsomming van onvolkomenheden in het rapport van 2 maart 2017, maar om de gehele beeldvorming, waarbij het ongeval dat op 7 februari 2017 heeft plaatsgevonden een cruciale rol speelt. Met name het feit dat tijdens de inspectie op 2 maart 2017 is vastgesteld dat eiseres een pot met hete thee onbeheerd en binnen handbereik van de kinderen op de vensterbank liet staan, bezien in samenhang met het ernstige ongeval op 7 februari 2017, waarbij ook hete vloeistof een rol speelde, is voor verweerder doorslaggevend geweest bij het nemen van het besluit.

Verweerder heeft erkend dat tijdens de inspectie op 14 juni 2016 diverse overtredingen zijn geconstateerd, die blijkens het inspectierapport van 18 juli 2016 zodanig zijn verholpen dat weer was voldaan aan de kwaliteitseisen voor gastouderopvang. Anderzijds heeft verweerder de stelling van eiseres dat er geen ander incident heeft plaatsgevonden dan het ongeval op 7 februari 2017 betwist. Verweerder heeft er op gewezen dat het kind, dat het ongeval op 7 februari 2017 is overkomen, enige weken daarvoor uit een kinderstoel is gevallen met als gevolg blauwe plekken op benen en heup.

Verweerder heeft gesteld dat tijdens de periode waarin eiseres actief was als gastouder sprake was van een terugkerend patroon waarbij telkens onvolkomenheden zijn geconstateerd. Van een professioneel opvangouder kan en mag worden verwacht dat deze te allen tijden voldoet aan de eisen. Aan deze verwachting wordt niet voldaan als er, zoals in geval van eiseres, meerdere malen gebreken worden geconstateerd die eerst na een inspectie worden hersteld.

12. De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende inzichtelijk en overtuigend kenbaar heeft gemotiveerd waarom hij niet de door eiseres gewenste betekenis toekent aan haar interpretatie van de gedragingen. De beroepsgrond faalt.

13. Eiseres vindt dat verweerder niet gemotiveerd heeft waarom niet kan worden volstaan met een minder vergaande maatregel dan verwijdering uit het register.

14. Op grond van artikel 4, tweede lid, van het Handhavingsprotocol hanteert verweerder bij het uitvoeren van het herstellend traject de volgende stappen:

a. stap 1: aanwijzing

b. stap 2: last onder dwangsom/last onder bestuursdwang,

c. stap 3: exploitatieverbod

d. stap 4: verwijdering uit het landelijk register kinderopvang

In het derde lid is bepaald dat indien de overtreding hiertoe aanleiding geeft, het college kan besluiten om een bepaalde stap of bepaalde stappen van het herstellende traject over te slaan dan wel meerdere keren toe te passen.

Uit de artikelsgewijze toelichting van het Handhavingsprotocol blijkt dat verweerder een voorziening uit het register kan verwijderen als uit een GGD-inspectie of anderszins is gebleken dat de houder naar verwachting niet dan wel niet langer voldoet aan de wettelijke kwaliteitseisen.

15. In het inspectierapport van de GGD van 14 maart 2017 is geconcludeerd dat en waarom de voorziening van eiseres niet voldoet aan de getoetste kwaliteitseisen voor gastouderopvang. De rechtbank oordeelt dat verweerder, gelet op de in dat rapport vermelde bevindingen en conclusies en onder toepassing van de hiervoor genoemde regelgeving, in redelijkheid heeft kunnen besluiten om direct over te gaan tot verwijdering van de voorziening van eiseres uit het register. Ook deze grond faalt.

16. Het beroep is ongegrond.

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.M.H. de Koning, rechter, in aanwezigheid van P.L.M.M. Mulders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 april 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.