Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:1631

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
10-04-2018
Datum publicatie
18-04-2018
Zaaknummer
17_2331
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het college heeft eiser in aanmerking gebracht voor een financiële tegemoetkoming voor huishoudelijke hulp op grond van de (op artikel 149 van de Gemeentewet gebaseerde) gemeentelijke Verordening Financiële tegemoetkoming hulp bij het huishouden. De rechtbank is – onder verwijzing naar haar eerdere uitspraak van 13 mei 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:2417) en de uitspraak van de CRvB van 18 mei 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1404) – van oordeel dat de wijze waarop de huishoudelijke hulp in de gemeente is geregeld (mensen moeten zelf hun huishoudelijke hulp inkopen en betalen en kunnen bij onvoldoende financiële draakgracht een financiële tegemoetkoming krijgen op grond van genoemde gemeentelijke Verordening) niet is te kwalificeren als een algemene voorziening in de zin van de Wmo 2015. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien en heeft het college opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2018/128
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 17/2331

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 april 2018 in de zaak tussen

[naam] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. A. van 't Laar),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Cranendonck, verweerder

(gemachtigden: mr. F.A. Pommer en A. Geelen).

Procesverloop

Bij besluit van 17 november 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiser verstrekte financiële tegemoetkoming op grond van de gemeentelijke Verordening Financiële tegemoetkoming hulp bij het huishouden, voortgezet tot 1 december 2016 en eiser vanaf die datum in aanmerking gebracht voor een financiële tegemoetkoming van
€ 172,30 per 4 weken.

Bij besluit van 8 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Eiser heeft lichamelijke beperkingen die hem belemmeren bij het zelf doen van de huishoudelijke taken. Eiser ontving daarom van 22 oktober 2010 tot 1 januari 2015 van verweerder een maatwerkvoorziening voor hulp bij het huishouden ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2007.

1.1

Met ingang van 1 januari 2015 biedt verweerder huishoudelijke hulp - met uitzondering van ondersteuning bij regie - niet langer aan als een maatwerkvoorziening op grond van de op die datum in werking getreden Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015), maar als een algemene voorziening. Verweerder heeft met marktpartijen overeenkomsten gesloten, waaruit volgt dat deze marktpartijen gehouden zijn om in de gemeente Cranendonck voldoende hulp bij het huishouden aan te bieden. De hulp die wordt afgenomen moet door de afnemers zelf worden ingekocht en betaald. Voor de inwoners van de gemeente die vanwege hun beperkte inkomen en/of vermogen niet voldoende financiële draagkracht hebben om de kosten van hulp bij het huishouden te dragen is er een financiële vangnetregeling vastgesteld. Deze regeling is neergelegd in de gemeentelijke Verordening financiële tegemoetkoming hulp bij het huishouden (de Verordening). Eiser is bij besluit van 5 december 2014 in aanmerking gebracht voor een financiële tegemoetkoming voor de periode van 1 januari 2015 tot 1 december 2016. Deze tegemoetkoming hield in dat eiser een financiële vergoeding voor hulp bij het huishouden voor 3 uur en 45 minuten per week ontving tegen een uurtarief van € 15,00,-. Eiser ontving zodoende € 225,- per 4 weken.

1.2

In verband met het verlopen van de indicatie en omdat eisers echtgenote AOW zou gaan ontvangen heeft heronderzoek plaatsgevonden naar de situatie van eiser. In dit verband vond op 21 oktober 2016 een huisbezoek plaats door een consulent, die de situatie van eiser in kaart heeft gebracht. Op basis van het heronderzoek heeft verweerder het primaire besluit genomen. Bij dit primaire besluit heeft verweerder eiser over de periode van 1 december 2016 tot en met 30 november 2021 een financiële tegemoetkoming toegekend voor hulp bij het huishouden voor 3 uur en 30 minuten per week voor de volgende activiteiten:
- zwaar huishoudelijk werk: 3 uur;

- licht huishoudelijk werk: 15 minuten;

- wasverzorging: 15 minuten.
Verweerder heeft de daaruit volgende financiële tegemoetkoming berekend op € 172,30 per vier weken (3,5 uur x het uurtarief van € 15,00 minus het bedrag van € 37,70 dat eiser op basis van zijn huidige inkomen zelf kan betalen).

1.3

In de bezwaarfase heeft nader onderzoek plaatsgevonden naar de situatie van eiser, waarbij onder meer medisch advies is gevraagd voor alle personen in de leefeenheid (eiser, zijn echtgenote en hun zoon). Op grond van de onderzoeksresultaten heeft verweerder geconcludeerd dat er geen reden is om van het geïndiceerde urenaantal af te wijken. Wel is de indicatie iets anders opgebouwd dan in het primaire besluit:
- zwaar huishoudelijk werk + extra: 150 minuten;
- trap en slaapkamer boven in gebruik: 30 minuten;
- licht huishoudelijk werk: 15 minuten;

- textielverzorging (strijk): 15 minuten

1.3

De Adviescommissie voor de bezwaarschriften (de commissie) heeft – onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 13 mei 2016 (ECLI:NL:RBOBR:2016:2417) – geoordeeld dat de door verweerder geboden algemene voorziening geen algemene voorziening is in de zin van de Wmo 2015 en dat daarom het primaire besluit in strijd is met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 2.1.1 van de Wmo 2015. De commissie heeft daarom geadviseerd om het bezwaarschrift gegrond te verklaren en het primaire besluit te herroepen en met inachtneming van hetgeen in het advies is overwogen een nieuw besluit te nemen.

1.4

Bij het bestreden besluit van 8 augustus 2017 heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Volgens verweerder heeft zorgvuldig onderzoek plaatsgevonden, waaruit is gebleken dat er een noodzaak bestaat voor een financiële tegemoetkoming voor hulp bij het huishouden. Deze financiële tegemoetkoming is dan ook aan eiser toegekend. Op grond van de huidige regelgeving heeft verweerder geen reden gezien om tot een ander besluit (of urenaantal) te komen.

2. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Op hetgeen hij heeft aangevoerd zal hierna – voor zover van belang – nader worden ingegaan.

3. De rechtbank overweegt dat met de Verordening blijkens de toelichting daarop door verweerder niet is beoogd te voorzien in een algemene voorziening op grond van de Wmo 2015. De grondslag voor de Verordening is artikel 149 van de Gemeentewet. Wel is verweerder van mening dat, door de manier waarop hulp bij het huishouden in de gemeente Cranendonck is vormgegeven, feitelijk een algemene voorziening in de zin van de Wmo 2015 wordt geboden. De Verordening vormt het financiële sluitstuk van de gekozen constructie. Nu de Verordening onderdeel uitmaakt van de wijze waarop verweerder de verplichtingen invult die volgen uit de Wmo 2015, ziet de rechtbank aanleiding om te toetsen of met de Verordening is verzekerd dat de door verweerder geboden voorziening beantwoordt aan de eisen die aan een algemene voorziening door de Wmo 2015 gesteld worden.

4. Eiser heeft in de eerste plaats aangevoerd dat verweerder het motiveringsbeginsel heeft geschonden door in het bestreden besluit niet te motiveren waarom wordt afgeweken van het advies van de bezwaarcommissie. Eiser heeft voorts aangevoerd dat verweerder niet is ingegaan op de in bezwaar naar voren gebrachte argumenten, zodat ook in zoverre sprake is van een ondeugdelijke motivering.

5. In het bestreden besluit heeft verweerder de reden voor de afwijking van het advies van de commissie niet vermeld. Het bestreden besluit is in zoverre genomen in strijd met artikel 7:13, zevende lid, van de Awb. Verder zijn in het bestreden besluit geen bezwaargronden (gemotiveerd) besproken, nu daarin is volstaan met de vaststelling door verweerder dat zorgvuldig onderzoek heeft plaatsgevonden en dat er geen aanleiding wordt gezien om tot een ander besluit te komen. Het bestreden besluit is in zoverre genomen in strijd met artikel 7:12 van de Awb. De rechtbank zal deze gebreken echter passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Het inhoudelijke standpunt van verweerder is reeds in de bezwaarfase naar voren gebracht en was eiser dus bekend. Voorts heeft verweerder in het verweerschrift de reden voor afwijking van het advies van de commissie nogmaals nader gemotiveerd en eiser heeft hierop kunnen reageren. Daarmee is eiser niet in zijn belangen geschaad.

6. Eiser heeft verder aangevoerd dat de wijze waarop de gemeente Cranendonck de hulp bij het huishouden heeft vormgegeven niet voldoet aan de eisen die de Centrale Raad van Beroep (CRvB) aan een algemene voorziening heeft gesteld in haar uitspraak van 18 mei 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1404). Verweerder heeft nagelaten in de gemeentelijke Wmo-verordening vast te leggen dat de huishoudelijke verzorging wordt aangeboden als een algemene voorziening, en dat in de Wmo-verordening ook niet is opgenomen hoe de hoogte van de eigen bijdragen voor de verschillende vormen van voorzieningen worden vastgesteld. De gemeente heeft de hulp bij het huishouden ten onrechte overgelaten aan de markt en de financiële compensatieregeling die is getroffen staat buiten de Wmo.

7. Daarbij wordt een financiële toets aangelegd die in strijd is met de Wmo 2015, aldus eiser. Eiser heeft in dit verband overigens ook verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank (ECLI:NL:RBOBR:2016:2417) die betrekking heeft op het systeem van huishoudelijke hulp als algemene voorziening in de gemeente Cranendonck, alsmede op uitspraken waarin volgens eiser sprake is van een verglijkbare situatie met die in de gemeente Cranendonck (ECLI:NL:RBLIM:2016:10305, ECLI:NL:RBLIM:2017:544 en 545 en ECLI:NL:RBNHO:2017:886, 1981 en 6654). Uit nadien gekomen informatie van onder andere de landsadvocaat, het ministerie van VWS en de VNG, kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat het beleid van de gemeente Cranendonck niet verenigbaar is met de wettelijke kaders, aldus eiser.

8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de wijze waarop de hulp bij het huishouden in de gemeente Cranendonck is geregeld voldoet aan de eisen die de Wmo 2015 daaraan stelt. Verweerder ziet in de Wmo 2015 ten aanzien van een algemene voorziening voor hulp bij het huishouden geen verdergaande voorwaarde dan dat verweerder moet verzekeren dat er in de gemeente voldoende aanbod is. Verweerder wijst daarbij op de begripsomschrijving in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015. Volgens verweerder kan uit de Wmo 2015 ook niet worden afgeleid dat algemene voorzieningen volledig door het college moeten worden getroffen en gefinancierd willen zij zijn te kwalificeren als algemene voorziening. Dit volgt ook niet uit artikel 2.1.4 van de Wmo 2015, waarnaar de rechtbank in de uitspraak van 13 mei 2016 verwijst, aldus verweerder.

9. De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar de hiervoor al aangehaalde uitspraken van deze rechtbank van 13 mei 2016 en van de CRvB van 18 mei 2016, als volgt. De wijze waarop de gemeente Cranendonck de huishoudelijke hulp heeft geregeld, door met aanbieders van huishoudelijke hulp afspraken te maken om voldoende aanbod te verzekeren en in de Verordening regels op te stellen over een financiële tegemoetkoming, is niet te beschouwen als een algemene voorziening in de zin van de Wmo 2015. Ook voor zover uit artikel 2.1.4 van de Wmo 2015 niet rechtstreeks zou kunnen worden afgeleid dat verweerder de algemene voorziening zou moeten treffen en financieren, acht de rechtbank de door de gemeente Cranendonck gekozen constructie niet te karakteriseren als een algemene voorziening in de zin van de Wmo 2015. Feitelijk moeten inwoners immers zélf huishoudelijke hulp inkopen. Daarbij wordt door verweerder dus niet – zoals de Wmo 2015 mogelijk maakt – een eigen bijdrage in de kosten van de huishoudelijke hulp verlangd. In plaats daarvan heeft de gemeente Cranendonck de buiten het stelsel van de Wmo 2015 geplaatste Verordening getroffen op grond waarvan eventueel een financiële tegemoetkoming wordt getroffen. Hoewel het effect misschien vergelijkbaar is met het verlangen van een eigen bijdrage acht de rechtbank reeds een relevant verschil aanwezig in het gegeven dat de Verordening door de gemeente Cranendonck buiten het stelsel van de Wmo 2015 is geplaatst. In hetgeen verweerder in zijn verweerschrift en ter zitting naar voren heeft gebracht ziet de rechtbank derhalve geen aanleiding om af te wijken van haar uitspraak van 13 mei 2016 en de uitspraak van de CRvB van 18 mei 2016.

10. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen wegens strijd met de Wmo 2015. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien, nu de rechtbank heeft geoordeeld dat de door verweerder gekozen regeling van huishoudelijke hulp aan Wmo-gerechtigden in zijn gemeente niet past binnen het stelsel van de Wmo 2015 en derhalve een andere regeling aan de besluitvorming ten grondslag gelegd zal moeten worden. Verweerder wordt daarom opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.

11. Het verzoek om schadevergoeding van eiser wordt afgewezen omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt althans niet heeft onderbouwd dat hij ten gevolge van verweerders besluitvorming schade heeft geleden.

12. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal verweerder daarom veroordelen in de door eiser redelijkerwijs gemaakte kosten, begroot op € 1.002,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor de zitting, à € 501,- per punt). Tevens dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit van 8 augustus 2017;

  • -

    bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op het bezwaar van eiser;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser, begroot op € 1.002,-;

  • -

    bepaalt dat verweerder het griffierecht à € 46,- aan eiser vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.T.C. Wijsman, voorzitter, en mr. M. van 't Klooster en mr. R.A. de Wit, leden, in aanwezigheid van H.J. Renders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 april 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.