Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:163

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
11-01-2018
Datum publicatie
15-01-2018
Zaaknummer
6187842 / 17-6867
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Gezag van gewijsde staat in de weg aan nieuwe veroordeling tot betaling huurtermijn.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van niet-digitaal procederen) 236
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht Eindhoven

Zaaknummer : 6187842

Rolnummer : 17-6867

Uitspraak : 11 januari 2018

in de zaak van:

1 [de heer] [K.] ,

2. [mevrouw] [K.],

beiden wonende te [woonplaats] ,

opposanten in conventie bij exploot van dagvaarding d.d. 20 juli 2017,

procederend met rechtsbijstand ingevolge toevoeging van de Raad voor de Rechtsbijstand d.d. 20 juli 2017, nr. [nummer] ,

gemachtigde: mr. S. Kissels,

t e g e n :

de stichting Stichting Wooninc.,

gevestigd en kantoorhoudende te [woonplaats] ,

geopposeerde in conventie bij voormeld exploot,

gemachtigde: GGN Mastering Credit N.V.

Partijen worden verder genoemd “ [K.] c.s.”, aangeduid in mannelijk enkelvoud, en “Stichting Wooninc.”.

1 De procedure

1.1.

Bij vonnis van 1 juni 2017 is in de procedure onder [nummer]

tussen Stichting Wooninc. als eisende partij en [K.] c.s. als gedaagde partij een verstekvonnis gewezen. Bij dit vonnis heeft de kantonrechter de tussen partijen gesloten huurovereenkomst ontbonden, bepaald dat [K.] c.s. het gehuurde binnen

14 dagen na betekening van het vonnis dient te ontruimen en [K.] c.s. veroordeeld tot betaling van een totaalbedrag van € 1.585,61, vermeerderd met de wettelijke rente over

€ 1.449,54 vanaf 3 mei 2017, alsmede de nog te vervallen huurtermijnen vanaf de maand mei 2017 tot aan de dag der algehele ontruiming.

1.2.

[K.] c.s. is van dit vonnis in verzet gekomen op 20 juli 2017.

1.3.

Vervolgens heeft de kantonrechter, bij tussenvonnis van 17 augustus 2017, een zitting

(“comparitie van partijen”) gelast. De comparitie heeft plaatsgevonden op 12 september 2017. Ter comparitie is [K.] c.s. in persoon ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. S. Kissels en tolk dhr. O. Bahceci. Namens Stichting Wooninc. is dhr. P. Hertroijs en mevr. S. van de Kerkhof (werkzaam bij Stichting Wooninc.) ter zitting verschenen. Na afloop van de comparitie is Stichting Wooninc. in de gelegenheid gesteld om ter rolzitting van donderdag

12 oktober 2017 en akte uitlating na comparitie te nemen, welke op genoemde datum is overgelegd. Vervolgens heeft [K.] c.s. ter rolzitting van 9 november 2017 een antwoord akte uitlating na comparitie overgelegd. Daarna is vonnis bepaald op heden.

2 Het geschil

2.1.

Stichting Wooninc. vordert bij inleidende dagvaarding de ontbinding van de tussen partijen bestaande huurovereenkomst, ontruiming van het gehuurde, onder de verplichting van [K.] c.s. om tot aan de ontruiming, huur c.q. schadevergoeding te betalen, alsmede veroordeling van [K.] c.s. tot betaling aan Stichting Wooninc. van een bedrag van

€ 1.585,61 te vermeerderen met rente en kosten als vermeld in de dagvaarding.

2.2.

Stichting Wooninc. legt aan haar vordering ten grondslag dat [K.] c.s. met correcte betaling van de huurpenningen in gebreke is gebleven en tot en met april 2017 een huurachterstand heeft doen ontstaan van € 2.174,31. Stichting Wooninc. is op grond van de tekortkoming van [K.] c.s. in de nakoming van hun verplichtingen gerechtigd de ontbinding van de huurovereenkomst met ontruiming van het gehuurde te vorderen. Aan buitengerechtelijke incassokosten is [K.] c.s. op grond van de wet € 131,55 (inclusief btw) verschuldigd en aan rente tot 3 mei 2017 een bedrag van € 4,52. [K.] c.s. heeft inmiddels een bedrag van € 724,77 voldaan zodat de totale vordering € 1.585,61 bedraagt, te vermeerderen met rente en kosten als vermeld in de dagvaarding.

2.3.

[K.] c.s. voert het volgende verweer. Gedaagden zijn echtgenoten van elkaar.

[de heer] [K.] (thans 60 jaar oud) huurt al sinds 2004 de woning aan [adres] te [woonplaats] van Stichting Wooninc. Na het huwelijk is [mevrouw] [K.] (thans 61 jaar oud) en hun meerderjarige zoon bij hem ingetrokken. [de heer] [K.] is gehandicapt en hartpatiënt en [mevrouw] [K.] kampt met suikerziekte. In de periode van 16 juni 2011 tot 30 augustus 2016 heeft [de heer] [K.] onder bewind gestaan. Door toedoen van zijn bewindvoerders is de schuldenlast alleen maar toegenomen. Gedurende het bewind is de huur niet of niet tijdig aan Stichting Wooninc. voldaan, waardoor er een betalingsachterstand is ontstaan. Stichting Wooninc. is vervolgens overgegaan tot rechtsmaatregelen wat heeft geresulteerd in een vonnis en beslaglegging op de uitkering van [de heer] [K.] .

Vervolgens is [K.] c.s. opnieuw in rechte betrokken wat heeft geresulteerd in het verstekvonnis van 1 juni 2017. Om verdere executiemaatregelen te voorkomen heeft een vertegenwoordiger van [K.] c.s. contact opgenomen met de gemachtigde van Stichting Wooninc. en aangegeven dat er meer financiële ruimte bestaat om de lopende huur alsook de betalingsachterstand te voldoen, met het verzoek om een afbetalingsregeling te treffen omdat [K.] c.s. het bedrag niet in één keer kan betalen. Daarmee heeft Stichting Wooninc. de geplande ontruiming uitgesteld. Omdat [K.] c.s. niet in de gelegenheid was tijdig een concreet betaalvoorstel aan Stichting Wooninc. te doen, en hij wilde voorkomen dat hij alsnog de woning werd uitgezet, heeft de gemachtigde van [K.] c.s. contact met Stichting Wooninc. opgenomen en zekerheidshalve een verzetprocedure opgestart.

In reactie op de inleidende dagvaarding voert [K.] c.s. aan dat de huur voor de maand april 2017 is voldaan, alsmede de huur voor de maanden mei en juni 2017. [K.] c.s. erkent dat de huur voor de maanden januari en maart 2017 niet tijdig is voldaan. In een eerdere procedure (met zaaknummer [nummer] ) tussen [K.] c.s. en Stichting Wooninc. die heeft geleid tot het vonnis van 2 februari 2017 is de huur voor de maand januari 2017 al meegenomen. Deze huurtermijn wordt nu opnieuw gevorderd. Het is op grond van het ne bis in idem beginsel niet toegestaan om tweemaal aanspraak te maken op dezelfde betalingsverplichting. De huur voor de maanden januari 2017 en april 2017 is dus ten onterechte gevorderd. Ten tijde van de dagvaarding van 3 mei 2017 stond enkel de maand maart 2017 nog open. Een dergelijke huurachterstand van één maand rechtvaardigt niet de ontbinding van de huurovereenkomst. Subsidiair beroept [K.] c.s. zich op artikel 7:280 BW (terme de grâce).

Tenslotte stelt [K.] c.s. dat Stichting Wooninc. de vereiste 14 dagenbrief niet aan hem heeft verzonden, althans dat hij deze brief niet heeft ontvangen. Om die reden bestaat er geen grond voor toewijzing van de buitengerechtelijke incassokosten. Nu een groot deel van de vordering moet worden afgewezen, bestaat ook geen grond voor veroordeling in de proceskosten.

3 De beoordeling

3.1.

Gelet op hetgeen partijen hebben aangevoerd, staat vast dat [de heer] [K.] destijds met Stichting Wooninc. een huurovereenkomst heeft gesloten, waarbij op een gegeven moment een huurachterstand is ontstaan.

3.2.

Bij dagvaarding van 9 januari 2017 (alhier bekend onder zaaknummer [nummer] ) heeft Stichting Wooninc. betaling van de huurpenningen over de vervallen termijnen tot en met januari 2017 gevorderd. [K.] c.s. heeft hiertegen geen verweer gevoerd en is bij verstekvonnis van 2 februari 2017 veroordeeld tot betaling van de huurpenningen tot en met de maand januari 2017, zijnde een bedrag van € 495,60 aan zuivere huurachterstand. Tegen dit vonnis staan geen gewone rechtsmiddelen meer open; het is in kracht van gewijsde gegaan.

3.3.

Vervolgens heeft Stichting Wooninc. op 3 mei 2017 een nieuwe dagvaarding uitgebracht, waarin zij betaling vordert van de huur voor de maanden januari 2017, maart 2017 en april 2017. De maand januari 2017 is opnieuw gevorderd omdat de eerdere betaling voor deze maand is gestorneerd, terwijl er bij dagvaarding van 9 januari 2017 en dus ook het verstekvonnis van 2 februari 2017 nog vanuit werd gegaan dat deze huurtermijn was voldaan.

3.4.

Ten aanzien van de huur voor de maand april 2017 heeft Stichting Wooninc. ter comparitie aangegeven dat deze door [K.] c.s. is voldaan op 5 april 2017 en op het gevorderde in mindering is gebracht.

3.5.

[K.] c.s. heeft niet betwist dat de huur voor de maand maart 2017 nog openstaat, zodat de vordering voor wat betreft deze maand voor toewijzing gereed ligt.

3.6.

Het voorgaande betekent dat partijen enkel nog een geschil voeren over de huur voor de maand januari 2017, alsmede de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst, de ontruiming van het gehuurde en de bijkomende buitengerechtelijke- en proceskosten.

3.7.

Zoals hiervoor onder 3.2. al overwogen is bij vonnis van 2 februari 2017 al beslist op de huur voor de maand januari 2017. Met een beroep op het ne bis in idem beginsel stelt [K.] c.s. dat Stichting Wooninc. niet opnieuw betaling van deze maandtermijn kan vorderen.

3.8.

Stichting Wooninc. is in de gelegenheid gesteld haar vordering nader te verduidelijken en/of te onderbouwen met inachtneming van hetgeen [K.] c.s. heeft aangevoerd wat betreft de maand januari 2017. Bij akte uitlating na comparitie van partijen heeft Stichting Wooninc. haar vordering nader gespecificeerd. Zij heeft verder gesteld dat een eerder vonnis niet in de weg staat aan een nieuwe procedure over dezelfde rechtsverhouding. Volgens haar zag de veroordeling op grond van de dagvaarding van januari 2017 niet op de maand januari 2017, omdat die termijn op dat moment was betaald. Omdat deze betaling later is gestorneerd en alsnog is komen open te staan wordt [K.] c.s. ook niet twee keer veroordeeld voor hetzelfde.

3.9.

De kantonrechter overweegt als volgt. In artikel 236 Rv is geregeld dat rechterlijke beslissingen van civielrechtelijke aard die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht heeft. Voor alle betrokkenen is duidelijk dat [K.] c.s. – ondanks het gebruik van de bewoordingen ‘ne bis in idem beginsel’ – zich erop beroept dat het gezag van gewijsde van het vonnis van 2 februari 2017 in de weg staat aan een nieuwe veroordeling tot betaling van de huur voor de maand januari 2017. Dit beroep slaagt.

3.10.

Stichting Wooninc. heeft ter onderbouwing van haar vordering bij dagvaarding van

9 januari 2017 het volgende aangevoerd: ‘Gedaagde is met correcte betaling van de huurpenningen in gebreke gebleven en heeft tot en met januari 2017 een achterstand doen ontstaan van € 495,60’. Bij de specificatie van haar vordering heeft zij in die dagvaarding vervolgens expliciet de ‘vervallen termijnen t/m januari 2017’ opgenomen. Bij verstekvonnis van 2 februari 2017 is de vordering van Stichting Wooninc. toegewezen als gevorderd. Aan dit vonnis, dat in kracht van gewijsde is gegaan, komt gezag van gewijsde toe. Dit betekent dat in het kader van de rechtsstrijd tussen partijen een onaantastbare rechterlijke beslissing is genomen dat in een nieuw geschil tussen partijen niet meer ter discussie kan worden gesteld en dat in een nieuw geschil tussen partijen tot uitgangspunt moet worden genomen. Met andere woorden en toegespitst op deze zaak betekent dit dat over de betaling van de huur voor januari 2017 bij vonnis van 2 februari 2017 reeds is beslist en dat dit geschilpunt niet opnieuw in de onderhavige procedure ter discussie kan worden gesteld. Dat Stichting Wooninc. is gebleken dat achteraf bezien de huur voor januari 2017 toch niet is betaald, als gevolg waarvan de door haar gestelde omvang van haar eerdere vordering onjuist was, doet de bindende kracht van het gegeven vonnis niet teniet. Het voorgaande brengt met zich dat de gevorderde huur voor de maand januari 2017 moet worden afgewezen.

3.11.

Ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding (3 mei 2017) bedroeg de feitelijke huurachterstand dus niet drie maanden maar slechts één maand. De kantonrechter is van oordeel dat een dergelijke huurachterstand niet is aan te merken als een zo ernstig tekortschieten dat dit de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en de daaruit voortvloeiende ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt. Dit deel van de vordering wordt afgewezen.

3.12.

Vanwege het niet tijdig betalen van de huur is [K.] c.s. wettelijke rente verschuldigd. Nu de gevorderde huur voor de maand januari 2017 wordt afgewezen en aangenomen wordt dat Stichting Wooninc. de gevorderde rente ook over deze maand heeft berekend, zal de wettelijke rente worden toegewezen over de huurtermijn van maart 2017 vanaf het moment van verschuldigdheid daarvan.

3.13.

Nu [K.] c.s. de ontvangst van de zogenaamde veertiendagenbrief van 7 maart 2017 heeft betwist, lag het op de weg van Stichting Wooninc. om aan te tonen dat deze brief [K.] c.s. ook daadwerkelijk heeft bereikt. Stichting Wooninc. heeft dit nagelaten. Dit betekent dat de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten niet voor vergoeding in aanmerking komt, nu niet is gebleken dat een kosteloze aanmaning conform de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW heeft plaatsgevonden.

3.14.

De totale vordering komt daarmee op een totaalbedrag van € 724,77 (zijnde de huur voor de maand maart 2017), welk bedrag zal worden toegewezen.

3.15.

Stichting Wooninc. is op enkele punten in het ongelijk gesteld, waardoor een groot deel van de door haar ingestelde vordering zal worden afgewezen. Anderzijds heeft [K.] c.s. wel opnieuw een huurachterstand laten ontstaan. De kantonrechter ziet hierin aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren, in die zin dat [K.] c.s. in de verstekprocedure zal worden veroordeeld tot betaling van de dagvaardingskosten en het griffierecht. De overige proceskosten, in zowel de verstek- als de verzetprocedure, worden in die zin gecompenseerd dat elke partij de eigen kosten draagt.

3.16.

Uit het voorgaande volgt al dat het verstekvonnis zal worden vernietigd.

4 De beslissing

De kantonrechter:

4.1.

vernietigt het vonnis waartegen verzet is gedaan, te weten het vonnis van 1 juni 2017 met [nummer] en, opnieuw rechtdoende:

4.2.

veroordeelt [K.] c.s., hoofdelijk des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd,

om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Stichting Wooninc. te betalen een bedrag van

€ 724,77, zijnde de huur voor maart 2017, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf het moment van verschuldigdheid tot aan de dag der algehele voldoening;

4.3.

veroordeelt [K.] c.s., hoofdelijk des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd,

in de kosten van de verstekprocedure (zaaknummer [nummer] ), aan de zijde van Stichting Wooninc. tot op heden begroot op € 571,11 (zijnde het griffierecht van € 470,00 en de dagvaardingskosten van € 101,11);

4.4.

compenseert de overige proceskosten in zowel de verstekprocedure als de verzetprocedure, in die zin dat iedere partijen zijn eigen kosten draagt;

4.5.

verklaart dit vonnis, voor wat betreft de veroordelingen, uitvoerbaar bij voorraad;

4.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.J. Godrie, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op de in de aanhef vermelde datum.