Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:1624

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
09-04-2018
Datum publicatie
10-04-2018
Zaaknummer
01/995068-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezen is verklaard dat verdachte zich als opdrachtgever van een bouwwerk niet heeft gehouden aan de in het Arbobesluit opgenomen bepaling omtrent het zorgdragen voor een veiligheids- en gezondheidsplan en dat verdachte schuld heeft aan het overlijden van het slachtoffer.

Het slachtoffer was bezig met werkzaamheden ten behoeve van de aanleg van een riolering. Het slachtoffer is in een uitgraving bedolven onder het zand, ten gevolge waarvan hij is overleden.

De rechtbank legt op een geldboete van € 40.000,-- waarvan € 10.000,-- voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/995068-17

Datum uitspraak: 09 april 2018

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte (rechtspersoon)] .,

gevestigd te [adres 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 26 maart 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 4 december 2017.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij op of omstreeks 14 juni 2016 te Tilburg als opdrachtgever van een bouwwerk aan de [adres 2] al dan niet opzettelijk - er niet voor heeft gezorgd dat ten aanzien van een bouwput of uitgraving ten behoeve van rioleringswerkzaamheden, zijnde die bouwput of uitgraving een bouwwerk, dat voor de veiligheid en de gezondheid van werknemers bijzondere gevaren met zich meebracht, als bedoeld in bijlage II bij de richtlijn nr. 92/57/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juni 1992, een veiligheids- en gezondheidsplan was opgesteld en/of

- niet zodanige maatregelen heeft getroffen dat de coördinator voor de uitvoeringsfase zijn/haar taken bedoeld in artikel 2.31 van het Arbeidsomstandighedenbesluit naar behoren uitoefende, te weten de taak

a. coördinerend op te treden , zodat de maatregelen die werkgevers en/of zelfstandigen namen ter bescherming van de veiligheid en gezondheid van werknemers op doeltreffende wijze werden toegepast en/of

b. ervoor te zorgen dat het veiligheids- en gezondheidsplan, bedoeld in artikel 2.28 van het Arbeidsomstandighedenbesluit en het dossier, bedoeld in artikel 2.30, onder c, van dat besluit werden aangepast, terwijl de voortgang van het bouwwerk of de onderdelen daarvan daartoe aanleiding gaven en/of

c. doeltreffende maatregelen te nemen toen de werkgever [bedrijf 1] . naar zijn oordeel niet of in onvoldoende mate of op onjuiste wijze uitvoering gaf aan een samenhangende toepassing van haar verplichtingen om maatregelen te nemen ter bescherming van de veiligheid en gezondheid van haar werknemer(s);

2.

zij op of omstreeks 14 juni 2016 te Tilburg

tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig

arbeid heeft verricht, althans laten verrichten op een bouwwerk aan de [adres 2] in een bouwput of uitgraving ten behoeve van rioleringswerkzaamheden, zijnde die bouwput of uitgraving een bouwwerk, dat voor de veiligheid en de gezondheid van werknemers bijzondere gevaren met zich meebracht, zulks terwijl die gevaren niet of onvoldoende waren geïnventariseerd en/of de risico's daarvan niet of onvoldoende waren beoordeeld en/of terwijl geen veiligheids- en gezondheidsplan met betrekking tot die werkzaamheden was opgesteld en/of terwijl in de bouwput of uitgraving geen doeltreffende stut- of taludvoorzieningen of andere veiligheidsmaatregelen waren aangebracht ter voorkoming van instorting, (mede) waardoor die bouwput of uitgraving (gedeeltelijk) is ingestort en een werknemer, genaamd [slachtoffer] , werd bedolven door zand en/of grond

waardoor het aan haar schuld en/of aan de schuld van haar mededader te wijten is dat [slachtoffer] is overleden,

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft, op basis van de in de pleitnotitie nader omschreven feiten en omstandigheden, vrijspraak bepleit voor hetgeen onder 1 en 2 ten laste is gelegd. Kort samengevat komt het verweer er op neer dat [verdachte (rechtspersoon)] . in verband met de bouw van de bedrijfshal een aantal uitvoeringsprojecten in eigen beheer verricht waarbij zij behalve eigen werknemers ook gespecialiseerde aanneembedrijven heeft ingeschakeld en waarbij zij de heer [betrokkene 1] van [bedrijf 2] heeft ingehuurd om zorg te dragen voor de juiste werkwijze en voor de coördinatie tijdens de bouw. Juist om risico’s te vermijden heeft [verdachte (rechtspersoon)] ervoor gekozen om de rioleringswerkzaamheden niet in eigen beheer te doen. Daartoe werd [bedrijf 3] ingeschakeld. Deze laatste heeft wegens drukte voor die rioleringswerkzaamheden een andere partij ingehuurd, te weten [bedrijf 1] . De tekortkomingen van deze derde partijen die juist zijn ingeschakeld ten behoeve van de juiste en veilige uitvoering van de werkzaamheden, kunnen niet aan [verdachte (rechtspersoon)] . worden toegerekend. [verdachte (rechtspersoon)] heeft te goeder trouw gehandeld en heeft geen enkel risico aanvaard door de werkzaamheden waarvoor zij zelf geen expertise had, uit handen te geven.

Het oordeel van de rechtbank.

Bewijsmiddelen t.a.v. feit 1 en feit 2, zakelijk weergegeven 1

[vertegenwoordiger verdachte] , vertegenwoordiger van verdachte, verklaarde ter terechtzitting van 26 maart 2018 onder meer het volgende:

Ik heb dhr. [betrokkene 1] ingeschakeld om zaken, zoals het veiligheids- en gezondheidsplan voor elkaar te krijgen. Ik heb met dhr. [betrokkene 1] het plan doorgesproken.

Proces-verbaal arbeidsomstandigheden2, onder meer inhoudende:

Op dinsdag 14 juni 2016 bevond ik mij op een bouwlocatie aan de [adres 2] (…) in verband met een melding dat daar een ongeval had plaatsgevonden (…) waarbij het slachtoffer tijdens werkzaamheden in een uitgraving is bekneld geraakt tussen een zandmassa en een rioolbuis. Het slachtoffer is als gevolg hiervan overleden. (…)

Ik zag dat op genoemde locatie werkzaamheden werden verricht, omvattende de bouw van een bedrijfshal waaronder inbegrepen het aanleggen van riolering. (…) Nadat het slachtoffer door de brandweer uit de uitgraving was gehaald heb ik samen met collega [betrokkene 3] de uitgraving nader bekeken en opgemeten.

(…)

Op donderdag 16 juni 2016, omstreeks 19:30 uur, ontving ik per E-mail van de heer [betrokkene 2] , medewerker van [bedrijf 4] de volgende documenten:

- Veiligheids- en Gezondheidsplan (V&G plan) Ik heb het veiligheids- en gezondheidsplan nader bestudeerd. (…) Ik zag in dit V&G plan de volgende teksten:

 Op de eerste pagina van de inhoudsopgave:

o Opdrachtgever: [vertegenwoordiger verdachte]

(…)

 Op pagina 15, onder punt 8.4 Bouwprocesrisico’s zag ik dat er 4 kolommen waren opgenomen:

o Kolom 1: Risico Oorzaak/bron

o Kolom 2: Concrete maatregelen op de werkplek

o Kolom 3: Aanbrengen door

o Kolom 4: In stand houden door

Ik zag in kolom 1: ’03 bedelving putten sleuven talud’. Ik zag dat achter dit punt de

kolommen 2, 3 en 4 niet ingevuld waren.

(…)

Op vrijdag 17 juni bevond ik me op de bouwlocatie aan de [adres 2] . (…) Ik heb in de bouwkeet het aanwezige Veiligheids- en gezondheidsplan nader bekeken. Ik heb daarvan foto’s genomen opgenomen in bijlage 33. Ik zag dat de volgende pagina’s aanwezig waren: (…)

Startbespreking grondwerk (foto 10 en 11). Ik zag dat bij “Opsteller” stond: [betrokkene 1] . Ik zag dat het document ondertekend was namens de onderaannemer door [betrokkene 4] en namens [bedrijf 4] door [betrokkene 1] . Ik zag dat dit document bestond uit drie kolommen met de volgende titels:

o Kolom 1: Besprekingspunten

o Kolom 2: Besproken

o Kolom 3: Toelichting

Ik zag dat de tweede kolom was onderverdeeld in drie kolommen, namelijk:

  1. J

  2. N

  3. NVT

Ik zag dat in kolom 1 het kopje “veiligheid” was opgenomen., Ik zag onder dit kopje een aantal teksten staan waaronder:

o VGWM-deelprojectplan

o Taluds/damwanden/beveiligingen bepaald

o Gezamenlijke risico’s

Ik zag dat achter de tekst “VGWM-deelprojectplan” niets was ingevuld. Ik zag dat achter de tekst “Taluds/damwanden/beveiligingen bepaald” een kruisje was geplaatst in de kolom “NVT”. Ik zag dat achter de tekst “Gezamenlijke risico’s” niets was ingevuld.

(…)

Op vrijdag 17 juni heb ik de volgende documenten geraadpleegd:

• Abomafoon 2.06, Grondwerk, putten en sleuven (bijlage 31)

• CROW publicatie 335, Werken met stabiele grond (bijlage 32)

(…)

Ik heb Abomafoon 2.06 nader bestudeerd, ik zag de volgende teksten in deze publicatie:

• De grootste risico’s zijn het inkalven van het talud en het bezwijken van grondkerende constructies.

• Indien de diepte van een put of sleuf meer bedraagt dan 1 m, moeten er stempelingen, bekistingen of damwanden worden toegepast, of er moet onder een veilig talud worden ontgraven.

Tabel 1 geeft daarover informatie.

• Van geval tot geval moet vooraf door een deskundige worden bepaald en zo nodig berekend, welke maatregelen noodzakelijk zijn. Daarbij moet rekening gehouden worden met de eventueel te verwachten ongunstige invloeden zoals:

o Waterbezwaar door de hoogte van de grondwaterspiegel of door regen, vorst en dooi, lekkages, enz:

o Zware bovenbelasting bij of langs de sleuf of put, door opslag van grond, materiaal of materieel;

o Trillingen, bijvoorbeeld veroorzaakt door een graafmachine, een heistelling, zwaar verkeer of verdichtingsapparatuur.

• Naast een talud dat dieper is dan 1m, moeten stroken van tenminste 50 cm worden vrijgehouden van de opslag van grond en materialen.

• Vanzelfsprekend moet worden voorkomen dat tijdens werkzaamheden mensen en/of voertuigen in de put of sleuf terechtkomen. Goede afzettingen en zo nodig verlichting zijn

van groot belang.

Ik heb tabel 1 van Abomafoon nader bestudeerd. Ik zag dat de volgende uitgangspunten van toepassing zijn op de ongevalslocatie:

• Grondsoort: Zand of leem;

• Los of geroerd;

• Diepte in m onder het maaiveld: 1,00 – 4,00;

• Talud niet steiler dan 1:1;

Uit deze gegevens blijkt dat bij een diepte van 2,2 meter het talud minimaal 2,2 meter breed dient te zijn.

(…)

Ik heb de CROW publicatie 335 nader bestudeerd, ik zag de volgende teksten in deze publicatie:

Het afkalven, schuiven en omklappen van instabiele taluds bij ontgravingen en ophogingen leidt tot vele incidenten. Hoewel de gevolgen vaak beperkt zijn, zijn er in Nederland jaarlijks nog steeds gewonden en zelfs dodelijke slachtoffers te betreuren.

• Deze richtlijn is opgesteld om grondwerkzaamheden met een beperkte omvang veilig te laten plaatsvinden.

• Deze publicatie is opgesteld voor grondwerken waarbij zonder inzet van een geotechnicus of constructeur (specialist) gewerkt wordt bij ontgravingen en/of ophogingen met een

hoogteverschil van maximaal 1,75 meter. Deze maat is door de werkgroep gekozen op basis van de gemiddelde lengte van een medewerker. Dit type grondwerk kan met zo nodig eenvoudige hulpmiddelen (sleufbekisting, systeemwanden) bij de juiste voorbereiding zonder specialist worden uitgevoerd. Deze richtlijn baseert zich op de Nederlandse praktijk en de in Nederland voorkomende bodemtypen.

Voor grotere en complexe werken wordt een deskundige geraadpleegd die de ontgraving of bouwput geheel doorrekent en risico’s volledig inventariseert.

(…)

Op dinsdag 14 juni 2016 was het slachtoffer, de heer [slachtoffer] , bezig met werkzaamheden ten behoeve van het aansluiten van de riolering van het bouwwerk te Tilburg. De heer [slachtoffer] was daar werkzaam in dienst van [bedrijf 1] ., onder leiding van zijn werkgever, de heer [medeverdachte 1] .

(…)

Op 14 juni 2016 was de heer [medeverdachte 1] samen met de heer [slachtoffer] werkzaam. Met behulp van de graafmachine was een uitgraving gemaakt. (…) Op een gegeven moment kwam de heer [slachtoffer] in de ontgraving om de heer [medeverdachte 1] te helpen. (…) Op het moment dat ze klaar waren, wilde de heer [medeverdachte 1] en de heer [slachtoffer] uit de uitgraving via het schuine talud naar boven lopen. In zijn ooghoek zag [medeverdachte 1] wat zand verschuiven. In een flits zag hij de heer [slachtoffer] voorover met zijn borst op de Pvc-buis vallen en zag hij dat de heer [slachtoffer] aan zijn rugkant bedolven werd onder het zand dat van de linker zijkant van het getrapte talud instortte.

(…)

De uitgraving was ongeveer 220 centimeter diep. De breedte van de bodem van de uitgraving was ongeveer 190 centimeter. Er was aan de zijkanten een getrapt talud aangebracht. De breedte van de bovenzijde van de uitgraving was ongeveer 456 centimeter. De breedte van het talud aan de rechterzijde was 110 centimeter. Het talud dat oorspronkelijk aan de linkerzijde aanwezig was, en wat ingestort is, moet 156 centimeter breed zijn geweest (zijnde 456 centimeter minus 190 centimeter minus 110 centimeter). Volgens Tabel 1 van Abomafoon 2.06 had de breedte van het talud aan de linkerzijde minimaal 220 centimeter breed moeten zijn, of er had met bekisting moeten worden

gewerkt.

De grond ter plaatse van de uitgraving was zogenaamde “geroerde” grond. De locatie was namelijk eerder ontgraven geweest voor het plaatsen van de drie betonnen putten welke ten tijde van het ongeval aanwezig waren. Direct naast de uitgraving, aan de linkerzijde lag een

berg zand en was tevens een plas water aanwezig zoals op foto 7 in bijlage 12 te zien is. Vanuit de plas water sijpelde water in de uitgraving. Aan de achterzijde van de uitgraving bevond zich op ongeveer 20 meter afstand een weg waarover regelmatig zwaar verkeer

reed in verband met grondwerkzaamheden op een terrein dat zich aan de andere zijde van die weg bevond.

Overlijdensonderzoek en lijkschouw3, onder meer inhoudende:

Op dinsdag 14 juni 2016 hebben wij verbalisanten een onderzoek ingesteld naar aanleiding van het overlijden van [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] . (…) Op dinsdag 14 juni 2016 werd lijkschouw verricht. Hierbij werd geen andere letsel aan het stoffelijk overschot waargenomen anders dan passend bij het ongeval en de hulpverlening nadien. (…) Het slachtoffer is vermoedelijk overleden ten gevolge van het volledig belemmeren van de ademhaling, veroorzaakt door de druk van het zand van de ingestorte zijwand op zijn lichaam.

Proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 1] d.d. 8 juli 2016, onder meer inhoudende4:

V: Wie heeft het rioleringswerk in opdracht gekregen?

A; Het werk is in regie in opdracht gegeven aan [bedrijf 3] . Het was uurtje factuurtje.

V: Wie heeft hem de opdracht gegeven?

A: Uiteindelijk [vertegenwoordiger verdachte] . (…)

V: Is er een V&G plan voor de rioleringswerkzaamheden opgesteld?

A: Nee. Ik had een algemeen V&G plan. De deelplannen kwamen van de onderaannemers.

V: Heeft [bedrijf 3] een V&G plan ingediend?

A: Nee

Proces-verbaal van verhoor van verdachte [vertegenwoordiger verdachte] d.d. 18 april 2017, onder meer inhoudende5:

V: Op 14 juni 2016 werden er op genoemde bouwlocatie door de heer [medeverdachte 1] , directeur/eigenaar van [bedrijf 1] ., samen met zijn medewerker, de heer [slachtoffer] rioleringswerkzaamheden uitgevoerd. Was u ervan op de hoogte?

A: Ja, ik wist dat [bedrijf 3] andere mensen ingehuurd had.

(…)

V: Wie hield toezicht op de rioleringswerkzaamheden?

A: Niemand, behalve de uitvoerende partij zelf.

Bewijsoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank heeft op basis van de resultaten van het opsporingsonderzoek en het verhandelde ter terechtzitting het navolgende vastgesteld. Op 14 juni 2016 is [slachtoffer] overleden bij een bedrijfsongeval te Tilburg. Hij was die dag bezig met werkzaamheden ten behoeve van het aansluiten van een riolering behorende bij een te bouwen bedrijfshal. Hij was werkzaam in dienst van [bedrijf 1] ..

[verdachte (rechtspersoon)] . was de opdrachtgever van de bouw van de bedrijfshal en van de aanleg van bijbehorende riolering. Op 14 juni 2016 was het slachtoffer samen met zijn werkgever en tevens eigenaar van [bedrijf 1] ., [medeverdachte 1] , aan het werk. Met behulp van een graafmachine is die ochtend door hen een uitgraving gemaakt. Op een gegeven moment is het slachtoffer, dat de graafmachine bestuurde, [medeverdachte 1] gaan helpen in de uitgraving. Op het moment dat ze klaar waren in de uitgraving wilden ze via het schuine talud naar boven klimmen. [medeverdachte 1] liep voorop en zag vervolgens in zijn ooghoek grond wegschuiven. Door het naar beneden wegschuiven van de grond viel het slachtoffer voorover en werd hij aan zijn rugzijde bedolven onder het zand en met zijn borst op een pvc-buis gedrukt. Het slachtoffer werd vervolgens snel uitgegraven, maar reanimatiepogingen van een collega en medisch personeel mochten niet baten.

Volgens onderzoek van de arbeidsinspectie zijn bij de uitgraving onvoldoende veiligheidsmaatregelen genomen om instorting te voorkomen.

Feit 1

Op de bouwlocatie aan de [adres 2] te Tilburg werd gewerkt aan de bouw van een bedrijfshal. Ten behoeve daarvan werden op de bouwlocatie (onder meer) rioleringswerkzaamheden uitgevoerd, bestaande uit graaf en grondwerkzaamheden, zijnde graafwerken en grondwerken als bedoeld in bijlage I bij de richtlijn nr. 92/57/EEG, welke vallen onder “bouwwerk” als bedoeld in artikel 1.1, tweede lid aanhef en onder b van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

De rechtbank stelt vast dat sprake was van een bouwplaats als bedoeld in artikel 1.1, tweede lid onder a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: Arbobesluit). Op deze bouwplaats werd arbeid verricht op grond waarvan de rechtbank ook vaststelt dat sprake was van een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 1, derde lid onder g van de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: Arbowet). De opdrachtgever voor het tot stand brengen van de bedrijfshal met bijbehorende riolering is [verdachte (rechtspersoon)] . Bij algemene maatregel van bestuur, namelijk artikel 2.24 van het Arbobesluit, wordt voor de toepassing van artikel 16, achtste lid van de Arbowet onder andere de opdrachtgever aangewezen. Daarmee stelt de rechtbank vast dat verdachte op grond van artikel 16, tiende lid van de Arbowet verplicht was tot naleving van de voorschriften en verboden uit de Arbowet en het Arbobesluit, voor zover dat is bepaald.

Op grond van artikel 2.28, eerste lid, van het Arbobesluit rust op de opdrachtgever de zorgplicht om ten aanzien van bouwwerken die voor de veiligheid en gezondheid van werknemers bijzondere gevaren met zich meebrengen als bedoeld in bijlage II bij de richtlijn een veiligheids- en gezondheidsplan op te stellen. In bijlage II bij de Richtlijn nr. 92/57/EEG is onder zes - als een werk die voor de veiligheid en de gezondheid van werknemers bijzondere gevaren meebrengen - het graven van putten, ondergrondse en tunnelwerken opgenomen.

Artikel 2.32, eerste lid onder c, van het Arbobesluit bepaalt daarnaast dat het de opdrachtgever is die ervoor moet zorgen dat het veiligheids- en gezondheidsplan, bedoeld in artikel 2.28 van het Arbobesluit, deel uitmaakt van het bestek betreffende het bouwwerk en vóór aanvang van de werkzaamheden op de bouwplaats beschikbaar is. De rechtbank stelt vast dat op de verdachte, in zijn rol als opdrachtgever, de verplichting rustte zorg te dragen voor de aanwezigheid van een veiligheids- en gezondheidsplan voor de te verrichten rioleringswerkzaamheden.

Vast staat dat voor de rioleringswerkzaamheden geen veiligheids- en gezondheidsplan was opgesteld. Daarmee heeft verdachte in haar hoedanigheid als opdrachtgever niet voldaan aan haar plicht. Uit de verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte ter terechtzitting blijkt dat met [betrokkene 1] een veiligheids- en gezondheidsplan, dat overigens geen betrekking had op de aan te leggen riolering, is doorgesproken. Op het van het V&G plan onderdeel uitmakende formulier “Startbespreking grondwerk” d.d. 15 januari 2016 staat aangegeven als item “Talud/damwanden/beveiligingen bepaald” waaraan een aantekening “NVT” is toegevoegd. Daarmee staat de wetenschap over het feit dat er ten aanzien van bouwwerken waaronder grondwerken een veiligheids- en gezondheidsplan aanwezig moest zijn, naar het oordeel van de rechtbank vast. Op grond daarvan stelt de rechtbank ook vast dat verdachte had moeten weten dat er voor het rioleringswerk, dat grondwerken impliceert, eveneens een veiligheids- en gezondheidsplan had moeten worden opgesteld. Het nalaten hiervoor te zorgen moet derhalve als een opzettelijke handeling worden aangemerkt.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank hetgeen onder het eerste gedachtestreepje van feit 1 ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen.

Onder feit 1, tweede gedachtestreepje, is aan verdachte ten laste gelegd dat zij als opdrachtgever niet zodanige maatregelen heeft getroffen dat de coördinator voor de uitvoeringsfase zijn/haar taken bedoeld in artikel 2.31 van het Arbobesluit naar behoren uitoefende. Artikel 2.33 van het Arbobesluit bepaalt echter dat deze zorgplicht aan de uitvoerende partij is toegedicht. Als opdrachtgever was verdachte derhalve niet verplicht om zorg te dragen voor naleving van artikel 2.31 van het Arbobesluit. De rechtbank spreekt de verdachte dan ook vrij ten aanzien van dit onderdeel van het ten laste gelegde.


Feit 2

Het ontbreken van het veiligheids- en gezondheidsplan staat volgens de rechtbank in rechtstreeks verband met het plaatsvinden van het dodelijk ongeval. Immers, door het opstellen van een veiligheids- en gezondheidsplan zouden de overige partijen die op de bouwlocatie werkzaam waren, zich bewust zijn geweest van de gevaren van het verrichten van rioleringswerkzaamheden zoals zij deze in het onderhavige bouwwerk hebben verricht. De medeverdachten zouden op basis van het plan gedwongen zijn geweest de risico’s van de te verrichten werkzaamheden te inventariseren en vervolgens de benodigde veiligheidsmaatregelen te nemen, zoals dat in de praktische richtlijnen van Abomafoon 2.06 “Grondwerk, putten en sleuven” en van de CROW publicatie 335 “Werken met stabiele grond” wordt geadviseerd. Dan had inzichtelijk kunnen worden dat vanwege de vereiste diepte van ongeveer 2,2 meter inschakeling van een deskundige noodzakelijk was. Verdachte is tekort geschoten in haar plicht. Door op dergelijke wijze om te gaan met de veiligheid van personen die op de bouwlocatie werkzaamheden verrichtten, waaronder met name [slachtoffer] , heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en onzorgvuldig gehandeld. De dood van [slachtoffer] kan dan ook redelijkerwijs aan verdachte worden toegerekend, nu zij heeft verzuimd datgene te doen wat vanuit haar plicht van haar mocht worden verlangd.

In opdracht van verdachte werden door diverse partijen werkzaamheden uitgevoerd op de bouwlocatie. De diverse bij de bouw betrokken partijen werkten samen aan de totstandkoming van de bedrijfshal en de bijbehorende riolering en hadden op basis van de Arbowet en het Arbobesluit eigen verantwoordelijkheden ten einde zorg te dragen voor een veilige werkomgeving, waarin zij allen tekort geschoten zijn. De bij de bouw betrokken partijen zijn tekort geschoten in de beoordeling en inventarisatie van de risico’s en gevaren. Met name zijn er daardoor in de uitgraving geen doeltreffende stut- of taludvoorzieningen aangebracht of andere veiligheidsmaatregelen getroffen ter voorkoming van instorting, terwijl het gevaar voor instorting gelet op de CROW richtlijn 335 algemeen als voorzienbaar moet worden aangemerkt. Gelet op de samenwerking tussen verdachte en medeverdachten hadden zij elkaar kunnen en moeten corrigeren. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan.

De rechtbank acht gelet op het bovenstaande eveneens het onder feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

op 14 juni 2016 te Tilburg als opdrachtgever van een bouwwerk aan de [adres 2] opzettelijk er niet voor heeft gezorgd dat ten aanzien van een bouwput of uitgraving ten behoeve van rioleringswerkzaamheden, zijnde die bouwput of uitgraving een bouwwerk, dat voor de veiligheid en de gezondheid van werknemers bijzondere gevaren met zich meebracht, als bedoeld in bijlage II bij de richtlijn nr. 92/57/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juni 1992, een veiligheids- en gezondheidsplan was opgesteld;

2.

op 14 juni 2016 te Tilburg tezamen en in vereniging met anderen, aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en nalatig arbeid heeft laten verrichten op een bouwwerk aan de [adres 2] in een bouwput of uitgraving ten behoeve van rioleringswerkzaamheden, zijnde die bouwput of uitgraving een bouwwerk, dat voor de veiligheid en de gezondheid van werknemers bijzondere gevaren met zich meebracht, zulks terwijl die gevaren niet of onvoldoende waren geïnventariseerd en de risico's daarvan niet of onvoldoende waren beoordeeld en terwijl geen veiligheids- en gezondheidsplan met betrekking tot die werkzaamheden was opgesteld en terwijl in de bouwput of uitgraving geen doeltreffende stut- of taludvoorzieningen of andere veiligheidsmaatregelen waren aangebracht ter voorkoming van instorting, waardoor die bouwput of uitgraving gedeeltelijk is ingestort en een werknemer, genaamd [slachtoffer] , werd bedolven door grond waardoor het aan zijn schuld en aan de schuld van zijn mededaders te wijten is dat [slachtoffer] is overleden.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Eendaadse samenloop

De verdediging heeft aangevoerd dat sprake is van eendaadse samenloop, op grond waarvan ten aanzien van feit 2 ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen, dan wel matiging van een op te leggen straf.

Feit 1 betreft een economisch delict dat specifiek betrekking heeft op voorschriften waaraan een werkgever en andere aangewezen (rechts)personen zich dienen te houden. Feit 2 betreft een commuun delict waarin het veroorzaken van de dood door schuld is strafbaar gesteld. Hierbij vormt het menselijk leven het beschermd belang. Nu de strekking van de ten laste gelegde feiten meer dan enigszins uiteen loopt, kan niet worden gesproken van hetzelfde feit. De rechtbank stelt derhalve vast dat van eendaadse samenloop geen sprake is.

De rechtbank stel verder vast dat er geen andere feiten of omstandigheden aannemelijk geworden zijn die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een geldboete van € 40.000,00 wordt opgelegd. Daarnaast heeft de officier van justitie, ten behoeve van de door de nabestaanden van het slachtoffer geleden materiële en immateriële schade, de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd voor een bedrag van € 5.000,00.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft vrijspraak van de ten laste gelegde feiten bepleit. Voor het geval de rechtbank wel tot een veroordeling zou komen, heeft de raadsman verzocht om de straf te matigen, gelet op de rol van verdachte en het feit dat zij door het inschakelen van anderen getracht heeft risico’s juist te vermijden. De raadsman merkt op dat verdachte ook in het geval van een vrijspraak bereid is om de gestelde schade van de nabestaande te betalen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de bedrijfseconomische omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Bewezen is verklaard dat verdachte zich niet heeft gehouden aan de in het Arbobesluit opgenomen bepaling omtrent het zorgdragen voor een veiligheids- en gezondheidsplan en dat verdachte schuld heeft aan het overlijden van [slachtoffer] . Verdachte droeg als opdrachtgever mede de verantwoordelijkheid voor de veiligheid en het welzijn van arbeiders op de bouwlocatie en was uit dien hoofde verplicht om passende en adequate maatregelen te nemen tegen de op de bouwlocatie aanwezige gevaren. Dat heeft verdachte nagelaten. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Zoals blijkt uit de ter terechtzitting door de moeder van het slachtoffer voorgelezen slachtofferverklaring heeft dit tragische ongeval bij haar een niet op te vullen emotionele leegte achtergelaten. Zij, maar ook andere familie en bekenden, zullen [slachtoffer] voor altijd moeten missen. De rechtbank zal dit tragisch gevolg bij de strafoplegging betrekken.

De rechtbank slaat bij het bepalen van de hoogte van de straf acht op de straffen die eerder in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Al het voorgaande in ogenschouw nemend acht de rechtbank een geldboete van € 40.000,00 passend en geboden.

Gelet op het feit dat de rechtbank minder bewezen acht dan de officier van justitie en om herhaling in de toekomst te voorkomen, bepaalt de rechtbank dat een gedeelte van deze geldboete, te weten € 10.000,00, voorwaardelijk zal worden opgelegd.

De schade in verband waarmee de officier van justitie de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel vordert, ziet blijkens de toelichting ter terechtzitting op inkomensschade en schade in verband met de kosten voor lijkbezorging, welke schades de moeder van het slachtoffer als gevolg van het noodlottig bedrijfsongeval zou hebben geleden.

De mededeling van de verdediging, dat zij bereid is om schade te vergoeden, kan niet worden gezien als een erkenning van die schade op basis waarvan de hoogte van de geleden schade kan worden vastgesteld. Met betrekking tot de aangevoerde posten is de rechtbank van oordeel dat relevante informatie ontbreekt om vast te stellen of en zo ja, in welke mate, sprake is van - naar maatstaven van burgerlijk recht - vergoedbare schade. De omvang van deze schade kan derhalve niet worden vastgesteld. De rechtbank zal daarom de schadevergoedingsmaatregel niet opleggen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 47, 51, 57, 307

Wet op de economische delicten art. 1, 2 en 6

Arbeidsomstandighedenwet art. 16, 33.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 16 van deArbeidsomstandighedenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

T.a.v. feit 2:medeplegen van aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn, begaan door eenrechtspersoon. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

T.a.v. feit 1, feit 2:Geldboete van € 40.000,00 (zegge: veertigduizend euro).

Bepaalt dat een gedeelte van deze straf, groot € 10.000,00 (zegge: tienduizend euro), niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.M. Vermeulen, voorzitter,

mr. W.F. Koolen en mr. W. Heijninck, leden,

in tegenwoordigheid van mr. N.P.M. van de Wouw, griffier,

en is uitgesproken op 9 april 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het ‘proces-verbaal Arbeidsomstandigheden’ van de inspectie SZW, van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zaaknummer 411601159, afgesloten op 26 juni 2017, 257 pagina’s doorlopend genummerd.

2 Het proces-verbaal Arbeidsomstandigheden van [arbeidsinspecteur] , arbeidsinspecteur van de Inspectie SZW, pag. 2, 5, 6, 13 en 14.

3 Bijlage 1, d.d. 16 juni 2016, pag. 20 en 21.

4 Bijlage 26, pag. 173

5 Bijlage 28, pag. 185