Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:1623

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
09-04-2018
Datum publicatie
09-04-2018
Zaaknummer
01/995069-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte was met een werknemer bezig met werkzaamheden ten behoeve van de aanleg van een riolering. Het slachtoffer is in een uitgraving bedolven onder het zand, ten gevolge waarvan het slachtoffer is overleden. Bij de uitgraving zijn onvoldoende veiligheidsmaatregel genomen om instorting te voorkomen. Het bedrijf, waarvan verdachte feitelijk leidinggevende is, heeft onvoldoende veiligheidsmaatregel getroffen. Men heeft zich niet gehouden aan de in het Arbobesluit opgenomen bepaling omtrent het zorgdragen voor doeltreffende stut- of taludvoorzieningen ter voorkoming van instorting.

De rechtbank legt een geldboete van € 10.000 subsidiair 85 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren op.

(art. 32 Arbeidsomstandighedenwet en art. 307 Sr. juncto artikel 51 Sr.)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/995069-17

Datum uitspraak: 09 april 2018

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1983] ,

wonende te [woonplaats] , [adres 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 26 maart 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaardingen 4 december 2017.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

[bedrijf 1] op of omstreeks 14 juni 2016 te Tilburg, als werkgever, al dan niet opzettelijk handelingen heeft verricht en/of nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en/of de daarop rustende bepalingen,

immers heeft zij al dan niet opzettelijk in strijd met artikel 3.30 lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit in een bouwput of bij een uitgraving op een bouwwerk/arbeidsplaats aan de [adres 2] geen doeltreffende stut- of taludvoorzieningen aangebracht ter voorkoming van instorting,

terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs moest weten,

levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer

werknemers, te weten [slachtoffer] , ontstond of te verwachten was,

hebbende hij, verdachte, tot voormeld feit opdracht gegeven, althans feitelijke leiding gegeven aan voormelde verboden gedraging;

2.

[bedrijf 1] op of omstreeks 14 juni 2016 te Tilburg

tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig

arbeid heeft verricht, althans laten verrichten op een bouwwerk aan de [adres 2] in een bouwput of uitgraving ten behoeve van rioleringswerkzaamheden, zijnde die bouwput of uitgraving een bouwwerk, dat voor de veiligheid en de gezondheid van werknemers bijzondere gevaren met zich meebracht, zulks terwijl die gevaren niet of onvoldoende waren geïnventariseerd en/of de risico's daarvan niet of onvoldoende waren beoordeeld en/of terwijl geen veiligheids- en gezondheidsplan met betrekking tot die werkzaamheden was opgesteld en/of terwijl in de bouwput of uitgraving geen doeltreffende stut- of taludvoorzieningen of andere veiligheidsmaatregelen waren aangebracht ter voorkoming van instorting, (mede) waardoor die bouwput of uitgraving (gedeeltelijk) is ingestort en een werknemer, genaamd [slachtoffer] , werd bedolven door zand en/of grond

waardoor het aan haar schuld en/of aan de schuld van haar mededader te wijten is dat [slachtoffer] is overleden,

hebbende hij, verdachte tot dat feit opdracht gegeven, althans feitelijke leiding gegeven aan voormelde verboden gedraging(en);

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft, op basis van de in de pleitnotitie nader omschreven feiten en omstandigheden, vrijspraak bepleit voor hetgeen onder 1 en 2 ten laste is gelegd. Kort samengevat komt het verweer er ten aanzien van feit 1 op neer dat verdachte in zijn rol als feitelijk leidinggever niet wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat er sprake was van levensgevaar. Ten aanzien van feit 2 voert de verdediging aan dat de enkele foute inschatting van het instortingsgevaar onvoldoende is om te spreken van aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam of nalatig handelen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bewijsmiddelen t.a.v. feit 1 en 2, zakelijk weergegeven 1

[verdachte] verklaarde ter terechtzitting van 26 maart 2018 onder meer het volgende:

Op dinsdag 14 juni 2016 verrichtte ik samen met [slachtoffer] rioleringswerkzaamheden op de bouwlocatie te Tilburg. Het gat is diezelfde ochtend gegraven tot een diepte van ongeveer 220 centimeter. We hebben een schuin talud aan de kant van de graafmachine aangebracht en aan de zijkanten een getrapt talud. We hebben visueel beoordeeld dat het naar onze mening goed genoeg was.

(…) Er is inderdaad niet voor bekisting gekozen, omdat ik ervan uitging dat het op deze manier kon. Ik ben bekend met de Abomafoon en de CROW-richtlijnen.

Uittreksel Kamer van Koophandel – [bedrijf 1] d.d. 14 juni 20162, onder meer inhoudende:

Enig aandeelhouder en bestuurder: [verdachte] , geboortedatum en –plaats: [1983] , [geboorteplaats] . Titel: algemeen directeur, alleen/zelfstandig bevoegd.

Proces-verbaal arbeidsomstandigheden3, onder meer inhoudende:

Op dinsdag 14 juni 2016 bevond ik mij op een bouwlocatie aan de [adres 2] te Tilburg (…) in verband met een melding dat daar een ongeval had plaatsgevonden (…) waarbij het slachtoffer tijdens werkzaamheden in een uitgraving is bekneld geraakt tussen een zandmassa en een rioolbuis. Het slachtoffer is als gevolg hiervan overleden. (…)

Ik zag dat op genoemde locatie werkzaamheden werden verricht, omvattende de bouw van een bedrijfshal waaronder inbegrepen het aanleggen van riolering. (…) Nadat het slachtoffer door de brandweer uit de uitgraving was gehaald heb ik samen met collega [persoon 1] de uitgraving nader bekeken en opgemeten.

(…)

Op donderdag 16 juni 2016, omstreeks 19.30 uur, ontving ik per E-mail van de heer [persoon 2] , medewerker van [bedrijf 2] de volgende documenten:

- Veiligheids- en Gezondheidsplan (V&G plan) Ik heb het veiligheids- en gezondheidsplan nader bestudeerd. (…) Ik zag in dit V&G plan de volgende teksten:

 Op de eerste pagina van de inhoudsopgave:

o Opdrachtgever: [betrokkene]

(…)

 Op pagina 15, onder punt 8.4 Bouwprocesrisico’s zag ik dat er 4 kolommen waren opgenomen:

o Kolom 1: Risico Oorzaak/bron

o Kolom 2: Concrete maatregelen op de werkplek

o Kolom 3: Aanbrengen door

o Kolom 4: In stand houden door

Ik zag in kolom 1: ’03 bedelving putten sleuven talud’. Ik zag dat achter dit punt de kolommen 2, 3 en 4 niet ingevuld waren.

(…)

Op vrijdag 17 juni heb ik de volgende documenten geraadpleegd:

• Abomafoon 2.06, Grondwerk, putten en sleuven (bijlage 31)

• CROW publicatie 335, Werken met stabiele grond (bijlage 32)

(…)

Ik heb Abomafoon 2.06 nader bestudeerd, ik zag de volgende teksten in deze publicatie:

• De grootste risico’s zijn het inkalven van het talud en het bezwijken van grondkerende constructies.

• Indien de diepte van een put of sleuf meer bedraagt dan 1 m, moeten er stempelingen, bekistingen of damwanden worden toegepast, of er moet onder een veilig talud worden ontgraven.

Tabel 1 geeft daarover informatie.

• Van geval tot geval moet vooraf door een deskundige worden bepaald en zo nodig berekend, welke maatregelen noodzakelijk zijn. Daarbij moet rekening gehouden worden met de eventueel te verwachten ongunstige invloeden zoals:

o Waterbezwaar door de hoogte van de grondwaterspiegel of door regen, vorst en dooi, lekkages, enz:

o Zware bovenbelasting bij of langs de sleuf of put, door opslag van grond, materiaal of materieel;

o Trillingen, bijvoorbeeld veroorzaakt door een graafmachine, een heistelling, zwaar verkeer of verdichtingsapparatuur.

• Naast een talud dat dieper is dan 1m, moeten stroken van tenminste 50 cm worden vrijgehouden van de opslag van grond en materialen.

• Vanzelfsprekend moet worden voorkomen dat tijdens werkzaamheden mensen en/of voertuigen in de put of sleuf terechtkomen. Goede afzettingen en zo nodig verlichting zijn

van groot belang.

Ik heb tabel 1 van Abomafoon nader bestudeerd. Ik zag dat de volgende uitgangspunten van toepassing zijn op de ongevalslocatie:

• Grondsoort: Zand of leem;

• Los of geroerd;

• Diepte in m onder het maaiveld: 1,00 – 4,00;

• Talud niet steiler dan 1:1;

Uit deze gegevens blijkt dat bij een diepte van 2,2 meter het talud minimaal 2,2 meter breed dient te zijn.

(…)

Ik heb de CROW publicatie 335 nader bestudeerd, ik zag de volgende teksten in deze publicatie:

Het afkalven, schuiven en omklappen van instabiele taluds bij ontgravingen en ophogingen leidt tot vele incidenten. Hoewel de gevolgen vaak beperkt zijn, zijn er in Nederland jaarlijks nog steeds gewonden en zelfs dodelijke slachtoffers te betreuren.

• Deze richtlijn is opgesteld om grondwerkzaamheden met een beperkte omvang veilig te laten plaatsvinden.

• Deze publicatie is opgesteld voor grondwerken waarbij zonder inzet van een geotechnicus of constructeur (specialist) gewerkt wordt bij ontgravingen en/of ophogingen met een

hoogteverschil van maximaal 1,75 meter. Deze maat is door de werkgroep gekozen op basis van de gemiddelde lengte van een medewerker. Dit type grondwerk kan met zo nodig eenvoudige hulpmiddelen (sleufbekisting, systeemwanden) bij de juiste voorbereiding zonder specialist worden uitgevoerd. Deze richtlijn baseert zich op de Nederlandse praktijk en de in Nederland voorkomende bodemtypen.

Voor grotere en complexe werken wordt een deskundige geraadpleegd die de ontgraving of bouwput geheel doorrekent en risico’s volledig inventariseert.

(…)

Op dinsdag 14 juni 2016 was het slachtoffer, de heer [slachtoffer] , bezig met werkzaamheden ten behoeve van het aansluiten van de riolering van het bouwwerk te Tilburg. [slachtoffer] was daar werkzaam in dienst van [bedrijf 1] , onder leiding van zijn werkgever, de heer [verdachte] .

(…)

Op 14 juni 2016 was [verdachte] samen met [slachtoffer] werkzaam. Met behulp van de graafmachine was een uitgraving gemaakt. (…) Op een gegeven moment kwam [slachtoffer] in de ontgraving om [verdachte] te helpen. (…) Op het moment dat ze klaar waren, wilde [verdachte] en [slachtoffer] uit de uitgraving via het schuine talud naar boven lopen. In zijn ooghoek zag [verdachte] wat zand verschuiven. In een flits zag hij [slachtoffer] voorover met zijn borst op de Pvc-buis vallen en zag hij dat [slachtoffer] aan zijn rugkant bedolven werd onder het zand dat van de linker zijkant van het getrapte talud instortte.

(…)

De uitgraving was ongeveer 220 centimeter diep. De breedte van de bodem van de uitgraving was ongeveer 190 centimeter. Er was aan de zijkanten een getrapt talud aangebracht. De breedte van de bovenzijde van de uitgraving was ongeveer 456 centimeter. De breedte van het talud aan de rechterzijde was 110 centimeter. Het talud dat oorspronkelijk aan de linkerzijde aanwezig was, en wat ingestort is, moet 156 centimeter breed zijn geweest (zijnde 456 centimeter minus 190 centimeter minus 110 centimeter). Volgens Tabel 1 van Abomafoon 2.06 had de breedte van het talud aan de linkerzijde minimaal 220 centimeter breed moeten zijn, of er had met bekisting moeten worden

gewerkt.

De grond ter plaatse van de uitgraving was zogenaamde “geroerde” grond. De locatie was namelijk eerder ontgraven geweest voor het plaatsen van de drie betonnen putten welke ten tijde van het ongeval aanwezig waren. Direct naast de uitgraving, aan de linkerzijde lag een

berg zand en was tevens een plas water aanwezig zoals op foto 7 in bijlage 12 te zien is. Vanuit de plas water sijpelde water in de uitgraving. Aan de achterzijde van de uitgraving bevond zich op ongeveer 20 meter afstand een weg waarover regelmatig zwaar verkeer

reed in verband met grondwerkzaamheden op een terrein dat zich aan de andere zijde van die weg bevond.

Overlijdensonderzoek en lijkschouw4, onder meer inhoudende:

Op dinsdag 14 juni 2016 hebben wij verbalisanten een onderzoek ingesteld naar aanleiding van het overlijden van [slachtoffer] , geboren op [1991] te [geboorteplaats] . (…) Op dinsdag 14 juni 2016 werd lijkschouw verricht. Hierbij werd geen andere letsel aan het stoffelijk overschot waargenomen anders dan passend bij het ongeval en de hulpverlening nadien. (…) Het slachtoffer is vermoedelijk overleden ten gevolge van het volledig belemmeren van de ademhaling, veroorzaakt door de druk van het zand van de ingestorte zijwand op zijn lichaam.

Gegevens inzake neerslag in de voorafgaande dagen5, onder meer inhoudende:

Volgens gegevens van het KNMI is op zondag 12 juni 2016 in Gilze Rijen, op 5,6 kilometer afstand van de locatie van het bedrijfsongeval, een hoeveelheid van 23,3 mm neerslag gevallen, en op maandag 13 juni 2016 een hoeveelheid van 9,5 mm.

Bewijsoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank heeft op basis van de resultaten van het opsporingsonderzoek en het verhandelde ter terechtzitting het navolgende vastgesteld. Op 14 juni 2016 is [slachtoffer] overleden bij een bedrijfsongeval te Tilburg. Hij was die dag bezig met werkzaamheden ten behoeve van het aansluiten van een riolering behorende bij een te bouwen bedrijfshal. Hij was werkzaam in dienst van [bedrijf 1] .

[bedrijf 3] . was de opdrachtgever van de bouw van de bedrijfshal en van de aanleg van bijbehorende riolering. Op 14 juni 2016 was het slachtoffer samen met verdachte, zijn werkgever en eigenaar van [bedrijf 1] , [verdachte] , aan het werk. Met behulp van een graafmachine is die ochtend door hen een uitgraving gemaakt. Op een gegeven moment is het slachtoffer, die de graafmachine bestuurde, [verdachte] gaan helpen in de uitgraving. Op het moment dat ze klaar waren in de uitgraving wilden ze via het schuine talud naar boven klimmen. [verdachte] liep voorop en zag vervolgens in zijn ooghoek grond wegschuiven. Door het naar beneden wegschuiven van de grond viel het slachtoffer voorover en werd hij aan zijn rugzijde bedolven onder het zand en met zijn borst op een pvc-buis gedrukt. Het slachtoffer werd vervolgens snel uitgegraven, maar reanimatiepogingen van een collega en medisch personeel mochten niet baten.

Volgens onderzoek van de arbeidsinspectie zijn bij de uitgraving onvoldoende veiligheidsmaatregelen genomen om instorting te voorkomen.
Feit 1

Op de bouwlocatie aan de [adres 2] te Tilburg werd gewerkt aan de bouw van een bedrijfshal. Ten behoeve daarvan werden op de bouwlocatie rioleringswerkzaamheden uitgevoerd, bestaande uit graaf en grondwerkzaamheden, zijnde graafwerken en grondwerken als bedoeld in bijlage I bij de richtlijn nr. 92/57/EEG, welke vallen onder “bouwwerk” als bedoeld in artikel 1.1, tweede lid aanhef en onder b van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

De rechtbank stelt vast dat sprake was van een bouwplaats als bedoeld in artikel 1.1, tweede lid onder a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: Arbobesluit). Op deze bouwplaats werd arbeid verricht op grond waarvan de rechtbank ook vaststelt dat er sprake was van een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 1, derde lid onder g van de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: Arbowet).

Voorts bestond tussen [bedrijf 1] en het slachtoffer een arbeidsovereenkomst, zodat sprake was van een werkgever en een werknemer in de zin van artikel 1, eerste lid, onder a en b, van de Arbowet. [bedrijf 1] was derhalve als werkgever onderworpen aan de veiligheidsregels zoals die onder meer voortvloeien uit de Arbowet en het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: Arbobesluit). In de Arbowet is onder andere verankerd dat werknemers recht hebben op een veilige en gezonde werkplek.

Op grond van artikel 3.30, eerste lid van het Arbobesluit rustte op [bedrijf 1] , in haar rol als werkgever, de verplichting om (kort gezegd) de juiste voorzieningen te treffen om haar werknemers te beveiligen tegen het ter plaatse aanwezige gevaar van instorting. In voormelde bepaling is uitdrukkelijk opgenomen dat doeltreffende stut- of taludvoorzieningen aangebracht dienen te worden ter voorkoming van dit gevaar. Dit uitgangspunt is tevens terug te vinden in de diverse brochures en informatiebladen van brancheverenigingen waarin artikel 3.30 van het Arbobesluit is uitgewerkt, zoals in de praktische richtlijnen van Abomafoon 2.06 “Grondwerk, putten en sleuven” en van CROW publicatie 335 “Werken met stabiele grond”6. Deze informatie is algemeen toegankelijk en [bedrijf 1] , werkzaam in de desbetreffende branche, moet geacht worden hiermee bekend te zijn.

In de publicatie van Abomafoon 2.06 is onder andere te lezen dat, indien de diepte van een put of sleuf meer bedraagt dan één meter, stempelingen, bekistingen of damwanden moeten worden toegepast, of dat onder een veilig talud moet worden gegraven. Wanneer sprake is van losse of geroerde grond, hetgeen ter plaatse het geval was, mag het talud bij een diepte van één tot vier meter onder het maaiveld niet steiler zijn dan één op één.

De afgraving die ten behoeve van de rioleringswerkzaamheden gemaakt was voldeed niet aan deze voorwaarden. Er werd gewerkt op een diepte van ongeveer 220 centimeter zonder stempelingen, bekisting of damwanden. Het talud dat gegraven was voldeed daarnaast niet aan de maatvoering zoals omschreven in de Abomafoon.

De rechtbank stelt op grond van het bovenstaande vast dat [bedrijf 1] niet de benodigde veiligheidsmaatregelen had genomen en daarmee niet aan haar plicht, die voortvloeit uit artikel 3.30 van het Arbobesluit, heeft voldaan. Uit de verklaring van de vertegenwoordiger van [bedrijf 1] ter terechtzitting blijkt dat zij op de hoogte was van de risico’s bij grondwerkzaamheden en van de geldende richtlijnen ter voorkoming van instorting. De rechtbank stelt vast dat, ondanks deze wetenschap, de benodigde veiligheidsmaatregelen niet zijn toegepast. Op grond hiervan stelt de rechtbank vast dat door [bedrijf 1] opzettelijk is gehandeld.

De rechtbank overweegt dat de ingetreden gevolgen redelijkerwijs aan [bedrijf 1] kunnen worden toegerekend, nu zij heeft verzuimd datgene te doen wat op grond van haar bijzondere wettelijke zorgplicht werd verlangd.

Verdachte heeft als directeur van [bedrijf 1] de zeggenschap gehad over de uitvoering van de werkzaamheden en de wijze waarop dit plaats zou vinden. Daarnaast heeft verdachte actief samengewerkt met het slachtoffer aan de uitgraving. De rechtbank stelt daarmee vast dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging van [bedrijf 1]

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank het onder feit 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2

Gelet op het voorgaande is de rechtbank ook van oordeel dat de dood van het slachtoffer mede aan de schuld van [bedrijf 1] te wijten is. [bedrijf 1] was op de hoogte van de gevaren die waren verbonden aan het werken in een put uitgraving en had ter voorkoming hiervan afdoende maatregelen kunnen en moeten treffen. [bedrijf 1] is hierin in ernstige mate tekort geschoten. Niet alleen is verzuimd om voorafgaand aan het rioleringswerk de risico’s te inventariseren, maar bovendien is geen aanvullend onderzoek verricht toen bleek dat op de twee dagen voor het ongeval een zeer grote hoeveelheid regen was gevallen. Door op een dergelijke wijze om te gaan met de veiligheid van haar werknemer heeft [bedrijf 1] naar het oordeel van de rechtbank aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en onzorgvuldig gehandeld. De dood van [slachtoffer] kan derhalve redelijkerwijs aan [bedrijf 1] worden toegerekend, nu zij heeft verzuimd datgene te doen wat op grond van haar wettelijke plicht werd verlangd.

[bedrijf 1] voerde in opdracht van [bedrijf 3] de werkzaamheden uit. De diverse bij de bouw van de bedrijfshal en bijbehorende rioleringswerkzaamheden betrokken partijen werkten samen aan de totstandkoming ervan en hadden op basis van de Arbowet en het Arbobesluit eigen verantwoordelijkheden teneinde zorg te dragen voor een veilige werkomgeving voor de werknemers. De bij de bouw betrokken partijen zijn tekort geschoten in de beoordeling en inventarisering van de risico’s en gevaren. Ook was er geen veiligheids- en gezondheidsplan opgesteld ten behoeve van de rioleringswerkzaamheden. Gelet op de samenwerking tussen [bedrijf 1] en medeverdachten hadden zij elkaar kunnen en moeten corrigeren. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen [bedrijf 1] en de medeverdachten is komen vast te staan.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte op dezelfde gronden als hierover ten aanzien van feit 1 is overwogen aan deze gedraging van [bedrijf 1] feitelijk leiding gegeven.

De rechtbank acht gelet op het bovenstaande eveneens het onder feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

1.

[bedrijf 1] op 14 juni 2016 te Tilburg, als werkgever, opzettelijk handelingen heeft nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en de daarop rustende bepalingen,

immers heeft zij opzettelijk in strijd met artikel 3.30 lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit in een bouwput of bij een uitgraving op een bouwwerk/arbeidsplaats aan de [adres 2] geen doeltreffende stut- of taludvoorzieningen aangebracht ter voorkoming van instorting, terwijl daardoor, naar zij wist, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een werknemer, te weten [slachtoffer] ontstond of te verwachten was, hebbende hij, verdachte, feitelijke leiding gegeven aan voormelde verboden gedraging;

2.

[bedrijf 1] op 14 juni 2016 te Tilburg tezamen en in vereniging met anderen, aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en nalatig arbeid heeft laten verrichten op een bouwwerk aan de [adres 2] in een bouwput of uitgraving ten behoeve van rioleringswerkzaamheden, zijnde die bouwput of uitgraving een bouwwerk, dat voor de veiligheid en de gezondheid van werknemers bijzondere gevaren met zich meebracht, zulks terwijl die gevaren niet of onvoldoende waren geïnventariseerd en de risico's daarvan niet of onvoldoende waren beoordeeld en terwijl geen veiligheids- en gezondheidsplan met betrekking tot die werkzaamheden was opgesteld en terwijl in de bouwput of uitgraving geen doeltreffende stut- of taludvoorzieningen of andere veiligheidsmaatregelen waren aangebracht ter voorkoming van instorting, mede waardoor die bouwput of uitgraving gedeeltelijk is ingestort en een werknemer, genaamd [slachtoffer] , werd bedolven door grond waardoor het aan haar schuld en aan de schuld van haar mededaders te wijten is dat [slachtoffer] is overleden, hebbende hij, verdachte, feitelijk leiding gegeven aan voormelde verboden gedragingen.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een geldboete van € 10.000,00 wordt opgelegd, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft vrijspraak van de ten laste gelegde feiten bepleit. Voor het geval de rechtbank toch tot een veroordeling zou komen, heeft de raadsman verzocht om rekening te houden met de financiële situatie van verdachte en het feit dat een eventuele geldboete aan [bedrijf 1] in zijn geheel betaald zal moeten worden door verdachte.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte waaronder zijn draagkracht.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat [bedrijf 1] zich niet heeft gehouden aan de in het Arbobesluit opgenomen bepaling omtrent het zorgdragen voor doeltreffende stut- of taludvoorzieningen ter voorkoming van instorting en dat zij schuld heeft aan het overlijden van [slachtoffer] , terwijl verdachte hieraan feitelijk leiding heeft gegeven. [bedrijf 1] droeg als werkgever de verantwoordelijkheid voor de veiligheid en het welzijn van haar werknemer op de arbeidslocatie en was uit dien hoofde verplicht om passende en adequate maatregelen te nemen tegen de op de arbeidslocatie aanwezige gevaren. Dat heeft [bedrijf 1] nagelaten en daaraan heeft verdachte feitelijk leiding gegeven. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Zoals blijkt uit de ter terechtzitting door de moeder van het slachtoffer voorgelezen slachtofferverklaring heeft dit tragische ongeval bij haar een niet op te vullen emotionele leegte achtergelaten. Zij, maar ook andere familie en bekenden, zullen [slachtoffer] voor altijd moeten missen. De rechtbank zal dit tragisch gevolg bij de strafoplegging betrekken.

De rechtbank neemt in het voordeel van verdachte mee, dat hij na het ongeval meerdere malen contact heeft gezocht met de moeder van hetslachtoffer. Daarnaast hebben de gevolgen van het ongeval ook op het leven van verdachte een grote impact gehad, zoals dat behalve uit de verklaring van verdachte ter terechtzitting ook is gebleken uit de slachtofferverklaring. Het slachtoffer was niet alleen werknemer van verdachte, maar ook een goede vriend.

De rechtbank slaat bij het bepalen van de hoogte van de straf acht op het feit dat aan medeverdachte [bedrijf 1] eveneens een geldboete is opgelegd. Verdachte zal de financiële gevolgen daarvan uiteindelijk ook persoonlijk voelen.

Al het voorgaande in ogenschouw nemend acht de rechtbank een geldboete van € 10.000,00, geheel voorwaardelijk, passend en geboden.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 47, 51, 57, 307

Wet op de economische delicten art. 1, 2 en 6

Arbeidsomstandighedenwet art. 32.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:feitelijk leidinggeven aan overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 32 van deArbeidsomstandighedenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

T.a.v. feit 2:feitelijk leidinggeven aan medeplegen van aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn, begaan door een rechtspersoon.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

T.a.v. feit 1, feit 2:Geldboete van € 10.000,00 subsidiair 85 dagen hechtenis voorwaardelijk met eenproeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.M. Vermeulen, voorzitter,

mr. W.F. Koolen en mr. W. Heijninck, leden,

in tegenwoordigheid van mr. N.P.M. van de Wouw, griffier,

en is uitgesproken op 9 april 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het ‘proces-verbaal arbeidsomstandigheden’ van de inspectie SZW, van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zaaknummer 411601159, afgesloten op 26 juni 2017.

2 Bijlage 29, pag. 187

3 Het (relaas-)proces-verbaal van [inspecteur] , Arbeidsinspecteur van de Inspectie SZW, pag. 2, 5, 6 en 14.

4 Bijlage 1, d.d. 16 juni 2016, pag. 20 en 21.

5 Bijlage 24 en 25, pagina 167, 168 en 170.

6 Bijlagen 31 en 32 in het procesdossier, pag. 191 resp. 196.