Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:1605

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
09-02-2018
Datum publicatie
18-04-2018
Zaaknummer
C/01/329838 / FA RK 18-225
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rekestprocedure
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beschikking op klacht 41a lid 5 BOPZ voor wat betreft dwangmedicatie.

Klacht deels gegrond verklaard voor bepaalde periode. Klacht ongegrond verklaard voor bepaalde periode.

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0342
GZR-Updates.nl 2018-0228
RFR 2018/90
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer Uitspraak

: C/01/329838 / FA RK 18-225

: 9 februari 2018

Beschikking op een verzoekschrift (met bijlagen) als bedoeld in artikel 41a lid 5 van de Wet Bijzondere Opnemingen in Psychiatrische Ziekenhuizen (hierna: wet BOPZ) op 12 januari 2018 ingediend door mr. dr. L.H.M. Zonnen berg, namens:

[betrokkene] hierna mede te noemen: betrokkene, geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats] ,

thans verblijvende te [woonplaats] , binnen locatie [woonplaats] , onderdeel van het psychiatrisch ziekenhuis GGZ Oost Brabant

De procedure

Op 8 december 2017 heeft betrokkene - door middel van een brief van haar raadsman

- bij de Klachtencommissie van de GGZ Oost Brabant een klaagschrift ingediend tegen de beslissing van haar behandelaar van 30 november 2017 tot dwangbehandeling in de vorm van toediening onder dwang van het antipsychoticum Haloperidol voor een periode van drie maanden .

In haar uitspraak van 13 december 2017 heeft de Klachtencommissie de klacht ongegrond verklaard.

In haar verzoekschrift d.d. 12 januari 2018 - waarmee betrokkene de klacht ter beoordeling aan de rechtbank voorlegt - heeft betrokkene tevens verzocht om de uitvoering van de beslissing tot dwangbehandeling van de behandelaar te schorsen totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan in de onderhavige klachtprocedure.

Op 19 januari 2018 is door de heer [behandelaar] behandelaar, een verweerschrift op het schorsingsverzoek aan de rechtbank gezonden.

Bij beschikking d.d. 22 januari 2018 heeft deze rechtbank het schorsingsverzoek afgewezen.

Op 2 februari 2018 heeft de behandeling van het onderhavige verzoek plaatsgevonden waarbij betrokkene, bijgestaan door haar raadsman mr dr L.H.M. Zonnenberg voornoemd, diens medewerkster, [medewerkster] , alsmede drs [behandelaar] , psychiater zijn gehoord.

Op verzoek van de rechtbank heeft drs [behandelaar] op 2 februari 2018 nog een aantal stukken (waaronder de mededeling op grond van art. 40a wet BOPZ en het behandelingsplan) aan de rechtbank toezonden, welke voor een reactie zijn doorgezonden aan de advocaat van betrokkene.

Mr dr L.H.M. Zonnenberg heeft per fax.brief d.d. 7 februari 2018 namens betrokkene zijn reactie gegeven op deze aanvullende stukken.

De rechtbank heeft kennis genomen van de bij het verzoekschrift gevoegde stukken. Indien en voor zover noodzakelijk zullen deze hierna worden genoemd.

De belanghebbenden

Gelet op de aard en inhoud van het onderhavige verzoekschrift, zal de rechtbank, gelet op het bepaalde in art. 279 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in deze procedure als belanghebbenden aanmerken:

betrokkene als verzoekster;

drs [behandelaar] , psychiater, als behandelaar

GGZ Oost Brabant, als de rechtspersoon die de afdeling, waar betrokkene verblijft, exploiteert.

De ontvankelijkheid:

Het verzoek is binnen de termijn, genoemd in art. 41a lid 1 wet BOPZ, ingediend, zodat betrokkene ontvankelijk is in haar verzoek.

De beoordeling:

De feiten:

- Betrokkene verbleef op de datum van na te noemen beslissing tot dwangbehandeling en verblijft ook nu nog gedwongen binnen voornoemde locatie van het psychiatrisch ziekenhuis GGZ Oost Brabant;

- Op het moment van de hierna te melden beslissing van de behandelaar tot dwangmedicatie d.d. 30 november 2017 was dat gedwongen verblijf gebaseerd op een last tot inbewaringstelling, op 27 november 2017 afgegeven door de burgemeester van de gemeente [woonplaats] (waarna door deze rechtbank op 4 december 2017 een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling is verleend), terwijl betrokkene thans gedwongen is opgenomen op grond van een door deze rechtbank verleende voorlopige machtiging d.d. 4 januari 2018, welke expireert op 4 juli 2018;

- Op 27 november 2017 zijn aan betrokkene twee mededelingen, als bedoeld in art. 40a wet BOPZ, uitgereikt, waarin aan betrokkene enerzijds wordt kenbaar gemaakt dat aan haar beperkingen worden opgelegd in haar bewegingsvrijheid (als bedoeld in art. 40 wet BOPZ) en anderzijds dat aan haar noodmedicatie zal worden toegediend (als bedoeld in art. 38 wet BOPZ). Noch tegen de beperking van haar bewegingsvrijheid, noch tegen de noodmedicatie is door betrokkene een klacht ingediend, als bedoeld in art. 41 wet BOPZ;

- Op 30 november 2017 is aan betrokkene de mededeling, als bedoeld in art. 40a wet

BOPZ, overhandigd, waarin de beslissing van de behandelaar tot toediening onder dwang van het antipsychoticum Haloperidol, werd meegedeeld . Deze beslissing is

- blijkens voornoemde mededeling - gebaseerd op het zogenaamde 'externe gevaarscriterium', als bedoeld in art. 38c lid 1 sub a wet BOPZ;

- Betrokkene heeft in voornoemde brief van haar raadsman van 8 december 2017 bij

de klachtencommissie tevens gevraagd om schorsing van de beslissing tot dwangbehandeling. De behandelaar heeft daarop ingestemd met het opschorten van de dwangmedicatie totdat de klachtencommissie zal hebben beslist op de ingediende klacht;

- Nadat de klachtencommissie op 13 december 2017 de klacht van betrokkene

ongegrond heeft verklaard heeft de behandelaar op 20 december 2017, alsmede op

10 januari 2018 en 31 januari 2018 aan betrokkene onder dwang de genoemde medicatie toegediend.

De klacht

Betrokkene verzoekt de rechtbank te beslissen op de klacht, gericht tegen de beslissing van haar behandelaar d.d. 30 november 2017 tot het onder dwang toedienen van het antipsychoticum Haloperidol. Betrokkene vraagt in haar verzoek om gegrond verklaring van de klacht.

Betrokkenes standpunt - zo begrijpt de rechtbank uit de als in het verzoekschrift ingelast te beschouwen brief van de raadsman aan de klachtencommissie van 8 december 2017 - komt hierop neer dat er bij haar geen sprake is van een geestesstoornis, terwijl de betreffende medicatie niet volstrekt noodzakelijk is - als bedoeld in art. 38 lid 5 wet BOPZ - om enig gevaar te keren, omdat er geen gevaar is voor haarzelf en/of voor anderen. Betrokkene betwist dan ook het causale verband tussen stoornis en gevaar.

Betrokkene vraagt tevens om een second opinion met betrekking tot de gestelde stoornis en is ten slotte van mening dat het toepassen van dwangbehandeling in strijd is met haar zelfbeschikkingsrecht en haar lichamelijke integriteit.

De rechtbank zal allereerst beslissen op het verzoek om een second opinion.

De rechtbank wijst dit verzoek af en oordeelt tevens dat er bij betrokkene wel degelijk sprake is van een geestesstoomis.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Van dwangbehandeling - als hier aan de orde - kan alleen sprake zijn wanneer er bij betrokkene sprake is van "een" geestesstoornis (zie art. 38 lid 5 en art. 38c lid I wet BOPZ). De wet vereist niet dat er overeenstemming bestaat over de vraag aan wélke geestesstoornis betrokkene precies lijdt. Die overeenstemming is alleen van belang voor het antwoord op de vraag op welke wijze betrokkene moet worden behandeld, welke vraag door medische specialisten behoort te worden beantwoord en niet door de rechter. De rechtbank volgt met dit oordeel de mening van A-G Langemeijer voor HR 10-02-2017 (N ggz 2017, 15) en het oordeel van de rechtbank Midden Nederland in zijn beschikking van 09-09-2016 (Nggz 2017, 19).

Nog maar kort geleden (namelijk op 4 januari 2018 bij zijn beslissing op het verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging) heeft deze rechtbank vastgesteld dat er bij betrokkene sprake is van een geestesstoom is , zulks op basis van een geneeskundige verklaring, op 18 december 2017 opgesteld door de (onafhankelijke) psychiater [psychiater] (die spreekt over een paranoïd psychotisch toestandsbeeld), alsmede op basis van de ter zitting van 4 januari 2018 gedane mededelingen van de psychiater in opleiding [psychiater] Dat tegen deze beslissing van de rechtbank beroep in cassatie is ingesteld bij de Hoge Raad doet niet af aan het feit dat op dit moment het oordeel over het bestaan van een geestesstoornis in de beschikking van deze rechtbank, waarbij de voorlopige machtiging is verleend, van kracht is.

Ook uit de op 30 november 2017 door de waarnemend-geneesheer directeur drs M. Aarts opgestelde second opinion blijkt dat er naar diens oordeel bij betrokkene sprake is van een geestesstoornis, terwijI ter zitting van 2 februari 2018 dit oordeel nog eens is bevestigd door de behandelaar, de heer [behandelaar] .

Tenslotte staat vast dat betrokkene al jarenlang bekend is bij de GGZ Oost Brabant en eerder (in 2007, 2016 en 2017) bij eerdere opnames al gediagnosticeerd is met schizofrenie, een waanstoornis en overige psychiatrische stoornissen.

Naar het oordeel van de rechtbank staat hiermee voldoende vast dat betrokkene lijdt aan "een geestesstoornis", als bedoeld in de wet BOPZ: haar denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen worden zodanig beïnvloed door de stoornis, dat haar het door die stoornis veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend (zoals door de Hoge Raad omschreven in haar beschikking d.d. 23-09-2005, RvdW 2005, 102 en door A-G Langemeijer herhaald in zijn conclusie voor HR 18-12-2015, N ggz 2016, 4).

Dat betrokkene zelf ontkent dat er bij haar sprake is van een een geestesstoornis maakt dit oordeel niet anders. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat dit standpunt van betrokkene voortvloeit uit een gebrek aan ziektebesef en ziekte-inzicht, die op hun beurt weer voortvloeien uit de betreffende geestesstoornis.

Nu de geestesstoornis naar het oordeel van de rechtbank op grond van al het bovenstaande voldoende vast staat is er geen noodzaak tot, of behoefte aan, een second opinion van een andere onafhankelijke deskundige over de vraag of er bij betrokkene sprake is van een geestesstoornis. De rechtbank volgt daarmee de gedachtengang van de Hoge Raad, zoals neergelegd in de - ook door de raadsman van betrokkene genoemde - beschikking van 29-09-2017 (ECLI:NL:HR:2017:2528).

Uit de overgelegde "Staat van Uitvoering" over de maand december 2017, alsmede uit hetgeen betrokkene tijdens de mondelinge behandeling zelf naar voren heeft gebracht en met name ook uit de wijze waarop zij dat deed, heeft de rechtbank kunnen vaststellen dat betrokkene nog steeds achterdochtig is jegens iedereen, inclusief haar behandelaar en dat een redelijk gesprek met haar over enige vorm van behandeling niet mogelijk is. Verder is ook tijdens de mondelinge behandeling voldoende gebleken dat betrokkene, wanneer niet wordt meegegaan met haar gedachtengang, meer geladen wordt en dan moeilijk in staat is te luisteren.

Verder staat vast dat betrokkene op 23 oktober 2017 met ontslag is gegaan, nadat zij eerder opgenomen is geweest, aanvankelijk op grond van een machtiging tot voortzetting van een inbewaringstelling, en later op vrijwillige basis, waarbij betrokkene de voorgeschreven medicatie nam, zolang de opname duurde. Kort nadat betrokkene met ontslag is gegaan ging de geestelijke situatie van betrokkene echter snel achteruit: zij verscheen niet op afspraken van het ambulante team, veroorzaakte (weer) onrust in het appartementencomplex, waar ze woonde, en liep schaars gekleed op straat, ondanks de winterse weersomstandigheden.

Naar het oordeel van de rechtbank is er in het onderhavige geval dan ook sprake van voldoende zwaarwegend gevaar, veroorzaakt door de stoornis, om - mits aan de andere voorwaarden is voldaan - over te gaan tot dwangbehandeling.

Dit oordeel wordt niet anders door de stelling van betrokkene dat genoemde gevaarsuitingen - door betrokkene overigens anders geduid - niet permanent aanwezig zijn. Zoals A-G Langemeijer in zijn conclusie voor Hoge Raad 17-11-2017 (ECLI:NL:HR:23017:2895) terecht opmerkt stel noch art. 2 noch art. 15 wet BOPZ de eis dat de geestesstoornis álle gedragingen van betrokkene moet beheersen, noch de eis dat de symptomen van de stoornis (lees: het gevaar) permanent waarneembaar zijn. Langemeijer stelt in die conclusie verder dat voor de beoordeling van de geestesstoornis ook de beloopkenmerken relevant zijn, derhalve de ontwikkeling van de stoornis in tijd. Dat onderdeel heeft de rechtbank hiervoor reeds in zijn oordeel betrokken.

Ten aanzien van de stelling van betrokkene dat dwangmedicatie inbreuk maakt op haar lichamelijke integriteit en haar recht op zelfbeschikking , overweegt de rechtbank als volgt.

Toediening van dwangmedicatie vormt inderdaad een inbreuk op de lichamelijke integriteit van betrokkene, waartegen deze wordt beschermd door art. 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (zie EHRM

03-07-2012, Nggz 2013, 1) en art. 11 van de Grondwet.

Lid 2 van genoemd verdragsartikel, alsmede art. 11 van de Grondwet, laten echter een dergelijke inbreuk op de lichamelijke integriteit wél toe, mits die inbreuk is geregeld bij wet. In Nederland is dat gebeurd in de wet BOPZ, meer speciaal in de artikelen 38 en volgende van die wet.

De raadsman van betrokkene baseert - zo blijkt uit het inleidende verzoekschrift en de (impliciete) verwijzing naar het op 8 december 2017 bij de klachtencommissie ingediende klaagschrift- het bezwaar van betrokkene tegen de dwangmedicatie op art. 38 lid 5 wet BOPZ.

Art. 38 wet BOPZ bepaalt echter de interne rechtspositie (waaronder het antwoord op de vraag wanneer dwangbehandeling is toegestaan) van patiënten, die zijn opgenomen in een zwakzinnigeninrichting of in een verpleeginrichting voor psychogeriatrische patiënten.

[locatie] te Oss, waar betrokkene is opgenomen, heeft geen erkenning door de minister als verpleeginrichting voor psychogeriatrische patiënten, doch enkel een erkenning als psychiatrisch ziekenhuis. Bovendien, uit de verschillende

geneeskundige stukken blijkt dat er bij betrokkene sprake is van een psychiatrische, en niet van een psychogeriatrische stoornis, zodat betrokkene terecht is opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis.

Blijkens art. 37 b lid 2 wet BOPZ zijn om die reden de artikelen 38a, 38b en 38c op betrokkene van toepassing, en niet art. 38 wet BOPZ.

Art. 38a lid l wet BOPZ bepaalt dat er voor betrokkene een behandelingsplan moet worden opgesteld. Dat dient te geschieden door de behandelaar na overleg met betrokkene. Instemming met het behandelingsplan door betrokkene vereist de wet derhalve niet. Dat het voor betrokkene opgestelde behandelingsplan d.d. 18 december 2017 niet door de behandelaar is ondertekend - zoals de raadsman van betrokkene terecht opmerkt in zijn faxbrief van 7 februari 2018 - doet niet af aan de geldigheid van het opgestelde behandelingsplan, nu art. 38a lid l wet BOPZ enkel spreekt over een zorgplicht van de geneesheer-directeur voor het 'opstellen' van een behandelingsplan en niet over ondertekening ervan door behandelaar en/of patiënt.

Daar komt bij dat door of namens betrokkene niet is betwist dat het hier bedoelde behandelingsplan d.d. 18 december 2017 daadwerkelijk voor betrokkene is opgesteld.

Uitgangspunt van de wet BOPZ (art. 38b wet BOPZ) is dat behandeling (hier: met medicatie) van betrokkene in beginsel slechts kan plaatsvinden voor zover (cumulatief) die medicatie-toediening is voorzien - bedoeld is: op de datum waarop de beslissing tot dwangbehandeling wordt genomen - in het behandelingsplan, indien het overleg over dat behandelingsplan met betrokkene tot overeenstemming heeft geleid en indien betrokkene zich niet tegen die behandeling (hier: medicatie) verzet, kortom: mét toestemming van betrokkene.

In dit geval is er voor betrokkene een multidisciplinaire behandelingsovereenkomst opgesteld (die, zo staat in die overeenkomst, op 18 december 2017 met betrokkene is besproken), waarin is opgenomen dat medicatie zal worden aangeboden met de

toevoeging: 'anders onder dwang toedienen van medicatie bij medicatie dwangtraject'. Dwangmedicatie is hier dus voorzien in het behandelingsplan.

Bijzonderheid in deze zaak is wel dat het behandelplan pas bijna drie weken na de mededeling op grond van art. 40a wet BOPZ is opgesteld. Hierop wordt hierna nog terug gekomen.

Indien - zoals hier - overeenstemming over het behandelingsplan niet is bereikt en/of - zoals hier- betrokkene zich verzet tegen de behandeling (hier: medicatie), mag die medicatie-toediening desalniettemin (en dus tegen de wil van betrokkene= onder dwang) toch plaatsvinden, wanneer wordt voldaan aan de (strenge) eisen, opgenomen in art. 38 c wet BOPZ.

Gelet op de beschikkingen van de Hoge Raad van 16 maart 2007 (Bj 2007, 14) en 10 juli 2009 (Bj 2009, 35) dient de rechtbank in deze procedure in volle omvang te beslissen of, beoordeeld naar de op 30 november 2017 (datum beslissing tot dwangmedicatie), naar de op 20 december 2017 (de datum waarop de facto de dwangmedicatie voor het eerst is toegediend), alsmede naar de thans geldende omstandigheden (omdat de inmiddels toegediende dwangmedicatie volgens de behandelaar moet worden gecontinueerd), voldaan werd, en thans wordt, aan het bepaalde in art. 38c lid 1 sub a wet BOPZ, terwijl eveneens beoordeeld moet worden of op die data werd c.q. wordt voldaan aan de beginselen van zorgvuldigheid, proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid.

De rechtbank moet de betreffende beslissing van de behandelaar derhalve zowel 'ex tune' (op twee tijdstippen) als 'ex nunc' beoordelen.

Ten aanzien van de beslissing tot toedienen van medicatie onder dwang op basis van het hier aan de beslissing tot dwangbehandeling ten grondslag gelegde 'externe gevaarscriterium' overweegt de rechtbank het volgende.

Vertaald naar de kamerstukken (Tweede Kamer 2006/2007, nr 30 492, stuk nummer 7, pagina 26), die ten grondslag hebben gelegen aan art. 38c lid 1 sub a wet BOPZ, betekent het 'externe gevaarscriterium' dat aannemelijk moet zijn - en derhalve niet onomstotelijk behoeft vast te staan - dat zonder de (in het behandelingsplan opgenomen dwang)medicatie betrokkene niet binnen een redelijke tennijn buiten het psychiatrisch ziekenhuis kan verblijven zonder gevaar te veroorzaken als gevolg van haar geestesstoornis. Deze formulering impliceert tevens dat niet noodzakelijkerwijs aannemelijk hoeft te zijn dat mét de dwangbehandeling dat gevaar wél binnen een redelijke termijn kan worden weggenomen. Het gaat hier uiteindelijk om een zodanige verbetering van de geestesstoornis van betrokkene, dat deze sneller dan zónder die dwangmedicatie het geval zou zijn, geen gevaar meer veroorzaakt, en dat alles binnen redelijke tijd, uiteindelijk (mogelijk) leidend tot verblijf buiten het ziekenhuis.

De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval - zowel 'ex tune' (zowel op 30 november 2017 als op 20 december 2017) als 'ex nunc' - is voldaan aan het 'externe gevaarscriterium' omdat op grond van de hiervoor genoemde vaststaande feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk is dat betrokkene, wanneer zij geen antipsychoticum krijgt toegediend, zal blijven verkeren in dezelfde geestestoestand als op 30 november 2017, zonder kans op verbetering, waardoor het door haar veroorzaakte gevaar - met name bestaande uit gevaar voor zichzelf - in zodanige omvang zal blijven bestaan dat zij niet binnen redelijke tennijn weer zelfstandig buiten het psychiatrisch ziekenhuis zal kunnen verblijven.

De rechtbank baseert dit oordeel zowel op hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van het onderhavige verzoek naar voren is gebracht als op de inhoud van de 'Staat van

uitvoering', zoals die is overgelegd. Tevens betrekt de rechtbank bij dit oordeel de opnamegeschiedenis van betrokkene en met name de feiten en omstandigheden die zich vanaf eind oktober 2017 hebben voorgedaan, toen betrokkene na een eerdere opname het ziekenhuis heeft verlaten. Uit al deze feiten en omstandigheden blijkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende dat betrokkene - zeker zonder antipsychotica - erg achterdochtig is, dat zij dan psychotische uitspraken doet, dat zij dan lijdt aan wanen, dat zij dan medicatie weigert en dat gesprekken met haar (al dan niet over medicatie) dan enkel leiden tot agitatie, verbale agressie en soms zelfs tot fysieke agressie.

Naar het oordeel van de rechtbank is daarnaast - zowel op 30 november 2017, 20 december 2017 als ook thans - ook voldaan aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit, doelmatigheid en zorgvuldigheid. Daarbij gaat de rechtbank uit van de navolgende omschrijving van deze drie beginselen:

1. Proportionaliteit:

Er moet een zorgvuldige afweging worden gemaakt tussen enerzijds de ernst en aard van de risico's, die voortvloeien uit de psychische stoornis, en anderzijds de ernst en aard van de inbreuken op de lichamelijke integriteit, die dwangmedicatie met zich brengt. Toetsing aan dit beginsel houdt ook in dat niet alleen de positieve effecten van de dwangmedicatie, maar ook de nadelige effecten ervan tegen elkaar afgewogen moeten worden. Er moet een individuele afweging op maat plaatsvinden en niet kan worden volstaan met een afweging in algemene termen. Bovendien moet de maatregel niet langer worden toegepast dan nodig is.

2. Subsidiariteit:

Die maatregel moet worden genomen, die het minst bezwarend is voor betrokkene. Er moet rekening worden gehouden met de voorkeuren en beleving van betrokkene. De maatregel moet op maat worden verleend.

3. Doelmatigheid:

De te treffen maatregel moet naar verwachting effectief en geschikt zijn om het beoogde doel te bereiken.

4. Zorgvuldigheid:

de beslissing tot dwangmedicatie moet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen.

Zoals hiervoor reeds is overwogen is de rechtbank van oordeel dat het door betrokkene veroorzaakte gevaar (voor zichzelf) zodanig ernstig is dat dit op zich dwangbehandeling rechtvaardigt.

De bij toepassing van het proportionaliteitsbeginsel noodzakelijke belangenafweging leidt er toe dat aan de verwachte positieve effecten (waarover hierna meer bij het onderdeel 'doelmatigheid') van de toe te dienen medicatie meer gewicht moet worden toegekend dan aan de door betrokkene bezwaren tegen die medicatie.

Betrokkene stelt weliswaar dat zij negatieve bijwerkingen ondervindt van het toe te dienen antipsychoticum (zij klaagt over dikke benen), maar onvoldoende is gebleken dat betrokkene dit tijdig met de behandelaar bespreekbaar heeft gemaakt, zodat deze kan kijken of andere medicatie misschien beter bij betrokkene past, dan wel of er aanvullende medicatie mogelijk is om de negatieve effecten te verhelpen. Vast staat immers dat betrokkene met haar behandelaar in het geheel niet wil spreken over medicatie, omdat zij meent deze niet nodig te hebben.

Ook de termijn, waarvoor de dwangmedicatie is voorgeschreven (3 maanden) kan de toets der kritiek doorstaan. Gekozen is - zo staat onbetwist vast - voor de maximale termijn van drie maanden, omdat pas een aantal weken tot maanden na feitelijke toediening van het voorgeschreven antipsychoticum enig waarneembaar effect is te verwachten.

Daarmee is voldaan aan het proportionaliteitsbeginsel.

Betrokkene - zo staat vast - weigert iedere medicatie.

In dat geval resteert voor de behandelaar geen andere mogelijkheid dan het onder dwang toedienen van medicatie, mits dit doelmatig is (waarover hierna meer).

Immers, het laten voortbestaan van de op 30 november 2017 en 20 december 2017 aanwezige situatie (zonder enige behandeling) zou ertoe leiden dat er in het geheel geen verbetering zou plaatsvinden van betrokkenes situatie, waarmee de grondslag voor het externe gevaarscriterium is gegeven.

Aldus is voldaan aan het subsidiariteitsbeginsel.

Naar het oordeel van de rechtbank is de toediening van het antipsychoticum Haloperidol aan betrokkene in dit geval ook doelmatig.

De rechtbank baseert dit oordeel allereerst op de binnen de beroepsgroep van psychiaters bestaande 'common sense' dat - in het algemeen gesproken - antipsychotische medicatie als een effectieve werkzame behandeling van psychoses aangewend dient te worden. Dat blijkt onder meer uit de "Multidisciplinaire Richtlijn Schizofrenie" uit 2012 van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie, die de rechtbank beschouwt als 'best practices' binnen de psychiatrie. Verwezen wordt naar de aanbeveling terzake op pagina 57 van deze richtlijn.

Daarnaast is tijdens de mondelinge behandeling voldoende vast komen staan dat betrokkene als gevolg van de sinds 20 december 2017 toegediende medicatie redelijk stabiel is geworden en milder/socialer op de afdeling aanwezig is, ook al blijft er sprake van psychotische kwetsbaarheid. Naar de behandelaar ter zitting meedeelde is de situatie van betrokkene zozeer verbeterd dat langzaam zal worden toegewerkt naar verlof c.q. (voorwaardelijk) ontslag van betrokkene. Daarmee staat voldoende vast dat de toegediende medicatie effectief is en geschikt om het beoogde doel (afwenden van extern gevaar) te bereiken.

Tevens is de rechtbank van oordeel dat de beslissing tot het aan betrokkene toedienen van medicatie onder dwang op zorgvuldige wijze tot is stand gekomen.

Allereerst heeft de behandelaar, alvorens zijn beslissing te nemen, bij een onafhankelijke psychiater een second opinion gevraagd. Daarnaast blijkt, zowel uit de motivering, opgenomen in de mededeling aan betrokkene op grond van art. 40a wet BOPZ, als uit de verweerschriften, zoals hij die heeft ingediend bij de klachtencommissie en in deze procedure, date behandelaar zorgvuldig alle wettelijke en buitenwettelijke criteria heeft nagelopen en er zich van heeft vergewist dat daaraan werd voldaan.

Tenslotte heeft de raadsman van betrokkene in zijn faxbrief d.d. 7 februari 2018 nog opgemerkt dat hij heeft moeten vaststellen dat de mededeling op grond van art. 40a wet BOPZ niet is ondertekend door de behandelaar en dat hierdoor de beslissing tot toediening van dwangmedicatie is genomen in strijd met het hier aan de orde zijnde zorgvuldigheidsbeginsel.

De rechtbank is van oordeel dat het niet plaatsen van een handtekening onder de mededeling op grond van art. 40a wet BOPZ bepaald niet de schoonheidsprijs verdient, maar dat dit enkele feit - mede gezien tegen de achtergrond van het oordeel van de rechtbank dat voor het overige de aangevallen beslissing tot dwangmedicatie voor het grootste deel (in tijd gemeten) de wettelijke toets kan doorstaan - onvoldoende gewicht in de schaal legt om te oordelen dat de gehele beslissing zodanig onzorgvuldig is totstandgekomen dat enkel om die reden de klacht gegrond verklaard zou moeten worden.

Daarbij overweegt de rechtbank nog het navolgende.

Ook in art. 40a wet BOPZ is geen verplichting te lezen van de behandelaar om de betreffende mededeling zelf te ondertekenen. Sterker nog: ook hier is de verplichting om ervoor te zorgen dat de betrokken patiënt schriftelijk wordt geïnformeerd over de

onderwerpen, die staan genoemd in art. 40a wet BOPZ, niet gelegd bij de behandelaar maar bij de geneesheer-directeur. Bovendien blijkt uit de over art. 40a wet BOPZ verschenen jurisprudentie dat de wezenlijke strekking van dit artikel is om de betrokken patiënt schriftelijk te informeren, zodat de doelstelling van dit artikel (er voor zorgen dat de beslissing tot dwangbehandeling zorgvuldig wordt genomen) ook daadwerkelijk wordt bereikt. De rechtbank verwijst naar de uitspraken van de Hoge Raad van 14-10-2016 (Nggz 2017, 1) en 02-11-2012 (Nggz 2013, 2). Hiervoor heeft de rechtbank al geoordeeld dat de wijze van totstandkoming van de beslissing tot dwangmedicatie, waarover deze procedure gaat, op het gebied van zorgvuldigheid de toets der kritiek kan doorstaan.

Hiervoor is al vastgesteld dat er op 30 november 2017 (de datum waarop de beslissing tot dwangmedicatie werd genomen) nog geen behandelingsplan voor betrokkene was opgesteld. Dat gebeurde pas op 18 december 2017.

Gelet op het bepaalde in art. 38b wet BOPZ is aldus de beslissing tot dwangmedicatie

d.d. 30 november 2017 in strijd met de wet genomen, om welke reden de klacht van betrokkene tegen de beslissing d.d. 30 november 2017 gegrond moet worden verklaard. De rechtbank zal - met toepassing van art. 41a lid 11 wet BOPZ - de betreffende beslissing tevens vernietigen, zij het gedeeltelijk, gelet op hetgeen hierna wordt overwogen.

Omdat de behandelaar op 18 december 2017 wel een behandelingsplan voor betrokkene heeft opgesteld en daarna pas op 20 december 2017 daadwerkelijk uitvoering heeft gegeven aan zijn beslissing tot dwangmedicatie, zal de rechtbank geen gebruik maken van de aan hem in lid 12 van art. 41a wet BOPZ gegeven bevoegdheid om de behandelaar op te dragen een nieuwe beslissing te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft betrokkene daarbij ook geen belang omdat feitelijk geen uitvoering is gegeven aan die beslissing.

Nu vanaf 20 december 2017 - de datum waarop voor het eerst daadwerkelijk dwangmedicatie op grond van art. 38c wet BOPZ aan betrokkene is toegediend - wel werd voldaan aan alle wettelijke en buitenwettelijke vereisten voor dwangbehandeling, zal de rechtbank de klacht, voor zover betrekking hebbend op de periode vanaf 20 december 2017, ongegrond verklaren.

Op grond van al het bovenstaande dient thans als volgt te worden beslist.

De beslissing

De rechtbank:

- verklaart de klacht van betrokkene tegen de beslissing van de behandelaar d.d. 30 november 2017 tot toediening onder dwang van het antipsychoticum Haloperidol, voor zover het betreft de periode van 30 november 2017 tot en met 19 december 2017, gegrond en vernietigt om die reden de betreffende beslissing van de behandelaar d.d. 30 november 2017 voor de periode van 30 november 2017 tot en met 19 december 2017;

- verklaart de klacht van betrokkene tegen de beslissing van de behandelaar d.d. 30 november 2017 tot toediening onder dwang van het antipsychoticum Haloperidol, voor zover het betreft de periode vanaf 20 december 2017,

ongegrond;

- wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. van Luyck, rechter, in tegenwoordigheid van de griffier op 9 februari 2018.

Voor afschrift afgegeven aan:

- Instelling: GGZ Oost Brabant

- de Inspectie gezondheidszorg

- officier van justitie betrokkene

- raadsman behandelaar

d.d.