Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:1528

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
06-04-2018
Datum publicatie
06-04-2018
Zaaknummer
17_1825
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Handhaving en watervergunning mestverwerkingsinstallatie. Wel of geen IPPC. Is mest een afvalstof.

GS hebben drie lasten onder dwangsom opgelegd wegens het overtreden van de milieuvergunning voor een mestverwerkingsinstallatie. Het waterschap heeft een watervergunning verleend ten behoeve van de uitbreiding van de capaciteit van de installatie. In beide zaken speelt dezelfde vraag: Is de mestverwerkingsinstallatie een IPPC installatie. Het waterschap denkt van niet, GS denkt van wel. Als dat niet het geval is, zijn GS niet bevoegd en hoefde het waterschap de watervergunning niet te coördineren. De rechtbank heeft de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak gevraagd de installatie te beschrijven. De rechtbank is van oordeel dat mest van andere bedrijven wel degelijk een afvalstof is. Op basis van het advies oordeelt de rechtbank dat het mestverwerkingsproces een fysisch chemische behandeling bevat, namelijk het toevoegen van vlokmiddel aan de drijfmest. Daarom is sprake van een IPPC installatie en had het waterschap moeten coördineren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWA 2018/16
JAF 2018/799
JBO 2018/129 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 17/1825

uitspraak van de meervoudige kamer van 6 april 2018 in de zaak tussen

de Brabantse Milieufederatie, te Tilburg, eiseres,

(gemachtigde: ir. A.K.M. van Hoof),

en

het Dagelijks Bestuur van het Waterschap De Dommel, verweerder,

(gemachtigden: mr. drs. H. Nijman en M.E.W. Ingeveld).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [bedrijf], te [vestigingsplaats] , vergunninghoudster,

(gemachtigde: mr. J. van Groningen).

Procesverloop

Bij besluit van 10 mei 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan vergunning-houdster een vergunning op grond van de Waterwet verleend voor het op directe wijze brengen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam op de locatie [adres] te [vestigingsplaats] .

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 13 december 2016. Eiseres is verschenen bij gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. de Haan,
M. Ingeveld en P. van Otterdijk. Namens vergunninghoudster is verschenen
[naam] en [naam] , bijgestaan door haar gemachtigde en
ing. R.J.M.B. Derks.

Bij brief van 14 juli 2017 heeft de rechtbank aan partijen medegedeeld dat, naar aanleiding van het feit dat door vergunninghoudster beroep is ingesteld tegen de beslissing op bezwaar met betrekking tot het handhavingsbesluit over de mestverwerkingsinstallatie (zaaknummer SHE 17/914), is besloten om de zaak van eiseres te heropenen. Daarbij is een nieuw nummer aan de zaak toegekend, te weten SHE 17/1825. De stukken die deel uitmaken van het dossier SHE 16/1925 maken ook onderdeel uit van het dossier SHE 17/1825.

De rechtbank heeft de Stichting advisering bestuursrechtspraak (StAB) ingeschakeld.

Op 7 november 2017 heeft de Stab advies aan de rechtbank uitgebracht in de zaken SHE 17/1825 en SHE 17/914. Partijen hebben gereageerd op het advies van de StAB.


Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 16 januari 2018. Eiseres is vertegenwoordigd door [naam] en [naam] en bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Derde-partij is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft ing. C.P.J. Weemaes en ir. J.N. Schinkel van de StAB als deskundigen gehoord.

Overwegingen

Feiten

  1. Vergunninghoudster exploiteert een loonwerkers- en transportbedrijf aan de [adres] te [vestigingsplaats] . Op 1 maart 2010 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergeijk aan vergunninghoudster een vergunning op grond van de Wet milieubeheer verleend, waarbij onder meer een mestverwerkingsinstallatie is vergund met een capaciteit van 25.000 drijfmest per jaar. Op 3 november 2015 heeft vergunninghoudster bij verweerder een aanvraag ingediend voor het verlenen van een vergunning als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Waterwet voor het verrichten van handelingen in een watersysteem. Deze aanvraag houdt verband met een uitbreiding van de mestverwerkingscapaciteit naar 200.000 m³ drijfmest per jaar. De aanvraag ziet op het lozen van circa 180.000 m³ (rest)water per jaar afkomstig van de mestbewerkingsinstallatie op het oppervlaktewater. De lozing vindt plaats op een natuurvijver en van daaruit met een ondergrondse leiding op de Keunensloop, een oppervlaktewater dat in waterkwaliteitsbeheer is bij verweerder.
    Ontvankelijkheid beroep eiseres

  2. Verweerder stelt dat niet is gebleken dat eiseres ir. Van Hoof heeft gemachtigd om namens haar beroep in te stellen, zodat moet worden aangenomen dat het beroep van Van Hoof niet-ontvankelijk is.

  3. Blijkens een brief van 21 juni 2016 heeft eiseres ir. Van Hoof gemachtigd om namens haar beroep aan te tekenen tegen het hier aan de orde zijnde besluit. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat niet is gebleken van overige beletselen om het beroep ontvankelijk te achten, is het beroep van eiseres ontvankelijk.
    Regelgeving

  4. De voor deze zaak relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt onderdeel uit van de uitspraak.
    Coördinatieverplichting

  5. Eiseres betoogt dat sprake is van een IPPC-installatie op grond van categorie 4.3 en 5.3 van bijlage I bij Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (PB 2010 L 334; hierna: de RIE). De beslissing op de hier aan de orde zijnde aanvraag had volgens eiseres daarom moeten worden gecoördineerd met de aanvraag op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Nu er geen aanvraag op grond van de Wabo is ingediend, had verweerder geen vergunning mogen verlenen, maar de aanvraag voor een watervergunning buiten behandeling moeten laten.

6. Verweerder stelt dat de vergunning weliswaar alleen betrekking heeft op de lozing van afvalwater, maar dat de lozing wel in direct verband staat met de mestverwerkings-activiteiten. Daarmee zou het standpunt kunnen worden ingenomen, aldus verweerder, dat de lozing en de mestverwerking moeten worden aangemerkt als een vaste technische eenheid waarin een of meer van de in bijlage I bij de Rie genoemde activiteiten en processen plaatsvinden en die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging. Verweerder heeft daarom voor de vraag of al dan niet sprake is van een IPPC-installatie niet alleen de lozing, maar de gehele inrichting als uitgangspunt genomen.
Verweerder betwist dat het hier gaat om een IPPC-inrichting. Van een categorie 4.3 inrichting is geen sprake, omdat er geen fabricage plaatsvindt van fosfaat-, stikstof- of kaliumhoudende meststoffen. Ten aanzien van de vraag of de inrichting een categorie 5.3 inrichting betreft stelt verweerder dat hier nuttige toepassing van ongevaarlijke afvalstoffen aan de orde is, omdat het afvalwater dat wordt geloosd als nuttige toepassing heeft dat het van een hogere kwaliteit is dan het ontvangende oppervlaktewater en de lozing leidt tot een vernatting van het gebied rondom de Keunensloop. Het te lozen water vervangt de (onzekere) wateraanvoer vanuit België en biedt tevens een alternatief voor het oppompen van grondwater bij een onttrekkingsverbod door agrariërs die afhankelijk zijn van het water in de Keunensloop voor de bewatering van hun percelen. Omdat deze nuttige toepassing niet gepaard gaat met een biologische behandeling van de mest, is hier geen IPPC-installatie aan de orde volgens verweerder. Verweerder stelt dat er daarom geen coördinatieverplichting bestond.

7. In reactie op wat door verweerder is gesteld heeft eiseres naar voren gebracht dat er geen sprake is van een nuttige toepassing als gedefinieerd in de Richtlijn 2008/98/EG (Pb 2008 L 312; hierna: de Kaderrichtlijn), omdat vervanging door ander materiaal niet aan de orde is. Daarbij wijst eiseres erop dat vervanging van wateraanvoer uit België zou neerkomen op vervanging van water door water, wat geen ander materiaal is. Bovendien gaat het niet om vervanging van het Belgische water, maar om een extra hoeveelheid. Het is immers niet de bedoeling dat na de lozing door de ‘waterfabriek’ de Belgische stuw verder wordt dichtgezet. Eiseres betwist verder dat het effluent schoner is dan het ontvangende water, omdat er feitelijk weinig praktijkgegevens zijn die deze veronderstelling daadwerkelijk bewijzen. Bovendien is de extra hoeveelheid water tegen de achtergrond van de droogteproblematiek van een verwaarloosbare omvang. Categorie R10 van bijlage II bij de Kaderrichtlijn is volgens eiseres niet van toepassing, omdat het bij deze categorie gaat om het uitrijden voor landbouwkundige of ecologische verbetering. Eiseres betoogt dat hier sprake is van een verwijderingshandeling als bedoeld in categorie D6, te weten het lozen in wateren.

8. In het StAB-advies is beschreven wat de werkwijze is bij de mestbewerking zoals aangevraagd in de aanvraag die heeft geleid tot het bestreden besluit. De mest gaat vanuit de mestopslag naar de flotatie unit. Voor de flotatie unit wordt flocculant (polymeer) gedoseerd aan de mest. In de flotatie unit wordt onder druk lucht ingebracht. De lucht vormt kleine belletjes die zich aan de zwevende bestanddelen hechten en op deze manier worden meegevoerd naar het vloeistofoppervlak. Daar vormen zij een sliblaag. Deze sliblaag wordt vervolgens afgeschraapt en naar de zeefbandpers gevoerd waar de mest wordt ontwaterd en gescheiden in een dunne en dikke fractie. De dunne fractie uit de zeefbandpers wordt tijdelijk opgeslagen in één van de rustbuffers, waarna het verder wordt verwerkt in de omgekeerde osmose, waarbij water en concentraat ontstaan. Het concentraat wordt ingedampt. Het schone water wordt opgeslagen in een watersilo en deels binnen de inrichting hergebruikt. Het overige deel van het water wordt na de omgekeerde osmose door een ionenwisselaar geleid. Het restwater wordt vanuit de mestbewerkingsinstallatie geloosd op een natuurvijver en van daaruit op de Keunensloop.
De dikke fractie wordt gedroogd in de PAD-droger, waarbij een deel verdampt. Het restant van de dikke fractie wordt via pyrolyse omgezet in groen gas en biochar.

Deze beschrijving is door partijen niet betwist.

9. De rechtbank stelt vast dat voor de uitbreiding van de mestverwerkingscapaciteit van 25.000 m³ naar 200.000 m³ per jaar een vergunning nodig is op grond van artikel 2.1, onder e, van de Wabo. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was hiervoor nog geen aanvraag ingediend. Bezien dient te worden of verweerder het bestreden besluit heeft kunnen verlenen zonder coördinatie met de vereiste omgevingsvergunning voor de activiteit ‘milieu’.

10. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hier geen sprake is van een categorie 4.3 installatie, nu in de mestverwerker geen fabricage van meststoffen plaatsvindt, maar drijfmest van derden wordt bewerkt.

10. Ten aanzien van de vraag of hier een categorie 5.3 installatie als bedoeld in bijlage I van de Rie aan de orde is, overweegt de rechtbank, onder verwijzing naar haar uitspraak in de zaak SHE 17/914, dat zij van oordeel is dat de aanvraag ziet op (ongevaarlijke) afvalstoffen, omdat mest afkomstig van veehouderijen van derden een afvalstof in de zin van de Rie is. Niet in geschil is tussen partijen dat voldaan wordt aan de in deze categorie onder a en b vermelde drempelwaarden en dat er geen biologische behandeling plaatsvindt.
Onder verwijzing naar de uitspraak in de zaak SHE 17/914 overweegt de rechtbank verder dat het toevoegen van een flocculant als een fysisch-chemische behandeling moet worden gekwalificeerd..
Voor zover verweerder stelt dat er geen sprake kan zijn van een IPPC-installatie als bedoeld in categorie 5.3 onder b omdat er geen biologische behandeling plaatsvindt, overweegt de rechtbank dat deze bepaling aldus moet worden gelezen dat juist alleen bij een biologische behandeling sprake kan zijn van een IPPC-installatie als bedoeld in deze categorie. De activiteiten die onder i tot en met iv worden vermeld zijn een uitwerking van de zinsnede “door middel van een of meer van de volgende activiteiten” en vallen niet onder de in deze categorie vermelde uitzondering. Bij de door verweerder voorgestane lezing van categorie 5.3 onder b zou er geen enkele activiteit onder deze categorie vallen, waardoor deze bepaling zinledig zou zijn. De rechtbank komt daarom niet meer toe aan de beantwoording van de vraag of het lozen van het water dat vrijkomt bij de mestbewerking op de Keunensloop als nuttige toepassing kan worden gezien. Evenmin behoeft de stelling van eiseres bespreking dat hier sprake is van een verwijderingshandeling als bedoeld in categorie D6 .

10. Uit het voorgaande volgt dat de installatie waarop de aanvraag betrekking heeft dient te worden gekwalificeerd als een IPPC-installatie. Deze conclusie leidt ertoe dat verweerder de aanvraag om een watervergunning buiten behandeling had moeten laten wegens het ontbreken van een aanvraag voor een vergunning op grond van de Wabo. Gelet hierop heeft verweerder de watervergunning ten onrechte verleend.
Conclusie

10. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Griffierecht en proceskosten

10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.503,00,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1,5 punt voor het verschijnen ter zitting en ter nadere zitting, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na advies deskundige met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1). Voorts komt een bedrag van € 9,40 voor reiskosten voor vergoeding in aanmerking

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,00 aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van
    € 1.512,40.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. J. Heijerman en mr. C.N. van der Sluis, leden, in aanwezigheid van mr. J.F.M. Emons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 april 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

BIJLAGE

Ingevolge artikel 6.27, eerste lid, onder a, van de Waterwet, voor zover hier van belang, wordt een aanvraag tot verlening of wijziging van een watervergunning die betrekking heeft op een inrichting waartoe een IPPC-installatie als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wabo behoort gelijktijdig ingediend met een aanvraag tot verlening of wijziging van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo.

Ingevolge het derde lid van dit artikel, voor zover hier van belang, wordt de in het eerste lid bedoelde aanvraag om een watervergunning in ieder geval buiten behandeling gelaten, indien niet binnen zes weken na het tijdstip van indiening ervan tevens een aanvraag krachtens de Wabo is ingediend, dan wel de aanvraag krachtens die wet buiten behandeling is gelaten.

Ingevolge artikel 1.1 lid 1 van de Wabo wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder IPPC-installatie: installatie voor industriële activiteiten als bedoeld in bijlage I van richtlijn nr. 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (PbEU L 334).


Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Rie wordt onder “installatie” verstaan: een vaste technische eenheid waarin een of meer van de in bijlage I of in deel 1 van bijlage VII vermelde activiteiten en processen alsmede andere op dezelfde locatie ten uitvoer gebrachte en daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten plaatsvinden die technisch in verband staan met de in die bijlagen vermelde activiteiten en die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging.

In bijlage I van de Rie, voor zover hier van belang, worden als installaties onder meer genoemd:

4.3.

De fabricage van fosfaat-, stikstof- of kaliumhoudende meststoffen (enkelvoudige of samengestelde meststoffen).

5.3.

a) De verwijdering van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 50 ton per dag door middel van een of meer van de volgende activiteiten, met uitzondering van de activiteiten bedoeld in Richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater:

i. i) biologische behandeling;

ii) fysisch-chemische behandeling;

iii) voorbehandeling van afval voor verbranding of meeverbranding;

iv) behandeling van slakken en as;

v) behandeling in shredders van metaalafval, met inbegrip van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur en autowrakken en de onderdelen daarvan.

b) Nuttige toepassing, of een combinatie van nuttige toepassing en verwijdering, van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 75 ton per dag, door middel van een of meer van de volgende activiteiten, met uitzondering van activiteiten die onder Richtlijn 91/271/EEG inzake de behandeling van stedelijk afvalwater vallen:

i. i) biologische behandeling;

ii) voorbehandeling van afval voor verbranding of meeverbranding;

iii) behandeling van slakken en as;

iv) behandeling in shredders van metaalafval, met inbegrip van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur en autowrakken en de onderdelen daarvan.


Indien de behandeling van het afval beperkt blijft tot anaërobe vergisting bedraagt de maximale capaciteit voor de activiteit 100 ton per dag.

Op grond van artikel 3.37 van de Rie wordt onder afval verstaan: afvalstof als omschreven in punt 1 van artikel 3 van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen.

In punt 1 van artikel 3 van de Kaderrichtlijn Afvalstoffen wordt onder afvalstof verstaan: elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.