Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:1512

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
04-04-2018
Datum publicatie
04-04-2018
Zaaknummer
01/879559-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bewezen dat verdachte met voorbedachte rade heeft getracht een medegedetineerde met messteken in de hals te doden en dat verdachte een toegesnelde medewerker van de penitentiaire inrichting met een mes heeft bedreigd. De rechtbank veroordeelt verdachte hiervoor tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren.

De rechtbank ziet geen meerwaarde in het wederom opleggen van terbeschikkingstelling met dwangverpleging. Dit omdat een eerder in 2013 opgelegde tbs met dwangverpleging nog moet aanvangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/879559-17

Datum uitspraak: 04 april 2018

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboorteplaats] ,

wonende te [postcode] , [adres] ,

thans gedetineerd te: PI Vught - Nieuw Vosseveld 2 LAA te Vught.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 26 juli 2017, 14 september 2017, 24 oktober 2017, 11 december 2017, 8 februari 2018 en 21 maart 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 28 juni 2017.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 24 oktober 2017 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 22 maart 2017 te Vught ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om (medegedetineerde) [medegedetineerde] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven, als gedetineerde in de Penitentiaire Inrichting aldaar,

-een mes heeft bemachtigd en/of dat mes bij zich heeft gedragen en/of

-die [medegedetineerde] in een onderwijsruimte (bibliotheek) van de Penitentiaire Inrichting aldaar heeft

opgewacht en/of in de buurt van die [medegedetineerde] in die onderwijsruimte is gaan zitten en/of

-(meermalen) met dat mes die [medegedetineerde] in de hals en/of nek heeft gestoken en/of gesneden

en/of

-(meermalen) snijdende en/of stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van de hals

en/of nek van die [medegedetineerde] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. hij op of omstreeks 22 maart 2017 te Vught een medewerker van de PI Vught, [medegedetineerde] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte toen daar opzettelijk dreigend met een mes snijdende en/of stekende bewegingen gemaakt in de richting van die [medegedetineerde] en/of in de onmiddellijke nabijheid van die [medegedetineerde] een mes in zijn hand gehad en/of (daarbij) dreigend geroepen "Ga weg. Jullie moeten hier allemaal weg!" en/of "Ga weg, je moet weg. Uit mijn buurt", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Bewijsbijlage.

De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Inleiding.

Verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij in de P.I. te Vught medegedetineerde [medegedetineerde]

heeft getracht te doden door hem met een aardappelschilmesje in de hals te steken dan wel te snijden. Deze beschuldiging is juridisch vertaald in een poging tot moord dan wel doodslag (feit 1). Daarnaast wordt verdachte het verwijt gemaakt dat hij ten tijde van

dit steekincident een toegesnelde penitentiair medewerker met het mesje heeft bedreigd

(feit 2).

Het standpunt van de officier van justitie.

Op de in het schriftelijk requisitoir uitgewerkte gronden heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank tot een bewezen verklaring komt van een poging tot moord

(feit 1) en een bedreiging (feit 2).

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft op gronden als vermeld in zijn schriftelijke pleitaantekeningen betoogd dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van feit 1, dan wel in elk geval van een poging tot moord. Voor wat betreft een bewezenverklaring van feit 2 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank verwijst voor wat betreft de inhoud van de relevante bewijsmiddelen naar de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage en overweegt voorts het volgende.

feit 1

De rechtbank stelt vast dat verdachte op 22 maart 2017 in het onderwijslokaal van de penitentiaire inrichting te Vught medegedetineerde [medegedetineerde] van achteren heeft belaagd met een aardappelschilmesje met een lemmet van ongeveer 6 centimeter, waardoor [medegedetineerde] steekwondjes (prikjes) in het gezicht en hals alsmede een oppervlakkige snijwond op het strottenhoofd heeft opgelopen.

De eerste vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte opzet heeft gehad op het doden van het slachtoffer.

Verdachte heeft geen verklaring willen afleggen en heeft geen inzicht gegeven in de beweegredenen van zijn handelen. Uit de getuigenverklaringen blijkt dat verdachte het slachtoffer van achteren heeft aangevallen en van dichtbij stekende en snijdende bewegingen heeft gemaakt in de hals van het slachtoffer. [medegedetineerde] geeft dit ook aan in zijn aangifte, waarin is opgenomen dat hij ‘twee steekjes aan de zijkant’ voelde en hij verklaart ‘dit steken voelde ik in mijn keel’. Deze verklaringen passen ook bij het letsel dat is beschreven in de medische verklaring.

Uit de getuigenverklaringen volgt verder dat, nadat door anderen werd ingegrepen, verdachte gefixeerd bleef op het slachtoffer en constant bezig was om met het mesje de hals van het slachtoffer te bereiken. Doordat verdachte werd tegengehouden met een stoel en er een tafel over het slachtoffer werd geplaatst, is voorkomen dat verdachte nog bij het slachtoffer kon komen.

Hoewel verdachte geen verklaring heeft afgelegd, is de rechtbank, gelet op de boven-genoemde feiten en omstandigheden, van oordeel dat verdachte daadwerkelijk de bedoeling - en daarmee ‘boos’ opzet - had om [medegedetineerde] van het leven te beroven. De rechtbank neemt hierbij de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van verdachte als uitgangspunt. Uit deze handelingen blijkt dat hij meerdere keren snijdende en stekende bewegingen heeft gemaakt in en gericht op de hals van het slachtoffer, ook nadat anderen hadden ingegrepen. De hals is een zeer kwetsbare plek in het lichaam, waar zich meerdere oppervlakkig gelegen bloedvaten en organen bevinden waaruit ernstige en potentieel fatale bloedingen kunnen optreden na perforatie. Klieving van een halsslagader veroorzaakt in het algemeen fatale uitwendige verbloedingen. De handelingen van verdachte waren onmiskenbaar gericht op de dood van het slachtoffer. Dat verdachte een aardappelschilmesje heeft gebruikt en de verwondingen uiteindelijk relatief beperkt zijn gebleven tot “prikjes” en een oppervlakkige snijwond doet daar niet aan af, nu dit een toevallige en gelukkige omstandigheid is die niet aan het handelen van verdachte te danken is geweest.

Anders dan de raadsman ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor de mogelijkheid dat verdachte enkel het mes op de keel van het slachtoffer heeft willen zetten, zonder daarbij de bedoeling te hebben om die ander te doden. Naar het oordeel van de rechtbank wordt deze visie onmiskenbaar weerlegd door de inhoud van gebezigde bewijsmiddelen.

De tweede vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.

De rechtbank overweegt eerst in algemene zin dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar aan contra-indicaties kan een zwaarder gewicht worden toegekend. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift hebben plaatsgevonden, dat sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit is ontstaan.

De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat indien vaststaat dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Bij een verdachte die geen inzicht heeft gegeven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in hem is omgegaan, zal de hiervoor bedoelde gelegenheid van de feitelijke omstandigheden van het geval, zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit afgeleid moeten worden.

Uit de bewijsmiddelen blijkt het volgende.

Het slachtoffer, een medegedetineerde van verdachte, was veroordeeld voor een (pedoseksueel) zedendelict. Uit verklaringen van diverse getuigen (een anonieme doch door de politie geïdentificeerde gedetineerde en twee medewerkers van de penitentiaire inrichting) blijkt dat verdachte zowel voor als na het incident uitlatingen heeft gedaan over pedoseksuele zedendelinquenten, die erop neer komen dat hij niet in één ruimte met hen wil zijn en hij hen zou willen neersteken of vermoorden als zij zich in zijn buurt bevinden. In

dit verband acht de rechtbank de volgende informatie afkomstig uit het procesdossier van belang om op te merken. Verdachte heeft in 2008 in de bezoekruimte van een penitentiaire inrichting zijn vader zwaar mishandeld door hem te verwonden met een zelf gemaakt steekwapen. Verdachte beschuldigt zijn vader ervan dat deze hem in zijn jeugd seksueel heeft misbruikt. Voor deze zware mishandeling is de TBS-maatregel opgelegd. In de

TBS-kliniek heeft verdachte in 2011 met een mes een andere terbeschikkinggestelde neergestoken. Dit slachtoffer was veroordeeld voor een zedendelict. Tijdens de terecht-zitting in hoger beroep in laatstgenoemde zaak heeft verdachte in niet mis te verstane bewoordingen duidelijk gemaakt dat hij een hekel heeft aan pedoseksuelen en geen enkel berouw had, behalve dan dat hij betreurde dat het slachtoffer niet het leven had verloren.

(bijlage 2 eindpv, arrest gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 22 november 2013)

Verdachte beschikte over een aardappelschilmesje. Hoewel de rechtbank niet kan vaststellen waar het mesje vandaan is gekomen, staat wel vast dat exact dezelfde mesjes worden gebruikt en verstrekt (onder geconditioneerde omstandigheid) aan de gedetineerden bij het koken. Bij de tellingen op de afdelingen 6 (de bibliotheek en het onderwijslokaal) en 7 (de afdeling waar verdachte was gedetineerd) van de penitentiaire inrichting werden geen mesjes vermist. De rechtbank gaat ervanuit dat het verdachte gelukt is op enigerlei wijze een dergelijk mesje te bemachtigen en dat hij dit mesje bij zich droeg in het onderwijslokaal. De verklaring van verdachte dat hij het mesje op de tafel in het onderwijslokaal heeft gevonden acht de rechtbank niet aannemelijk, nu daarvoor geen enkele aanwijzing in het dossier is te vinden.

Uit de verklaringen van de getuigen volgt dat verdachte het slachtoffer heeft vastgepakt op een moment dat de onderwijsmedewerkers van de penitentiaire inrichting niet in het leslokaal aanwezig waren en er dus geen toezicht was. De rechtbank stelt vast dat aan de belaging van het slachtoffer van achteren door verdachte geen incident vooraf is gegaan dat een reden kan zijn voor deze geweldsuitbarsting door verdachte.

Uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden concludeert de rechtbank dat bij verdachte sprake was van een vooropgezet en berekend plan, waarbij verdachte de gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Hij heeft voldoende gelegenheid gehad om zich te beraden over zijn voorgenomen besluit, maar zocht desalniettemin actief de gewelddadige confrontatie met het slachtoffer. Contra-indicaties voor voorbedachte raad zijn naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en acht de ten laste gelegde poging tot moord wettig en overtuigend bewezen.

feit 2

De rechtbank kan hierover kort zijn. Uit meerdere bewijsmiddelen volgt dat verdachte stekende bewegingen met een aardappelschilmesje in de richting van de zich in zijn directe nabijheid bevindende penitentiair inrichtingswerker [medegedetineerde] heeft gemaakt en daarbij op dreigende wijze bewoordingen heeft geuit om hem op afstand te houden. Gelet hierop en gezien het standpunt van de verdediging (referte) te dier zake, acht de rechtbank dit feit zonder verdere bespreking bewezen zoals hierna uitgeschreven.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierna in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

1. op 22 maart 2017 te Vught ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om medegedetineerde [medegedetineerde] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, als gedetineerde in de Penitentiaire Inrichting aldaar:

-een mes heeft bemachtigd en dat mes bij zich heeft gedragen en

-in de buurt van die [medegedetineerde] in de onderwijsruimte is gaan zitten en

-meermalen met dat mes die [medegedetineerde] in de hals heeft gestoken en/of gesneden en

-meermalen snijdende en/of stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van de hals

van die [medegedetineerde] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2. op 22 maart 2017 te Vught een [medegedetineerde] van de PI Vught, [medegedetineerde] , heeft bedreigd met

zware mishandeling, immers heeft verdachte toen daar opzettelijk dreigend in de onmiddellijke nabijheid van die [medegedetineerde] een mes in zijn hand gehad en met dat mes

stekende bewegingen gemaakt in de richting van die [medegedetineerde] en daarbij dreigend geroepen "Ga weg. Jullie moeten hier allemaal weg!" en "Ga weg, je moet weg. Uit mijn buurt”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie. (bijlage)

Op de in het schriftelijk requisitoir uitgewerkte gronden heeft de officier van justitie een gevangenisstraf van 15 jaar met aftrek van voorarrest gevorderd.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft op gronden als vermeld in zijn schriftelijke pleitaantekeningen betoogd

dat in dit specifieke geval een gevangenisstraf van hooguit 4 jaar volstaat.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende ten nadele van verdachte in aanmerking genomen.

Verdachte heeft met voorbedachten rade getracht een medegedetineerde met messteken

in de hals te doden. Hij heeft met dat doel een mesje meegesmokkeld en een moment van verminderd toezicht in de onderwijsruimte afgewacht om toe te slaan. Het niets-vermoedende slachtoffer werd zonder enige aanleiding van achteren geconfronteerd met het levensbedreigende handelen van verdachte. De keuze van het slachtoffer was gegrond op de enkele omstandigheid dat deze was veroordeeld vanwege een zedendelict. Tegen zeden-delinquenten koestert verdachte, die naar eigen zeggen in zijn jeugd seksueel is misbruikt, een diepe en intrinsieke haat en afkeer. Verdachte heeft door zijn gewelddadige handelen welbewust een groot en levensbedreigend gevaar voor het slachtoffer in het leven geroepen en zich niets aangetrokken van diens belangen. Dat het niet tot een fatale afloop heeft geleid is enkel en alleen aan adequaat ingrijpen van derden te danken geweest. Verdachte heeft door zijn handelwijze een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en op grove wijze diens lichamelijke integriteit aangetast. Het hoeft geen betoog dat het slachtoffer beangstigende momenten heeft doorstaan. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van. Juridisch vertaald heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot moord. Moord behoort tot de ernstigste delicten die het Wetboek van Strafrecht kent. Het opzettelijk en met voorbedachten rade benemen van iemands leven is immers de meest ernstige en onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed.

Daarnaast heeft verdachte een voor hulp toegesnelde medewerker van de penitentiaire inrichting met een mes bedreigd. Gezien de context van het incident en de wetenschap bij

de betrokken medewerker dat verdachte eerder betrokken is geweest bij een steekincident,

moet deze bedreiging grote indruk op hem hebben gemaakt.

Het behoeft geen nadere uitleg dat met name het steekincident tot grote beroering

binnen de muren van de gevangenis heeft geleid en gevoelens van angst en onveiligheid

bij zowel de penitentiair inrichtingswerkers als de gedetineerden heeft opgeroepen.

De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan.

Verdachte is ook in 2002, 2006, 2007, 2008, 2011 en 2013 veroordeeld vanwege delicten met (een ernstige) geweldscomponent. Hierbij springen de veroordelingen van 2011 en 2013 het meest in het oog. Zo is verdachte in 2011 vanwege een poging tot zware mishandeling veroordeeld tot TBS met dwangverpleging en in 2013 vanwege een poging tot moord tot een gevangenisstraf van 10 jaar en TBS met dwangverpleging.

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is, zoals hiervoor reeds overwogen, gebleken dat verdachte in eerstgenoemde zaak zijn vader met een mes heeft gestoken terwijl deze verdachte in detentie opzocht en in de andere zaak heeft hij een TBS-gestelde met messteken willen doden. Ook in deze twee gevallen was het motief verdachtes diepe haat voor (vermeende) pedoseksuelen.

De rechtbank heeft in verband met de twee hiervoor genoemde veroordelingen acht geslagen op de in dat verband opgestelde gedragsdeskundige rapportages van het

Pieter Baan Centrum d.d. 17 augustus 2009, psychiater dr. [naam psycholoog 1] d.d. 8 maart 2012, GZ-psycholoog [naam gz-psycholoog] d.d. 1 maart 2012 en het Pieter Baan Centrum

d.d. 25 april 2013. Hierin wordt voor zover hier van belang geconcludeerd dat er bij verdachte sprake is van ADHD en een antisociale persoonlijkheidsstoornis en dat hij

als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden aangemerkt.

In deze zaak heeft verdachte niet mee willen werken aan gedragsdeskundige onderzoeken door psycholoog [naam psycholoog 2] (rapport 26 oktober 2017) en psychiater drs [naam psychiater] (rapport 4 november 2017). De rechtbank acht echter, met de officier van justitie en de raadsman, op basis van de eerdere gedragsdeskundige rapportages aannemelijk dat de hiervoor genoemde stoornissen ook verdachtes gedragskeuzes en handelen op 22 maart 2017 hebben beïnvloed, zodat hij te dier zake als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. De rechtbank heeft bij dit oordeel mede acht geslagen op het structurele karakter van de stoornissen, het feit dat verdachte hiervoor tot heden niet is behandeld en de vergelijkbare context en uitvoering van de genoemde delicten uit 2008 en 2011 met het onderhavige delict, waarbij telkens sprake is van een steekpartij met als slachtoffer een (vermeende) pedoseksueel.

Hoewel de rechtbank het belang en de noodzaak van een behandeling van verdachte in het meest dwingende justitieel kader aangewezen acht, zal de rechtbank thans geen TBS met dwangverpleging opleggen. De rechtbank komt tot dit oordeel, omdat uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de in 2013 opgelegde TBS met dwangverpleging nog moet beginnen en een nieuwe maatregel derhalve geen meerwaarde heeft.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf

van aanzienlijke duur.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten die als vertrekpunt bij het bepalen van de straf dienen. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op hetgeen in vergelijkbare gevallen aan straf wordt opgelegd. Dit zou bij een poging tot moord, zonder recidive, neerkomen op een uitgangspunt van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van

10 jaar. Hoewel de rechtbank dit uitgangspunt gezien de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het heeft plaatsgevonden en uit oogpunt van vergelding en beveiliging van de maatschappij alleszins gerechtvaardigd acht, zal de rechtbank een aanzienlijk lagere gevangenisstraf opleggen. De rechtbank kent meer gewicht toe aan het belang en de noodzaak van een behandeling van de persoonlijkheidsproblematiek van verdachte en het behoud van uitzicht op die behandeling dan aan een lange gevangenisstraf die tot gevolg heeft dat de behandeling van verdachte op (nog) langere termijn kan aanvangen. In dit verband geeft de rechtbank zich ervan rekenschap dat een nieuwe gevangenisstraf bovenop de detentie komt die verdachte in 2013 is opgelegd (10 jaar gevangenisstraf) en die, vanwege het achterwege laten van de VI, eerst in 2022 afloopt.

Pas daarna kan uitvoering worden gegeven aan de in 2013 opgelegde TBS met dwangverpleging.

De rechtbank zal dan ook een veel lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf.

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 6 jaar passend en geboden.

Beslag.De rechtbank is van oordeel dat het in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerp vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit een voorwerp is met behulp van welke de feiten zijn begaan en het van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 36b, 36c, 45, 57, 285 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde onder feit 1 en feit 2 bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

t.a.v. feit 1:poging tot moord t.a.v. feit 2:bedreiging met zware mishandelingVerklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregel.

t.a.v. feit 1 en feit 2: Een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen goed, te weten:

een aardappelschilmes.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R.M.L. Heemskerk-Pleging, voorzitter,

mr. J.J.A. Donkersloot en mr. R.H. van Marle, leden,

in tegenwoordigheid van D.A. Koopmans, griffier,

en is uitgesproken op 4 april 2018.