Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:1456

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
28-03-2018
Datum publicatie
03-04-2018
Zaaknummer
C/01/321604 / HA ZA 17-358
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Incident. Onbevoegdheid. Arbitragebeding. Dat het in beding genoemd arbitrage-instituut niet bestaat betekent niet dat het beding niet rechtsgeldig is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TvA 2018/63
RCR 2018/58
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/321604 / HA ZA 17-358

Vonnis in incident van 28 maart 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EUROPET-BERNINA INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Gemert-Bakel,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. P.C.H.H. Kager te Eindhoven,

tegen

vennootschap naar buitenlands recht

LINÁN SBELLE ARTS AND CRAFTS FACTORY,

gevestigd te Huangjiao Village, China,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. W.M.J. Weijers te Valkenswaard.

Partijen zullen hierna EBI en Petsbelle genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord.

  • -

    de aantekeningen van de griffier van het pleidooi op 21 februari 2018 en de daarbij overgelegde pleitnota’s.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De beoordeling in het incident

2.1.

Petsbelle vordert dat de rechtbank zich, op grond van het bepaalde in artikel 1022 Rv, onbevoegd verklaart. EBI voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

2.2.

De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering moet worden toegewezen. Daarvoor is het volgende van belang.

2.2.1.

Tussen partijen is een distributieovereenkomst gesloten. EBI vordert in de hoofdzaak ontbinding van die overeenkomst en veroordeling van Petsbelle tot vergoeding van de door EBI geleden en te lijden schade.

2.2.2.

Petsbelle stelt, onder verwijzing naar artikel 11.2 van de overeenkomst, dat de rechtbank niet bevoegd is kennis te nemen van het geschil omdat partijen overeengekomen zijn geschillen te onderwerpen aan arbitrage.

Dat artikel luidt:

“The disputes arising in relation to the Agreement which Parties cannot settle by negotiations, shall be heard by the Court of Arbitration of the Centre of the Arbitral Consultations in the City of The Hague and completely settled in accordance with the Statutes and Regulations of the above Court of arbitration and regulations on the expenses of the Court of arbitration. One arbiter hears the dispute between Parties in the Court of Arbitration. The arbitration is held in the Dutch language. The disputes arising in relation with the Agreement are settled according to the legislation of the Netherlands.”

2.2.3.

EBI betwist niet dat in genoemd artikel een arbitragebeding is opgenomen maar stelt dat dit artikel onduidelijk en onuitvoerbaar is. Het in het artikel genoemde (arbitrage)instituut bestaat niet en niet duidelijk is welk instituut (en welke “Statutes and Regulations” van dat instituut) partijen hebben bedoeld. Bovendien heeft Petsbelle een Chinese advocaat ingeschakeld die aankondigde EBI te zullen dagvaarden met toepassing van Chinees recht indien niet binnen 7 dagen zou worden betaald waarmee Petsbelle volgens EBI haar recht om een beroep te doen op het arbitragebeding heeft verwerkt op grond van artikel 6:2 BW.

Ten slotte stelt EBI zich op het standpunt dat een beroep op de arbitragebepaling, gelet op de onduidelijkheid van de bepaling en die eigen gedragingen van Petsbelle, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

2.3.

De rechtbank is van oordeel dat partijen moeten worden geacht in artikel 11.2 van de overeenkomst arbitrage te zijn overeengekomen en dat het artikel moet worden uitgelegd aan de hand van de tekst. Partijen hebben immers over de totstandkoming en de partijbedoeling in dat verband niets relevants aangevoerd. Uit de titel van §11 van de overeenkomst (“legislation and jurisdiction”) blijkt dat partijen daarin het toepasselijk recht en de bevoegde instantie bij beslechting van geschillen hebben willen vastleggen. Dat het door partijen in 11.2 genoemde instituut niet bestaat, zoals tussen partijen vaststaat, betekent niet dat het arbitragebeding niet rechtsgeldig is. Daarbij moet, omdat partijen bij pleidooi hebben aangegeven dat bij hen niet bekend is waarom dit instituut in de bepaling is opgenomen en het instituut zelf ten tijde van het sluiten van de overeenkomst (en ook op dit moment nog) een niet bestaand instituut was, worden aangenomen dat het instituut zelf niet essentieel was maar dat het partijen er om ging dat geschillen langs de weg van arbitrage zouden worden opgelost en daarmee impliciet de overheidsrechter uit te sluiten. Dat dat laatste niet expliciet in het beding is opgenomen maakt dat niet anders, nu dit volgt uit de tekst van het beding.

Nu aldus sprake is van een rechtsgeldig arbitragebeding is de rechtbank niet bevoegd van het geschil kennis te nemen.

Het beroep van EBI op artikel 6:2 BW wordt verworpen. Anders dan EBI stelt blijkt uit de (als prod. 7 bij dagvaarding overgelegde) brief van de door Petsbelle ingeschakelde Chinese advocaat niet dat de zaak bij de Chinese rechter aanhangig gemaakt zal worden, en ook niet dat dat binnen zeven dagen zou gebeuren. Bovendien volgt daaruit ook niet dat sprake is van afstand van recht. Ook het standpunt van EBI dat een beroep op het arbitragebeding van EBI uit het oogpunt van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, volgt de rechtbank niet. Dat het in artikel 11.2 genoemde instituut niet bestaat en/of de inhoud van de brief van de Chinese advocaat is daarvoor onvoldoende.

De rechtbank wijst er nog op dat, nu de in de overeenkomst genoemde arbiter niet bestaat, een (of meer) arbiter(s) dient/dienen te worden benoemd volgens de regels van artikel 1027 Rv.

2.4.

EBI zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

2.5.

EBI zal in de proceskosten van de hoofdzaak worden veroordeeld, nu zij nodeloos kosten heeft veroorzaakt door die hoofdzaak bij de verkeerde rechter aanhangig te maken. De kosten aan de zijde van Linán Sbelle in de hoofdzaak worden begroot op:

- explootkosten € 0,00

- griffierecht 618,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 0,00 (0,0 punt × tarief € 452,00)

Totaal € 618,00

3 De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1.

verklaart zich onbevoegd van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen,

3.2.

veroordeelt EBI in de kosten van het incident, aan de zijde van Linán Sbelle tot op heden begroot op € 452,00,

in de hoofdzaak

3.3.

veroordeelt EBI in de proceskosten, aan de zijde van Linán Sbelle tot op heden begroot op € 618,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2018.