Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:1431

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
27-03-2018
Datum publicatie
27-03-2018
Zaaknummer
01/875001-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor poging tot doodslag op zijn moeder omdat hij zijn moeder met een mes heeft gestoken. Verdachte was 14 jaar oud toen hij dit feit pleegde. De rechtbank legt verdachte de straf op van 360 dagen jeugddetentie met aftrek waarvan 170 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/875001-17

Datum uitspraak: 27 maart 2018

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [2003] ,

thans gedetineerd in JJI De Hunnerberg te Nijmegen.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 maart 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 6 december 2017. Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 13 maart 2018 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 29 september 2017 te ’s-Hertogenbosch ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zijn moeder [slachtoffer] van het leven te beroven, die [slachtoffer] met een mes meermalen, dan wel eenmaal heeft gestoken/gesneden (waaronder in haar borst- en/of buikstreek) en/of in de richting van het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken/gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in haar vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Inleiding.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat er op 29 september 2017 in de woning aan het [adres] te ’s-Hertogenbosch een steekincident heeft plaatsgevonden, waarbij enkel verdachte en diens moeder [slachtoffer] aanwezig zijn geweest. Beiden hebben hierbij verwondingen opgelopen. De lezingen van beide betrokkenen over (de toedracht van) het gebeurde lopen sterk uiteen. Verdachte wordt ervan beschuldigd zijn moeder al dan niet met voorbedachten rade van het leven te hebben willen beroven.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat uitgegaan dient te worden van de lezing van het slachtoffer, waaruit volgt dat verdachte haar opzettelijk en welbewust met een mes heeft aangevallen, waarbij verdachte heeft gestoken in de borst- en buikstreek, in de armen en in de richting van het slachtoffer. De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de (impliciet subsidiair) ten laste gelegde poging tot doodslag bewezenverklaard dient te worden. Dat er bij verdachte sprake was van voorbedachten rade kan niet worden bewezen, zodat hij van de (impliciet primair) ten laste gelegde poging tot moord dient te worden vrijgesproken.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft bepleit dat - zowel in het door verdachte als in het door het slachtoffer geschetste scenario - de poging tot doodslag kan worden bewezenverklaard. Niet bewezen kan worden dat er sprake is geweest van voorbedachten rade, zodat verdachte van dat bestanddeel dient te worden vrijgesproken.

Uitgaande van de juistheid van het door verdachte geschetste scenario heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer dan wel noodweerexces. De bespreking van deze verweren komt hieronder bij ‘De strafbaarheid van het feit en van verdachte’ aan de orde.

Het oordeel van de rechtbank.

Bewijsoverwegingen.

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte met voorbedachten rade geprobeerd heeft om het slachtoffer van het leven te beroven. Het dossier bevat daartoe onvoldoende aanknopingspunten. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord.

Ten aanzien van de impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag overweegt de rechtbank het navolgende.

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat op 29 september 2017 in de woning aan het [adres] te ’s-Hertogenbosch een incident heeft plaatsgevonden waarbij de moeder van verdachte meerdere verwondingen heeft opgelopen. De rechtbank ziet zich geconfronteerd met twee diametraal verschillende lezingen over de toedracht van die verwondingen. Verdachte heeft - kort samengevat - verklaard dat zijn moeder plotseling voor hem stond met een mes in haar hand, dat hij dat mes heeft afgepakt, dat hij zijn moeder toen in haar schouder heeft gestoken en dat zij vervolgens samen in een worsteling zijn geraakt om het mes te pakken te krijgen. Mogelijk is zijn moeder tijdens die worsteling door het mes in haar bovenlijf geraakt, maar verdachte heeft dat niet opgemerkt. De verklaring van het slachtoffer komt er samengevat op neer dat zij door verdachte is aangevallen met een mes, waarbij verdachte haar met het mes in haar buik en in haar arm heeft geraakt. Nadat het slachtoffer het mes van verdachte heeft weten af te pakken, zijn zij vervolgens samen op de grond in het halletje van de woning beland.

De rechtbank stelt vast dat er voor de stelling dat verdachte door zijn moeder zou zijn aangevallen in het dossier geen enkele steun te vinden is. Daarentegen wordt de lezing van het slachtoffer ondersteund door hetgeen de [getuige 1] en [getuige 2] in de kern hebben waargenomen, namelijk dat het slachtoffer op haar rug in het halletje lag, dat verdachte bovenop het slachtoffer zat, dat verdachte een mes in zijn hand had en dat hij daarmee stekende bewegingen maakte in de richting van het slachtoffer. Ten aanzien van deze aspecten hebben de getuigen vanaf het eerste begin consistent verklaard. De omstandigheid dat zij ten aanzien van sommige andere details minder consistent hebben verklaard en hun verklaringen over deze details ook niet volledig overeenkomen met de verklaring van slachtoffer, is naar het oordeel van de rechtbank gelet op de hectische en voor de getuigen stressvolle situatie verklaarbaar en doet niet af aan de betrouwbaarheid van de kern van hun waarneming, zoals hierboven omschreven.

De rechtbank betrekt verder in haar overweging de houding van verdachte direct na afloop van het incident. [getuige 2] heeft verdachte meegenomen naar de keuken en heeft verdachte gevraagd naar de reden van het steekincident, waarop verdachte heeft verklaard dat zijn moeder van iedereen hield, behalve van hem en zijn broertje. [verbalisant 1] heeft verklaard dat hij verdachte erg kalm in een stoel in de keuken zag zitten. Over een aanval van zijn moeder waartegen hij zich zou hebben moeten verdedigen, heeft verdachte op dat moment niets gezegd. Ook de overige getuigen hebben verdachte iets dergelijks niet horen zeggen. Met de verdediging constateert de rechtbank dat verdachte het scenario dat hij door zijn moeder zou zijn aangevallen en dat hij zich hiertegen heeft verdedigd, voor het eerst ter sprake heeft gebracht toen hij per politieauto naar het politiebureau werd overgebracht. Naar het oordeel van de rechtbank zou het zonder meer voor de hand hebben gelegen dat verdachte deze (voor hem ontlastende) informatie al direct na afloop van het incident met de overige in de woning aanwezige personen zou hebben gedeeld.

Tegenover de houding van verdachte direct na afloop van het incident staat de uitlating van het slachtoffer dat, op het moment dat verdachte haar bij het verlaten van de woning voorbij liep, aan hem heeft gevraagd “Waarom heb je dit gedaan? Waarom?”.

Al het vorenstaande in aanmerking nemende, acht de rechtbank het door verdachte geschetste scenario niet aannemelijk, hetgeen in dit geval met zich meebrengt dat de rechtbank de verklaring van het slachtoffer - die zij ook overigens betrouwbaar acht - als uitgangspunt neemt bij de beoordeling.

Op grond van de hieronder vermelde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte, zittend op het slachtoffer, met een mes stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van het lichaam van het slachtoffer. Tevens stelt de rechtbank vast dat verdachte het slachtoffer met een mes heeft gestoken, onder meer in de linkerzijde van haar bovenlichaam. Uit de medische informatie volgt dat het slachtoffer links, laag aan de borstkas, een steekverwonding had welke leidde tot een perforatie van de milt, met daarbij tevens perforatie van het boven de milt gelegen middenrif.

Naar algemene ervaringsregels is de kans dat iemand als gevolg van voormelde handelingen komt te overlijden, aanmerkelijk. De gedragingen van de verdachte waren dan ook geëigend om de dood van het slachtoffer te kunnen laten intreden, waarbij het van belang is dat zich in het bovenlichaam kwetsbare en vitale organen bevinden. Naar het oordeel van de rechtbank geldt ten aanzien van beide hierboven omschreven handelingen dat deze naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer zijn gericht op het toebrengen van dodelijk letsel dat daarmee bewezen kan worden dat verdachte opzet had op het toebrengen van dodelijk letsel.

Concluderend acht de rechtbank de (impliciet subsidiair) ten laste gelegde poging tot doodslag bewezen.

Bewijsmiddelen. 1

De verklaring van [slachtoffer] , afgelegd bij de rechter-commissaris2:

Op 29 september 2017 was [verdachte] bij mij in Den Bosch. […] Toen ik uit de badkamer kwam, stond [verdachte] plotseling voor mij met een mes in zijn hand. Hij viel mij aan. Hij heeft mij meerdere keren op mijn armen links gestoken en hij heeft mij in mijn buik gestoken.

De verklaring van [slachtoffer] , afgelegd tegenover de politie3:

Toen ik uit de badkamer kwam, zag ik mijn oudste zoon voor me staan met opgeheven rechterarm. Ik zag in zijn rechterhand een groot mes. Ik schreeuwde om hulp. De deur stond open. Ik probeerde hem weg te duwen, maar op een gegeven moment had ik zo veel pijn. De eerste pijn die ik voelde was aan mijn linker zijkant. Ik voelde hier pijn. [Opmerking verbalisant: Aangeefster slachtoffer wijst naar haar linkerzijde van haar bovenlichaam.] Ik viel toen op de grond. Toen hij op mij zat was ik al gestoken door dat mes.

De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 13 maart 2018:

Ik heb mijn moeder met een mes in haar schouder gestoken.

De verklaring van [getuige 1] , afgelegd bij de rechter-commissaris4:

Ik liep die dag op straat. Aan de overkant van het betreffende appartement zaten een aantal vrouwen met elkaar te praten. Mijn vrouw zat daar ook bij. Ik hoorde mijn vrouw roepen: “ [getuige 1] ga eens kijken”. Dat had te maken met een vrouw aan de overkant, er was iets aan de hand. [getuige 2] en ik zijn er naartoe gelopen. De voordeur van het appartement was open. Toen ik het appartement binnenkwam, zag ik die vrouw op haar rug op de grond liggen en ik zag de jongen op zijn knieën over die vrouw zitten en ik keek die jongen toen op zijn rug. Ik heb die jongen steekbewegingen zien maken richting die vrouw, van boven naar beneden. Ik heb gezien dat hij een groot broodmes in zijn hand had. […] Toen [getuige 2] en ik naar dat appartement liepen heb ik die vrouw om hulp horen krijsen. Die jongen zelf heb ik niets horen roepen. Ik heb bij die vrouw steekverwondingen gezien. Mij wordt voorgehouden de vraag of die jongen iets gezegd heeft in de zin dat hij door zijn moeder was aangevallen. Ik heb hem zoiets niet horen zeggen.

De verklaring van [getuige 2] , afgelegd bij de rechter-commissaris5:

Ik weet nog dat ik die dag de vrouw van [getuige 1] heb horen schreeuwen dat er iets aan de hand was in het appartement tegenover haar. [getuige 1] en ik zijn toen naar dat betreffende appartement gegaan. [getuige 1] is als eerste dat appartement binnen gegaan, de voordeur van dat appartement stond open. [getuige 1] liep voorop. Ik heb toen in dat appartement in het halletje een vrouw op haar rug zien liggen en haar voeten lagen richting de voordeur. Op die vrouw zat een jongen op zijn knieën met de rug naar mij toe. Die jongen had een mes in zijn hand. Hij zat voorovergebogen over die vrouw. Ik heb die jongen vastgepakt en die jongen is toen naar de keuken gelopen. Ik heb hem nog gevraagd waarom. Hij zei mij dat zijn moeder niet meer van hem en zijn broertje zou houden. Hij heeft op dat moment en ook later niet iets tegen mij gezegd in de zin van dat hij door zijn moeder zou zijn aangevallen met een mes.

Het relaas van [verbalisant 1]6:

Op 29 september 2017 omstreeks 14.00 uur kreeg ik een melding betreffende een steekincident op het [adres] te ’s-Hertogenbosch. Ik ging ter plaatse. Op deze locatie was een appartementencomplex. Ik zag dat op de begane grond onder de galerij een mes op de grond lag. Ik zag dat dit mes een lemmet van ongeveer twintig centimeter had. Ik zag dat het lemmet besmeurd was met een rode vloeistof. Ik zag op de eerste verdieping ter hoogte van nummer 45 een vrouw op de grond liggen. Ik zag een man en een vrouw gehurkt bij deze vrouw zitten. Ik betrad de woning. Ik zag dat op de grond diverse druppels van een rode vloeistof lagen. Ik zag in de keuken twee volwassen mannen rond een jongere jongen staan. Ik zag dat hij erg kalm was.

Het relaas van [verbalisant 2]7:

Mijn collega [verbalisant 1] heeft de verdachte naar buiten gebracht om hem naar het politiebureau over te laten brengen. Ik stond bij het slachtoffer toen de verdachte langs haar liep op de galerij. Ik zag dat het slachtoffer naar de verdachte keek en ik hoorde dat ze zei: “Waarom heb je dit gedaan? Waarom?”

Het NFI-rapport ‘forensisch geneeskundig onderzoek betreffende [slachtoffer] ’8:

De ontvangen medische informatie bestaat uit een notitie en een brief afkomstig van de spoedeisende hulp, betreffende een onderzoek aldaar op 29 september 2017, een dossier afkomstig van de afdeling heelkunde en een operatieverslag gedateerd 29 september 2017.

Bespreking en interpretatie:

Volgens informatie in het medisch dossier was er bij [slachtoffer] [de rechtbank begrijpt in de context van het rapport dat wordt bedoeld: [slachtoffer]] een verwonding links aan de borst, ook beschreven als “kleine punctiewond”, met uitpuilen van een buikvliesplooi (‘omentum’). Daarnaast worden huidverwondingen aan de linkerarm beschreven.

Op de röntgenfoto van de borstkas werd een klaplong met vochtophoping links waargenomen […]. [slachtoffer] werd aan haar buik geopereerd, waarbij een beschadiging van drie centimeter aan de milt werd waargenomen en een perforatie van het middenrif. Deze werden operatief gehecht.

Op basis van het bovenstaande was er kennelijk een steekverwonding links zijwaarts, laag aan de borstkas, welke leidde tot een perforatie van de links zijwaarts hoog in de buikholte gelegen milt, met daarbij perforatie van het boven de milt gelegen middenrif. Een dergelijke perforatie kan, zoals in onderhavig geval, leiden tot een ‘klaplong’ oftewel het samenvallen van (een deel van) de long door het opheffen van het vacuüm tussen beide longvliezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 29 september 2017 te ’s-Hertogenbosch ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk zijn moeder [slachtoffer] van het leven te beroven, die [slachtoffer] met een mes meermalen heeft gestoken (waaronder in haar buikstreek) en in de richting van het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit en van verdachte.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte een geslaagd beroep op noodweer(exces) toekomt, op grond waarvan hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Kort samengevat is aangevoerd dat verdachte zich op proportionele wijze heeft verdedigd toen zijn moeder met een mes in de hand op verdachte af kwam en zij hem daarmee wilde steken, terwijl verdachte zich op dat moment niet aan de situatie kon onttrekken. Indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat de wijze waarop verdachte zich heeft verdedigd disproportioneel is, dan is dat het gevolg geweest van een hevige gemoedsbeweging die door de aanranding is veroorzaakt.

Het standpunt van de officier van justitie.

Volgens de officier van justitie dient uitgegaan te worden van de verklaring van het slachtoffer, waarmee er nimmer sprake is geweest van een noodweersituatie. Aldus kan een beroep op noodweer(exces) niet slagen.

Het oordeel van de rechtbank.

Op grond van de feiten en omstandigheden zoals besproken onder het kopje ‘Bewijs’ acht de rechtbank de verklaring van verdachte niet aannemelijk en gaat zij uit van de verklaring zoals afgelegd door het slachtoffer.

Nu de rechtbank het door verdachte geschetste scenario niet aannemelijk acht, acht de rechtbank evenmin aannemelijk dat er op enig moment sprake is geweest van een noodweersituatie. Een beroep op noodweer of noodweerexces kan daarom niet slagen.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

De verdediging heeft in het kader van het noodweer-verweer verzocht om alsnog onderzoek te laten verrichten naar de precieze aard en mogelijke oorzaak van het letsel dat het slachtoffer aan haar hand heeft opgelopen. Nu de rechtbank, op grond van de hierboven geschetste feiten en omstandigheden, het door verdachte geschetste scenario niet aannemelijk acht, komt zij aan dit voorwaardelijk verzoek niet toe.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot 12 maanden jeugddetentie, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van voorarrest. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen de bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld zoals die worden geadviseerd in het advies van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 8 maart 2018. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft verzocht om, indien de rechtbank zou komen tot een strafoplegging, een straf op te leggen gelijk aan het voorarrest met daarnaast een voorwaardelijke jeugddetentie tot opgeteld maximaal 12 maanden, met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden. Ten aanzien van de exacte duur van het voorwaardelijk strafdeel heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft benadrukt dat het voor verdachte van het grootste belang is dat zijn detentie in De Hunnerberg zo snel mogelijk wordt beëindigd, waarbij is verwezen naar de brief van de voogd van verdachte waarin wordt aangegeven dat een langer verblijf in De Hunnerberg als contraproductief wordt gezien. Ook uit de overige rapportages blijkt van het belang van een spoedige overplaatsing naar het gesloten civiele kader.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum. Verdachte was toen hij het strafbare feit pleegde 13 jaar. Op grond van artikel 77i van het Wetboek van Strafrecht is voor een jeugdige tot 16 jaar de maximum jeugddetentie bepaald op één jaar.

Verder heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde, veelal lagere oriëntatiepunten voor het jeugdstrafrecht. Bij het bepalen van de straf wordt veel belang gehecht aan wat de straf betekent voor de persoonlijke ontwikkeling van de jeugdige. Er wordt veel meer dan bij het strafrecht voor volwassenen rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zijn moeder levensgevaarlijk gewond met een mes. Het slachtoffer heeft hierbij verwondingen opgelopen, waaronder een steekwond in haar buikstreek waarbij haar milt en haar middenrif zijn geraakt. Het slachtoffer heeft met spoed een buikoperatie moeten ondergaan en heeft uiteindelijk ruim een week in het ziekenhuis moeten verblijven. Dat de verwondingen het slachtoffer niet fataal zijn geworden, is geenszins aan verdachte te danken. Het behoeft geen nader betoog dat het een zeer ernstig feit betreft.

Met zijn handelen heeft verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en de gezondheid van zijn eigen moeder. Niet alleen heeft verdachte het slachtoffer lichamelijk letsel toegebracht, maar hij heeft haar ook groot psychisch leed aangedaan, zoals gebleken is uit de emotionele verklaring die het slachtoffer ter terechtzitting heeft afgelegd. Ook de buren, die het slachtoffer als eerste hebben bijgestaan, hebben de gebeurtenis als zeer traumatisch ervaren, zo verklaarden zij bij het getuigenverhoor bij de rechter-commissaris. Daarnaast heeft het handelen van verdachte ook bijgedragen aan de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving als geheel.

Bij het bepalen van de strafmaat houdt de rechtbank echter, zeker nu het zo’n jeugdige verdachte betreft, ook rekening met de persoon van verdachte. In dat verband heeft de rechtbank bijzonder acht geslagen op de inhoud van het door de Raad voor de Kinderbescherming uitgebrachte advies d.d. 8 maart 2018, alsmede de inhoud van het Pro Justitia rapport van psycholoog M.M.F. van Casteren d.d. 13 december 2017. De rechtbank constateert aan de hand van deze rapportages dat het bewezenverklaarde incident niet los valt te zien van de echtscheiding van de ouders van verdachte en de gevolgen die deze echtscheiding voor verdachte heeft gehad. De psycholoog schrijft in dit kader onder meer het volgende:

“ [verdachte] lijkt zich tot de scheiding van zijn ouders normaal ontwikkeld te hebben. Hij wordt beschreven als een goed aangepaste, verantwoordelijke en rustige jongen. Hij deed het goed op school en liet geen gedragsproblemen zien. Hij werd op school ervaren als een beleefde en rustige jongen. Hij had vrienden. Hij voetbalde bij een club. Thuis gedroeg hij zich ook goed. Volgens moeder had zij een goede band met [verdachte] . Vanaf het moment dat moeder vertrekt (medio 2016) en [verdachte] bij vader achterblijft, trekt hij zich meer en meer uit de (Nederlandse) maatschappij terug. Hij gaat niet meer naar school. Zijn vrienden ziet hij niet meer. Hij raakt steeds meer geïsoleerd en verblijft voornamelijk in het gezelschap van zijn vader. Hij uit zich zeer negatief over zijn moeder. Hij geeft haar de schuld van het uiteenvallen van het gezin en het eerverlies dat de familie daardoor lijdt. Hij neemt het haar ook kwalijk dat zij zijn broertje heeft meegenomen, terwijl in de Islamitische cultuur de kinderen na een scheiding aan vader toebehoren. Zijn vader wordt door hem sterk geïdealiseerd.[…]

[verdachte] heeft de afgelopen anderhalf jaar veel meegemaakt en lijkt emotioneel steeds meer klem te zijn komen te zitten. […]

Zijn vader […] lijkt zich geheel te zijn gaan richten op het onrecht dat zijn vrouw hem heeft aangedaan en op het bewerkstellingen van een terugkeer van zijn vrouw naar huis. Hij zet zijn twee zoons daarbij op een manipulatieve manier in. [verdachte] heeft in dit conflict als oudste zoon de kant van zijn vader gekozen en zich tegen moeder gekeerd. [verdachte] heeft een sterke band met zijn vader en lijkt in deze periode zijn vader zoveel mogelijk te hebben ondersteund. Hij voelt zich verantwoordelijk voor het welzijn van zijn vader. Hij lijkt het leed wat moeder vader in zijn ogen heeft aangedaan te hebben proberen te compenseren door een goede zoon voor zijn vader te zijn en te doen wat hij dacht dat vader van hem verlangde als oudste zoon in een Afghaanse familie. Dit wijst op parentificatie. Het zien van het verdriet van zijn vader om de scheiding heeft bij hem mogelijk woede naar moeder toe aangewakkerd, al zegt hij zelf niet boos op moeder te zijn, enkel teleurgesteld. Hij komt in deze tijd steeds meer op afstand van moeder en van de Nederlandse cultuur te staan. In psychologisch opzicht lijkt [verdachte] nog nauwelijks een eigen identiteit ontwikkeld te hebben. […]

De ontwikkeling van [verdachte] lijkt sinds het vertrek van moeder op cognitief, sociaal en emotioneel gebied te zijn gestagneerd. Hij ging niet meer naar school, hij had geen contact meet met leeftijdgenoten en hij kwam klem te zitten tussen zijn ouders.”

De rechtbank is van oordeel dat het sociaalmaatschappelijke isolement waar verdachte, hoofdzakelijk door toedoen van zijn vader, in is komen te verkeren, ontegenzeggelijk verband houdt met de bewezenverklaarde gedraging en deels verklaart hoe verdachte tot die gedraging is gekomen. De rechtbank zal hiermee in strafmatigende zin rekening houden bij het bepalen van de op te leggen straf.

Volgens de Raad voor de Kinderbescherming hebben de ouders verdachte een onvoldoende stabiele en emotioneel veilige basis kunnen bieden. De Raad is van mening dat dit ernstige tekortschieten in de opvoedsituatie (op zijn minst) mede ten grondslag ligt aan de stagnatie van de cognitieve, sociale en emotionele ontwikkeling zoals geconstateerd door het NIFP. Om verdachte weer aan ontwikkeling toe te laten komen, heeft hij een veilige, duidelijke en stabiele opvoedomgeving nodig, waar hij hulp, begeleiding en behandeling krijgt. De Raad vindt geen van beide ouders momenteel in staat hem dit voldoende te bieden. De Raad kan zich dan ook vinden in het besluit van de gezinsvoogd om de kinderrechter een machtiging uithuisplaatsing in een gesloten setting te verzoeken. De Raad verwacht dat verdachte mee zal werken, maar adviseert de rechtbank om verdachte een gedeeltelijk voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met als voorwaarde dat verdachte meewerkt aan behandeling. Dit om verdachte ook voor de langere termijn te motiveren zijn medewerking te verlenen.

De rechtbank acht het van groot belang dat verdachte vanuit de detentie in De Hunnerberg direct kan doorstromen naar gesloten jeugdzorg van - bij voorkeur - de Otto Gerhard Heldringstichting in Zetten. De rechtbank realiseert zich echter ook dat zij op het verloop van dit traject geen invloed kan uitoefenen en dat de voorspoedige gang van zaken mede afhankelijk is van de inspanningen van de betrokken instanties en van het oordeel van de kinderrechter ten aanzien van de aangevraagde machtiging tot uithuisplaatsing. Voor het wijzen van een tussenvonnis, zoals door de verdediging in dit verband is voorgesteld, ziet de rechtbank evenwel geen gronden. De rechtbank betrekt daarbij dat het voor verdachte ook belangrijk is dat hij zo spoedig mogelijk duidelijkheid krijgt over het oordeel van de rechtbank in deze strafzaak.

Naar het oordeel van de rechtbank kan in verband met een juiste normhandhaving niet worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een jeugddetentie van na te noemen duur. Al het voorgaande mede in aanmerking genomen, ziet de rechtbank aanleiding een gedeelte van deze jeugddetentie voorwaardelijk op te leggen, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals die door de Raad voor de Kinderbescherming zijn geformuleerd. Hiermee wordt enerzijds beantwoord aan de ernst van het door verdachte gepleegde feit en wordt anderzijds mogelijk gemaakt dat verdachte de begeleiding krijgt die hij nodig heeft.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 45, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

t.a.v. het impliciet subsidiair ten laste gelegde:

poging tot doodslag

- verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

- legt op de volgende straf:

t.a.v. het impliciet subsidiair ten laste gelegde:

Jeugddetentie voor de duur van 360 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht waarvan 170 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode en op door hen te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering (uit te voeren door de Stichting Jeugdbescherming Brabant, adres Oude Vlijmenseweg 112, 5223 GS te ’s-Hertogenbosch, telefoon: 088-2439000), zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht, en de aanwijzingen van de jeugdzorgwerker zal volgen;

- zich houdt aan de voorwaarden met betrekking tot de eventuele civiele plaatsing;

- zijn medewerking verleent aan observatie en diagnostiek en de eventuele behandelingen die daaruit volgen in de vorm en op het moment dat de jeugdreclassering dit nodig acht;

Geeft opdracht aan de Stichting Jeugdbescherming Brabant te ’s-Hertogenbosch tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorlopige hechtenis

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van de opgelegde jeugddetentie.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M. Kooijmans-de Kort, voorzitter,

mr. E.M. Vermeulen en mr. C.M. Zandbergen, leden,

in tegenwoordigheid van mr. P. Susijn, griffier,

en is uitgesproken op 27 maart 2018.

1 Bij de aanduiding van de bewijsmiddelen wordt – tenzij anders vermeld – verwezen naar de paginanummers uit het proces-verbaal van de politie eenheid Oost-Brabant, districtsrecherche ’s-Hertogenbosch, met documentcode 9161322JM81 (onderzoek OB1R017118 ‘Hornbach’), afgesloten op 28 januari 2018, aantal doorgenummerde pagina’s: 321. De inhoud van de bewijsmiddelen is telkens op zakelijke wijze weergegeven.

2 (Separaat) proces-verbaal verhoor getuige [slachtoffer] bij de rechter-commissaris, d.d. 27 februari 2018.

3 Proces-verbaal verhoor aangever [de rechtbank begrijpt dat deze persoon geen heeft aangifte gedaan] [slachtoffer] d.d. 23 november 2017, p. 46 t/m 48.

4 (Separaat) proces-verbaal verhoor [getuige 1] bij de rechter-commissaris, d.d. 27 februari 2018.

5 (Separaat) proces-verbaal verhoor [getuige 2] bij de rechter-commissaris, d.d. 27 februari 2018.

6 Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] d.d. 29 september 2017, p. 13.

7 Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] d.d. 29 september 2017, p. 15.

8 (Separaat) rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 5 februari 2018 (zaaknummer 2017.11.29.096), opgemaakt en ondertekend door B.F.L. Oude Grotebevelsborg, forensisch arts.