Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:137

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
12-01-2018
Datum publicatie
22-01-2018
Zaaknummer
17_1573
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uit de MvT leidt de rechtbank af dat de wetgever expliciet bedoeld heeft om in een situatie als de onderhavige, waarbij de partner langdurig in het buitenland verblijft en daarmee geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Pw, aan de rechthebbende partner in plaats van de alleenstaandennorm nog slechts een norm van 50% van de gehuwdennorm toe te kennen. Wel dient te worden bezien of, gelet op de individuele situatie van de uitkeringsgerechtigde, aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de Pw alsnog een hogere (aanvullende) bijstandsuitkering toe te kennen. In dit geval bestaat daarvoor heen aanleiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2018/51
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 17/1573

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 januari 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.E.M. Jacquemard),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Verzandvoort).

Procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser met ingang van 3 november 2016 een uitkering ingevolge de Participatiewet (Pw) toegekend naar de norm voor een gehuwde met een niet-rechthebbende partner. Het verzoek om bijstand over de periode van 1 oktober 2016 tot 3 november 2016 is daarbij afgewezen.

Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om hangende het bezwaar een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 21 april 2017 (SHE 17/690) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek toegewezen, in die zin dat verweerder in aanvulling op de aan eiser met toepassing van artikel 24 van de Pw verleende bijstand met ingang van 1 maart 2017 een voorschot op de bijstand dient te verlenen ter hoogte van 20% van de bijstandsnorm voor gehuwden.

Bij besluit van 9 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard, onder aanvulling van de motivering.

Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om hangende het beroep een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 2 augustus 2017 (SHE 17/1572) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek toegewezen, in die zin dat verweerder in aanvulling op de aan eiser met toepassing van artikel 24 van de Pw verleende bijstand met ingang van 1 augustus 2017 een voorschot op de bijstand dient worden te verleend ter hoogte van 20% van de bijstandsnorm voor gehuwden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Relevante feiten en omstandigheden

1. Eiser ontving eerder een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande. Bij besluit van 24 oktober 2016 heeft verweerder de uitkering ingetrokken en beëindigd en zich daarbij op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een uitkering naar de norm van een alleenstaande. Hij is namelijk sinds 14 mei 2015 gehuwd met mevrouw [naam] (hierna: [naam] , die in Marokko bij de moeder van eiser verblijft. Bij besluit van 23 februari 2017 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Bij uitspraak van heden (SHE 17/1114) heeft deze rechtbank het beroep van eiser ongegrond verklaard. Op 9 november 2016 heeft eiser een aanvraag ingediend om opnieuw in aanmerking te komen voor een bijstandsuitkering.

Standpunten van partijen

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiser met ingang van 3 november 2016 een uitkering toegekend ten bedrage van € 697,97 netto per maand, naar de norm van gehuwden met een niet-rechthebbende partner. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat eiser en zijn echtgenote niet als duurzaam gescheiden levend kunnen worden aangemerkt. Volgens verweerder is er geen reden om de bijstand met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de Pw af te stemmen.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd, onder aanvulling van de motivering. Verweerder wijst erop dat het doel van de aanpassing van artikel 24 van de Pw is te voorkomen dat indirect tevens bijstand wordt verleend aan de niet-rechthebbende partner. Daarvan is ook sprake in het geval de partner niet in Nederland, maar permanent in het buitenland verblijft. Dat dit niet zo zou zijn, blijkt niet uit de Memorie van Toelichting. Verder stelt verweerder dat de situatie van eiser – gehuwd met een permanent in Marokko verblijvende, niet-rechthebbende partner – niet kan worden aangemerkt als een zeer bijzondere omstandigheid die aanleiding geeft tot afstemming. Bij afstemming dient te worden gekeken naar alle omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Het hebben van schulden is geen reden voor afstemming, het gaat om de daadwerkelijke inkomsten en de vraag of een belanghebbende in zijn levensonderhoud kan voorzien. Hetgeen eiser naar voren heeft gebracht over zijn financiële situatie is onvoldoende om te kunnen oordelen dat in zijn geval sprake is van een buitensporig zware last. Eiser ontvangt naast zijn uitkering huurtoeslag en zorgtoeslag. Bovendien kan zijn echtgenote bijdragen in de kosten van levensonderhoud door inkomsten te genereren. Er is daarom geen aanleiding om de uitkering die volgt uit artikel 24 van de Pw met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de Pw naar boven af te ronden.

4. Eiser stelt primair dat hij weliswaar gehuwd is, maar duurzaam gescheiden leeft van zijn echtgenote. Zijn echtgenote verblijft in Marokko en het is niet mogelijk om haar naar Nederland te laten komen, omdat hij niet duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. Zij zien elkaar maar één keer per jaar en ook financieel zijn er geen banden. De echtgenote van eiser woont bij zijn moeder in Marokko en wordt door haar onderhouden. Het huishouden van eiser staat echter volstrekt los van dat van zijn moeder.
Volgens eiser is er sprake van een situatie waarin het samenleven niet plaatsvindt en niet kan plaatsvinden, ondanks het gegeven dat beide echtelieden dit graag anders zouden hebben. Subsidiair stelt eiser dat, ook als moet worden aangenomen dat hij niet duurzaam gescheiden leeft van zijn echtgenote, dat geen reden is om onverkort toepassing te geven aan artikel 24 van de Pw. Volgens eiser dient in dit geval de bijstand met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de Pw te worden afgestemd op zijn persoonlijke (financiële) situatie.
Beoordeling

5. De rechtbank stelt voorop dat het verzoek van eiser in het beroepschrift om hetgeen in de bezwaarprocedure is aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen – zonder daarbij aan te geven in welk opzicht, in zijn visie, de reactie van verweerder in het bestreden besluit ontoereikend was – onvoldoende is om te spreken van een beroepsgrond waar de rechtbank op in dient te gaan.

Duurzaam gescheiden leven

6. Ingevolge artikel 3, tweede lid, onder b, van de Pw wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.

7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiser en zijn echtgenote terecht als niet duurzaam gescheiden levend aangemerkt. De rechtbank verwijst daartoe naar hetgeen zij heeft overwogen in haar uitspraak van heden waarbij het beroep, gericht tegen de intrekking en beëindiging van de bijstandsuitkering, ongegrond is verklaard (SHE 17/1114).

Afstemming op grond van artikel 18 van de Pw

8. De Pw is met ingang van 1 januari 2016 gewijzigd, waarbij artikel 19a is toegevoegd, artikel 22a, derde lid, onderdeel a, is geschrapt en artikel 24 is gewijzigd.

9. Ingevolge artikel 24 van de Pw, zoals dat luidt met ingang van 1 januari 2016, is voor gehuwden waarvan een echtgenoot geen recht op algemene bijstand heeft voor de rechthebbende echtgenoot de norm gelijk aan 50% van de norm die voor hem zou gelden als hij gehuwd zou zijn met een rechthebbende echtgenoot van zijn leeftijd, indien:

a. de rechthebbende echtgenoot 21 jaar of ouder is en geen kostendelende medebewoners heeft; dan wel

b. de rechthebbende echtgenoot jonger dan 21 jaar is.

10. Volgens de Memorie van Toelichting op de Wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verzamelwet SZW 2016, Kamerstukken, II 2014/15, 34 273, nr. 3) is met de wijziging beoogd duidelijkheid te scheppen over de vraag welk artikel van toepassing is als sprake is van gehuwden waarvan een echtgenoot niet-rechthebbend is. In de eerder geldende wettekst kon verwarring ontstaan of in die situatie artikel 22a of artikel 24 van toepassing was. Voorgesteld is dit duidelijker te regelen door de bepaling hierover in artikel 22a te schrappen en de tekst van artikel 24 aan te passen. Indien het gehuwden betreft waarvan de rechthebbende echtgenoot 21 jaar of ouder is, en die niet met één of meer kostendelende medebewoners samenwonen, is artikel 24 van toepassing. “Artikel 24 betreft de norm voor de rechthebbende echtgenoot, in het geval dat de partner geen recht op algemene bijstand heeft. Met deze norm wordt voorkomen dat indirect tevens bijstand wordt verleend aan de niet-rechthebbende partner. (…)

De individuele situatie van gehuwden met een niet-rechthebbende partner kan onderling sterk verschillen. Een niet-rechthebbende partner kan bijvoorbeeld de partner zijn die aanspraak heeft op een voorliggende voorziening, die langdurig in het buitenland verblijft, geniet van onbetaald verlof of de verplichtingen op grond van de Participatiewet niet wil nakomen (indien de partner jonger dan 27 jaar is). Tevens kan een situatie ontstaan van duurzaam gescheiden leven. Dit maakt dat bij toepassing van artikel 24 altijd goed gekeken moet worden naar de individuele situatie. Indien nodig heeft het college op basis van artikel 18 de mogelijkheid om in individuele gevallen de algemene bijstand af te stemmen”.

11. Uit het vorenstaande leidt de rechtbank af dat de wetgever expliciet bedoeld heeft om in een situatie als de onderhavige, waarbij de partner langdurig in het buitenland verblijft en daarmee geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Pw, aan de rechthebbende partner in plaats van de alleenstaandennorm nog slechts een norm van 50% van de gehuwdennorm toe te kennen. Wel dient te worden bezien of, gelet op de individuele situatie van de uitkeringsgerechtigde, aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de Pw alsnog een hogere (aanvullende) bijstandsuitkering toe te kennen.

12. Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Pw stemt het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Deze bepaling geeft verweerder ruimte om in het individuele geval de hoogte van de bijstand af te stemmen naar boven of naar beneden.

13. Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is voor een dergelijke afstemming slechts plaats in zeer bijzondere omstandigheden, zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 28 juli 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:2492) en 28 februari 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:879).

14. Verweerder stelt in het bestreden besluit terecht dat bij afstemming dient te worden gekeken naar alle omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Waar het om gaat is of een belanghebbende in zijn of haar levensonderhoud kan voorzien.

15. Volgens verweerder is in geval van eiser voor verdere afstemming geen aanleiding. Eiser ontvangt naast zijn uitkering huurtoeslag en zorgtoeslag en bovendien kan zijn echtgenote bijdragen in de kosten van levensonderhoud door inkomsten te genereren. Voor de schulden die zijn ontstaan door de gokverslaving van eiser wordt geen (bijzondere) bijstand verleend.

16. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat voor afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de Pw geen aanleiding is. Eiser stelt enkel dat een bedrag van 50% van de gehuwdennorm ver onder het bestaansminimum is, maar hij heeft niet onderbouwd dat er door de lagere uitkering een financiële noodsituatie is ontstaan. Omdat het een aanvraag betreft, had het op de weg van eiser gelegen om aan te tonen - bijvoorbeeld met een overzicht van zijn vaste lasten en bankafschriften - dat hij met het huidige totaal aan inkomsten niet in de kosten van het levensonderhoud kan voorzien. Overigens is de rechtbank met verweerder van oordeel dat bijstandverlening niet geschiedt ter financiering van of aflossing van schulden ontstaan door eisers gokverslaving.

17. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van ’t Klooster, voorzitter, mr. M.G.P.A. Burghoorn en mr. S.D.M. Michael, leden, in aanwezigheid van mr. F.T.H. Langeweg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.