Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:1139

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
07-03-2018
Datum publicatie
13-03-2018
Zaaknummer
C/01/316475 / HA ZA 17-36
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Contradictoir. rechtens ondeelbare rechtsverhouding, regresrecht van termijnbetalingen

Het is in ieder geval duidelijk dat niet slechts de man en de vrouw eigenaar zijn van het stuk grond, maar ook de vooralsnog onbekende erfgenamen van de moeder van de vrouw. Een deel van de vorderingen van de man ziet op de verdeling (door verkoop en vervolgens verdeling van de opbrengst) van het stuk grond dat deels tot de nalatenschap van de moeder van de vrouw behoort. Dat betekent dat sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding, waarbij het noodzakelijk is dat een beslissing daarover voor alle daarbij betrokken partijen hetzelfde zal luiden. Dat betekent dat de rechter een beslissing over die verdeling slechts kan geven in een geding waarin allen die bij die rechtsverhouding zijn betrokken, partij zijn, zodat de rechterlijke beslissing hen allen bindt.

De stellingen van partijen leiden niet tot duidelijkheid met betrekking tot de identiteit van de erfgenamen. Om die reden ziet de rechtbank geen aanleiding om de zaak ambtshalve aan te houden om de man in de gelegenheid te stellen de betreffende erfgenamen op te roepen en in de procedure te betrekken.

Indien sprake is van een in termijnen betaalbare schuld met steeds een periodieke opeisbaarheid, moet er telkenmale per termijn worden beoordeeld of de man meer dan zijn aandeel heeft betaald (Parlementaire geschiedenis NBW – boek 6, toelichting Meijers bij artikel 6.1.2.4., Asser-Hartkamp 4-I, nr. 116, Kluwer-Verbintenissenrecht aantekening 5 bij artikel 6:10 BW en Van Buchem-Spapens Monografieën Nieuw BW nr. 31b, pagina 23).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF Actueel 2018/101
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/316475 / HA ZA 17-36

Vonnis van 7 maart 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. A. Sarkis te Maastricht,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] , [land] ,

gedaagde,

advocaat mr. C. Simmelink te Utrecht.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 1 februari 2017;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 11 mei 2017;

  • -

    het rolbericht van de vrouw van 12 juli 2017 waarbij stukken zijn overgelegd;

  • -

    het rolbericht van de vrouw van 23 augustus 2017, waarbij dezelfde stukken in tweevoud zijn overgelegd;

  • -

    het rolbericht van de vrouw van 6 september 2017, waarbij wederom dezelfde stukken zijn overgelegd, alsmede (productie 3) een nieuw stuk;

  • -

    de antwoordakte van de zijde van de man van 20 september 2017;

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De man en de vrouw hebben gedurende vijftien jaar een affectieve relatie gehad.

2.2.

Op 29 december 2000 hebben zij samen met de moeder van de vrouw (mevrouw [naam moeder gedaagde] , hierna de moeder) een onroerende zaak gekocht aan de [adres] . Voor de financiering hiervan is een hypothecaire geldlening afgesloten bij de SNS bank ter hoogte van fl. 540.000,00. Het hypotheekrecht is gevestigd op de onroerende zaak.

2.3.

In september 2005 zijn de man en de vrouw met elkaar gehuwd in algehele gemeenschap van goederen.

2.4.

Eind 2006 hebben de man, de vrouw en de moeder een gedeelte van de onroerende zaak verkocht. Van de opbrengst van de verkoop is een gedeelte van de hypothecaire schuld afgelost. Het resterende deel, een stuk grond ter grootte van 9,8 are (hierna het stuk grond), bleef gemeenschappelijk eigendom. De resterende hypothecaire schuld was ongeveer

€ 73.000,00.

2.5.

In juli 2009 is de echtscheiding tussen de man en de vrouw uitgesproken. De door de echtscheiding ontbonden huwelijksgoederengemeenschap is niet (geheel) verdeeld. In ieder geval is er niets afgesproken over het stuk grond.

2.6.

Anders dan in de dagvaarding en in het tussenvonnis van 22 december 2016 staat, is de moeder op 26 december 2011 (en niet op 26 december 2012) overleden. De moeder woonde ten tijde van haar overlijden in Duitsland. De moeder had in ieder geval drie kinderen, te weten de vrouw, [naam broer gedaagde] (de broer van de vrouw - hierna de broer) en [naam zus gedaagde] (de zus van de vrouw - hierna de zus).

2.7.

Bij testament van 29 december 2000, opgemaakt ten overstaan van notaris Van Beek te Wijchen, heeft de moeder aan de vrouw gelegateerd:

  • -

    haar inboedel;

  • -

    haar aandeel in het eigendomsrecht van het woonhuis met ondergrond, erf, tuin en landerijen (…) gelegen te [adres] ;

  • -

    haar aandeel in de haar in eigendom toehorende levende have;

onder de verplichting om de tegenwaarde van deze goederen in de nalatenschap in te brengen.

Op de uitleg van het testament en op de erfopvolging en afwikkeling van de nalatenschap is Nederlands recht van toepassing verklaard.

2.8.

De man en de vrouw hebben de Nederlandse nationaliteit. De moeder van de vrouw had zowel de Nederlandse als de Duitse nationaliteit.

3 Het geschil

3.1.

De man vordert samengevat – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. primair: veroordeling van de vrouw om met onmiddelijke ingang mee te werken aan de verkoop van het stuk grond, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag, of deel van een dag dat de vrouw niet zal voldoen aan deze veroordeling;

II. subsidiair: dat hij wordt gemachtigd om namens de vrouw en de erfgenamen van de moeder het stuk grond te verkopen en het verlies van het stuk grond evenredig op de erfgenamen te verhalen, indien de vrouw niet meewerkt aan de verkoop van het stuk grond;

III. meer subsidiar: veroordeling van de vrouw tot aflossing van 2/3e deel van de hypothecaire schuld vermeerderd met de wettelijke rente, indien de vrouw en de ergenamen van de moeder niet meewerken aan de verkoop van het stuk grond;

IV. meer subsidiar: veroordeling van de vrouw tot betaling van een bedrag van € 6.296,55 zijnde 2/3e deel van de kosten die de man voor het stuk grond heeft moeten maken, vermeerderd met de wettelijke rente;

V. veroordeling van de vrouw tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.411,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

VI. veroordeling van de vrouw in de proceskosten van dit geding, met inbegrip van de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het tijdstip dat de vrouw in verzuim is om deze kosten te voldoen.

3.2.

De vrouw voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De man legt het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag.

Een onverdeeld aandeel in het stuk grond valt binnen de ontbonden huwelijkse goederengemeenschap van partijen. Datzelfde geldt voor de hypotheekschuld bij de SNS-bank. De ontbonden huwelijksgoederengemeenschap is na de echtscheiding onverdeeld gebleven. Op het stuk grond rust nog een hypothecaire schuld van ongeveer € 73.000,00. De vrouw is jegens de man, zo stelt de man, hoofdelijk en voor het geheel aansprakelijk voor deze schuld.

De man betaalt in zijn eentje de hypothecaire verplichtingen en heeft sinds 2008 een bedrag van in totaal € 9.444,83 aan kosten voor het stuk grond voldaan. Dit blijkt, zo stelt de man, uit productie 3 bij dagvaarding, waarbij de man een overzicht van de SNS-bank heeft overgelegd met betrekking tot betalingen aan het Waterschap AA en Maas voor in totaal

€ 245,78 en uit het, eveneens als productie 3, overgelegde historisch overzicht van deurwaarder Hofman Incasso. Op de laatste pagina van dit historisch overzicht staat dat de man in totaal € 9.199,05 heeft betaald. De vrouw heeft niets betaald, terwijl de man, de vrouw en de moeder hadden afgesproken dat zij voor gelijke delen zouden bijdragen in de kosten van het stuk grond.

Onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 6:10 lid 2 BW stelt de man dat hij een regresrecht heeft op de vrouw. Daarbij voert de man, voor wat betreft de door hem gedane betalingen, aan dat in elke betalingsperiode een nieuwe betalingsverplichting is ontstaan, zodat er van kan worden uitgegaan dat de man in elke periode meer heeft betaald dan zijn aandeel.

Het aandeel van de moeder in de hypothecaire schuld en de overige bezittingen van de moeder zijn door de vrouw en de overige erfgenamen van de moeder aanvaard. Op grond hiervan heeft de man recht om 2/3e deel van de kosten die hij voor het stuk grond heeft moeten maken, te verhalen op de vrouw. Zij is niet alleen contractspartij, maar ook erfgename. Ondanks diverse aanmaningen heeft de vrouw niet bijgedragen aan deze kosten. Zij heeft kenbaar gemaakt niet (zonder meer) mee te willen werken aan de verkoop (en verdeling) van de onroerende zaak.

4.2.

De vrouw stelt wel mee te willen werken aan de verkoop van het stuk grond. Er is in het verleden door het Waterschap een bod gedaan van € 50.000,00, maar de bank vond het geboden bedrag te laag en gaf geen toestemming voor de verkoop.

Verkoop en levering van de grond is bovendien onmogelijk aangezien er geen partij is die toestemming kan geven voor het aandeel van de moeder in de grond. De vrouw voert aan dat de moeder bij testament (opgemaakt op 29 december 2000) haar drie kinderen (waaronder de vrouw) tot erfgenaam heeft benoemd, maar dat de kinderen de nalatenschap hebben verworpen. De moeder woonde ten tijde van haar overlijden in Duitsland.

Omdat alle erfgenamen van de moeder de nalatenschap hebben verworpen, zijn de bezittingen van de moeder, voor zover in Duitsland gelegen, door de Duitse Staat per veiling verkocht. Uit de opbrengst zijn schulden van de moeder betaald. Omdat het stuk grond in Nederland ligt, heeft de Duitse Staat daar niets mee gedaan.

De vrouw betwist dat de man naast de kosten aan het waterschap ter hoogte van € 245,78 ook nog € 9.199,05 aan kosten voor het stuk grond heeft betaald. Uit de als productie 3 bij dagvaarding overgelegd historisch overzicht kan niet worden afgeleid dat de man het door hem genoemde bedrag van € 9.199,05 heeft betaald.

De vrouw betwist dat de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap onverdeeld is gebleven. De vrouw erkent wel dat zij mede-eigenaar is van het stuk grond en medeschuldenaar is van de hypothecaire geldlening. De man heeft echter niet meer dan het gedeelte van de schuld dat hem aangaat betaald, zodat artikel 6:10 lid 2 BW niet van toepassing is.

De vrouw wijst er op dat, als de man inderdaad kosten ten behoeve van het stuk grond heeft betaald, waar de overige eigenaren (de vrouw en de erfgenamen van de moeder) mede aansprakelijk voor zijn, het dan bevreemdt dat alleen de vrouw is gedagvaard. De vrouw is in ieder geval niet hoofdelijk aansprakelijk voor het aandeel van de erfgenamen van de moeder, behalve voor zover zij zelf erfgenaam zou zijn.

De man heeft de vrouw nooit om betaling verzocht, heeft nooit concrete bedragen genoemd en de vrouw is nooit door hem in gebreke gesteld. Zij is dus nooit in verzuim komen te verkeren.

De door de man gevorderde dwangsommen zijn, gelet op het lage inkomen van de vrouw, veel te hoog. Dit blijkt uit de verleende toevoeging. Als een dwangsom wordt opgelegd, moet deze worden verlaagd tot een veel lager bedrag. Er zijn geen buitengerechtelijke incassokosten gemaakt. De vrouw verzoekt een eventueel toewijzend vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren in verband met een restitutierisico en de slechte financiële positie van de vrouw.

4.3.

Na de comparitie van partijen zijn, zoals afgesproken, van de zijde van de vrouw stukken overgelegd, te weten stukken met betrekking tot de door de vrouw gestelde verwerping van de nalatenschap, alsmede een kopie van het testament van de moeder.

4.4.

De man heeft naar aanleiding van deze door de vrouw overgelegde stukken het volgende aangevoerd. De man betwist dat de vrouw pas onlangs op de hoogte is geraakt van het testament, omdat zij naar aanleiding van het testament al geruime tijd geleden rechtshandelingen heeft verricht. Voorts wijst de man er op dat de vrouw heeft gehandeld in strijd met de waarheidsplicht ex artikel 21 Rv en de substantiëringsplicht van artikel 111 lid 3 Rv. De vrouw dient, zo stelt de man, bewijs aan te dragen dat zij niet alleen formeel, maar ook in werkelijkheid en reëel heeft verworpen. Vanwege schending van de waarheidsplicht en substantiëringsplicht dient het verweer van de vrouw te worden verworpen. De vrouw heeft bovendien, zo heeft zij ter zitting verklaard, paarden van de moeder verkocht, zodat zij óf zichzelf heeft verrijkt, ófwel niet heeft gehandeld conform de regels met betrekking tot het verwerpen van nalatenschappen heeft gehandeld.

Ten slotte wijst de man er op dat, conform de bepalingen in het testament, op de nalatenschap van moeder Nederlands recht van toepassing is.

4.5.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.6.

De eerste vraag die beantwoord moet worden is wie eigenaren zijn van het stuk grond. Tussen partijen is niet in geschil dat zowel de man als de vrouw ieder voor één derde deel eigenaar zijn. Onduidelijk is wie eigenaar is van het één derde deel van de grond dat aan de moeder toebehoorde.

4.7.

Uit het door de vrouw overgelegde testament van de moeder volgt dat op de uitleg van het testament, de erfopvolging en de afwikkeling van de nalatenschap Nederlands recht van toepassing is verklaard.

4.8.

De rechtbank stelt vast dat in het testament onder meer staat dat een aantal zaken aan de vrouw worden gelegateerd, onder de inbreng van de waarde daarvan in de nalatenschap. Er is geen erfstelling opgenomen in het testament, zodat de vraag wie erfgenamen zijn dient te worden beantwoord volgens de regels van het wettelijk erfrecht. Volgens Nederlands recht zijn dat, gelet op het bepaalde in artikel 4:10 BW, als eerste de echtgenoot (die er kennelijk niet is) en de kinderen van de overledene. Vervolgens de ouders, de broers en zusters van de overledene en daarna de grootouders en de overgrootouders. Afstammelingen van deze personen worden bij plaatsvervulling erfgenaam.

4.9.

De vrouw heeft aangevoerd dat zij, haar broer en haar zus de nalatenschap van de moeder hebben verworpen.

4.10.

Ingevolge het bepaalde in artikel 4:190 BW jo artikel 4:191 lid 1 BW kan een nalatenschap worden verworpen door het afleggen van een daartoe strekkende verklaring ter griffie van de rechtbank van het sterfhuis.

4.11.

Uit de door de vrouw overgelegde stukken blijkt het volgende:

Op 6 februari 2012 heeft de vrouw een “Erbausschlagung” afgelegd bij het Amtsgericht Heinsberg (Duitsland). Zij verklaart daarbij de nalatenschap van haar moeder te weigeren. Zij verklaart voorts de nalatenschap eveneens voor de (/haar?) minderjarige kinderen [naam kind 1] en [naam kind 2] te weigeren. Voorts verklaart zij de nalatenschap te weigeren namens de (/haar?) minderjarige kinderen [naam kind 3] en [naam kind 4] te verwerpen, alsmede dat de vader van deze kinderen een vergelijkbare verklaring zal afleggen.

Op 2 maart 2012 heeft de heer [naam vader] , eveneens ten overstaan van het Amtsgericht Heinsberg, in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van zijn minderjarige kinderen [naam kind 3] en [naam kind 4] , verklaart dat de moeder de grootmoeder is van zijn kinderen en dat hij namens zijn kinderen de erfenis verwerpt.

Op 3 februari 2012 hebben de broer ( [naam broer gedaagde] ) en zus ( [naam zus gedaagde] ) van de vrouw een zogeheten “Erbausschlagung-erkläring” afgelegd bij het Amtsgericht Heinsberg (Duitsland). Zij verklaren dat zij de nalatenschap in ieder geval willen verwerpen en gaan er, gelet op hun verklaring, van uit dat omdat de moeder al langer dan 5 jaar in Duitsland woont en ook de Duitse nationaliteit heeft, ook Duits recht van toepassing is.

Zij verklaren de nalatenschap ook te willen weigeren als Nederlands recht van toepassing zou zijn.

De broer van de vrouw heeft in diezelfde akte verklaard de nalatenschap ook voor zijn minderjarige kinderen ( [naam kind 5] en [naam kind 6] ) te verwerpen, zowel voor het geval dat Duits recht van toepassing is, als voor het geval dat Nederlands recht van toepassing is.

De echtgenote van de broer van de vrouw ( [naam echtgenote van de broer van gedaagde] ) heeft op 21 februari 2012 een vergelijkbare verklaring afgelegd voor wat betreft de verwerping namens de minderjarige kinderen [naam kind 5] en [naam kind 6] .

In de akte van 3 februari 2012 staat verder dat ten gevolge van de verwerping door de zus ( [naam zus gedaagde] ) haar (kennelijk meerderjarige) kinderen [naam kind 7] , [naam kind 8] en [naam kind 9] thans tot de nalatenschap zijn geroepen.

4.12.

De rechtbank stelt voorts vast dat de vrouw in haar verklaring van 6 februari 2012 verklaart dat zij, anders dan in de conclusie van antwoord staat, naast haar broer [naam broer gedaagde] en zus [naam zus gedaagde] (die kennelijk een halfbroer en halfzus zijn) ook nog een halfzus [naam halfzus] heeft. [naam halfzus] woont, uitgaande van de verklaring van de vrouw, in Australië. Door de vrouw is geen Erbausschlagung-erkläring van haar zus [naam halfzus] overgelegd.

4.13.

Door de vrouw is ook nog, zonder dit stuk nader toe te lichten, een Besluit van het Amtsgericht Heinsberg van 9 augustus 2012 overgelegd, waarin staat dat een “Nachlassplegschaft” voor de onbekende erfgenamen is uitgeroepen. De rechtbank begrijpt dat advocaat Manfred Heinz uit Düsseldorf tot Nachlasspfleger (executeur-testamentair) benoemd is, omdat sprake is van een nalatenschap die afgewikkeld moet worden terwijl de erfgenamen onbekend zijn.

4.14.

Ter zitting is namens de vrouw verklaard dat de nalatenschap van de moeder, voor zover het de in Duitsland aanwezige bezittingen betreft, in Duitsland door de Duitse overheid is afgewikkeld. Met het in Nederland gelegen stuk grond is echter niets gedaan, zo stelt de vrouw. De vrouw heeft kennelijk nog bemoeienis gehad met de verkoop van aan de moeder toebehorende paarden, al dan niet in overleg met de Duitse overheid of de Nachlasspfleger.

4.15.

Wat hier allemaal ook van zij, uitgaande van het toepasselijke Nederlandse erfrecht kan aangenomen worden dat er, ook als de verwerpingen van de nalatenschap van de moeder door de vrouw, haar broer [naam broer gedaagde] en haar zus [naam zus gedaagde] (voor zichzelf en voor hun minderjarige kinderen) rechtsgeldig zijn, nog erfgenamen zijn die aanspraak zouden kunnen maken op het voorheen aan de moeder toebehorende aandeel in het onverdeelde stuk grond. Aannemelijk is dat zus [naam halfzus] erfgenaam is en wellicht ook de meerderjarige kinderen van zus [naam zus gedaagde] . Mocht later blijken dat ook zij de nalatenschap rechtsgeldig hebben verworpen, dan kan niet worden uitgesloten dat er nog andere familieleden zijn die erfgenaam zijn.

In het midden kan dan ook blijven of de vrouw al dan niet door het verkopen van de paarden, die tot de nalatenschap van de moeder behoren, heeft gehandeld in strijd met de regels voor het verwerpen van nalatenschappen.

4.16.

Het is in ieder geval duidelijk dat niet slechts de man en de vrouw eigenaar zijn van het stuk grond, maar ook de vooralsnog onbekende erfgenamen van de moeder. Een deel van de vorderingen van de man ziet op de verdeling (door verkoop en vervolgens verdeling van de opbrengst) van het stuk grond dat deels tot de nalatenschap van de moeder behoort. Dat betekent dat sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding, waarbij het noodzakelijk is dat een beslissing daarover voor alle daarbij betrokken partijen hetzelfde zal luiden. Dat betekent dat de rechter een beslissing over die verdeling slechts kan geven in een geding waarin allen die bij die rechtsverhouding zijn betrokken, partij zijn, zodat de rechterlijke beslissing hen allen bindt.

4.17.

De stellingen van partijen leiden niet tot duidelijkheid met betrekking tot de identiteit van de erfgenamen. Om die reden ziet de rechtbank geen aanleiding om de zaak ambtshalve aan te houden om de man in de gelegenheid te stellen de betreffende erfgenamen op te roepen en in de procedure te betrekken.

4.18.

Dit betekent dat de vorderingen van de man, voor zover deze zien op de verkoop van het stuk grond, dat wil zeggen de vorderingen onder I en II, moeten worden afgewezen. Datzelfde geldt voor de vordering onder III, nu daarvoor geen juridische grondslag is gesteld.

4.19.

Een ander geschil tussen de man en de vrouw is of de vrouw een vergoeding aan de man dient te betalen voor betalingen die de man heeft gedaan met betrekking tot het stuk grond. De man stelt al geruime tijd, zonder dat de vrouw of de erfgenamen van de moeder daaraan bijdragen, betalingen te hebben gedaan aan het Waterschap en, via de deurwaarder, aan de SNS-bank. De vrouw dient, zo stelt de man, hem te vergoeden voor zover hij meer heeft betaald dan zijn aandeel.

4.20.

De vrouw erkent dat de man in totaal € 245,78 heeft betaald aan het waterschap, maar betwist de door de man gestelde betalingen aan de SNS-bank ter hoogte van

€ 9.199,05. Zij stelt dat het door de man bij dagvaarding overgelegde historisch overzicht onduidelijk is. De vrouw betwist dat zij, alleen of samen met de eventuele erfgenamen van de moeder, gehouden zou zijn aan de man een bedrag van € 6.296,55 te betalen.

4.21.

Ter zitting is namens de man naar de laatste pagina van het historisch overzicht verwezen waar het bedrag € 9.199,05 staat. Met betrekking tot dit historisch overzicht heeft de vrouw nog opgemerkt dat op pagina 7 een bedrag van € 5.350,00 staat, waar de hypotheek kennelijk weer mee is verhoogd. Voorts zijn de vermelde betalingen heel wisselend van omvang.

4.22.

De rechtbank is het met de vrouw eens dat het historisch overzicht niet duidelijk is.

Het overzicht opent met, kennelijk, een beginsaldo van € 66,194,84 (in de kolom incasso). Voorts is er een kolom “ontvangen”, waarvan de rechtbank aanneemt dat daaronder de door de deurwaarder ontvangen betalingen staan. In de kolom “opdrachtgever” staan voorts negatieve bedragen welke kennelijk geen, of in ieder geval een onduidelijk, gevolg hebben voor het totale nog openstaande saldo in de laatste kolom. Het door de gemachtigde van de vrouw genoemde (positieve) bedrag van € 5.350,00 heeft er wel weer toe geleid dat het openstaande saldo is verhoogd van € 65.246,28 tot € 70.596,28. Wat hiervoor de reden is, is niet duidelijk geworden.

Gelet op het in de conclusie van antwoord gevoerde verweer had het op de weg van de man gelegen om duidelijk te maken welke betalingen hij gedaan heeft en op welke wijze deze betalingen in mindering zijn gebracht op de totale openstaande schuld bij de SNS-bank.

De man heeft dat nagelaten en heeft derhalve dit deel van zijn vordering onvoldoende onderbouwd.

4.23.

Met betrekking tot de betalingen aan het Waterschap overweegt de rechtbank als volgt. Uit het door de man overgelegde bankafschrift volgt dat hij in de periode 28 januari 2009 tot en met 1 september 2011 in totaal € 245,78 aan het Waterschap heeft betaald. Dit wordt door de vrouw ook niet betwist.

Uit dit betalingsoverzicht kan echter niet worden afgeleid dat de man een regresrecht op de vrouw heeft. De rechtbank stelt vast dat er sprake is van 9 betalingen van telkens verschillende geldbedragen. Eén betaling is gedaan in januari 2009, vier betalingen in april 2009, één betaling in april 2011, één betaling in september 2011 en twee betalingen in september 2011. Op welke periode de betalingen betrekking hebben valt uit de stellingen van de man niet af te leiden. Of de man door het doen van deze betalingen meer heeft betaald dan zijn aandeel, valt dan ook zonder een nadere toelichting die ontbreekt niet vast te stellen.

Daarbij merkt de rechtbank overigens op dat, anders dan namens de vrouw is aangevoerd, indien sprake is van een in termijnen betaalbare schuld met steeds een periodieke opeisbaarheid, er telkenmale per termijn moet worden beoordeeld of de man meer dan zijn aandeel heeft betaald (Parlementaire geschiedenis NBW – boek 6, toelichting Meijers bij artikel 6.1.2.4., Asser-Hartkamp 4-I, nr. 116, Kluwer-Verbintenissenrecht aantekening 5 bij artikel 6:10 BW en Van Buchem-Spapens Monografieën Nieuw BW nr. 31b, pagina 23).

4.24.

Uit het voorgaande volgt dat niet is komen vast te staan dat en in hoeverre er sprake is van een regresrecht van de man op de vrouw. De vordering van de man onder IV zal daarom worden afgewezen.

4.25.

Nu alle vorderingen van de man worden afgewezen, zal ook de vordering onder V, die ziet op de buitengerechtelijke kosten, worden afgewezen.

4.26.

Met betrekking tot de proceskosten overweegt de rechtbank als volgt.

Aangezien partijen voormalige echtgenoten zijn zal de rechtbank de proceskosten tussen partijen compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten zal dragen.

Dat de vrouw wellicht rauwelijks is gedagvaard leidt niet tot een ander oordeel. Nergens uit blijkt dat, als zij voorafgaand aan het uitbrengen van de dagvaarding vaker was aangeschreven, haar proceshouding anders zou zijn geweest.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten zal dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W.A. Stegeman-Kragting en in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2018.