Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:1119

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
22-02-2018
Datum publicatie
12-03-2018
Zaaknummer
6337277 CV EXPL 17-7027
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Privaatrechtelijke invordering bestuursrechtelijke schuld; peiljaarverlegging Wmo; uitzondering beginsel formele rechtskracht.

CAK kan geen beroep doen op beginsel formele rechtskracht beschikking herziene bijdrage. Bijkomende omstandigheden zijn dermate klemmend dat daarop een uitzondering moet worden aanvaard. Behalve de peiljaarverlegging bestaan er geen mogelijkheden de verschuldigde bijdrage in een concreet geval te matigen. Bijdrageplichtige heeft verzoek om peiljaarverlegging te laat ingediend. Dat haar inkomen in peiljaar 2013 fiscaal juist, maar feitelijk grotendeels fictief was en duidelijk niet representatief voor haar inkomen in 2015 staat voldoende vast. Bij peiljaarverlegging zou geen (hoge) navordering zijn gevolgd. Gezien het belang om een dergelijke situatie te kunnen rechtzetten, het uitgangspunt dat de bijdrage wordt gerelateerd aan de financiële draagkracht van de bijdrageplichtige en de omstandigheid dat het toevoegen van een termijnvermelding weinig om handen heeft, mocht van het CAK verwacht worden dat in de beschikking stond vermeld welke termijn aan een verzoek tot peiljaarverlegging is verbonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Zaaknummer : 6337277

Rolnummer : 17-7027

Uitspraak : 22 februari 2018

in de zaak van

het publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan met eigen rechtspersoonlijkheid CAK,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

gemachtigde: Flanderijn en van Eck gerechtsdeurwaarders

eiser,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde.

Eiser zal het CAK worden genoemd en gedaagde [gedaagde] .

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

  1. de dagvaarding van 14 september 2017 met producties;

  2. de aantekeningen van het mondelinge antwoord waarbij [gedaagde] een conclusie van antwoord met producties heeft overgelegd;

  3. de brief van 8 januari 2018 met producties van de kant van het CAK;

  4. het proces-verbaal van de comparitie van partijen op 16 januari 2018, waarbij het CAK en gemachtigde wegens verkeersproblemen niet aanwezig konden zijn;

  5. de aantekeningen van de griffier van de voortgezette comparitie van partijen op 24 januari 2018.

1.2

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1

[gedaagde] heeft in het jaar 2015 op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna Wmo 2015) en aanverwante regelgeving hulp bij het huishouden ontvangen. Op grond van genoemde regelgeving is [gedaagde] voor deze zogeheten maatwerkvoorziening een eigen bijdrage verschuldigd.

2.2

Het CAK is bevoegd deze eigen bijdrage vast te stellen en te innen. Deze eigen bijdrage is over geheel 2015 aanvankelijk gesteld op de wettelijke minimale bijdrage van € 19,40 per periode van 4 weken. Bij beschikking van 31 december 2015 (hierna: de beschikking) is de totaal over 2015 verschuldigde eigen bijdrage herzien en vastgesteld op € 2.701,25. [gedaagde] heeft hiertegen geen bezwaar ingediend.

2.3

De eigen bijdrage is bepaald aan de hand van het inkomen en vermogen in het peiljaar. Het peiljaar is het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarvoor de bijdrage wordt vastgesteld (artikel 1.1 jo. 3.9 lid 1 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, hierna: het Besluit). In onderhavige procedure is het peiljaar 2013.

2.4

Artikel 3.3 lid 4 van het Besluit luidt:

“4 Het CAK maakt voor de vaststelling van de bijdrage gebruik van het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en van andere door de inspecteur, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, verstrekte gegevens.”

2.5

Artikel 3.9 lid 2 en 3 van het Besluit luidde op 31 december 2015:

“2 Op aanvraag van de cliënt stelt het CAK in afwijking van het eerste lid, het bijdrageplichtig inkomen voorlopig vast op basis van het redelijkerwijs gedurende het lopende kalenderjaar te verwachten inkomen en 8% van het te verwachten vermogen in het lopende jaar, indien het bijdrageplichtig inkomen in het lopende jaar ten minste € 2.540 lager zal zijn dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid.

3 De aanvraag, bedoeld in het tweede lid, wordt gedaan uiterlijk drie maanden na afloop van het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft of uiterlijk drie maanden na de datum waarop de bijdrage, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld.

2.6

De beschikking vermeldt voor zover relevant het volgende:

Aanpassing van de maximale periodebijdrage

Wij gebruiken de inkomensgegevens uit 2013 om de eigen bijdrage voor 2015 te berekenen. Is het bijdrageplichtig inkomen in 2015 met minstens € 2.540,- gedaald? Dan kunt u een verzoek indienen voor het aanpassen van de eigen bijdrage. Hiervoor kunt u het formulier ‘Aanpassen eigen bijdrage’ downloaden op onze website. Hier vindt u ook de voorwaarden.

Bent u het niet eens met de inkomensgegevens die zijn gebruikt bij het berekenen van de maximale periodebijdrage?

Deze gegevens hebben wij ontvangen van de Belastingdienst. Bent u het niet eens met de hoogte van deze inkomensgegevens? Stuur dan een brief naar de Belastingdienst (…) Past de Belastingdienst de gegevens aan? Dan stuurt de Belastingdienst deze gegevens ook automatisch aan ons door (…)

Zijn de overige gegevens op deze beschikking niet juist?

U kunt een verzoek indienen om de gegevens te veranderen. Neem hiervoor telefonisch contact met ons op. Of stuur ons een bericht via ‘Contact’ op onze website. U kunt ook een brief sturen aan CAK (…)

Wilt u bezwaar maken?

Dan kun u binnen 6 weken na de datum op deze beschikking een brief (bezwaarschrift) sturen. Reageert u niet binnen de wettelijke termijn van 6 weken? Dan kunt u geen bezwaar meer maken.

In het bezwaarschrift schrijft u waarom u het niet eens bent met de beslissing op de beschikking (…)

Heeft u nog vragen?

Algemene informatie vindt u in de folder ‘Eigen bijdrage zorg thuis’ die u heeft ontvangen. Ook kunt u voor de folder en overige informatie terecht op www.hetcak.nl . (…) Of neem contact met ons op via het gratis informatienummer 0800 (…).”

2.7

In 2012 heeft [gedaagde] een uitkering ontvangen op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Het betrof een renteloze lening. Deze lening is in 2013 omgezet in een schenking. Als gevolg van deze ‘om-nietzetting’ bedroeg het fiscaal loon van [gedaagde] over 2013 € 38.658,- (€ 18.994,- fiscaal loon uitkering Wet Werk en Bijstand en € 19.664,- fiscaal loon ‘om niet-zetting’ lening Bbz 2004).

2.8

[gedaagde] heeft naar aanleiding van de herziene eigen bijdrage over 2015 op advies van het CAK bij de Belastingdienst bezwaar gemaakt tegen de haar opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2013. Dit bezwaar is afgewezen.

2.9

In 2015 en 2016 ontving [gedaagde] een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand.

2.10

Bij brief van 24 maart 2017 heeft de directeur Toeslagen van de Belastingdienst geantwoord op het verzoek van [gedaagde] om een betalingsregeling. Deze terugvordering was het gevolg van de ‘om-nietzetting’ van de Bbz-lening. Hij schrijft voor zover relevant:

Beslissing

Ik zal geen invorderingsmaatregelen meer nemen. De reden hiervoor is dat u onvoldoende betalingscapaciteit hebt’

Wat betekent deze beslissing voor u?

Mijn beslissing betekent voor u het volgende:

De schuld blijft wel bestaan, maar u hoeft deze niet te betalen. We verrekenen eenmalige teruggaven voor uw toeslagen en eenmalige teruggaven voor de inkomstenbelasting met deze schuld (…)”

3 De vordering en het verweer

3.1

Het CAK vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, dat [gedaagde] wordt veroordeeld om aan hem te betalen een bedrag van € 500,-, te vermeerderen met rente en kosten.

3.2

Het CAK legt daaraan verkort weergegeven het volgende ten grondslag. Het CAK heeft de door [gedaagde] te betalen eigen bijdrage bij beschikking van 31 december 2015 vastgesteld. Deze beschikking heeft formele rechtskracht gekregen. [gedaagde] is het CAK een bedrag van € 2.701,25 verschuldigd. [gedaagde] heeft € 252,20 voldaan. De resterende € 2.448,94 is onbetaald gebleven ondanks het versturen van herinneringen en aanmaningen. [gedaagde] verkeert in verzuim. Het CAK heeft buitengerechtelijke werkzaamheden laten verrichten. De daarmee gemoeide kosten ad € 367,34 zijn begroot conform het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Om haar moverende redenen heeft het CAK haar vordering in het kader van deze procedure beperkt tot € 500,-, met voorbehoud van rechten.

3.3

[gedaagde] voert verweer.

4 De beoordeling

4.1

Het gaat in deze zaak om de privaatrechtelijke invordering van een bestuursrechtelijke schuld. De onderliggende beschikking staat in rechte vast en heeft formele rechtskracht gekregen. Dit betekent dat de beschikking zowel inhoudelijk, als wat betreft de wijze van totstandkoming voldoet aan de wettelijke voorschriften en het ongeschreven recht, althans dat van een dergelijke fictie moet worden uitgegaan. Het verweer van [gedaagde] komt naar het oordeel van de kantonrechter erop neer dat in deze procedure wegens bijzondere omstandigheden een uitzondering moet worden gemaakt op de formele rechtskracht.

4.2

De kantonrechter heeft conform het beginsel van de formele rechtskracht van de geldigheid van de beschikking uit te gaan. Daartegen heeft een met voldoende waarborgen omklede administratiefrechtelijke rechtsgang opengestaan en [gedaagde] heeft deze niet benut. Dat kan anders zijn als de aan dat beginsel verbonden bezwaren door bijkomende omstandigheden zo klemmend zijn dat daarop een uitzondering moet worden aanvaard (HR 16 mei 1986, NJ 1986, 723). Bij het aanvaarden van zo’n uitzondering moet terughoudendheid worden betracht gezien de zwaarwegende belangen die door het beginsel van de formele rechtskracht worden gediend (HR 9 september 2015, ECLI:NL:HR:2005:AT7774).

4.3

Uit hetgeen [gedaagde] in haar conclusie van antwoord en ter zitting heeft verklaard zijn deze bijzondere omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen als volgt. Het bijdrageplichtig inkomen over 2013 mag fiscaal gezien wel juist zijn, maar het betreft hier een fictie. Feitelijk heeft [gedaagde] in 2013 enkel inkomsten gehad vanwege een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand. Ondanks haar medische aandoening die haar fors in haar functioneren beperkt en de zorg die zij draagt voor drie kinderen heeft [gedaagde] naar aanleiding van de beschikking steeds contact gezocht met het CAK.

4.4

[gedaagde] ging ervan uit dat de Belastingdienst een onjuist inkomen had vastgesteld en doorgegeven. De medewerker die haar bij het eerste contact te woord stond, de heer [naam medewerker CAK] , heeft haar geadviseerd bezwaar te maken bij de Belastingdienst tegen de vaststelling van het inkomen in 2013 nu [gedaagde] de juistheid hiervan betwistte. Uiteindelijk blijkt het fiscaal inkomen wel juist te zijn, hoewel het een fictief inkomen betreft, immers de gelden vanwege de Bbz-voorziening heeft [gedaagde] in 2012 ontvangen en gebruikt en niet in 2013. Vast staat dat als het CAK [gedaagde] tijdig op de mogelijkheid van een zogeheten peiljaarverlegging had gewezen onderhavige procedure niet was nodig geweest.

4.5

In een later stadium is [gedaagde] er door een sociaal raadsman op gewezen dat in haar geval – naar de kantonrechter aanneemt gelet op haar zeer beperkte financiële draagkracht – het de meest aangewezen weg was (geweest) om het CAK om een peiljaarverlegging te verzoeken. [gedaagde] genoot in 2015, het jaar waarin zij de hulp bij het huishouden ontving, een uitkering op grond van de Wet Werk en Bijstand. Bij toekenning van dat verzoek was zij slechts de zogeheten lage eigen bijdrage verschuldigd van € 19,40, welke zij ook reeds had voldaan.

4.6

Het CAK heeft bij haar brief van 8 januari 2018 erop gewezen dat de beschikking vermeldde dat de mogelijkheid tot peiljaarverlegging bestond en dat [gedaagde] van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt. In dit verband heeft [gedaagde] gesteld dat zij wél van deze mogelijkheid gebruik heeft gemaakt, maar dat haar verzoek is afgewezen omdat het te laat is ingediend. Dit is niet door het CAK betwist, zodat de kantonrechter hiervan uitgaat.

4.7

De kantonrechter stelt bij de beoordeling het volgende voorop. De regeling voor de heffing van de eigen bijdrage is imperatief en limitatief. Zij biedt naast de peiljaarverlegging geen mogelijkheden de eigen bijdrage in een concreet geval te matigen (vgl. CRvB 22 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2447 en CRvB 1 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:886 – over de heffing van de eigen bijdrage in het kader van het Bijdragebesluit zorg c.q. Besluit langdurige zorg, welke besluiten naar het oordeel van de kantonrechter aanverwant zijn aan het Besluit: in alle gevallen is sprake van het van overheidswege verstrekken van een voorziening c.q. zorg waarvoor een eigen bijdrage geldt die door het CAK wordt vastgesteld en gëind).

4.8

Het Besluit vloeit voort uit de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. In de memorie van toelichting van het bijbehorende wetsvoorstel merkt de regering onder meer op (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013-2014, 33 841, nr. 3, MvT, p. 44-45):

3.10 Bijdrage naar draagkracht

Uitgangspunt van dit wetsvoorstel is dat maatschappelijke ondersteuning beschikbaar is voor degenen die daarop zijn aangewezen, ongeacht de hoogte van het inkomen of vermogen. De regering kiest niet voor het hanteren van een inkomens- dan wel vermogensgrens of toets die bepaalt of iemand in aanmerking komt voor ondersteuning uit hoofde van dit wetsvoorstel.

De gemeente bepaalt of cliënten voor ondersteuning van de gemeente een (eigen) bijdrage verschuldigd zijn. Als de gemeente daarvoor kiest, zal dat in de verordening moeten worden bepaald. […]

Voor maatwerkvoorzieningen kan in de verordening worden bepaald dat de bijdrage afhankelijk is van het inkomen en het vermogen van de cliënt en zijn echtgenoot. […]

De regering acht het, omdat het om financiële draagkracht gaat, wenselijk cumulatie te voorkomen van zowel eigen bijdragen van de cliënt op grond van dit wetsvoorstel en als cumulatie van eigen bijdragen van de cliënt op grond van dit wetsvoorstel met eigen bijdragen van de echtgenoot (op grond van dit wetsvoorstel of de Wlz).”

4.9

In de Nota naar aanleiding van het nader verslag (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 841, nr. 64, p.62) beantwoordde de regering vragen van onder meer de VVD-fractie over het afbetalen van een toegekende (maatwerk)voorziening:

“Het is correct dat – gegeven de gekozen eigen bijdragesystematiek – een financieel meer draagkrachtige cliënt een hogere maximale periodebijdrage verschuldigd zal zijn dan een financieel minder draagkrachtige cliënt. De financieel meer draagkrachtige cliënt zal daardoor de voorziening sneller hebben «afbetaald». Of cliënten hun voorziening uiteindelijk zelf volledig betalen is afhankelijk van de kostprijs van de voorziening, de hoogte van de periodebijdrage en de duur van de periode waarover de eigen bijdrage verschuldigd is.”

4.10

Uit de hiervoor weergegeven citaten leidt de kantonrechter af dat het in het kader van de te heffen eigen bijdrage het draagkrachtbeginsel een belangrijke rol speelt. Het te hanteren peiljaar om de financiële draagkracht vast te stellen betreft vermoedelijk om uitvoeringstechnische redenen – de nota van toelichting bij het Besluit vermeldt hier niets over – het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarin de maatschappelijke voorziening is genoten (t-2). De kantonrechter neemt aan dat hierbij de overweging heeft meegespeeld dat bij deze handelwijze de door de Belastingdienst te verstrekken inkomens- en vermogensgegevens in de meeste gevallen definitief zijn geworden en dat deze in t-2 feitelijk niet veel zal verschillen van het inkomen van het jaar waarop de maatschappelijke voorziening betrekking heeft (t = 0).

4.11

Deze aanname ontleent de kantonrechter 4.11 aan de brief van 25 januari 2017 waarbij de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) de vaste Tweede Kamercommissie van VWS onder meer als volgt heeft geantwoord naar aanleiding van een bezwaar tegen de wet- en regelgeving met betrekking tot de voorwaarden peiljaarverlegging:

In de casus van mevrouw J. is sprake van een inkomensdaling van € 1121 ten opzichte het reguliere peiljaar waardoor zij niet in aanmerking komt voor peiljaarverlegging. In de regelgeving zijn voorwaarden gesteld aan de peiljaarverlegging. Hierbij is een balans gezocht tussen het inspelen op mutaties in het bijdrageplichtig inkomen en de doelmatigheid van de uitvoering van de regeling. Daarbij is, gegeven de opzet van de regeling, niet iedere inkomensdaling relevant voor het bepalen van de maximale bijdrage. Na afloop van het jaar vindt een definitieve vaststelling van de eigen bijdrage plaats.

Tot slot merk ik op dat bij het vaststellen van de eigen bijdrage een maximum geldt dat afhankelijk is van de persoonlijke situatie. Voor het overgrote gedeelte van de cliënten geldt dat zij de laagste maximale periodebijdrage betalen, voor deze groep zal een peiljaarverlegging geen invloed hebben op de feitelijk te betalen bijdrage.

4.12

Als onvoldoende weersproken staat vast dat de heer [naam medewerker CAK] van het CAK [gedaagde] een zogeheten blokkade ter zake de inning van de eigen bijdrage heeft toegezegd. Het komt de kantonrechter voor dat deze toezegging is gedaan omdat sprake was van een fors verhoogd en door [gedaagde] niet (direct) te betalen aangepaste bijdrage. Voor haar was dit noodzakelijk en met de kennis van nu ook geïndiceerd nu als onweersproken vast staat dat het inkomen over 2015 € 2.540,- lager was dan de circa (deels fictieve) € 38.658,- uit 2013 waarvan het CAK is uitgegaan.

4.13

In de onderhavige zaak staat naar het oordeel van de kantonrechter voldoende vast dat het CAK een tijdig ingediend verzoek van [gedaagde] om peiljaarverlegging zou hebben ingewilligd en dat [gedaagde] enkel de reeds door haar betaalde lage eigen bijdrage verschuldigd zou zijn. [gedaagde] heeft echter geen tijdig gebruik gemaakt van haar geclausuleerde recht om een dergelijk verzoek in te dienen.

4.14

In dit verband rijst de vraag in hoeverre dit voor haar risico moet blijven. Immers, ook op [gedaagde] rust een verantwoordelijkheid zich ter zake te (laten) informeren en eventueel te laten adviseren. Dat geldt ook als haar persoonlijke omstandigheden in aanmerking worden genomen. Het CAK hoeft in een beschikking niet uitvoeriger in te gaan op de mogelijkheden een peiljaarverlegging te verzoeken dan hij in deze zaak heeft gedaan. In dit geval volstaat een verwijzing naar bijvoorbeeld haar website of een folder. Dit geldt echter niet voor (het onvermeld laten van) de termijn die aan het doen van een dergelijk verzoek is verbonden.

4.15

Zoals hiervoor is overwogen is dit verzoek voor een bijdrageplichtige namelijk de enige manier om te komen tot een (eventuele) matiging van de verschuldigde eigen bijdrage in de zin dat deze eigen bijdrage wordt gerelateerd aan het inkomen bedoeld in artikel 3.9 lid 2 van het Besluit. Hierbij had [gedaagde] groot belang nu het door de Belastingdienst doorgegeven, grotendeels fictieve inkomen over het peiljaar 2013 duidelijk niet representatief was voor haar financiële draagkracht in 2015.

4.16

Gezien het belang van een bijdrageplichtige om een dergelijke situatie te kunnen rechtzetten, het uitgangspunt dat de eigen bijdrage wordt gerelateerd aan de financiële draagkracht van de bijdrageplichtige en de omstandigheid dat het toevoegen van een termijnvermelding weinig om handen heeft mag van het CAK verwacht worden dat reeds de beschikking vermeldt welke termijn aan een verzoek tot het verleggen van een peiljaar is verbonden.

4.17

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de kantonrechter dat in deze zaak er een dermate klemmende reden bestaat die een uitzondering op het beginsel van de formele rechtskracht rechtvaardigt. Bij deze beoordeling is nog het volgende van belang. Het is zeer begrijpelijk dat [gedaagde] ervan overtuigd was dat haar inkomen over 2013 onjuist was vastgesteld. Zij heeft snel contact opgenomen met het CAK en op zijn advies een bezwaarschrift ingediend bij de Belastingdienst. Het CAK heeft niet tevens geadviseerd een verzoek in te dienen het peiljaar te verleggen, terwijl [gedaagde] kenbaar heeft gemaakt dit hoge inkomen in 2013 nooit te hebben gehad. Dit betekent dat het CAK zich niet op de formele rechtskracht van de beschikking kan beroepen en er geen grondslag bestaat om tot inning van de eigen bijdrage over te gaan. De kantonrechter wijst de vordering af.

4.18

Het CAK zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1

wijst de vordering af;

5.2

veroordeelt het CAK in de kosten van de procedure aan de zijde van [gedaagde] tot vandaag begroot op: nihil.Dit vonnis is gewezen door mr.M.H. Kobussen, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 februari 2018.