Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:1104

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
01-02-2018
Datum publicatie
12-03-2018
Zaaknummer
6544917 CV EXPL 17-9179
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering in kort geding tot ontruiming zaal met horecabestemming.

Ook als rekening wordt gehouden met evenredige huurprijsvermindering vanwege gebreken resteert een zodanig omvangrijke huurachterstand dat het zeer waarschijnlijk is dat in een bodemprocedure de ontbinding van de huurovereenkomst zal worden uitgesproken. Het verweer dat de huurachterstand veel geringer is dan verhuurder stelt is vooralsnog onvoldoende onderbouwd. Dat geldt ook voor het verweer dat partijen de huurachterstand reeds hebben betrokken bij afspraken over de overname van het gehuurde door de huurder. Er is sprake van een dusdanig ernstige tekortkoming dat het belang van verhuurder om weer te kunnen beschikken over het gehuurde zwaarder weegt dan dat van de huurders om in de ruimte te blijven. In dit verband heeft meegewogen dat voorshands moet worden aangenomen dat de huur over een groot deel van 2016 en (nagenoeg) geheel 2017 onbetaald is gelaten. De vordering wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingslocatie 's-Hertogenbosch

Zaaknummer: 6544917 \ CV EXPL 17-9179 \ 488

Uitspraakdatum: 1 februari 2018

vonnis

in de zaak van:

[eiser]

wonende en zaak doende te [woonplaats] ,

gemachtigde mr. M.M.C. van de Ven

eisende partij

tegen

1 [gedaagde sub 1]

wonende te [gedaagde sub 1]

gemachtigde mr. N.J. Moens

2. [gedaagde sub 2]

wonende te [woonplaats] ,

procederend in persoon

gedaagde partijen,

Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagden sub 1 en 2] genoemd. Gedaagden worden afzonderlijk aangeduid als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] .

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 9 januari 2018 met producties;

  • -

    de namens [gedaagde sub 1] op 15 januari, 16 januari en 17 januari 2018 in het geding gebrachte producties, waaronder een USB-stick met audio fragmenten;

  • -

    de namens [eiser] op 16 januari en 17 januari 2018 in het geding gebrachte aanvullende producties;

  • -

    de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 18 januari 2018 mede inhoudende de pleitnotitie van de gemachtigde van [gedaagde sub 1] ;

  • -

    het aan [gedaagde sub 2] verleende verstek.

2 De feiten

2.1

[eiser] heeft met ingang van 1 juni 2014 aan [gedaagden sub 1 en 2] verhuurd het zaalgedeelte met oprit, entree, garderobe, opslag, toiletgroepen, gelegen aan de [adres gehuurde] (hierna: het gehuurde).

2.2

De overeengekomen huurvoorwaarden zijn opgenomen in de “huurovereenkomst winkelruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW”, die partijen op 9 mei 2014 hebben ondertekend. Het gehuurde is bestemd voor de exploitatie van een bar/dancing. Er is een huurprijs overeengekomen van € 13.300,- excl. btw per jaar, vermeerderd met een bedrag van € 3.600,- excl. btw per jaar aan servicekosten, uitgaande van 1 openingsdag per week. Voor elke extra dag per week dat het gehuurde door [gedaagden sub 1 en 2] wordt geëxploiteerd, is een vergoeding van € 60,- excl. btw verschuldigd.

2.3

Partijen hebben voorts een huurkoopovereenkomst inventaris gesloten waarmee de huurovereenkomst onlosmakelijk verbonden is.

2.4

Ingevolge artikel 16.4 van de huurovereenkomst levert [eiser] aan [gedaagden sub 1 en 2] het tap pils (ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst Dommelsch). De overige dranken worden door [gedaagden sub 1 en 2] rechtstreeks besteld bij Bongers Drankenhandel of een andere drankenleverancier.

3 De vordering en het verweer

3.1

[eiser] vordert bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. [gedaagden sub 1 en 2] te veroordelen om het gehuurde, met al degenen die en al hetgeen dat zich daarin of daarop bevinden resp. bevindt, binnen twee dagen na betekening van dit vonnis volledig en behoorlijk te verlaten en met afgifte van de sleutels in lege en behoorlijke staat ter vrije beschikking van [eiser] te stellen en vervolgens verlaten en ontruimd te houden, zulks met machtiging aan [eiser] om bij gebreke van volledige voldoening hieraan deze verlating en ontruiming en het vervolgens verlaten en ontruimd houden zelf te bewerken met behulp van de sterke arm van de politie en justitie en op kosten van [gedaagden sub 1 en 2]

2. [gedaagden sub 1 en 2] te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, te gehengen en gedogen dat [eiser] het gehuurde exploiteert op een wijze als hem goeddunkt en te bepalen dat zulks [eiser] voorlopig wordt toegestaan

3. [gedaagden sub 1 en 2] te veroordelen in de proceskosten.

3.2

[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat [gedaagden sub 1 en 2] een huurachterstand hebben laten ontstaan van ruim € 45.000,- incl. btw. Bovendien hebben zij de exploitatie van het gehuurde per juni 2017 gestaakt en is de Drank- en Horecavergunning inmiddels ingetrokken, waardoor exploitatie door [gedaagden sub 1 en 2] niet meer is toegestaan. De affectieve relatie tussen [gedaagden sub 1 en 2] is, naar [eiser] meent, verbroken.

3.3

[gedaagde sub 1] heeft ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vorderingen van [eiser] . Kort samengevat komt het verweer erop neer dat [gedaagde sub 1] nimmer enige aanmaning of sommatie heeft ontvangen ter zake een huurachterstand. [gedaagde sub 1] heeft vele contante betalingen gedaan aan [eiser] . Daarnaast heeft zij (bar)werkzaamheden voor [eiser] uitgevoerd, in zijn café. Zij heeft hiervoor geen vergoeding ontvangen. De afspraak met [eiser] is dat een en ander in mindering zou strekken op de huur. Ook heeft [gedaagde sub 1] met [eiser] afgesproken dat de aan haar toekomende bierbonussen verrekend zouden worden met de verschuldigde huur en dat [eiser] voor de helft zou bijdragen aan de beveiligingskosten. Deze afspraken zijn evenmin nagekomen. Tenslotte heeft [gedaagde sub 1] met [eiser] afspraken gemaakt over de overname door [gedaagde sub 1] van het pand van [eiser] , waarvan het gehuurde onderdeel uitmaakt. Bij de afwikkeling daarvan zouden eventuele vorderingen over en weer worden betrokken. [eiser] heeft echter een taxatieafspraak met de makelaar eenzijdig afgezegd en het plan opgevat om de bar/dancing aan derden te verhuren of verkopen.

Voorts heeft [eiser] medio 2017 de sloten en alarmcodes van het gehuurde vervangen. Hij heeft [gedaagde sub 1] op die wijze het genot van het gehuurde ontnomen. Hij kan dus geen aanspraak maken op betaling van de huur over die periode. [gedaagde sub 1] is in overleg met de gemeente over teruggave van de ingetrokken vergunning. Op advies van haar boekhouder heeft [gedaagde sub 1] huur onbetaald gelaten, aangezien zij schade aan haar producten heeft geleden doordat er lekkages in de opslagruimte zijn.

[gedaagde sub 1] is van mening dat [eiser] geen spoedeisend belang heeft nu de gestelde huurachterstand al geruime tijd bestaat. Voorts is zij van mening dat de zaak, gelet op het gevoerde verweer, zich niet leent voor behandeling in kort geding. Mocht er wel aanleiding gevonden worden om de vorderingen toe te wijzen, dan verzoekt [gedaagde sub 1] het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.4

Stellingen die partijen verder nog naar voren hebben gebracht ter toelichting van hun standpunten, zal de kantonrechter zo nodig bij de beoordeling weergeven.

4 De beoordeling

4.1

Het spoedeisend belang van de vordering vloeit naar het oordeel van de kantonrechter in voldoende mate voort uit de stellingen van [eiser] . Deze houden in dat er sprake is van een substantiële huurachterstand (en dus van inkomstenderving) en van leegstand omdat het gehuurde sinds juni 2017 niet meer wordt geëxploiteerd. Onlangs is [eiser] in het bezit gekomen van een drank- en horecavergunning betrekking hebbend op de bar/dancing. Hiermee kan en wil hij de bar/dancing zelf exploiteren en verdere leegstand en huurderving voorkomen. Deze omstandigheid heeft tot een escalatie in de onderlinge verhoudingen geleid. Dit alles vormt een voldoende spoedeisend belang.

4.2

Voor toewijzing van een vordering tot ontruiming is slechts plaats indien met een grote mate van waarschijnlijkheid in een bodemprocedure de ontbinding van de huurovereenkomst zal worden uitgesproken. Bovendien moet sprake zijn van een zodanig ernstige tekortkoming dat het belang van de verhuurder om over een vrije bedrijfsruimte te beschikken moet prevaleren boven het belang van de huurder om in de ruimte te blijven.

4.3.1

De kantonrechter stelt voorop dat [eiser] ter zitting een briefje van [gedaagde sub 2] heeft overgelegd, waarin laatstgenoemde aan [eiser] laat weten dat hij niks met de bar/dancing in het gehuurde te maken heeft en daar ook niks mee te maken wil hebben. [gedaagde sub 1] heeft vervolgens verklaard dat zij “alleen met de bar/dancing verder is gegaan”.

4.3.2

Hoewel uit het verhandelde ter zitting genoegzaam volgt dat [gedaagde sub 2] de laatste jaren geen rol meer heeft gespeeld bij de exploitatie van de bar/dancing, is hij in formele zin nog altijd aan te merken als medehuurder. Hij heeft immers destijds samen met [gedaagde sub 1] de huurovereenkomst met [eiser] gesloten en gesteld noch gebleken is dat er een wijziging van de huurovereenkomst heeft plaatsgevonden op basis waarvan thans zou moeten worden aangenomen dat alleen (de eenmanszaak van) [gedaagde sub 1] als huurder heeft te gelden en [gedaagde sub 2] niet meer. Mocht de kantonrechter aanleiding zien voor toewijzing van de vorderingen, dan zal een veroordeling ook [gedaagde sub 2] - die in deze procedure niet is verschenen waarna tegen hem verstek is verleend - treffen.

4.4.1

[gedaagde sub 1] heeft ter onderbouwing van haar betwisting dat er sprake is van een huurbetalingsachterstand als door [eiser] gesteld, een groot aantal “betaalspecificaties” in het geding gebracht. Kortheidshalve verwijst de kantonrechter naar de producties 1 tot en met 5 van [gedaagde sub 1] . Ter zitting heeft [gedaagde sub 1] verklaard dat uit haar specificaties niet blijkt dat er in de jaren 2016 en 2017 betalingen zijn gedaan die [eiser] als “niet verricht” ten grondslag heeft gelegd aan zijn ontruimingsvordering. [gedaagde sub 1] heeft met haar specificaties (slechts) gepoogd om een genuanceerder beeld te schetsen van de periode 2014/2015, zo volgt uit haar toelichting.

4.4.2

De kantonrechter stelt vast dat de betalingsachterstand die [gedaagde sub 1] in 2014 en in de eerste helft van 2015 volgens [eiser] heeft laten ontstaan, is opgenomen in een overeenkomst van geldlening. Deze achterstand is niet aan de ingestelde vordering tot ontruiming ten grondslag gelegd en kan hier dus verder onbesproken blijven. De overgelegde betalingsspecificaties over de maanden juli tot en met december 2015 (productie 2 van [gedaagde sub 1] ) werpen, naar het oordeel van de kantonrechter, geen ander licht op hetgeen [eiser] heeft gesteld. Deze specificaties bevestigen juist de stelling van [eiser] dat er in die periode negentien keer geen weekhuur is betaald.

Conclusie uit het voorgaande is dat het door [eiser] in de dagvaarding geschetste beeld (dat uitkomt op een huurachterstand van ruim € 45.000,- incl btw) met de overgelegde betalingsbewijzen niet is gekanteld en veeleer is bevestigd.

4.4.3

Dat er vele contante betalingen zijn gedaan aan [eiser] is door [gedaagde sub 1] wel gesteld maar onvoldoende aannemelijk gemaakt. Ten aanzien van de verklaringen van haar werkneemster ( [naam werkneemster] ) en de moeder van een deejay (mw [naam moeder DJ] ), die [gedaagde sub 1] ter onderbouwing van haar verweer in het geding heeft gebracht, overweegt de kantonrechter het volgende. [naam werkneemster] bevestigt dat mevrouw [gedaagde sub 1] de verhuurder elke week geld in een enveloppe heeft gegeven. Niet is aangegeven in welke periode dit is gebeurd en evenmin is duidelijk welke verplichting(en) daarmee voldaan zijn. Uit de verklaring van [naam moeder DJ] dat [gedaagde sub 1] elke week een bon kreeg van [eiser] , die zij dan gelijk ging betalen, volgt dat de door [naam moeder DJ] gestelde waarneming betrekking heeft op de periode 2016 en 2017.

De kantonrechter heeft vastgesteld dat onder de overgelegde “betaalspecificaties” zich diverse bonnen van [eiser] bevinden. Een groot deel daarvan heeft betrekking op geleverd bier en een kleiner deel heeft betrekking op betaalde huur. Op alle overgelegde bonnen staat de opmerking “voldaan”, met daarbij een handtekening als bewijs van ontvangst.

4.4.4

Zoals hiervoor in r.o 4.4.2 is overwogen, strekken de overgelegde bonnen niet ter onderbouwing van het verweer van [gedaagde sub 1] dat zij betalingen heeft verricht in weken die [eiser] als ‘onbetaald gebleven’ heeft aangemerkt.

Verder valt vooralsnog niet in te zien dat en waarom [gedaagde sub 1] slechts voor een deel van de contante betalingen die ze zou hebben verricht, een bewijs van betaling heeft verlangd en niet van alle beweerdelijke betalingen. Haar verklaring dat ze [eiser] al 30 jaar kent en niet alles schriftelijk vastlegt, overtuigt niet. De wekelijkse contante betalingen, waarvan gesproken wordt door [naam werkneemster] en [naam moeder DJ] , zijn voorts moeilijk te rijmen met de door [gedaagde sub 1] overgelegde bankafschriften waaruit volgt dat er ook in 2016 regelmatig huurbetaling per bank plaatsvond. Verder zijn de verklaringen slechts ten dele te verenigen met de verklaring van [gedaagde sub 1] zelf dat zij de huur vanaf juni 2017 onbetaald heeft gelaten in verband met geleden schade en haar ontnomen huurgenot.

Conclusie is dat [gedaagde sub 1] vooralsnog onvoldoende onderbouwing heeft gelegd onder haar (als bevrijdend verweer aan te merken) betoog dat zij (veel) meer contante betalingen heeft gedaan dan uit de door haar overgelegde producties volgt om dat betoog aannemelijk te achten.

4.4.5

De afspraken met betrekking tot verrekening van door [gedaagde sub 1] verrichte barwerkzaamheden, haar toekomende bierbonussen en een deel van de beveiligingskosten zijn door [eiser] betwist en door [gedaagde sub 1] niet onderbouwd. Ten aanzien van de bierbonussen heeft [eiser] ter zitting gesteld dat deze door de brouwer gegeven kortingen via een staffel worden verstrekt bij substantiële afname van bier. Van een dergelijke substantiële afname door [gedaagde sub 1] was geen sprake volgens [eiser] . Ten aanzien van de beveiligingskosten heeft [eiser] gesteld dat het hebben van beveiliging een verplichting was die de gemeente aan de bar/dancing had opgelegd.

4.4.6

Vast staat dat de gestelde afspraken niet op schrift zijn gesteld en er zijn ook overigens geen aanknopingspunten naar voren gebracht die de stellingen van [gedaagde sub 1] ondersteunen. Er is niets gesteld over de omvang van de bedragen die op de huur in mindering zouden strekken en evenmin is gesteld of gebleken dat [eiser] ooit kosten ter zake in rekening zijn gebracht. De in r.o. 4.4.5 weergegeven stellingen van [eiser] over de mate van bierafname en de voorwaarde van de gemeente ten aanzien van de beveiliging, zijn door [gedaagde sub 1] niet althans onvoldoende weersproken. Dat de beveiliging, volgens de (door [eiser] betwiste) verklaring van [gedaagde sub 1] , meer werk heeft met het café van [eiser] dan met de bar/dancing, zou reden kunnen zijn voor een kostenverdeling maar dat die is afgesproken is niet aannemelijk geworden. Ter zitting heeft [gedaagde sub 1] verklaard dat zij [eiser] al 30 jaar kent, met hem “de boel heeft opgezet” en hem heel vaak heeft geholpen. Dat er afgesproken is dat [gedaagde sub 1] voor deze hulp een vergoeding zou ontvangen, is niet gesteld laat staan aannemelijk gemaakt.

4.4.7

Vervolgens rijst de vraag of [gedaagde sub 1] recht had om huur in te houden of de huurbetaling op te schorten in verband met schade als gevolg van gestelde lekkages in de opslagruimte en ontnomen huurgenot door vervanging van sloten en alarmcodes.

Voor zover [gedaagde sub 1] heeft beoogd te stellen dat zij de door haar geleden schade heeft verrekend met verschuldigde huurpenningen dan wel haar betalingsverplichting om die reden heeft opgeschort, dan treft dit betoog voorshands geen doel. Nog daargelaten dat niets is gesteld over de aard en omvang van de schade, is gesteld noch gebleken dat [eiser] in gebreke is gesteld. Van een opeisbare of afdwingbare vordering is derhalve geen sprake.

Voor zover [gedaagde sub 1] heeft beoogd te stellen dat zij huurbetaling heeft opgeschort in verband verminderd huurgenot wegens lekkages in de opslagruimte stelt de kantonrechter voorop dat in artikel 7:207 BW is geregeld dat een huurder in geval van vermindering van huurgenot ten gevolge van een gebrek een daaraan evenredige vermindering van de huurprijs kan vorderen vanaf de dag waarop hij van het gebrek behoorlijk heeft kennis gegeven aan de verhuurder of waarop het gebrek reeds in voldoende mate bekend was om tot maatregelen over te gaan, tot die waarop het gebrek is verholpen. Vast staat dat [gedaagde sub 1] tot dusver geen huurprijsvermindering heeft gevorderd noch enige stappen ter voorbereiding daarvan heeft gezet, maar niet uitgesloten is dat zij dit in een bodemprocedure alsnog zal doen. Nu [eiser] de lekkages in de opslagruimte niet heeft ontkend en de opslagruimte, die mede door hem en nog een derde wordt benut, deel uitmaakt van het gehuurde, is voorshands aannemelijk dat er sprake is van een gebrek dat aanleiding kan geven tot een evenredige huurprijsvermindering. Uit de wet vloeit voort dat [gedaagde sub 1] niet eigenmachtig bedragen mag inhouden op de huur. Daargelaten de vraag of [gedaagde sub 1] het recht heeft om betaling van een deel van de huur om de genoemde reden langdurig op te schorten, moet bij beoordeling van de kans dat er in een bodemprocedure een ontbinding van de huurovereenkomst zal worden uitgesproken, een mogelijk recht op evenredige huurprijsvermindering mede in ogenschouw worden genomen.

4.4.8

Ten aanzien van het ontnomen huurgenot door vervanging van de sloten en wijziging van de alarmcodes overweegt de kantonrechter dat [eiser] heeft betwist dat hij sloten heeft vervangen en codes heeft gewijzigd. De kantonrechter vindt deze betwisting, in het licht van hetgeen [eiser] schrijft in zijn brief van 5 juli 2017, voorshands onvoldoende om aan te nemen dat de sloten en codes ongewijzigd zijn gelaten. Dat [gedaagde sub 1] als gevolg van de handelwijze van [eiser] huurgenot is ontnomen, ziet de kantonrechter vooralsnog echter niet in. In de eerste plaats staat vast dat [gedaagde sub 1] wegens gezondheidsredenen reeds in juni 2017 de bar/dancing heeft gesloten. Zij heeft voor het eerst en met moeite begin december 2017 weer een avond gedraaid. Voorts heeft [gedaagde sub 1] ter zitting verklaard dat zij niet zelf vastgesteld heeft dat de sloten en de codes zijn gewijzigd. Onder voornoemde omstandigheden kan niet worden volgehouden dat [gedaagde sub 1] huurgenot is ontnomen dat zij had willen benutten. Grond voor opschorting van huurbetaling in de tweede helft van 2017 kan [gedaagde sub 1] daarom aan het gesteld vervangen van sloten en codes naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet ontlenen.

4.4.9

De stelling van [gedaagde sub 1] dat zij met [eiser] afspraken heeft gemaakt over overname van het pand waarvan het gehuurde deel uitmaakt, waarbij wederzijdse vorderingen zouden worden betrokken, is met niet meer onderbouwd dan met een verklaring van een makelaar waaruit blijkt dat [eiser] een taxatieafspraak heeft afgezegd. Dit acht de kantonrechter onvoldoende om te kunnen aannemen dat er over aan- en verkoop van het pand zodanig vergevorderde onderhandelingen hebben plaatsgevonden dat [gedaagde sub 1] daaraan rechten zou kunnen ontlenen. Wat er van die afspraken verder ook zij, deze kunnen [gedaagde sub 1] niet ontslaan van nakoming van haar huurverplichtingen.

4.4.10

[gedaagde sub 1] heeft ter ondersteuning van haar verweer naast de betalingsspecificaties en de hierboven in r.o 4.4.3 aangehaalde verklaringen, ook nog een USB-stick in het geding gebracht met daarop een aantal gesprekken. Ter zitting is - op aangeven van [gedaagde sub 1] - een tweetal geluidsfragmenten beluisterd. Deze fragmenten kunnen niet bijdragen aan onderbouwing van de stellingen van [gedaagde sub 1] omtrent huurbetaling. Voor zover de opgenomen gesprekken al te volgen zijn, valt op dat met name [gedaagde sub 1] en haar partner aan het woord zijn. De kantonrechter heeft niets gehoord dat haar aanleiding geeft om anders te overweging met betrekking tot huurachterstand dan in het voorgaande is verwoord.

4.5

Al het voorgaande brengt de kantonrechter tot de volgende conclusie.

Voorshands moet ervan worden uitgegaan dat [gedaagden sub 1 en 2] een huurachterstand hebben laten ontstaan die substantieel is. Ook als rekening wordt gehouden met een evenredige huurprijsvermindering als gevolg van lekkages in de opslagruimte (welke ruimte slechts een deel van het gehuurde uitmaakt en door meerdere personen wordt gebruikt) dan resteert er nog een aanmerkelijk bedrag aan huurachterstand. Hierbij tekent de kantonrechter aan dat [gedaagde sub 1] ter zitting heeft verklaard dat haar boekhouder de huurachterstand op dat moment becijferde op plm. € 17.000,-. Nu uit hetgeen in de r.o 4.4.1 e.v is overwogen volgt dat vooralsnog onvoldoende aannemelijk is geworden dat op dit bedrag nog substantiële bedragen in mindering strekken, gaat de kantonrechter er bij haar beoordeling vanuit dat de huurachterstand zodanig van omvang is dat het zeer waarschijnlijk is dat in een bodemprocedure de ontbinding van de huurovereenkomst zal worden uitgesproken. De (resterende) huurachterstand is naar het oordeel van de kantonrechter zo hoog dat er sprake is van een dusdanig ernstige tekortkoming dat het belang van [eiser] als verhuurder om weer te kunnen beschikken over het gehuurde zwaarder weegt dan het belang van [gedaagden sub 1 en 2] om in de ruimte te blijven. De kantonrechter heeft in dit verband mee laten wegen dat op basis van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting voorshands moet worden aangenomen dat de huur over een groot deel van 2016 en (nagenoeg) geheel 2017 onbetaald is gelaten.

4.6

Dit betekent dat de gevorderde ontruiming zal worden toegewezen met dien verstande dat de ontruimingstermijn zal worden gesteld op veertien dagen na betekening van het vonnis. De tevens gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf, eventueel met inroeping van de sterke arm, uit te doen voeren, wordt afgewezen. Dit gevorderde berust niet op de wet. Uit artikel 556 lid 1 Rv volgt dat eisende partij de ontruiming niet zelf ter hand mag nemen en dat gedwongen ontruiming door een deurwaarder wordt uitgevoerd. [eiser] heeft geen rechterlijke machtiging nodig om de hulp van een deurwaarder in te schakelen.

4.7

Ten aanzien van de vordering om te gedogen dat [eiser] het gehuurde zelf gaat exploiteren, overweegt de kantonrechter dat uit r.o 4.6 volgt dat [gedaagden sub 1 en 2] het gehuurde zullen moeten ontruimen op een termijn van twee weken na betekening van dit vonnis aan [gedaagde sub 1] en haar medehuurder. Vanaf dat moment zijn [gedaagden sub 1 en 2] niet meer gehouden de huur te betalen omdat zij niet langer het genot van het gehuurde hebben. De kantonrechter volgt [eiser] in zijn stelling dat hij er belang bij heeft om verdere leegstand van het gehuurde te voorkomen en is voorshands van oordeel dat hij na de ontruimingsdatum daartoe die maatregelen moet kunnen treffen die hem geraden voorkomen. Daaronder kan ook worden begrepen het zelf exploiteren van het gehuurde. [eiser] dient zich bij dit alles te realiseren dat de beslissing die de kantonrechter in dit vonnis geeft een voorlopig karakter heeft. Mocht in een bodemprocedure toch anders worden beslist dan de kantonrechter voorziet op basis van al hetgeen naar voren is gebracht in deze procedure, dan zijn de risico’s daarvan voor rekening van [eiser] .

4.8

De kantonrechter is zich ervan bewust dat de hiervoor verwoorde beslissing verstrekkend is, maar ziet daarin – in aanmerking genomen hetgeen in r.o 4.5 is overwogen - geen aanleiding om de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad te weigeren.

4.9

[gedaagden sub 1 en 2] worden in het ongelijk gesteld en zullen daarom worden veroordeeld in de proceskosten. Deze worden tot vandaag begroot op een bedrag van € 962,14 (bestaande uit griffierecht € 78,-, kosten dagvaarding € 84,14 en bijdrage in gemachtigde salaris € 800,-)

5 De beslissing

De kantonrechter,

rechtdoende als voorzieningenrechter

1. veroordeelt [gedaagden sub 1 en 2] om het gehuurde, gelegen aan de [adres gehuurde] , met al degenen die en al hetgeen dat zich daarin of daarop bevinden respectievelijk bevindt, binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis volledig en behoorlijk te verlaten en te ontruimen en met afgifte van de sleutels in lege en behoorlijke staat ter vrije beschikking aan [eiser] te stellen en vervolgens verlaten en ontruimd te houden;

2. veroordeelt [gedaagden sub 1 en 2] om binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis te gedogen dat [eiser] het gehuurde, gelegen aan de [adres gehuurde] exploiteert op een wijze als hem goeddunkt en te bepalen dat dit [eiser] voorlopig wordt toegestaan;

3. veroordeelt [gedaagden sub 1 en 2] in de kosten van deze procedure, tot vandaag begroot op een bedrag van € 962,14;

4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden en in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2018