Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:1086

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
01-03-2018
Datum publicatie
12-03-2018
Zaaknummer
6362686 / 17-650
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Herstel arbeidsovereenkomst op grond van art. 7:682 lid 1, onderdeel a BW jo. art. 7:669 lid 1 BW. Voldoende herplaatsinspanningen verricht door werkgever.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 682
Burgerlijk Wetboek Boek 7 669
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0351
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zaaknummer: 6362686 \ EJ VERZ 17-650

Civiel Recht

Zittingsplaats Eindhoven

Zaaknummer: 6362686 \ EJ VERZ 17-650

Beschikking van 1 maart 2018

in de zaak van:

[K.] ,

wonende te [plaats] ,

verzoeker,

procederend in persoon,

tegen:

de besloten vennootschap USG Engineering Professionals B.V.,

gevestigd te Almere,

verweerder,

vertegenwoordigd door: mr. A. Hendrickx.

Partijen worden hierna genoemd “ [K.] ” en “USG Engineering”.

1 Het procesverloop

1.1.

[K.] heeft zoals de kantonrechter het begrijpt een verzoek gedaan om USG Engineering te veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen.

1.2.

Op 26 januari 2018 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft werkgever een verweerschrift toegezonden dat op 15 januari 2018 ter griffie ontvangen is. Op 31 januari 2018 zijn ter griffie nog aanvullende stukken van USG ontvangen met betrekking tot de transitievergoeding en eindafrekening. Hoewel deze stukken ook aan [K.] zijn gestuurd, heeft hij afgezien van een reactie.

2 De feiten

2.1.

[K.] is op 8 juni 2008 in dienst getreden bij USG Engineering. De laatste functie die hij vervulde, is die van inspecteur/installatieverantwoordelijke elektrotechniek/adviseur (brand) veiligheid, met een bruto salaris van € 3.626,54 per maand.

2.2.

USG Engineering heeft [K.] geruime tewerkgesteld bij VROM Dienst Rijksvastgoed. Deze opdracht is per 30 september 2016 door de opdrachtgever beëindigd.

2.3.

[K.] heeft zich op 6 juni 2017 ziek gemeld en is momenteel nog arbeidsongeschikt.

2.4.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) heeft bij besluit van 4 augustus 2017 aan USG Engineering toestemming gegeven voor opzegging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen. USG Engineering heeft de arbeidsovereenkomst bij brief van 10 augustus 2017 opgezegd met ingang van 1 oktober 2017.

3 Het verzoek

3.1.

De kantonrechter leest het verzoek van [K.] zo dat hij verzoekt om USG Engineering te veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen, op grond van artikel 7:682 lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Aan dit verzoek legt [K.] ten grondslag – kort gezegd – dat de opzegging door USG Engineering in strijd is met artikel 7:669 lid 1 BW. In dat kader heeft [K.] het volgende aangevoerd. USG Engineering is haar herplaatsingsverplichting niet nagekomen. In april 2016 was al duidelijk dat de opdracht bij Dienst Rijksvastgoed kwam te vervallen. Vanaf april 2016 zijn er geen herplaatsingsinspanningen verricht. Hij heeft zelf meerdere potentiele opdrachtgevers en functies aangedragen. Hier is door USG Engineering echter niets mee gedaan. Dit heeft [K.] van meerdere partijen terug gehoord. Ook is er een voor hem geschikte functie aangeboden aan iemand die nog niet in dienst was bij USG Engineering.

4 Het verweer

4.1.

USG Engineering verweert zich en stelt dat het verzoek om haar te veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen, moet worden afgewezen. USG Engineering voert daartoe – samengevat – het volgende aan. Het UWV heeft de herplaatsingsinspanningen als voldoende beoordeeld. In de periode oktober 2016 tot en met januari 2017 heeft [K.] nog kortdurende opdrachten verricht. Omdat deze de loonkosten van [K.] niet dekten heeft USG Engineering moeten besluiten om hem vanaf 27 januari alleen nog maar in te zetten op duurzame en rendabele opdrachten. Vanaf 27 januari 2017 is dan ook de herplaatsingstermijn begonnen. Wat betreft de door [K.] concreet benoemde herplaatsingsmogelijkheden geldt dat er met een aantal van de door hem aangedragen bedrijven wel degelijk contact opgenomen is maar dat hier verder niets uitgekomen is. Daarnaast heeft hij ook een aantal bedrijven genoemd die geen klant zijn van USG Engineering. Wat betreft het aanbieden van een functie aan iemand die nog niet in dienst was geldt dat [K.] niet aangeeft welke functie dit betreft.

5 De beoordeling

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of USG Engineering moet worden veroordeeld om de arbeidsovereenkomst te herstellen

5.2.

[K.] heeft het verzoek tijdig ingediend, omdat het is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.

5.3.1.

Uit artikel 7:682 lid 1, onderdeel a, BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van een werknemer van wie de arbeidsovereenkomst is opgezegd met de toestemming van het UWV, de werkgever kan veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen indien de opzegging in strijd is met artikel 7:669, lid 1 BW. [K.] heeft gesteld dat de opzegging in strijd is met artikel 7:669, lid 1 BW, omdat niet voldaan is aan de herplaatsingsverplichting. Daarover overweegt de kantonrechter het volgende.

5.3.2.

Bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Stcrt. 2015/12685) (hierna: Ontslagregeling) zijn nadere regels gesteld met betrekking tot de herplaatsingsverplichting en de redelijke herplaatsingstermijn. De herplaatsingstermijn van [K.] bedraagt conform art. 10 Ontslagregeling jo. art. 7:672 lid 2 BW 2 maanden. Deze herplaatsingstermijn vangt gelet op art. 10 lid 5 Ontslagregeling aan op de dag dat de inleenopdracht eindigt. USG Engineering heeft uitgebreid gemotiveerd waarom zij er in dit geval voor gekozen heeft om de termijn te laten aanvangen op 27 januari 2017 in plaats van 30 september 2016. [K.] heeft namelijk in de periode van 1 oktober 2016 tot 27 januari 2017 nog diverse, niet kostendekkende, klussen gedaan voor de Dienst Rijksvastgoed. Hetgeen ook door [K.] wordt erkend. In dit licht bezien is het begrijpelijk dat USG Engineering de herplaatsingstermijn pas heeft laten ingaan op het moment dat zij besloten hebben om [K.] niet langer op de lopende klussen in te zetten omdat deze niet kostendekkend waren en er geen uitzicht was op een duurzame en rendabele plaatsing bij de Dienst Rijksvastgoed. [K.] stelt dat dit uitzicht er wel was maar hij onderbouwt dit niet. Aan deze stelling wordt daarom voorbij gegaan.

5.3.3.

Uit de overgelegde stukken (bijlage 5 bij productie 2) en dan meer in het bijzonder de lijsten met een overzicht van alle herplaatsingsinspanningen blijkt dat er in de periode 1 maart 2017 tot 25 mei 2017 diverse herplaatsingsinspanningen door USG Engineering zijn verricht. Deze bestonden uit het benaderen van verschillende partijen. Door [K.] wordt niet betwist dat er herplaatsingsinspanningen zijn verricht, hij stelt alleen dat er te weinig inspanningen zijn verricht en er kansen gemist zijn. Vastgesteld wordt dat er gelet op de stellingen van [K.] vanuit gegaan moet worden dat de herplaatsingsinspanningen zoals weergegeven in het overgelegde overzicht daadwerkelijk verricht zijn. De vraag die dan nog beantwoord dient te worden, is of USG Engineering, zoals [K.] stelt, kansen gemist heeft en niet is ingegaan op mogelijkheden die hij aandragen heeft.

5.3.4.

[K.] stelt dat hij bij [bedrijf 1] niet bekend is terwijl hij meerdere keren aangegeven heeft dat daar geschikte vacatures voor hem voorhanden waren. USG Engineering heeft hier gemotiveerd verweer tegen gevoerd. Uit de overgelegde herplaatsingslijst blijkt duidelijk dat hij meerdere keren bij verschillende onderdelen van [bedrijf 1] onder de aandacht is gebracht maar dat er geen mogelijkheden waren. Ook in de ter zitting overgelegde e-mailcorrespondentie tussen [bedrijf 1] en USG Engineering wordt bevestigd dat [K.] aangeboden is bij [bedrijf 1] maar dat er toen en nu ook geen mogelijkheden zijn binnen [bedrijf 1] . Gelet op de gemotiveerde betwisting van USG Engineering wordt de stelling van [K.] gepasseerd. Vastgesteld wordt dat [K.] door USG Engineering wel degelijk onder de aandacht is gebracht bij [bedrijf 1] maar dat hier er geen geschikte herplaatsingsmogelijkheden voor hem waren en ook niet zijn.

5.3.5.

Voorts stelt [K.] dat er geen contact opgenomen is met [bedrijf 2] terwijl hij wel contactgegevens aangeleverd heeft. Dit heeft hij van de heer [S.] van [bedrijf 2] gehoord. Uit een e-mail van 20 maart 2017 (productie 9) blijkt dat USG Engineering contact heeft opgenomen met [bedrijf 2] op het e-mailadres dat door [K.] doorgegeven is. Deze e-mail is niet gestuurd aan [S.] wat kan verklaren waarom hij gezegd heeft dat er geen contact met USG Engineering is geweest. Vastgesteld wordt dat er in ieder geval wel contact is gezocht met [bedrijf 2] en dat blijkbaar gebruik gemaakt is van de gegevens die [K.] aangeleverd heeft. [K.] heeft immers niet aangevoerd dat het gebruikte e-mailadres niet juist is en niet door hem aangeleverd is. Daarbij is ook in zijn geheel niet duidelijk welke functie binnen [bedrijf 2] beschikbaar was en of dit wel een geschikte herplaatsingsmogelijkheid voor [K.] zou zijn geweest.

5.3.6.

Wat betreft het aanbieden van een baan aan de heer [M.] die niet in dienst is bij USG Engineering geldt het volgende. [K.] laat na te onderbouwen om welke functie dit precies ging en waarom deze functie voor hem een geschikte herplaatsingsmogelijkheid zou zijn. Uit de door hem overgelegde e-mail blijkt alleen dat [M.] uitgenodigd is voor een sollicitatiegesprek maar niet voor welke functie. Hoewel hij ter zitting heeft aangevoerd over nagenoeg dezelfde kwaliteiten te beschikken als [M.] is dat onvoldoende om aan te nemen dat er een geschikte herplaatsingsmogelijkheid voor hem beschikbaar was bij [bedrijf 3] .

5.3.7.

[K.] stelt dat er ook geen contacten bij [bedrijf 4, 5 en 6] bekend zijn. Onduidelijk is waarom er contacten bij deze bedrijven bekend zouden moeten zijn. USG Engineering heeft toegelicht dat dit geen klanten van haar zijn. Daarnaast heeft [K.] op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt dat er bij deze bedrijven mogelijkheden waren en dat hij deze voorgelegd heeft aan USG Engineering.

5.3.8.

Tot slot stelt [K.] dat er geen contact is geweest met de [bedrijf 7] waar de functie van adviseur Brandbeveiliging voor hem voorhanden was. Door USG Engineering wordt dit gemotiveerd betwist. Er is wel degelijk telefonisch contact is geweest met de contactpersoon uit de vacaturetekst maar dat er geen reactie meer is gekomen vanuit het bedrijf. Gelet op de gemotiveerde betwisting van USG is de enkele stelling van [K.] dat hij in een gesprek met de [bedrijf 7] , waarbij onduidelijk is met wie hij gesproken heeft, gehoord heeft dat hij niet voorgedragen is, onvoldoende om aan te nemen dat USG Engineering onvoldoende herplaatsingsinspanningen heeft verricht.

5.3.9.

In het licht van al hetgeen hiervoor overwogen is, wordt geoordeeld dat vast is komen te staan dat USG Engineering zich gedurende de redelijke termijn (2 maanden) voldoende heeft ingespannen om [K.] te herplaatsen. Dat dit uiteindelijk niet gelukt is, is spijtig voor [K.] maar kan niet tot het oordeel leiden dat USG Engineering onvoldoende herplaatsingsinspanningen heeft verricht. Hierbij is van belang dat het wat de herplaatsingsverplichting betreft gaat om een inspanningsverplichting van de werkgever en niet om een resultaatsverplichting. Ook is meegewogen dat het [K.] vrijgestaan had om zelf, buiten USG Engineering om, te reageren op vacatures die in zijn ogen geschikt zouden zijn.

5.4.

De conclusie is dat de opzegging niet in strijd is met artikel 7:669, lid 1 BW. De kantonrechter zal het verzoek van [K.] om USG Engineering te veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen daarom afwijzen.

5.5.

Ter zitting is nog gesproken over de hoogte van de uitbetaalde transitievergoeding en de eindafrekening. USG Engineering heeft bij brief van 31 janauri 2018 nader toegelicht. Nu [K.] hier niet op gereageerd heeft, terwijl deze brief ook naar hem gestuurd is, en hij ook geen expliciet verzoek op dit punt opgenomen heeft in zijn verzoekschrift wordt aan dit punt verder voorbij gegaan.

5.6.

De proceskosten worden, gelet op de aard van de procedure, gecompenseerd als hierna te melden.

6 De beslissing

De kantonrechter:

wijst het verzoek af;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.J. Godrie, kantonrechter, en op 1 maart 2018 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.