Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:977

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
21-02-2017
Datum publicatie
28-02-2017
Zaaknummer
C/01/317332 / KG ZA 17-70
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De bank maakt geen misbruik van haar executiebevoegdheid gelet op het geschetste verloop van de steeds weer opnieuw overeengekomen betalingsregelingen die iedere keer niet zijn nagekomen en het feit dat de schuldenaren sinds enkele maanden meer financiële ruimte hadden en zij die niet hebben gebruikt voor (extra) aflossingen op de steeds verder oplopende betalingsachterstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/317332 / KG ZA 17-70

Vonnis in kort geding van 21 februari 2017

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. R. Haouli te 's-Hertogenbosch,

tegen

de naamloze vennootschap ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. G. Hamers te Rosmalen.

Partijen zullen hierna [eisers] en de bank genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 6 februari 2017 met producties 1 tot en met 17;

  • -

    de brief van mr. Haouli van 14 februari 2017 met productie 18;

  • -

    de mondelinge behandeling van 15 februari 2017 te 14.00 uur;

  • -

    de pleitnota van mr. Haouli namens [eisers] ;

  • -

    de pleitnota van mr. Hamers namens de bank.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald op uiterlijk veertien dagen na de mondelinge behandeling.

2 De feiten

2.1.

Bij hypotheekakte van 20 november 2006 heeft de bank aan [eisers] een hypothecaire geldlening verstrekt van in hoofdsom € 195.000,-- voor de aankoop van de woning aan het adres [adres] . Tegelijkertijd hebben [eisers] als eigenaar aan de bank een recht van eerste hypotheek op de woning verstrekt.

2.2.

Op de geldlening zijn de Algemene Voorwaarden van toepassing van 2 december 1991. Op grond van art. 19 van deze voorwaarden dienen [eisers] aan de bank te vergoeden alle kosten die de bank onder meer in of buiten rechte maakt ter incasso van haar vordering en ter uitoefening van haar hypotheekrecht.

2.3.

[eisers] voldoen reeds sinds december 2012 niet tijdig en volledig aan de met de bank overeengekomen betalingsverplichtingen uit hoofde van de hypothecaire geldlening.

2.4.

Op 5 maart 2014 bedroeg de betalingsachterstand € 4.913,66. Partijen zijn toen een betalingsregeling overeengekomen welke inhield dat [eisers] maandelijks naast de reguliere hypotheektermijnen een bedrag van € 500,-- zouden voldoen.

2.5.

Omdat [eisers] er niet in slagen voornoemde betalingsregeling na te komen, hebben partijen nieuwe afspraken gemaakt op grond waarvan [eisers] vanaf oktober 2014 naast de reguliere hypotheektermijnen een bedrag van € 300,-- op de betalingsachterstand zouden inlossen.

2.6.

In november 2014 hebben [eisers] reeds een verzoek aan de bank gedaan om voornoemde betalingsregeling naar beneden bij te stellen, waarna zij een betalingsregeling zijn overeengekomen voor drie maanden waarbij € 200,-- per maand op de betalingsachterstand zou worden ingelost.

2.7.

In februari 2015 heeft de bank geconstateerd dat de incasso van de reguliere hypotheektermijn werd gestorneerd. [eisers] liepen de betalingsachterstand in de hypotheektermijnen ook niet in. In de periode tussen februari 2015 en november 2015 is de betalingsachterstand opgelopen van € 2.723,01 naar een bedrag van € 4.646,19.

2.8.

Vervolgens heeft de bank ten laste van [eisers] loonbeslag gelegd, waardoor maandelijks een bedrag van € 100,01 werd afgedragen aan de bank.

2.9.

Ondanks het door de bank gelegde beslag is de achterstand in de hypotheektermijnen per mei 2016 opgelopen tot een bedrag van € 6.482,43.

2.10.

Bij brief van 11 mei 2016 heeft de bank de gehele geldlening opgeëist en zijn [eisers] gesommeerd om uiterlijk 25 mei 2016 het totaalbedrag van € 203.589,67 te voldoen.

2.11.

Daarna heeft de bank een taxateur de opdracht gegeven om de woning te taxeren, maar hieraan heeft [eisers] geen medewerking verleend als gevolg waarvan de bank de voorzieningenrechter van deze rechtbank verlof heeft gevraagd om het huur-, beheers- en ontruimingsbeding te mogen inroepen. Nadat verlof is verkregen, hebben [eisers] meegewerkt aan een inpandige taxatie van de woning.

2.12.

Vanaf mei 2016 tot heden is de achterstand in de hypotheekbetalingen opgelopen tot een bedrag van € 11.586,99. De kosten voor het inroepen van het huur-, beheers- en ontruimingsbeding bedroegen € 3.504,94 en de notariskosten bedragen € 2.613,71.

2.13.

Vanaf november 2016 hebben [eisers] extra financiële ruimte van € 311,00 per maand.

2.14.

De executieveiling van de woning van [eisers] is gepland op donderdag 6 april 2017.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vorderen bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. primair: de bank te veroordelen om de executie van het onderpand te schorsen zolang [eisers] ;

a. maandelijks tijdig aan hun hypotheekverplichtingen blijven voldoen,

b. met ingang van de eerste kalendermaand na de kalendermaand waarin het deze te wijzen vonnis zal worden gewezen maandelijks een bedrag van € 200,-- aflossen op de bestaande betalingsachterstand, uiterlijk te voldoen op de laatste dag van iedere kalendermaand,

c. met ingang van november 2018 maandelijks een bedrag van € 400,-- aflossen op de bestaande betalingsachterstand, uiterlijk te voldoen op de laatste dag van iedere kalendermaand,

subsidiair: de bank te veroordelen om de executie van het onderpand te schorsen zolang [eisers] voldoen aan de door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen voorwaarden,

meer subsidiair: de bank te veroordelen om de executie tot en met 31 augustus 2017 aan te houden, onder de voorwaarde dat [eisers] aan hun maandelijkse hypotheekverplichtingen zullen blijven voldoen, althans zelf een redelijke termijn vast te stellen gedurende welke de bank onder voornoemde voorwaarde de executie dient aan te houden, zodat [eisers] een vervangende woonruimte kunnen zoeken,

2. de bank te veroordelen in de kosten van dit geding alsmede in de nakosten.

3.2.

[eisers] leggen daaraan het volgende ten grondslag.

[eisers] zijn van mening dat in de gegeven omstandigheden het door de bank uitoefenen van de in beginsel aan haar toekomende executiebevoegdheid onrechtmatig jegens hen is. De bank kan in alle redelijkheid niet besluiten de in beginsel aan haar toekomende executiebevoegdheid uit te oefenen, zodat de bank misbruik van haar bevoegdheid maakt. Het belang van [eisers] om niet met een executie geconfronteerd te worden is zodanig groter en zwaarwegender dan het belang van de bank bij de executie, dat het belang van [eisers] dient te prevaleren.

3.3.

De bank voert verweer.

Voor toewijzing van de vorderingen van [eisers] is geen plaats. De bank is op grond van art. 3:268 BW gerechtigd haar onderpand in het openbaar te doen verkopen. De bank maakt geen misbruik van haar recht van parate executie. Zij handelt ook niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid. De zaak kent een aanzienlijke geschiedenis, waarin de bank [eisers] meermaals kansen heeft gegeven om de zaak in der minne op te lossen. Hiervan hebben [eisers] geen gebruik van gemaakt.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de zaak. Op 6 april 2017 dreigt de bank immers tot executoriale verkoop van de woning van [eisers] over te gaan.

4.2.

Uitgangspunt is dat een hypotheekhouder bevoegd is tot executie over te gaan, indien de schuldenaar in verzuim is met de voldoening van hetgeen waarvoor de hypotheek tot waarborg strekt. Dit kan evenwel anders zijn, indien de hypotheekhouder – mede gelet op de belangen aan de zijde van de schuldenaar die door de executie zullen worden geschaad – geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van de bevoegdheid om tot parate executie over te gaan. Dan is sprake van misbruik van recht.

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat [eisers] een achterstand hebben laten ontstaan in de betaling van de maandelijks verschuldigde hypotheektermijnen, dat de bank op grond daarvan gerechtigd was om de geldlening in zijn geheel op te eisen en dat [eisers] niet zijn overgegaan tot betaling van het verschuldigde. Daarmee staat vast dat [eisers] hun betalingsverplichtingen uit hoofde van de geldlening niet zijn nagekomen en vanaf mei 2016 in verzuim verkeren. De bank is dus in beginsel gerechtigd om van haar executiebevoegdheid gebruik te maken. Dit zou slechts anders zijn, indien sprake is van misbruik van bevoegdheid. Op grond van het hierna volgende doet die situatie zich in dit geval niet voor.

4.4.

Uit het door de bank geschetste verloop van de steeds weer opnieuw overeengekomen betalingsregelingen die iedere keer niet zijn nagekomen, blijkt dat partijen al sinds eind 2012 met elkaar in overleg zijn over de ontstane achterstand in de hypotheekbetalingen. [eisers] hebben telkenmale toegezegd de betalingsregelingen na te komen, maar zijn daar steeds niet in geslaagd. Bovendien hadden zij vanaf november 2016 meer financiële ruimte en hebben zij ondanks die ruimte geen (extra) aflossingen gedaan op de steeds maar verder oplopende betalingsachterstand.

4.5.

Gelet op de hiervoor vermelde omstandigheden, de hoogte van het verschuldigde bedrag en de hoogte van de betalingsachterstand in de hypotheektermijnen, weegt het belang van de bank bij executie naar het oordeel van de voorzieningenrechter zwaarder dan het belang van [eisers] bij uitstel daarvan.

4.6.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat hetgeen [eisers] hebben aangevoerd onvoldoende is om de bank te verplichten de executie op te schorten. De vorderingen van [eisers] zullen worden afgewezen.

4.7.

[eisers] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de bank worden begroot op:

- griffierecht € 287,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.103,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van de bank tot op heden begroot op € 1.103,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2017.