Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:946

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
24-02-2017
Datum publicatie
24-02-2017
Zaaknummer
01/865124-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Woningoverval in Schijndel.

Jeugdstrafrecht.

Opgelegd wordt een jeugddetentie voor de duur van 20 maanden met aftrek van voorarrest waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Bijzondere voorwaarde o.m. ambulante behandeling.

Conform eis OM.

Schadevergoedingsplicht. Hoofdelijk omdat meer daders betrokken zijn.

Zie ook ECLI:NL:TBOBR:2017:945

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01/865124-16

Datum uitspraak: 24 februari 2017

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte 1] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,

thans gedetineerd te: JJI De Hunnerberg te Nijmegen.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 december 2016 en 10 februari 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 16 november 2016.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 10 februari 2017 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 05 september 2016 te Schijndel tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning ( [pleegadres] ) heeft weggenomen, autosleutels en/of geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot afgifte van autosleutels en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij en/of zijn mededader(s): - met bedekte gezichten, althans gemaskeerd met een (mond)masker en/of een capuchon over het hoofd de woning ( [pleegadres] ) is/zijn binnengedrongen en/of - (vervolgens) die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] een mes heeft/hebben voorgehouden en/of

- een of meerdere steekbeweging(en) in de richting van [slachtoffer 2] heeft/hebben gemaakt en/of - die [slachtoffer 1] tegen de grond heeft/hebben geduwd en/of - heeft/hebben geroepen 'geld, geld, geld' of 'houd je rustig dan gebeurt er niets' en/of 'kluis' en/of ‘heb je de politie gebeld’, althans woorden van gelijke aard en strekking en/of

- en/of met kracht een mes in een (tussen)deur heeft/hebben gestoken en/of - die [slachtoffer 1] (vervolgens) met kracht meerdere, althans een (karate)trap(pen) tegen zijn lichaam heeft/hebben gegeven en/of

- [slachtoffer 3] een duw gegeven terwijl zij op de trap stond, waardoor zij van de trap viel.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht dit feit wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van het maken van één of meerdere steekbewegingen in de richting van [slachtoffer 2] , het steken van een mes in de deur, het schoppen van [slachtoffer 1] en het duwen van [slachtoffer 3] . Voor deze onderdelen van de tenlastelegging ontbreekt ten aanzien van verdachte het wettig en overtuigend bewijs, waardoor verdachte in zoverre moet worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen. 1

De aangifte van [slachtoffer 1]

Op 5 september 2016 omstreeks 22:30 was ik in mijn woning gelegen aan de [pleegadres] te Schijndel. Omstreeks 22:30 werd er aangebeld. Ik deed de deur open en zag drie a vier personen staan. Ik zag dat er in ieder geval twee een capuchon op hadden en een mondmasker. Ik zag dat één persoon een mes in zijn handen had. Ik zag ook dat de persoon het mes omhoog hield boven het groepje uit. Op het moment dat ik de deur opende en deze personen zo zag staan reageerde ik direct door de deur dicht te doen. Ik kon hem niet meer houden en de deur ging open. Toen de deur open was, sprong er direct één van die personen op mij. Deze zei tegen mij “hou je rustig dan gebeurt er niks”. De anderen zijn langs mij gelopen en de woning ingegaan. Ik zag dat één van die jongens geld uit mijn vrouw haar portemonnee pakte. Ik zag dat ondertussen mijn dochter door één van de mannen van de trap af werd geleid. Ik hoorde hem vragen aan mijn dochter of zij de politie had gebeld. Ze liepen toen allemaal de woning uit. Op dat moment kwam de jongen met het mes terug gelopen. Ik zag dat hij het mes in de deur stak van de hal met de woonkamer. Ik zag dat hij vervolgens op mij af kwam lopen en hij gaf mij een soort karatetrap tegen mijn rechter bovenbeen.2

De verklaring van [slachtoffer 2] .

Ik woon op de [pleegadres] te Schijndel. Ik hoorde de deurbel gaan. Ik hoorde ook dat mijn man open ging maken. Ik wist toen meteen dat het mis was. Toen liep ik naar de trap, maar er kwam al een jongen met een slank postuur de trap op gerend met een mes. De jongen riep: “geld geld geld.” Ik zei dat ik geen geld in huis had. “Kluis”, riep de man toen. De jongen duwde mij vooruit naar beneden. Ik heb hem 5 euro in zijn hand moeten geven want door de snelheid of de spanning lukte het hem niet. Toen de jongen met de portemonnee bezig was liet hij weer dat mes zien. Hij hield het mes in mijn richting gericht en maakte ook een paar keer een steekbeweging in mijn richting om te dreigen. Toen begon volgens mij de dader met het mes over de autosleutel. Ik heb de autosleutel afgegeven en toen verlieten de daders heel snel de woning. De daders waren al weg maar de man met het mes kwam toen terug. Hij sloeg op de deur met het mes, met het mes er doorheen. Toen viel hij mijn man aan. Hij schopte mijn man.3

De aangifte van [slachtoffer 3] .

Ik ben die avond van 5 september 2016 bedreigd door een persoon met een mes. Ik was aan het bellen met de politie op mijn slaapkamer. Hij opende de deur en ik zag daar een persoon staan met een mes in zijn handen en een soort skeletmasker. De persoon hield het mes op me gericht, dat was op ongeveer een dertig tot veertig centimeter afstand. Ik moest mee naar beneden lopen. Ik stond op de tweede trede van beneden toen ik nog steeds aan het roepen was dat ik de politie niet had gebeld. Op dit moment knapte er waarschijnlijk iets bij een van de daders. Deze persoon stak met kracht een mes in een deur, zoals ik later gehoord heb. Ik zag later ook wel een soort spleet in de deur. Deze persoon begon vervolgens mijn vader te schoppen en te slaan. Nadat mijn vader geslagen en geschopt was zag ik deze persoon op mij af komen rennen. Deze persoon duwde mij waardoor ik ten val kwam op de trap. De volgende dag bemerkte ik pas dat ik over mijn hele lichaam stijf was, een soort spierpijn had, ook bij mijn linkerbil.4

Het relaas van [verbalisant 1] .

Op 8 september 2016 werd de mobiele telefoon van [verdachte 2] voor onderzoek in beslag genomen. Het mobiele telefoonnummer dat bij de uitgelezen gegevens vermeld stond betreft: [telefoonnummer verdachte] . Door mij werden de uitgelezen WhatsApp gesprekken bekeken rondom de datum waarop de overval in de woning te Schijndel plaats vond.

5-9-2016, vanaf 14.57 uur:

[medeverdachte 1] [telefoonnummer medeverdachte 1] ): Ik ga klapper pakken. Ja man braka.

[verdachte 1] : Zou ik meegaan. (…)

[medeverdachte 1] : Ik ken ook mensen die kilo’s hebben daar kan ik van kopen en dan doorverkopen. Drm die brak he.

[verdachte 1] : Ik wil sws mee man.

[medeverdachte 1] : Ik doe mijn best om jou mee te nemen. (…)

[verdachte 1] : Dan moeten wij eerst alles goed uitkiezen.

[medeverdachte 1] : Ik neem daar nog iemand voor mee.

[verdachte 1] : Een mattie van muj wilt mee.

[medeverdachte 1] : Wanner.

[verdachte 1] : Ik wil dit weekend doen. (…)

[verdachte 1] : Wij hebben vanaaf auto. Dus zeg maar. (…)

[verdachte 1] : Kga vanaaf denk iemand afpersen moet eerst beetje money hebben.

[medeverdachte 1] : Ik doe mee.

[verdachte 1] : Maar je moet bivak of iets fixen dan.(…)5

Het relaas van [verbalisant 2] .

Tijdens het onderzoek werd een mobiele telefoon aangetroffen. Ik heb de mobiele telefoon op 6 september 2016 handmatig uitgelezen.

Omschrijving: mobiele telefoon.

Verdachte: [medeverdachte 3] .

Onderzoeksresultaat:

WhatsApp, gisteren, tussen [verdachte 1] en [medeverdachte 3] van 4:24 pm tot 6:18 pm:

[verdachte 1] : Ik wil vanaaf brakk zetten met jou. Maar moet je mij vervoer fixen.

[medeverdachte 3] : Kan man. Ik kan miss die jongen appen. Met die seat.

[verdachte 1] : Ja beste wel

[medeverdachte 3] : Maar is ook weer benzine.

[verdachte 1] : Ja snap ik. Ik geef em geld. We kunnen ook iemand afpersen he. Miss is dat beter. Maar kheb nu wellou bivak. Kunje denk je die vervoer fixen.

[medeverdachte 3] : Ja als hij reageert.

[verdachte 1] : Welke kleding moet ik meenemen dan

[medeverdachte 3] : Zwarte die je nooit aanhebt

[verdachte 1] : Saff. Ik trek alles zwart aan.6

De verklaring van [betrokkene 1] .

Ik zou met een vriend van mij iemand ophalen en ik zou daar benzinegeld voor krijgen. Die vriend was [medeverdachte 3] . Die jongens hadden [medeverdachte 3] gebeld, [medeverdachte 3] vroeg mij daar naar toe te rijden. In de avond ben ik met mijn auto, een Seat Arosa, naar Afferden gereden. Toen ik daar aan kwam, zeiden [verdachte 1] en [medeverdachte 3] dat zij ergens anders naar toe wilden. [medeverdachte 3] en [verdachte 1] wilden een vriend ophalen. Zij zeiden dat dit heel belangrijk was.We zijn naar Schijndel gereden.7

De verklaring van verdachte.

Ik was op 5 september 2016 betrokken bij de overval op de woning gelegen aan de [pleegadres] te Schijndel. Tijdens deze overval had ik een zwarte capuchon over mijn hoofd, met twee koordjes aangetrokken, zodat alleen mijn ogen zichtbaar waren. We zijn met drie personen naar binnen gegaan.8 [medeverdachte 4] had een mes bij zich. We hadden het over die woningoverval en toen liet hij dat mes zien.9 [medeverdachte 1] had ook een mes bij, dat had hij in de auto laten zien.10

Het oordeel van de rechtbank.

Op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank het volgende worden vastgesteld.

Op 5 september 2016 heeft verdachte rond 15.00 uur via WhatsApp contact met

[medeverdachte 1] . Verdachte spreekt in dat gesprek over ‘wij hebben vanaaf een auto’, ‘kga vanaaf iemand afpersen’, en zegt tegen [medeverdachte 1] dat hij dan wel ‘een bivak moet fixen’. Kort na dit gesprek heeft verdachte via de app contact met [medeverdachte 3] . In dit gesprek zegt verdachte dat hij met [medeverdachte 3] ‘een brakk wil zetten’ maar dan moet [medeverdachte 3] vervoer regelen. [medeverdachte 3] zegt vervolgens dat hij misschien wel iemand kent met een Seat, waarna verdachte zegt dat hij die persoon wel geld geeft voor benzine en vervolgens dat ze ook iemand kunnen afpersen. Daarna vraagt verdachte nogmaals aan [medeverdachte 3] of hij denkt vervoer te kunnen regelen en zegt dat hij die avond alleen maar zwarte kleding zal aantrekken. [betrokkene 1] verklaart dat [medeverdachte 3] Janssen hem had benaderd om die avond [medeverdachte 3] en een vriend van [medeverdachte 3] ergens heen te rijden met de auto van zijn vader, een Seat. Als [betrokkene 1] die avond bij de woning van [medeverdachte 3] komt, hoort hij dat verdachte en [medeverdachte 3] naar Schijndel willen. Bij het station in Cuijk halen zij [medeverdachte 1] op, waarna ze richting Schijndel rijden. Daar wordt [medeverdachte 4] opgehaald. Uiteindelijk dringen verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] , met bedekte gezichten de woning aan de [pleegadres] binnen, waarbij de bewoners door geweld en bedreiging met geweld worden gedwongen tot afgifte van geld en een autosleutel.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit dit alles, in onderlinge samenhang bezien, dat verdachte al voordat de jongens met de auto naar Schijndel gingen wist dat er die avond een afpersing zou gaan plaatsvinden waarbij in ieder geval ook [medeverdachte 1] betrokken zou zijn. Verdachte spreekt met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] over afpersing en vraagt [medeverdachte 3] om vervoer te regelen. De stelling van verdachte, dat de inhoud van de WhatsApp gesprekken tussen hem en [medeverdachte 1] en tussen hem en [medeverdachte 3] alleen stoerdoenerij was, acht de rechtbank volstrekt onaannemelijk, gelet op het feit dat de inhoud van deze gesprekken, zowel afzonderlijk als in samenhang bezien, op hoofdlijnen overeenkomt met de gebeurtenissen later die dag. Deze verklaring van verdachte wordt dan ook terzijde geschoven.

Op grond van deze feiten en omstandigheden komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van afpersing. De verdachte heeft daarbij nauw en bewust samengewerkt met de medeverdachten. Verdachte heeft van tevoren contact gehad met één van de medeverdachten en met een medeplichtige geregeld dat er vervoer zou zijn die avond. Verdachte en twee medeverdachten zijn gezamenlijk de woning binnengedrongen. Wie van de verdachten [slachtoffer 1] heeft getrapt, wie het mes in de tussendeur heeft gestoken, wie [slachtoffer 3] heeft geduwd en wie [slachtoffer 2] heeft bedreigd met een mes waarbij steekbewegingen zijn gemaakt, kan niet worden vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is echter voldoende vast komen te staan dat alle drie verdachten een groot aandeel in het geheel hebben gehad. Voor een bewezenverklaring van de bij de afpersing gebruikte (dreiging met) geweldshandelingen is niet van belang wie welke handelingen precies heeft verricht. Verdachte wist dat er een overval ging plaatsvinden, dat er messen mee naar binnen werden genomen en hij moest er rekening mee houden dat de bewoners thuis waren. Door onder die omstandigheden toch deel te nemen aan de woningoverval is hij medeverantwoordelijk voor het gebruikte geweld en bedreiging met geweld. Anders dan de verdediging stelt, was de woningoverval naar het oordeel van de rechtbank nog niet voorbij op het moment dat het mes in de deur werd gestoken en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] respectievelijk werden getrapt en geduwd en kan het medeplegen van deze handelingen dan ook aan alle verdachten worden toegerekend. Het andersluidende verweer van de verdediging wordt verworpen.

Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna onder “de bewezenverklaring” nader zal worden omschreven.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 05 september 2016 in/uit een woning ( [pleegadres] )te Schijndel tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot afgifte van autosleutels en geld, toebehorende aan die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] , welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij en zijn mededaders: - met bedekte gezichten, althans gemaskeerd met een (mond)masker en/of een capuchon over het hoofd de woning ( [pleegadres] ) zijn binnengedrongen en - vervolgens die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] een mes hebben voorgehouden en

- steekbewegingen in de richting van [slachtoffer 2] hebben gemaakt en - die [slachtoffer 1] tegen de grond hebben geduwd en - hebben geroepen 'geld, geld, geld' en 'houd je rustig dan gebeurt er niets' en 'kluis' en ‘heb je de politie gebeld’ en

- met kracht een mes in een tussendeur hebben gestoken en - die [slachtoffer 1] met kracht een trap tegen zijn lichaam hebben gegeven en

- [slachtoffer 3] een duw hebben gegeven terwijl zij op de trap stond, waardoor zij van de trap viel.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist, met toepassing van het jeugdstrafrecht, een jeugddetentie van 20 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van 2 jaar, met daarbij als bijzondere voorwaarden de voorwaarden zoals opgenomen in het reclasseringsrapport van 7 februari 2017. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging verzoekt de rechtbank om verdachte te veroordelen met toepassing van het jeugdstrafrecht. De verdediging stelt zich op het standpunt dat bij het bepalen van de strafmaat er rekening mee moet worden gehouden dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar was ten tijde van het delict en dat de periode die verdachte al in voorarrest heeft gezeten, een grote impact op verdachte heeft gemaakt. Een onvoorwaardelijke jeugddetentie die qua duur de periode van het voorarrest overstijgt, acht de verdediging dan ook niet opportuun. De verdediging stelt verder dat de jeugdreclassering het meest geschikt moet worden geacht om het toezicht op de op te leggen bijzondere voorwaarden uit te voeren.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is samen met twee anderen een woning binnengedrongen. Zij hebben daarbij de bewoners bedreigd met messen en tegen twee van de bewoners fysiek geweld gebruikt. De woning is bij uitstek de plaats waar men zich veilig moet kunnen voelen. Een woningoverval veroorzaakt gevoelens van angst en onveiligheid bij de bewoners in het bijzonder en in de samenleving in het algemeen. Een overval, zeker wanneer daarbij geweld wordt gebruikt, is voor de slachtoffers een bijzonder traumatische ervaring waar zij nog jarenlang last van kunnen hebben. Dit wordt in dit concrete geval ook bevestigd door de ter terechtzitting voorgelezen verklaring van één van de slachtoffers, [slachtoffer 3] . Zij heeft onder meer verklaard dat deze hele gebeurtenis voor haar leven grote gevolgen heeft gehad. Bij onverwachte en harde geluiden vreest zij voor haar leven en beleeft zij de gebeurtenis opnieuw. Het gemak waarmee verdachte hier voorafgaand aan de overval over sprak met één van de medeverdachten en met een medeplichtige acht de rechtbank even kwalijk als zorgwekkend. Dit alles rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. De rechtbank merkt daarbij onder verwijzing naar de strafmaatoverwegingen op dat zij alle drie de verdachten het dreigen met geweld en het gebruiken van geweld even zwaar aanrekent.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het over verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport van 7 februari 2017. In dit rapport staat onder meer het volgende.

“Betrokkene is een 18-jarige jongeman die verdacht wordt van betrokkenheid bij een woningoverval, gepleegd op 5 september 2016 in Schijndel. Binnen enkele leefgebieden zijn problemen gesignaleerd. Deze hebben voornamelijk betrekking op zijn denkpatronen, gedrag en vaardigheden. Naar aanleiding van de onderhavige zaak is er onvoldoende duidelijkheid omtrent het sociale netwerk van betrokkene. Het feit dat de onderhavige zaak in vereniging is gepleegd, baart zorgen, zeker bij veroordeling. Een strak kader wordt noodzakelijk geacht om zodoende recidive te voorkomen en betrokkene te ondersteunen in zijn weg naar volwassenheid. Daarbij wordt het noodzakelijk geacht dat betrokkene begeleid gaat wonen buiten zijn voormalige gemeente. Op 20 december 2016 is betrokkene aangemeld bij Pluryn Nijmegen, maar een intake heeft nog niet plaatsgevonden. De mogelijkheid om een dagbesteding te realiseren via Pluryn, in overleg met de reclassering, zou hem structuur en perspectief kunnen bieden.

(..) Betrokkene lijkt meer gebaat te zijn bij berechting middels het jeugdstrafrecht. Mocht hij zijn bijzondere voorwaarden overtreden en een eventueel voorwaardelijk strafdeel alsnog moeten uitzitten, lijkt hij meer gebaat bij plaatsing in een JJI. Plaatsing in een PI lijkt niet in zijn belang te zijn. De kans dat hij dan uit het oog verloren gaat en voor een criminele levensstijl kiest, is niet ondenkbaar. Door het toezicht en de begeleiding onder te brengen bij de volwassenreclassering, is er toch sprake van een strak kader waar betrokkene zich niet zonder meer aan kan onttrekken.”

Omtrent de geestvermogens van verdachte is een Pro Justitia rapport uitgebracht door GZ-psycholoog drs. M. van Seters van 16 november 2016. Dit rapport houdt kort weergegeven onder meer het volgende in.

“Ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten (indien bewezen) was er naar het oordeel van ondergetekende sprake van een ziekelijke stoornis in de zin van ADHD en een depressie en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een licht verstandelijke beperking en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale trekken.

(..) Wat betreft de persoonlijkheidskenmerken, de licht verstandelijke beperking, de depressieve klachten, alsmede de aandacht en concentratieproblemen kan gesteld worden dat hier sprake is van een langer bestaand beeld waarvan logischerwijs verwacht mag worden dat deze ook tijdens het ten laste gelegde aanwezig zijn geweest. Betrokkene laat zich in het onderzoek kennen als een kwetsbare, licht verstandelijk beperkte jongeman, die gevoelig is voor groepsdruk. Vanuit een traumatische voorgeschiedenis heeft hij zich ontwikkeld tot een sterk verongelijkte, zelfbepalende en antisociale jongeman die zich aangetrokken voelt tot het opzoeken van spanningsvolle, grensoverschrijdende situaties en daarin onvoldoende geremd wordt door eigen gewetensfuncties. Voorts is aannemelijk dat betrokkene onder invloed van cannabis minder goed in staat is geweest om de situatie te overzien, echter wordt de invloed hiervan op het ten laste gelegde als marginaal beoordeeld, omdat uit het delict scenario blijkt dat betrokkene al voorafgaand aan het middelengebruik uiting geeft van het plannen van een overval.

(..) Er wordt derhalve geadviseerd om, indien het ten laste gelegde bewezen kan worden,

betrokkene als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.”

De rechtbank neemt de bevindingen en conclusies uit voornoemde rapportages over en maakt deze tot de hare. De rechtbank zal conform de gegeven adviezen verminderd toerekeningsvatbaar verklaren en het jeugdstrafrecht toepassen.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde, veelal lagere oriëntatiepunten voor het jeugdstrafrecht. Bij het bepalen van de straf wordt veel belang gehecht aan wat de straf betekent voor de persoonlijke ontwikkeling van de jeugdige. Er wordt veel meer dan bij het strafrecht voor volwassenen rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voor een woningoverval gepleegd door één persoon zonder bijzondere strafverzwarende omstandigheden geldt als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke jeugddetentie vanaf 6 maanden.

Conclusie.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een jeugddetentie van hierna te noemen duur. Een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest, zoals door de verdediging bepleit, zou naar het oordeel van de rechtbank geen recht doen aan de ernst van het bewezen verklaarde. De rechtbank zal de op te leggen jeugddetentie voor een gedeelte voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zullen de hierna te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld, waaronder de verplichting aan verdachte om zich onder behandeling te stellen en de verplichting aan verdachte om zich aan te melden voor een traject voor begeleid wonen. De rechtbank is van oordeel dat het voor verdachte noodzakelijk is dat hij zich laat behandelen zodat niet alleen hij de kans krijgt om een ander levenspad te kiezen maar ook het risico op een terugval in criminele activiteiten zo goed als mogelijk wordt verkleind.

De vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] .

De rechtbank acht de vorderingen van alle benadeelde partijen in hun geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening. Anders dan de verdediging ziet de rechtbank geen aanleiding om de door de benadeelden gevorderde immateriële schadevergoeding te matigen. De benadeelden hebben ter onderbouwing van deze schade allen dezelfde uitspraak gebruikt. Dat bij de woningoverval op 5 september 2016 niet exact dezelfde geweldshandelingen zijn gebruikt of dat niet ten aanzien van alle bewoners geweldshandelingen zijn gebruikt laat onverlet dat er ook in dit geval sprake is geweest van een brutale woningoverval waarbij in ieder gevel door twee verdachten een mes is getoond, waarbij gezinsleden hebben gezien wat de andere gezinsleden door geweld en dreiging met geweld is aangedaan en waarbij op intimiderende wijze een mes met kracht in de deur is gestoken. Dit maakt dat de door de benadeelden aangehaalde uitspraak naar het oordeel van de rechtbank kan dienen ter onderbouwing van de door hen gevorderde immateriële schadevergoeding.

De door [slachtoffer 1] gevorderde materiële schadevergoeding acht de rechtbank redelijk en ook voldoende onderbouwd, waardoor ook deze voor volledige toewijzing in aanmerking komt. Hetgeen door de verdediging in dit kader is aangevoerd, wordt verworpen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partijen tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Motivering van de hoofdelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelden hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor de toegewezen bedragen tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan de slachtoffers bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte of één van zijn mededaders heeft voldaan aan zijn verplichtingen tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partijen komen te vervallen en andersom, indien verdachte of één van zijn mededaders heeft voldaan aan zijn verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partijen, daarmee zijn verplichtingen tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Beslag.De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, omdat – zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit een voorwerpen zijn met betrekking tot welke het feit is begaan en deze voorwerpen ten tijde van het begaan van het feit aan verdachte toebehoorden.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

27, 33, 33a, 36f, 77c, 77i, 77l, 77x, 77y, 77z, 312 en 317 van het Wetboek van

Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregelen.

Jeugddetentie voor de duur van 20 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en - medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich moet houden aan de aanwijzingen die Reclassering Nederland hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde;

- zich binnen drie dagen na onherroepelijk worden van dit vonnis telefonisch moet melden bij Reclassering Nederland op het volgende telefoonnummer: 088 8041405 om een afspraak te maken voor een eerste gesprek op de locatie aan de Stieltjesstraat 1 in Nijmegen. Hierna moet de veroordeelde zich blijven melden, zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- zich laat behandelen bij Kairos Nijmegen of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

- meewerkt aan een begeleid wonen traject bij Pluryn of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, daar verblijft en zich houdt aan het (dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd geen drugs gebruikt, en ten behoeve van de naleving van dit verbod zal meewerken aan urinecontroles;

- gedurende de proeftijd geen contact zal opnemen, zoeken of hebben - in welke vorm dan ook, ook niet via derden - met de in deze strafzaak genoemde [medeverdachte 4] , geboren op [geboortedatum medeverdachte 4] 1998 en [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum medeverdachte1] 1997 en [medeverdachte 3] , geboren op [geboortedatum medeverdachte3] 2000;

waarbij de Reclassering Nederland, Stieltjesstraat 1, 6511 AB te Nijmegen, opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Maatregel van schadevergoeding van EUR 2.504,75 subsidiair 10 dagen jeugddetentie.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] , van een bedrag van EUR 2.504,75 (zegge: tweeduizend vijfhonderdvier euro en vijfenzeventig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen jeugddetentie. Het bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 2.360,00 immateriële schadevergoeding en een bedrag van EUR 144,75 materiële schadevergoeding. Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (één van) zijn mededaders is betaald. De toepassing van deze vervangende jeugddetentie heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 september 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van EUR 2.504,75 (zegge: tweeduizend vijfhonderdvier euro en vijfenzeventig cent), te weten EUR 2.360,- immateriële schadevergoeding en EUR 144,75 materiële schadevergoeding. Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 september 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (één van) zijn mededader(s) is betaald.

Indien de verdachte of één van zijn mededaders heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte of één van zijn mededaders heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Maatregel van schadevergoeding van EUR 2.360,00 subsidiair 10 dagen jeugddetentie.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] , van een bedrag van EUR 2.360,00 (zegge: tweeduizend driehonderdzestig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen jeugddetentie. Het bedrag bestaat immateriële schadevergoeding. Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (één van) zijn mededader(s) is betaald.

De toepassing van deze vervangende jeugddetentie heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 september 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] :

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] van een bedrag van EUR 2.360,00 (zegge: tweeduizend driehonderdzestig euro), te weten immateriële schadevergoeding. Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 september 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (één van) zijn mededader(s) is betaald.

Indien de verdachte of één van zijn mededaders heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte of één van zijn mededaders heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Maatregel van schadevergoeding van EUR 2.360,00 subsidiair 10 dagen jeugddetentie.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] , van een bedrag van EUR 2.360,00 (zegge: tweeduizend driehonderdzestig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen jeugddetentie. Het bedrag bestaat uit immateriële schadevergoeding. Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (één van) zijn mededader(s) is betaald.

De toepassing van deze vervangende jeugddetentie heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 september 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] :

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van een bedrag van EUR 2.360,00 (zegge: tweeduizend driehonderdzestig euro), te weten immateriële schadevergoeding. Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 september 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (één van) zijn mededader(s) is betaald.

Indien de verdachte of één van zijn mededaders heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte of één van zijn mededaders heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen goederen, te weten: de voorwerpen 1,2 en 3 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen d.d. 13 januari 2017. Deze lijst is in kopie aan dit vonnis gehecht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M. Kooijmans-de Kort, voorzitter,

mr. J.H.L.M. Snijders en mr. A.M. Bossink, leden,

in tegenwoordigheid van mr. S. Kriekaard, griffier,

en is uitgesproken op 24 februari 2017.

1 Tenzij anders vermeld wordt verwezen naar de paginanummers uit het proces-verbaal van de politie-eenheid Oost-Brabant, district ‘s-Hertogenbosch, PL2100-2016199161, onderzoek ‘Bergen’, gesloten op 20 oktober 2016, aantal doorgenummerde pagina’s: 298.

2 Proces-verbaal aangifte d.d. 6 september 2016, pag. 27-29.

3 Proces-verbaal verhoor getuige d.d. 6 september 2016, pag. 142-146.

4 Aanvullend proces-verbaal verhoor aangeefster d.d. 13 december 2016, kenmerk: PL2100-2016199161-101, 6 bladzijden en 1 bijlage.

5 Proces-verbaal van bevindingen gsm [verdachte 1] , pag. 90-109.

6 Proces-verbaal van bevindingen, pag. 79-85.

7 Proces-verbaal 2e verhoor [betrokkene 1] d.d. 6 september 2016, pag. 287-291.

8 Afgelegd ter terechtzitting van 10 februari 2017.

9 Proces-verbaal verhoor [verdachte 2] 19 september 2016, pag. 230.

10 Proces-verbaal verhoor [verdachte 2] 19 september 2016, pag. 231.