Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:920

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
23-02-2017
Datum publicatie
23-02-2017
Zaaknummer
01/993301-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voor medeplegen en medeplichtigheid bij de uitvoer van cocaïne.

Verwerping verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie (misbruik beoordelingsvrijheid).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/993301-16

Datum uitspraak: 23 februari 2017

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1971,

wonende te [adresgegevens] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 1 juli 2016 en 9 februari 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 1 juni 2016.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 10 oktober 2015, althans op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de maand oktober 2015 te Assendelft en/of Best en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel vermeld op lijst 1 bij de Opiumwet, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of een of meer andere middel(en) vermeld op lijst I van de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] op of omstreeks 10 oktober 2015, althans op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de maand oktober 2015 te Best en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft/hebben gebracht en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel vermeld op lijst 1 bij de Opiumwet, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of een of meer andere middel(en) vermeld op lijst I van de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 10 oktober 2015 te Best en/of Assendelft en/of elders in Nederland opzettelijk behulpzaam is geweest door die cocaïne in een (verborgen ruimte van een) taxi, [kentekennummer] , te vervoeren naar en/of af te leveren aan de [adres2] te Best;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 10 oktober 2015, althans in de maand oktober 2015, te Assendelft en/of Best en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel vermeld op lijst I bij de Opiumwet, zijnde cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is en dat de rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen. Er zijn geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging, omdat hij misbruik heeft gemaakt van zijn beoordelingsvrijheid. De verdediging wijst erop dat de Poolse mannen die een rol hebben gespeeld in deze zaak, zijn bevoordeeld ten opzichte van verdachte. Er is namelijk geen nader onderzoek naar hen verricht, terwijl daar wel aanknopingspunten voor waren.

De rechtbank stelt voorop dat het in artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel als uitgangspunt heeft dat de officier van justitie naar aanleiding van het ingestelde opsporingsonderzoek tot vervolging overgaat, maar dat hij bevoegd is van vervolging af te zien op gronden aan het algemeen belang ontleend. De beslissing van de officier van justitie om tot vervolging over te gaan, leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.

Het enkele feit dat verdachte is vervolgd en andere mogelijke betrokkenen niet, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om tot de conclusie te komen dat de officier van justitie in redelijkheid, bij afweging van de betrokken belangen, niet tot vervolging van verdachte had kunnen overgaan. Het verweer wordt verworpen. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank verdachte voor het primair ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 42 maanden, met aftrek van het voorarrest.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit.

Vrijspraak.

Aan verdachte wordt verweten dat hij samen met anderen verdovende middelen buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, subsidiair dat hij medeplichtig is daaraan. Meer subsidiair is hem verweten dat hij verdovende middelen aanwezig heeft gehad. De rol van verdachte zou hierin bestaan dat hij op 10 oktober 2015 met zijn taxi verdovende middelen van Lijst I van de Opiumwet heeft afgeleverd in een loods aan de [adres2] in Best, van waaruit een vrachtwagen de verdovende middelen verder heeft vervoerd naar Engeland.

Uit het procesdossier blijkt dat de taxi met het [kentekennummer] op 10 oktober 2015, om 09.32 uur is aangekomen op de [adres2] in Best. Daar is de taxi in een loods gereden. Omstreeks 09.44 uur is de taxi weer vertrokken. Uit in de loods opgenomen communicatie blijkt dat de taxi met vertraging naar de loods kwam, omdat er problemen waren met het openen van de stash (verborgen opslagruimte) in de taxi.

Uit opgenomen communicatie en camerabeelden blijkt naar het oordeel van de rechtbank voorts dat er verdovende middelen uit de stash van de taxi zijn gehaald en dat die zijn overgeheveld naar een vrachtwagen met een Pools kenteken, die op een afgesloten terrein stond te wachten. Deze vrachtwagen is op 10 oktober 2015 per ferry overgestoken van Calais in Frankrijk naar Dover in Engeland.

De taxi bleek op naam te staan van vennootschap onder firma (vof) [taxibedrijf] . Verdachte is een van de personen die werkzaam is bij deze vof. Op 14 april 2016 is de taxi staande gehouden en in beslag genomen. Verdachte was op dat moment de bestuurder van de taxi. Bij nader onderzoek is er een verborgen ruimte, oftewel een stash, aangetroffen tussen de achterbank en de kofferbak. In de stash zijn sporen van cocaïne gevonden.

Verdachte heeft zich tot aan de zitting van 9 februari 2017 grotendeels beroepen op zijn zwijgrecht. Hij heeft slechts verklaard dat hij zijn taxi nooit uitleent.

Ter zitting van de rechtbank van 9 februari 2017 heeft verdachte een uitgebreide verklaring afgelegd. Hij heeft uitdrukkelijk ontkend dat hij op 10 oktober 2015 op de [adres2] in Best is geweest. Hij heeft verklaard dat hij zijn taxi in die tijd verhuurde aan een derde voor € 100,00 per dienst en dat hij na de inbeslagneming van zijn taxi door deze derde ernstig is bedreigd. Verdachte heeft naar eigen zeggen niet eerder hierover verklaard, uit angst voor de mogelijke gevolgen voor hemzelf en zijn gezin. De verdediging heeft medische stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte sinds mei 2016 onder zware psychische druk staat en om die reden onder behandeling is.

De rechtbank stelt vast dat verdachte - na zich bij voortduring op zijn zwijgrecht te hebben beroepen - ter zitting voor het eerst heeft ontkend dat hij in de taxi zat die op 10 oktober 2015 de loods aan de [adres2] te Best aandeed. Behoudens de medische stukken heeft verdachte zijn verklaring niet onderbouwd. Desondanks kan de rechtbank het geschetste alternatieve scenario niet zonder meer als onaannemelijk ter zijde stellen. Het is niet uitgesloten dat verdachte één van zijn twee taxi’s af en toe verhuurde en sluitend bewijs dat verdachte op 10 oktober 2015 de bestuurder van de taxi was, ontbreekt. De aanwezigheid van verdachte in Best is niet vastgelegd in beeld of geluid, noch is zijn naam of zijn uiterlijk naar voren gekomen in verhoren. De verdediging heeft tijdens verhoren bij de rechter-commissaris een foto van verdachte getoond aan medeverdachten die aanwezig waren in de loods op 10 oktober 2015. Geen van hen heeft verdachte herkend.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte primair, subsidiair en meer subsidiair is ten laste gelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het onder primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte hiervan vrij.

Heft het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 4 juli 2016 reeds geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H.A. van Gameren, voorzitter,

mr. H.M. Hettinga en mr. R. van den Munckhof, leden,

in tegenwoordigheid van M.J.H. Rijnbeek, griffier,

en is uitgesproken op 23 februari 2017.