Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:895

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
16-02-2017
Datum publicatie
22-02-2017
Zaaknummer
5475640
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens een tekortkoming in de nakoming daarvan. Werknemer heeft na verlof zijn werkzaamheden niet hervat.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 686
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3927
AR 2017/960
JIN 2017/111 met annotatie van D.P. van Straten
JAR 2017/87 met annotatie van mr. drs. A.M. Helstone
AR-Updates.nl 2017-0216
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zaaknummer: 5475640 \ EJ VERZ 16-730

Civiel Recht

Zittingsplaats Eindhoven

Zaaknummer: 5475640 \ EJ VERZ 16-730

Beschikking van 16 februari 2017

in de zaak van:

openbaar lichaam WSD,

gevestigd te Boxtel,

verzoekster,

vertegenwoordigd door M. Erbel, bedrijfsjurist,

tegen:

[werknemer] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland en daarbuiten,

verweerder,

niet verschenen.

Partijen worden hierna genoemd “WSD” en “ [werknemer] ”.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit het volgende.

  1. Het verzoekschrift met producties.

  2. De brief van 23 december 2016 van WSD, met daaraan gehecht een uittreksel van de Staatscourant van 15 december 2016 waarin staat vermeld dat [werknemer] is opgeroepen te verschijnen op de mondelinge behandeling van 1 februari 2017. Tevens is daaraan gehecht een kopie van het betekeningsexploot van 12 december 2016 aan het parket van de ambtenaar van het openbaar ministerie met daarin eenzelfde oproeping van [werknemer] .

  3. De mondelinge behandeling van 1 februari 2017. [werknemer] is niet ter zitting verschenen. Hij heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek van WSD.

  4. Tot slot is een datum voor beschikking bepaald.

De feiten

Tussen partijen staat het volgende vast, voor zover voor de beoordeling van belang.

1. WSD is een gemeenschappelijke regeling van 11 gemeenten, die de Wet Sociale Werkvoorzieningen en de Participatiewet uitvoert. [werknemer] heeft een SW-indicatie en behoort daarmee tot de doelgroep Wet Sociale Werkvoorziening. De indicatie is afgegeven op grond van lichamelijke beperkingen.

2. [werknemer] , geboren [geboortedatum] 1975, is sinds 31 augustus 2012 in dienst bij WSD. Zijn dienstverband is per 1 augustus 2015 voor onbepaalde tijd verlengd. De laatste functie die [werknemer] vervulde, is die van productiemedewerker A, met een brutoloon van € 1.995,60 per maand, te vermeerderen met vakantiegeld en emolumenten. [werknemer] is te werk gesteld bij EDCO te Eindhoven.

3. Op 22 december 2015 heeft [werknemer] onbetaald verlof gevraagd, en gekregen, voor de periode 25 december 2015 tot en met 25 februari 2016. Het verlof was bedoeld om zijn moeder in Ethiopië te kunnen verzorgen.

4. [werknemer] heeft op 28 december 2015 laten weten dat hij niet naar Ethiopië was vertrokken en dat hij geen gebruik wilde maken van onbetaald verlof. Op verzoek van [werknemer] is het onbetaald verlof omgezet in regulier verlof en hij zou op 25 januari 2016 zijn werkzaamheden weer aanvangen.

5. Op 25 januari 2016 is [werknemer] zonder enig bericht niet verschenen op het werk. [werknemer] was niet telefonisch bereikbaar. Ook op een brief, waarin tevens een loonstop is aangezegd, heeft hij niet gereageerd.

6. [werknemer] heeft op 17 februari 2016 contact opgenomen met WSD. Hij deelde mee dat hij naar Ethiopië was afgereisd en dat hij niet meer terug zou komen naar Nederland. Het gezin van [werknemer] en vluchtelingenwerk hebben dat bevestigd.

7. [werknemer] is per 6 maart 2016 uitgeschreven uit de gemeentelijke basisregistratie.

8. Sinds 17 februari 2016 heeft WSD geen contact meer gehad met [werknemer] .

9. [werknemer] is niet meer op het werk verschenen om werkzaamheden te verrichten.

Het verzoek

WSD verzoekt de arbeidsovereenkomst met de werknemer primair te ontbinden op grond van artikel 7:686 BW per eerst mogelijke datum en zonder toekenning van een vergoeding. Subsidiair dient de arbeidsovereenkomst te worden ontbonden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, BW, in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel e BW.

Aan dit primaire verzoek legt WSD ten grondslag dat van de zijde van [werknemer] sprake is van een ernstige tekortkoming in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van zijn arbeidsovereenkomst door vanuit het buitenland zonder tekst en uitleg met een enkel telefonisch bericht te melden dat hij niet meer terug komt en dat hij vervolgens ook niet meer traceerbaar is. Niet alleen voert [werknemer] zijn bedongen werkzaamheden niet meer uit, maar hij voldoet evenmin aan de eisen van goed werknemerschap door zijn onverschillige houding richting WSD.

Er is geen reden aan te nemen dat er omstandigheden zijn waaruit kan worden opgemaakt dat de ernstige tekortkoming niet aan [werknemer] zouden kunnen worden toegerekend. De SW-indicatie ziet niet op psychische factoren die het gedrag van [werknemer] zouden kunnen beïnvloeden. [werknemer] heeft in zijn telefoongesprek van 17 februari 2016 ook geen omstandigheden genoemd die buiten zijn werkingssfeer liggen en waardoor hij niet terug kan keren naar Nederland.

WSD heeft bewust lang gewacht met onderhavig verzoek, omdat [werknemer] zich mogelijk nog zou kunnen melden als gevolg van geldgebrek of een moment van inkeer. Nu dit niet het geval is, concludeert WSD dat sprake is van een ernstige wanprestatie, die van zodanige aard is dat zij het ingrijpende gevolg van ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt.

Aan het subsidiaire verzoek legt WSD kort gezegd ten grondslag dat sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [werknemer] dat zodanig zijn dat van WSD niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

De beoordeling

1. Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen op grond van art.7:686 BW kan worden ontbonden.

2. Bij de beantwoording van deze vraag stelt de kantonrechter het volgende voorop.

De arbeidsovereenkomst is een overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten (art. 7:610 BW).

Ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een tekortkoming in de nakoming is slechts toewijsbaar in gevallen van ernstige wanprestatie, namelijk een wanprestatie van zodanige aard dat zij het ingrijpende gevolg van een ontbinding van de overeenkomst (…) kan rechtvaardigen. Bij dit uitgangspunt is deze ontbinding volgens de Hoge Raad veeleer op één lijn te stellen met de beëindiging van de dienstbetrekking wegens een dringende reden (zie HR 20 april 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1092).

3. De meest wezenlijke verplichting die voor de werknemer uit de arbeidsovereenkomst voortvloeit is het verrichten van arbeid. Deze kernverplichting van de werknemer ligt besloten in art. 7:610 BW.

Ter zitting heeft WSD toegelicht dat sprake is van een ernstige tekortkoming in de nakoming door [werknemer] doordat hij heeft geweigerd om op 25 januari 2016 zijn werkzaamheden te hervatten. Tijdens het telefonisch contact met [werknemer] d.d. 17 februari 2016 heeft de WSD hem meegedeeld dat hij terug naar Nederland moet komen om arbeid te verrichten, maar [werknemer] gaf aan dat hij geenszins van plan is om naar Nederland terug te keren om zijn werkzaamheden te komen verrichten.

Uit hetgeen door WSD ter zitting (vervolgens) is gesteld, en door [werknemer] niet is weersproken, is komen vast te staan dat [werknemer] ernstig is tekortgeschoten in de nakoming van zijn uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende (kern)verplichting om arbeid te verrichten. Hij is immers na zijn verlof d.d. 25 januari 2016 niet meer teruggekeerd op de werkvloer, hij heeft geweigerd om zijn werkzaamheden te hervatten en hij heeft tot op heden geen arbeid meer verricht. [werknemer] voldoet structureel en in ernstige mate (te weten: inmiddels meer dan één jaar) niet aan zijn kernverplichting die uit de arbeidsovereenkomst voortvloeit. De kantonrechter kwalificeert deze handelwijze van [werknemer] als het hardnekkig weigeren te voldoen aan een redelijk bevel of opdracht, welke de arbeidsovereenkomst hem oplegt (werkweigering), hetgeen op één lijn kan worden gesteld met een dringende reden (art. 7:678 lid 2 aanhef en onder j BW).

4. Aangezien het verrichten van arbeid een uit de overeenkomst voortvloeiende voortdurende verplichting voor [werknemer] is, en hij deze tekortkoming voor wat betreft het verleden niet meer ongedaan kan maken, is nakoming wat deze tekortkoming betreft blijvend onmogelijk geworden.

Het ligt ook niet meer in de lijn der verwachtingen dat [werknemer] alsnog op het werk zal verschijnen. WSD heeft [werknemer] voldoende tijd en gelegenheid gegeven om zijn werkzaamheden te hervatten, maar hij heeft niets meer van zich laten horen. Daarnaast is niet gebleken dat er omstandigheden zijn die maken dat [werknemer] buiten zijn wil om niet meer op het werk kan verschijnen om werkzaamheden te verrichten.

5. Op grond van het voorgaande komt de kantonrechter tot de conclusie dat de vraag of de arbeidsovereenkomst op grond van art. 7:686 BW kan worden ontbonden in dit geval bevestigd dient te worden beantwoord. Het primaire verzoek, dat strekt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van art. 7:686 BW, komt in de gegeven omstandigheden ook niet onrechtmatig of ongegrond voor. De door WSD verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst per eerst mogelijke datum zal worden toegewezen. De arbeidsovereenkomst zal derhalve worden ontbonden met ingang van heden, zonder toekenning van een vergoeding.

6. Gelet op de aard van de zaak is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

De beslissing

De kantonrechter:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van heden;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gewezen door mr. E.A.M. van Oorschot, kantonrechter en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2017.