Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:892

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
22-02-2017
Datum publicatie
22-02-2017
Zaaknummer
01/865100-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met zijn minderjarige dochtertje en aan het vervaardigen van kinderpornografische afbeeldingen van haar.

De rechtbank veroordeelt verdacht hiervoor tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan een deel, groot 8 maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar.

De rechtbank bepaalt dat verdachte het slachtoffer een schadevergoeding moet betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch,

Team strafrecht

Parketnummer: 01/865100-16

Datum uitspraak: 22 februari 2017

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[voornamen verdachte] [achternaam slachtoffer] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1971] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 november 2016 en 8 februari 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 18 oktober 2016.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 8 februari 2017 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1. hij in de periode van 4 maart 2016 tot en met 5 juli 2016 te Eindhoven, althans in het arrondissement Oost-Brabant, in elk geval in Nederland, (telkens) met [voornaam slachtoffer] [achternaam slachtoffer] , geboren [2010] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, (opzettelijk) handelingen heeft gepleegd die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachtes,

- zijn penis in de vagina van die [voornaam slachtoffer] [achternaam slachtoffer] geduwd en/of gebracht en/of gehouden (zie foto met bestandsnaam P1140727 en/of P1140730, pagina 4 van de toonmap)en/of

- zijn (stijve) penis tegen de billen, in elk geval het lichaam van die [voornaam slachtoffer] [achternaam slachtoffer] gebracht en/of geduwd en/of - zijn (stijve) penis tegen de vagina van die [naam 1] [achternaam slachtoffer] , geduwd en/of gehouden en/of

- een dildo/vibrator in de vagina en/of anus van die [voornaam slachtoffer] [achternaam slachtoffer] geduwd en/of gebracht en/of gehouden en/of

- een dildo/vibrator tegen de vagina en/of anus en/of billen gebracht en/of geduwd en/of gehouden.

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij in de periode van 4 maart 2016 tot en met 5 juli 2016, te Eindhoven, althans in het arrondissement Oost-Brabant, in elk geval in Nederland, in elk geval in Nederland, met [naam 2] [achternaam slachtoffer] (geboren [2010] ) die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, immers heeft hij, verdachte,

- zijn (stijve) penis tegen de billen, in elk geval het lichaam van die [voornaam slachtoffer] [achternaam slachtoffer] gebracht en/of geduwd en/of

- zijn (stijve) penis tegen de vagina van die [voornaam slachtoffer] [achternaam slachtoffer] , geduwd en/of gehouden en/of

- een dildo/vibrator tegen de vagina en/of anus en/of billen gebracht en/of geduwd en/of gehouden.

2. hij in of omstreeks de periode van 4 maart 2016 tot en met 5 juli 2016 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een of meer afbeelding(en), althans foto's en/of video's en/of film(s) - en/of (een) gegevensdrager(s) bevattende (een) afbeelding(en) (te weten één of meer computer(s) en/of (een) harddisk(s) en/of (een) mobiele telefoon(s) en/of (een) USB-stick en/of (een) laptop(s) -

heeft vervaardigd,

terwijl op die afbeelding(en) (een) seksuele gedraging(en) zichtbaar is/zijn, waarbij (telkens) een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, te weten [voornaam slachtoffer] [achternaam slachtoffer] , geboren [2010] , was betrokken of schijnbaar was betrokken, welke voornoemde seksuele gedraging(en) - zakelijk weergegeven - bestond(en) uit:

vaginaal en/of anaal (met de penis en/of (een) voorwerp(en) (te weten een vibrator en/of dildo)) binnendringen van het lichaam van die [voornaam slachtoffer] [achternaam slachtoffer] , althans een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt

(Map 6 jaar en 4 dagen xxx en bloedgeil; Map maart 2016, no shit pikikie); Bestandsnamen: [bestand 1] ; [bestand 2] ; [bestand 3] , pagina 58 van het proces-verbaal; P1140727; P1140726 pagina 59 van het proces-verbaal (zie foto met bestandsnaam P1140727 en/of P1140730, pagina 4 van de toonmap))

en/of

het betasten en/of aanraken van de billen [voornaam slachtoffer] [achternaam slachtoffer] , althans een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt (te weten met de penis)

(map maart 2016, no shit pikikie

Bestandsnamen: P1140741, P1140740 pagina 59 van het proces-verbaal))

en/of

het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van die [voornaam slachtoffer] [achternaam slachtoffer] , althans (een) perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft/hebben bereikt, waarbij die [voornaam slachtoffer] [achternaam slachtoffer] , althans deze perso(o)n(en) gekleed is/zijn en/of opgemaakt is/zijn en/of poseert/poseren in een omgeving en/of met (een) voorwerp(en) (te weten een vibrator) en/of in (een)(erotisch getinte) houding(en) (op een wijze) die niet bij haar/hun leeftijd past/passen en/of door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van die [voornaam slachtoffer] [achternaam slachtoffer] , althans deze perso(o)n(en) en/of de uitsnede van de foto's /film(s) nadrukkelijk de (ontblote) geslachtsdelen en/of borsten en/of billen in beeld gebracht worden (waarbij) de afbeelding (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling.

(Map 6 jaar en 4 dagen xxx en bloedgeil,

Bestandsnamen: [bestand 4] ; P1140707; P1140708, pagina 58 van het proces-verbaal)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair en het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het onder 1 primair ten laste gelegde feit, nu van penetratie en dus van seksueel binnendringen van het lichaam van [voornaam slachtoffer] [achternaam slachtoffer] geen sprake is geweest. De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het onder 1 subsidiair en het onder 2 ten laste gelegde, met uitzondering van de verfeitelijking zoals geformuleerd onder het eerste gedachtestreepje van het onder 2 ten laste gelegde. Nu deze verfeitelijking ook ziet op penetratie, dient verdachte van dit deel van de tenlastelegging [partieel] te worden vrijgesproken.

Het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van feit 1:

Feit 1 primair

De officier van justitie baseert haar conclusie dat de verdachte met zijn penis bij het slachtoffer is binnengedrongen op de foto’s die onder dit feit in de tenlastelegging zijn opgenomen. De verbalisant die deze foto’s heeft beschreven, relateert dat op deze afbeeldingen ogenschijnlijk sprake is van penetratie. De officier heeft betoogd dat zelfs indien de hieronder vermelde lezing van verdachte juist is, er sprake is geweest van penetratie. Onder verwijzing naar jurisprudentie heeft zij aangegeven dat ook de grote en kleine schaamlippen een natuurlijke lichaamsopening vormen, en dat wanneer het slachtoffer op de door verdachte beschreven wijze op zijn penis heeft gezeten het niet anders kan zijn dan dat de penis van verdachte zich in die lichaamsopening heeft bevonden.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat, hoewel de foto’s in de toonmap inderdaad de stellige indruk wekken dat verdachte met zijn penis de vagina en daarmee het lichaam van zijn vijfjarige dochter is binnengedrongen, dit niet met een voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld. De verdachte heeft consequent ontkend zijn dochter ooit te hebben gepenetreerd. De rechtbank heeft daarop ter terechtzitting de betreffende foto’s aan de verdachte getoond en hem gevraagd daarop te reageren. Zijn lezing is dat zijn dochter met zijn rug naar hem toe bovenop zijn schoot zat en dat zij bovenop de schacht van zijn penis zat. De rechtbank constateert dat de betreffende foto de door de verdachte gegeven mogelijkheid openlaat, de lezing van de verdachte ook niet als onaannemelijk of hoogst onwaarschijnlijk terzijde kan worden gesteld en dat ook het slachtoffer zelf niet uitdrukkelijk heeft verklaard dat de verdachte haar met zijn penis was binnengedrongen. Het is voor de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen niet mogelijk vast te stellen of en in welke mate de penis van verdachte zich tussen de schaamlippen van het slachtoffer heeft bevonden. Al met al leidt dat tot de conclusie dat het seksueel binnendringen van het lichaam van [voornaam slachtoffer] [achternaam slachtoffer] niet wettig en overtuigend bewezen is.

Ten aanzien van het onder het vierde en vijfde streepje ten laste gelegde duwen van een dildo/vibrator in en/of tegen de vagina en/of anus van [voornaam slachtoffer] [achternaam slachtoffer] dient opgemerkt te worden dat de rechtbank op basis van de foto’s in de toonmap heeft waargenomen dat het niet verdachte, maar het slachtoffer is die de dildo/vibrator vast heeft. Ook is op de foto’s niet zonder twijfel vast te stellen dat de dildo/vibrator in de vagina of anus wordt gebracht.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte degene is geweest die een dildo/vibrator in en/of tegen de vagina en/of anus en/of billen van [voornaam slachtoffer] [achternaam slachtoffer] heeft gebracht en/of geduwd en/of gehouden.

De rechtbank zal verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde dan ook vrijspreken.

Feit 1 subsidiair

Hoewel niet vastgesteld kan worden dat er sprake is geweest van seksueel binnendringen, acht de rechtbank op grond van de inhoud van de hierna weergegeven bewijsmiddelen wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 4 maart tot en met 5 juli 2016 in zijn woning te Eindhoven ontuchtige handelingen heeft gepleegd met zijn vijfjarige dochter doordat hij zijn stijve penis heeft geduwd tegen de billen en vagina van [voornaam slachtoffer] [achternaam slachtoffer] .

Van hetgeen onder het derde gedachtestreepje is ten laste gelegd zal de rechtbank, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder feit 1 primair is overwogen met betrekking tot het duwen met een dildo/vibrator tegen de vagina en/of anus, verdachte [partieel] vrijspreken.

Ten aanzien van feit 2:

Op grond van de inhoud van de hierna weergegeven bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 4 maart 2016 en 5 juli 2016 in zijn woning te Eindhoven kinderpornografische afbeeldingen heeft vervaardigd van zijn vijfjarige dochter. Verdachte heeft de ontuchtige handelingen die hij heeft gepleegd met zijn dochter, zoals hiervoor omschreven onder feit 1 subsidiair, fotografisch vastgelegd. Ook heeft hij haar fotografisch vastgelegd terwijl hij haar geheel of gedeeltelijk naakt liet poseren onder omstandigheden en met voorwerpen die niet passen bij haar jonge leeftijd. Hierbij heeft verdachte haar ontblote lichaamsdelen, geslachtsdelen en billen nadrukkelijk in beeld gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank hebben deze afbeeldingen een onmiskenbare seksuele strekking en strekken zij tot seksuele prikkeling.

Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen omtrent het seksueel binnendringen, acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte afbeeldingen heeft vervaardigd waarop het vaginaal binnendringen van het lichaam van [voornaam slachtoffer] [achternaam slachtoffer] met de penis of vibrator [eerste gedachtenstreepje] zichtbaar is. De rechtbank merkt nog wel op dat uit het hierboven weergegevene volgt dat voor de kijker niet zonder meer evident is dat geen sprake is van penetratie. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verdachte evenwel [partieel] vrijspreken van dit deel van de tenlastelegging.

De bewijsmiddelen.

De hierna te noemen pagina’s maken deel uit van het einddossier van de Politie Oost-Brabant, Dienst Regionale Recherche, afdeling Thematische opsporing, team zeden, registratienummer: PL2100-2016173944, afgesloten op 26 oktober 2016, aantal genummerde pagina’s: 179.

Ten aanzien van feit 1, subsidiair:

 Verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 8 februari 2017;

 Verklaring [getuige] , proces-verbaal verhoor getuige d.d. 7 augustus 2016, pagina 25 t/m 29;

 Geboorteakte betreffende [voornaam slachtoffer] [achternaam slachtoffer] ;

 Relaas [verbalisant 1] , proces-verbaal beschrijving bewijs ontucht en kinderpornografische afbeeldingen d.d. 6 oktober 2016, pagina 50 t/m 69;

 De eigen waarneming van de rechtbank ten aanzien van de foto’s uit de toonmap behorende bij het einddossier van de Politie Oost-Brabant, Dienst Regionale Recherche, afdeling Thematische opsporing, team zeden, registratienummer: PL2100-2016173944, afgesloten op 26 oktober 2016, aantal genummerde pagina’s: 179.

Ten aanzien van feit 2:

 Verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 8 februari 2017;

 Relaas [verbalisant 2] , [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 augustus 2016, pagina 41 t/m 42;

 Relaas [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 augustus 2016, pagina 44;

 Relaas [verbalisant 1] , proces-verbaal beschrijving bewijs ontucht en kinderpornografische afbeeldingen d.d. 6 oktober 2016, pagina 50 t/m 69;

 Geboorteakte betreffende [voornaam slachtoffer] [achternaam slachtoffer] ;

 De eigen waarneming van de rechtbank ten aanzien van de foto’s uit de toonmap behorende bij het einddossier van de Politie Oost-Brabant, Dienst Regionale Recherche, afdeling Thematische opsporing, team zeden, registratienummer: PL2100-2016173944, afgesloten op 26 oktober 2016, aantal genummerde pagina’s: 179.

Gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering zijn de hiervoor genoemde bewijsmiddelen niet uitgewerkt.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven weergegeven bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

Feit 1, subsidiair:

in de periode van 4 maart 2016 tot en met 5 juli 2016, te Eindhoven met [voornaam slachtoffer] [achternaam slachtoffer] (geboren [2010] ) die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, immers heeft hij, verdachte,

- zijn (stijve) penis tegen de billen van die [voornaam slachtoffer] [achternaam slachtoffer] geduwd en

- zijn (stijve) penis tegen de vagina van die [voornaam slachtoffer] [achternaam slachtoffer] geduwd.

Feit 2:

in de periode van 4 maart 2016 tot en met 5 juli 2016 te Eindhoven meermalen afbeeldingen heeft vervaardigd, terwijl op die afbeeldingen telkens een seksuele gedraging zichtbaar is, waarbij telkens een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, te weten [voornaam slachtoffer] [achternaam slachtoffer] , geboren [2010] , was betrokken, welke voornoemde seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:

- het aanraken van de billen van [voornaam slachtoffer] [achternaam slachtoffer] , te weten met de penis, en

- het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van die [voornaam slachtoffer] [achternaam slachtoffer] , waarbij die [voornaam slachtoffer] [achternaam slachtoffer] gekleed is en/of poseert in een omgeving en/of met een voorwerp (te weten een vibrator) en/of in (een)(erotisch getinte) houding (op een wijze) die niet bij haar leeftijd past en/of door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van die [voornaam slachtoffer] [achternaam slachtoffer] en/of de uitsnede van de foto's /film(s) nadrukkelijk de (ontblote) geslachtsdelen en/of borsten en/of billen in beeld gebracht worden (waarbij) de afbeelding (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld ter zake van het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde en dat aan verdachte wordt opgelegd: een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds heeft doorgebracht in voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat hieraan tevens de bijzondere voorwaarden verbonden dienen te worden zoals geformuleerd in het advies van de reclassering d.d. 19 oktober 2016, te weten: een meldplicht, deelname aan de gedragsinterventie COSA en een ambulante behandelverplichting. Daarnaast dienen ook het contactverbod en locatieverbod, zoals geformuleerd in de schorsingsbeschikking van de rechtbank Oost-Brabant d.d. 15 november 2016 aan het voorwaardelijk strafdeel te worden verbonden, met dien verstande dat het locatieverbod moet worden uitgebreid met de aanvullingen zoals geformuleerd in de brief van de raadsvrouwe van de benadeelde partij d.d. 6 februari 2017. De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte de reeds ingezette behandeling voor zijn problematiek moet kunnen blijven voortzetten. Het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is niet wenselijk omdat dit de behandeling zal doorkruisen. De verdediging heeft de rechtbank verzocht een gevangenisstraf op te leggen, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die verdachte reeds heeft doorgebracht in voorarrest. Aan het voorwaardelijke deel van deze straf dienen de bijzondere voorwaarden verbonden te worden zoals geadviseerd door de reclassering.

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte bereid is zich te houden aan het contact- en locatieverbod zoals gevorderd door de officier van justitie. De verdediging verzet zich tegen de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden. De psycholoog en de reclassering hebben het recidiverisico ingeschat als matig, waardoor niet aan de vereiste criteria is voldaan.

Voorts heeft de verdediging opgemerkt dat verdachte bereid is tot het verrichten van een taakstraf.

Het oordeel van de rechtbank.

Algemeen

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast heeft de rechtbank bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. Voorts houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Strafverzwarende omstandigheden

Verdachte heeft zich in de periode van 4 maart 2016 tot en met 5 juli 2016 schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met zijn minderjarige dochter [voornaam slachtoffer] en het vervaardigen van kinderpornografische afbeeldingen van zijn dochter [voornaam slachtoffer] .

De rechtbank houdt rekening met de omstandigheid dat het slachtoffer pas vijf jaar oud was toen verdachte begon met het plegen van de delicten en de omstandigheid dat zij het dochtertje is van verdachte. Hierdoor is sprake van een strafverzwarende omstandigheid zoals omschreven in artikel 248, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij ernstig misbruik heeft gemaakt van zijn positie als vader en van het vertrouwen dat zijn dochtertje in hem stelde. Kinderen behoren namelijk ongestoord en in een sfeer van veiligheid te kunnen opgroeien. Daar komt bij dat de handelingen hebben plaatsgevonden in de woning van het slachtoffer, een omgeving waar zij zich bij uitstek veilig behoorde te voelen. Dergelijke handelingen kunnen langdurige nadelige gevolgen hebben voor het slachtoffer, omdat er sprake is van grove schending van de integriteit van het lichaam en geest van het slachtoffer. Hierdoor is er kans op scheefgroei in de psycho-seksuele ontwikkeling van het slachtoffer. Overigens is het slachtoffer door het plegen van de feiten in haar ontwikkeling gestoord, nu zij door het handelen van verdachte niet meer kan bouwen op één van haar ouders, een zeer belangrijk persoon in haar leven. Door het handelen van verdachte kan het vertrouwen in de medemens bij het slachtoffer erg verstoord raken en de ervaring leert dat dit vaak het gevolg is van feiten als door verdachte begaan. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van de (ex-)vrouw van verdachte blijkt ook dat de feiten grote impact hebben gehad op het slachtoffer en de (ex-)vrouw van verdachte. Uit deze verklaring blijkt immers dat hun leven op zijn kop is gezet en hun vertrouwen is beschaamd. [voornaam slachtoffer] worstelt met gevoelens van onbegrip, angst, wantrouwen en verdriet. Gebleken is dat zij hiervoor speltherapie heeft ondergaan bij een psycholoog. De delicten die verdachte heeft gepleegd veroorzaken bovendien ook veel maatschappelijke onrust en leiden tot toename van verontwaardiging en gevoelens van angst en onveiligheid onder burgers. De rechtbank rekent verdachte dit alles aan.

Hoewel verdachte al langere tijd wist dat hij pedoseksuele gevoelens heeft, heeft hij hier geen hulp voor gezocht. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zich kennelijk heeft laten leiden door zijn eigen lustgevoelens en in het geheel geen rekening heeft gehouden met de gevoelens en belangen van zijn dochtertje.

Strafmatigende omstandigheden

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat verdachte niet eerder veroordeeld is voor soortgelijke feiten en dat hij er blijk van heeft gegeven dat hij de ernst van het door hem aan zijn dochter aangedane leed inziet en oprecht berouw heeft getoond. Ook houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte inmiddels zelf hulp heeft gezocht voor zijn problemen en hiervoor reeds een behandeling ondergaat bij GGzE De Omslag in Eindhoven.

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank voorts rekening gehouden met de inhoud van het omtrent de geestvermogens van verdachte uitgebrachte Pro Justitia rapport van GZ-psycholoog [naam psycholoog] d.d. 13 oktober 2016. De rechtbank deelt de bevindingen en conclusie van de psycholoog en acht het aannemelijk dat er bij verdachte ten tijde van de door hem gepleegde delicten in de periode 4 maart 2016 tot en met 5 juli 2016 sprake was van een stoornis van de geestvermogens. Volgens de psycholoog moet verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd. Ook de rechtbank gaat er, gelet op de inhoud van voornoemd rapport, van uit dat de door verdachte gepleegde delicten in verminderde mate aan hem kunnen worden toegerekend.

Voorts houdt de rechtbank bij de strafoplegging rekening met het rapport van de reclassering d.d. 19 oktober 2016, waarin de reclassering adviseert een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen aan verdachte. De reclassering adviseert om bij een voorwaardelijk strafdeel aan verdachte de navolgende bijzondere voorwaarden op te leggen: 1. meldplicht, 2. deelname aan de gedragsinterventie COSA, 3.behandelverplichting - ambulante behandeling.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte zich bereid heeft verklaard zich aan de geadviseerde voorwaarden te houden en behandeling van zijn problematiek noodzakelijk acht. Ook houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte zich bereid verklaard heeft zich aan het door de officier van justitie gevorderde contact- en locatieverbod te houden.

De strafsoort, strafmaat en strafmodaliteit

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt. Voorts acht de rechtbank de behandeling van de problematiek van verdachte van groot belang in verband met het voorkomen van recidive. Om die reden zal de rechtbank een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen en hier bijzondere voorwaarden aan verbinden. De rechtbank beoogt met het opleggen van het voorwaardelijk gedeelte van de gevangenisstraf het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegen te gaan. In dat verband acht de rechtbank het - mede gelet op de aard en de ernst van de feiten alsmede de omstandigheden waaronder deze zijn begaan - ook passend en geboden dat een proeftijd voor de duur van drie jaar wordt vastgesteld.

Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf zal de rechtbank rekening houden met de wettelijke regels omtrent de voorwaardelijke invrijheidstelling, zoals geformuleerd in artikel 15 en verder van het Wetboek van Strafrecht. In artikel 15, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is bepaald dat een veroordeelde voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld wanneer aan hem een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd van meer dan twee jaar en hij daarvan twee derde heeft ondergaan. Deze regeling is nadrukkelijk niet van toepassing op deels voorwaardelijke gevangenisstraffen. In dit verband merkt de rechtbank op dat - in vergelijking tot het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf - verdachte benadeeld zou worden wanneer de rechtbank zou overgaan tot oplegging van de door de officier van justitie gevorderde deels voorwaardelijke gevangenisstraf. Wanneer aan verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, zal verdachte immers in vrijheid worden gesteld wanneer het voorwaardelijk strafdeel van 6 maanden resteert. Verdachte heeft dan hij 18 maanden gevangenisstraf ondergaan. Wanneer aan verdachte echter een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd van 24 maanden, zou verdachte - gelet op het bepaalde in artikel 15, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht - voorwaardelijk in vrijheid worden gesteld wanneer hij twee derde van zijn straf heeft ondergaan en een derde van de straf resteert. In die concrete situatie zou verdachte aldus 16 maanden gevangenisstraf ondergaan. Dit rechtbank acht dit verschil onwenselijk en zal hier bij de bepaling van de strafmaat rekening mee houden. De rechtbank zal dan ook een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf. De rechtbank wijkt hiermee evenwel niet veel af van de eis van de officier van justitie, terwijl zij minder bewezen acht dan de officier van justitie. Nu de officier van justitie haar eis gebaseerd heeft op een minder ernstige mate van binnendringen ziet de rechtbank hier geen reden toe. De rechtbank is van oordeel dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Conclusie

Alle feiten en omstandigheden afwegend zal de rechtbank opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Aan het voorwaardelijk gedeelte van de gevangenisstraf zal de rechtbank na te noemen bijzondere voorwaarden verbinden.

Ten aanzien van de gevorderde dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden merkt de rechtbank het navolgende op. In artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht is bepaald dat de rechtbank bij haar uitspraak kan bevelen dat de voorwaarden die aan de door de rechtbank opgelegde voorwaardelijke straf worden verbonden dadelijk uitvoerbaar zijn. Dit is echter alleen mogelijk indien er ernstig rekening mee gehouden moet worden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Blijkens het Pro Justitia rapport d.d. 13 oktober 2016 schat de psycholoog het recidiverisico in als matig. De psycholoog omschrijft het recidiverisico als volgt: “De kans dat hij opnieuw in een situatie terecht komt waarbij hij de ruimte kan creëren om met een kind seksueel overschrijdende handelingen te plegen, is klein, tenzij hij bijvoorbeeld de volledige zorg over zijn dochter zou hebben”. Ook de reclassering schat het recidiverisico in als matig, zo blijkt uit het adviesrapport d.d. 19 oktober 2016. Voorts blijkt uit het advies van de reclassering dat de (ex-)vrouw van verdachte van hem wil scheiden, waardoor hij niet terug kan naar de woning waar zijn vrouw en dochter wonen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet voldaan is aan de wettelijke vereisten zodat niet de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden kan worden bevolen.

De vordering van de benadeelde partij [voorletters 1] . [achternaam slachtoffer] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schade, bestaande uit reiskosten ad. € 68,76 en (de forfaitaire) telefoonkosten ad. € 50,00, voor toewijzing in aanmerking komt. De gevorderde immateriële schade, ad. € 5.000,00, dient eveneens toegewezen te worden. De officier van justitie heeft dan ook gevorderd de vordering van de benadeelde partij ad. € 5.118,76 geheel toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover. Ten aanzien van dit bedrag heeft de officier van justitie tevens oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht gevorderd. De officier van justitie refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de datum waarop de wettelijke rente berekend wordt.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schadevergoeding voor toewijzing in aanmerking komt. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat deze schade onvoldoende onderbouwd en te complex van aard is, waardoor de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in dat deel van de vordering.

Het oordeel van de rechtbank.

De benadeelde partij heeft een vordering ingediend ten behoeve van de vergoeding van de materiële schade en immateriële schade die zij heeft geleden. De gevorderde immateriële schade bedraagt € 5.000,00. De rechtbank ziet aanleiding de gevorderde immateriële schade naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid schattenderwijs te begroten op € 2.000,00 gelet op de schadevergoeding die in - grosso modo - vergelijkbare gevallen doorgaans wordt toegewezen voor soortgelijke feiten.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank toewijsbaar, als rechtstreeks door de bewezen verklaarde feiten toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering te weten:

 immateriële schadevergoeding van € 2.000,00, en

 materiële schadevergoeding van € 118,76 (bestaande uit de posten: reiskosten ad. € 68,76 en telefoonkosten (forfaitair) ad. € 50,00).

Het totaalbedrag van € 2.118,76 dient vermeerderd te worden met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

In het overige deel van de vordering zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren. Van dit gedeelte van de vordering is niet eenvoudig vast te stellen of deze schade rechtstreeks door het bewezen verklaarde is toegebracht. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering (in zoverre) zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van (dit deel van) de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2016 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f, 57, 240b, 247, 248.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair ten laste gelegde feit.

Verklaart het ten laste gelegde onder feit 1 subsidiair en feit 2 bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1 subsidiair:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind, meermalen gepleegd

T.a.v. feit 2:

een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken vervaardigen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind, meermalen gepleegd

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf en maatregel.

T.a.v. feit 1 subsidiair, feit 2:

Gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

 zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

 ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

 medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

 zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door de reclassering;

 zich (uiterlijk) binnen twee dagen na onherroepelijk worden van het vonnis meldt bij Novadic-Kentron, verslavingsreclassering op het adres [adres reclassering 1] te Eindhoven en zich daarna gedurende een door die reclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) zal blijven melden zo lang en zo frequent als de reclassering noodzakelijk acht;

 verplicht deelneemt aan de gedragsinterventie COSA, welke gedragsinterventie gericht is op re-integratie van zedendaders die onder toezicht staan van de reclassering;

 zich verplicht laat behandelen voor zijn pedofilie en persoonlijkheidspathologie bij (Forensische) psychiatrie - GGzE FFP De Omslag of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

 gedurende de proeftijd geen contact zal opnemen, zoeken of hebben -in welke vorm dan ook, ook niet via derden- met de in deze strafzaak genoemde en aan verdachte bekende, bij een algeheel contactverbod belanghebbende personen: [voornaam slachtoffer] [tweede voornaam] [achternaam slachtoffer] , geboren op [2010] en [getuige] , geboren op [1976] , een en ander met dien verstande dat onder dit contactverbod niet vallen contacten van of door tussenkomst van de advocaat van verdachte met genoemde personen;

 gedurende de proeftijd zich niet zal ophouden in de navolgende straten: [naam straten] . Een overzichtskaart van voornoemd gebied is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De Reclassering Nederland, Regio's-Hertogenbosch, [adres reclassering 2] 5233 VG te 's-Hertogenbosch, wordt opdracht gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

T.a.v. feit 1 subsidiair, feit 2:

Maatregel van schadevergoeding van € 2.118,76 subsidiair 31 dagen hechtenis

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [voorletters 2] [achternaam slachtoffer] van een bedrag van € 2.118,76 (eenentwintighonderd eenhonderd en achttien euro en zesenzeventig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 31 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van

€ 2.000,00 immateriële schadevergoeding en € 118,76 materiële schadevergoeding (bestaande uit de posten: € 68,76 reiskosten en € 50,00 telefoonkosten).

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [voorletters 2] [achternaam slachtoffer] , van een bedrag

€ 2.118,76 (eenentwintighonderd eenhonderd en achttien euro en zesenzeventig eurocent). Het bedrag bestaat uit een bedrag van € 2.000,00 immateriële schadevergoeding en € 118,76 materiële schadevergoeding (posten: reiskosten en telefoonkosten).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E. Boersma, voorzitter,

mr. C.A. Mandemakers en mr. C.P.J. Scheele, leden,

in tegenwoordigheid van mr. F.E.M. de Haas, griffier,

en is uitgesproken op 22 februari 2017.