Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:870

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
21-02-2017
Datum publicatie
21-02-2017
Zaaknummer
01/865020-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor doodslag en verboden wapenbezit. Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren met aftrek van voorarrest.

Onherstelbaar vormverzuim, een jas is niet tijdig in beslag genomen: enkele constatering.

Voorwaardelijk opzet.

Wegmaken van het mes: tijdens het voorarrest heeft verdachte gepoogd het politieonderzoek tegen te werken.

Aan een van de nabestaanden dient schade (begrafeniskosten) te worden vergoed.

Geen vergoeding van affectieschade: vorderingen benadeelde partijen in zoverre niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0220

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/865020-16

Datum uitspraak: 21 februari 2017

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

wonende te [adresgegevens] ,

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 2 juni 2016, 30 augustus 2016, 15 november 2016 en 7 februari 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte en de benadeelde partijen naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 6 mei 2016.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 15 november 2016 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 21 februari 2016 te Berlicum, gemeente Sint-Michielgestel, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte voornoemde [slachtoffer 1] meerdere malen, althans eenmaal met een mes, althans een scherp voorwerp, in de rug, althans het lichaam gestoken en/of gesneden, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden.

2.

hij op of omstreeks 21 februari 2016 te Vinkel, althans in het arrondissement Oost-Brabant, twee, althans een, wapen(s) van categorie I onder 7°, te weten (een) zogenaamde balletjespisto(o)l(en)/veerdrukwapen(s), zijnde (een) voorwerp(en) dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen en kleur een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen (Van het merk/model Sig-Sauer P228 respectievelijk Colt 1911-A1 Rail Gun), voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zullen deze in de bewezenverklaring worden verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen

De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is en dat de dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Het standpunt van de raadsman

De raadsman heeft betoogd dat de officier van justitie de beginselen van goede procesorde heeft geschonden waarbij het openbaar ministerie en de politie doelbewust belangen van verdachte heeft veronachtzaamd. De raadsman heeft bepleit dat hierdoor geen sprake is van een eerlijk en rechtvaardig strafproces voor verdachte en dat in verband hiermede het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte. Daartoe heeft de raadsman, verkort weergegeven, het volgende aangevoerd.

- Er is niet zorgvuldig met het bewijsmateriaal omgegaan waardoor er bewijsmateriaal verloren is gegaan. De politie heeft de jas van [betrokkene 1] niet tijdig in beslag genomen. De jas is na het voorval gewassen. Hierdoor kon niet meer worden vastgesteld of er bloed op de jas heeft gezeten en van wie dat bloed afkomstig was. Verdachte heeft hier nadeel van ondervonden. Indien vast was komen te staan dat het bloed op de jas van [betrokkene 1] afkomstig was van het slachtoffer dan was daardoor het moment van steken min of meer vastgesteld. Dan zou daarmee vast zijn komen te staan dat het slachtoffer tijdens het gevecht met verdachte op de grond in zijn rug was gestoken en dat was op een eerder moment dan door de officier van justitie wordt aangenomen. Tijdens dat gevecht op de grond was het voor verdachte vanuit zijn positie niet mogelijk, naar de rechtbank begrijpt: omdat het slachtoffer bovenop verdachte zat, het slachtoffer in de rug te steken.

- Het openbaar ministerie heeft ten onrechte uitsluitend verdachte als zodanig aangemerkt, dit terwijl er uit het dossier meerdere scenario’s kunnen worden gedestilleerd waarin ook anderen dan verdachte als verdachte zouden kunnen worden bestempeld. Alternatieve scenario’s zijn niet of onvoldoende onderzocht.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat niet tekort is gedaan aan het recht van verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak. Het niet tijdig in beslag nemen van de jas van [betrokkene 1] kan mogelijk als een vormverzuim worden gezien, maar verdachte heeft hiervan geen nadeel ondervonden. De raadsman gaat eraan voorbij dat bij het slachtoffer twee steekletsels zijn geconstateerd: één in het linker bovenbeen en één in de rug. Beide letsels hebben tot bloedverlies geleid. Ook als ervan wordt uitgegaan dat er bloed van het slachtoffer op de jas van [betrokkene 1] zat, valt daarom niet uit te sluiten dat verdachte het slachtoffer pas op een later moment (dat wil zeggen ná het grondgevecht) in de rug heeft gestoken. Verder brengt het feit dat er ook andere personen op de plaats delict waren niet mee dat zij om die reden allemaal als verdachte aangemerkt hadden moeten worden. Van een vormverzuim is geen sprake.

Het oordeel van de rechtbank

1. De rechtbank is van oordeel dat het niet tijdig in beslag nemen van de jas van [betrokkene 1] aangemerkt moet worden als een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidende onderzoek als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.
heeft bij de politie verklaard dat hij heeft geprobeerd verdachte en het slachtoffer, toen zij op de grond met elkaar in gevecht waren, uit elkaar te halen.1 Hij heeft het slachtoffer hierbij, en alleen op dit moment, aangeraakt. De volgende dag heeft [betrokkene 1] gezien dat er bloed op zijn jas zat. De moeder van [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , heeft daarop - blijkens haar verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris - contact gezocht met de politie. De jas is toen niet in beslaggenomen. De politie heeft [betrokkene 2] medegedeeld dat met het nemen van foto’s van de jas kon worden volstaan. De jas is vervolgens gewassen. Op 24 mei 2016 is de jas - op verzoek van de officier van justitie - alsnog door de politie in beslaggenomen en onderzocht maar er zijn toen geen bloedsporen (meer) aangetroffen.

Bij de beantwoording van de vraag tot welk rechtsgevolg voormeld vormverzuim moet leiden moet de rechtbank allereerst nagaan of daardoor voor verdachte enig nadeel is veroorzaakt. De rechtbank moet daarbij rekening houden met het belang dat het geschonden voorschrift dient. Ook moet in aanmerking worden genomen dat niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging slechts in uitzonderlijke gevallen als rechtsgevolg in aanmerking komt. Daarvoor is slechts plaats als met de opsporing of vervolging belaste autoriteiten een ernstige inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, zodat doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte geen nadeel heeft ondervonden van het verzuim. De rechtbank verwijst ter onderbouwing van dit oordeel allereerst naar het standpunt van de officier van justitie op dit punt. De rechtbank neemt dit standpunt over en maakt het tot het hare. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding om enig rechtsgevolg aan het verzuim te verbinden, zodat met de constatering van het vormverzuim (het niet tijdig in beslag nemen van de jas van [betrokkene 1] ) zal worden volstaan.

2. De rechtbank is verder niet gebleken van eenzijdig onderzoek door de politie en het openbaar ministerie. De rechtbank stelt voorop dat er geen sprake van is geweest dat verdachte slechts als zodanig werd aangemerkt, alleen omdat politie en justitie ervan uitgingen dat hij als enige een motief had om [slachtoffer 1] iets aan te doen. Bij aanvang van het onderzoek is rekening gehouden met verschillende scenario’s, hetgeen volgt uit het gegeven dat ook [medeverdachte] als verdachte is aangemerkt. Vanaf het begin van het onderzoek heeft er echter, op grond van diverse concrete getuigenverklaringen, terecht een redelijke verdenking tegen verdachte bestaan. Deze verdenking is - naarmate het onderzoek vorderde - steeds sterker geworden. Van enig vormverzuim waarbij bovendien doelbewust tekort is gedaan aan het recht van verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak, is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank ziet in hetgeen de raadsman heeft aangevoerd dan ook geen aanleiding het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn ook overigens geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan in de vervolging van verdachte worden ontvangen.

Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

Bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het slachtoffer, [slachtoffer 1] , van het leven heeft beroofd zoals onder 1 is ten laste is gelegd. Ook ter zake het onder 2 tenlastegelegde dient een bewezenverklaring te volgen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte het slachtoffer heeft gestoken. Geen van de op de plaats delict aanwezige personen heeft verdachte zien steken. Verdachte en het slachtoffer hebben op de grond met elkaar gevochten. Dit moet het moment zijn geweest waarop het slachtoffer in de rug is gestoken. Gelet op de positie van verdachte tijdens het grondgevecht met het slachtoffer, kan hij hem onmogelijk de steekverwonding in de rug hebben toegebracht. Het is goed mogelijk dat een ander dan verdachte - al dan niet bij vergissing - het slachtoffer in de rug heeft gestoken. De verklaringen van [betrokkene 3] , op basis waarvan het openbaar ministerie de conclusie trekt dat het slachtoffer na het grondgevecht is gestoken, dienen als onbetrouwbaar ter zijde te worden gesteld en dus niet voor het bewijs te worden gebruikt. Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van het hem onder 1 tenlastegelegde. Indien de rechtbank wel bewezen acht dat het verdachte is geweest die [slachtoffer 1] in de rug heeft gestoken dan is niet komen vast te staan dat verdachte [slachtoffer 1] heeft gestoken met het (voorwaardelijk) opzet hem te doden. Vrijspraak dient ook dan te volgen.

Wat betreft het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer tot vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde wordt weerlegd door de hierna gebezigde bewijsmiddelen. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van deze bewijsmiddelen te twijfelen.

De bewijsmiddelen 2

1. Het proces-verbaal van bevindingen, gesloten en getekend op 21 februari door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , hoofdagenten van de politie Oost-Brabant:3

‘Op 21 februari 2016 kregen wij een melding van het Operationeel Centrum inhoudende dat er een reanimatie gaande was op de [adres plaats delict] in Berlicum. Wij kwamen omstreeks 03:15 uur ter plaatse en zagen dat ambulancepersoneel doende was met het reanimeren van een persoon die in de berm lag.

Ik, verbalisant [verbalisant 1] , zag dat er een behoorlijke snee in de bovenzijde van de rug van het slachtoffer zat. 4

Tevens hoorde ik, verbalisant [verbalisant 2] , dat de ter plaatse gekomen trauma-arts vertelde dat de wond op de rug van het slachtoffer een overduidelijke steekwond betrof van een flink formaat. 5

2. Het proces-verbaal van bevindingen, gesloten en getekend op 21 februari 2016 door [verbalisant 3] , brigadier van de politie Oost-Brabant:6

‘Op 21 februari 2016 kregen wij de melding dat op de [adres plaats delict] in Berlicum een persoon op straat zou liggen. Ter plaatste zagen wij dat er een jonge man op de grond lag, welke werd gereanimeerd.7

Het slachtoffer bleek te zijn genaamd:

[slachtoffer 1] , geboren [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 2] ’. 8

3. Een geschrift, zijnde een NFI rapportage ‘Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’ d.d. 7 juli 2016:9

‘Op 23 februari 2016 is [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 2] , overleden.

Resultaten

Aan de voorzijde van het bovenbeen links, op circa 67 cm vanaf de voetzoolrand was een streepvormige scherprandige huidperforatie, gehecht met één hechting , letsel A, lengte cira 2,7 cm; aansluitend was een steekkanaal in de spieren van het bovenbeen (geenletsels aan groetere bloedvaten). Lengte steekkanaal geschat tussen 6,5 en 10,5 cm.

Aan de rug op circa 133 tot 140 cm vanaf de voetzoolrand, in/net naast de middellijn, was een chirurgische gehechte, genezende, streepvormige huidperforatie, letsel D, lengte circa 7 centimeter, met aansluitend steekkanaal links langs de wervelkolom, verlopend iets naar links, buikwaarts en iets voetwaarts tot in de borstholte; in het kader van dit steekletsel doorsteek door de onderkwab van de linkerlong (chirurgisch gesloten), insteek in de lichaamsslagader (chirurgisch gesloten) en schamping van de buitenste lagen van de slokdarm (chirurgisch gesloten). 10

Interpretatie van de resultaten

Er werden twee letsels aangetroffen, één aan het bovenbeen links en één aan de rug die waren omgeven door bloeduitstortingen. Deze letsels waren bij leven ontstaan en het gevolg van een inwerking van uitwendig mechanisch perforerend geweld (steken) zoals kan optreden ten gevolge van steken met een hard en spits voorwerp, bijvoorbeeld een mes. Eventuele afweerletsels werden niet aangetroffen.

De letsels A en D hebben geleid tot bloedverlies. Het letsel aan de rug heeft geleid tot ernstige, potentieel dodelijke, inwendige letsels.

Conclusie

Het overlijden van [slachtoffer 1] kan worden verklaard door verwikkelingen van steekletsels, met name een steekletsel in de rug’.11

4. De verklaring van [betrokkene 5] , afgelegd ten overstaan van de politie op de [adresgegevens 2] te Berlicum op 21 februari 2016 omstreeks 05:28 uur12:

‘Ik was op een feest van [betrokkene 3] aan de [adresgegevens 2] . Op 21 februari 2016 omstreeks 03:00 uur was het feest afgelopen en gingen we met zijn allen naar buiten. Ik hoorde een knal van vuurwerk. Door het afsteken van vuurwerk ontstond er een discussie. Ik stond buiten met [verdachte] . Ik zag dat [betrokkene 4] een conflict kreeg met [slachtoffer 1] . Ik zag dat [slachtoffer 1] en [verdachte] door verschillende personen uit elkaar werden 13 gehaald. Ik zag dat [verdachte] iets puntigs in zijn hand had. Ik denk dat het voorwerp dat [verdachte] in zijn hand had, ongeveer twintig centimeter lang was. Ik ben er vrijwel zeker van het een mes is geweest’.14

5. De verklaring van [betrokkene 5] , afgelegd bij de politie op 23 februari 201615:

‘A: Toen het feest van [betrokkene 3] was afgelopen hoorde ik dat buiten een discussie plaatsvond over een rotje.

A: [verdachte] was agressief naar diegene met wie hij een discussie had. 16

A: Uiteindelijk keerde [verdachte] zich die avond tegen [slachtoffer 1] .

V: Wat gebeurt er dan tussen [verdachte] en [slachtoffer 1] ? 17

A: Ik zag dat ding in een flits voorbij komen.

V: Over welk ding heb jij het dan?

A: Een mes.

V: Wie had dat mes?

A: [verdachte] .

V: Wat zag je precies?

A: Een mes, zwart.

V: Waar had [verdachte] dat mes vast?

A: In zijn rechterhand volgens mij

A: Binnen vroeg ik aan [verdachte] : “Waarom dat mes? [verdachte] zei: “Kijk mijn vriendin.” Ik zei iets van: “Dan haal je er toch geen mes bij?” Ik hoorde toen dat hij zei: “Maak je niet druk, die heb ik al lang aan iemand meegeven”.

V: Hoe reageerde jij daarop?

A: Ik hoorde dat [verdachte] hierna nog zei: “Tegen niemand zeggen”’.18

6. De verklaring van [betrokkene 3] , afgelegd bij de politie op 21 februari 201619:

‘Ik gaf op 21 februari 2016 een feest ter gelegenheid van mijn achttiende verjaardag. Dit feest was bij mij thuis, de [adresgegevens 2] te [geboorteplaats 2] .

Toen het feest afgelopen was, ontstond er ruzie. Op het feest waren onder andere [betrokkene 5] , [slachtoffer 1] , [verdachte] , diens vriendin [betrokkene 4] , [betrokkene 2] en [medeverdachte] .’ 20

7. De verklaring van [betrokkene 3] , afgelegd bij de politie op 24 februari 201621:

‘A: Er is een vechtpartij ontstaan waarbij [betrokkene 4] op haar gezicht is geslagen. [slachtoffer 1] en [verdachte] hebben daarna lopen vechten. [betrokkene 14] heeft [verdachte] en [betrokkene 4] de sloot in geslagen.22

V: Hoe ging dat?

A: Zij lagen op de grond met elkaar te vechten. [verdachte] werd er vanaf getrokken en in de sloot gegooid. [slachtoffer 1] zag ik weglopen, richting zijn fiets. [verdachte] sprong van de ene kant van de sloot naar de andere kant.

Ik zag [verdachte] naar [slachtoffer 1] toe rennen. Ik zag hem een slaande beweging maken en daarbij de rug van [slachtoffer 1] raken. Het leek op een neerwaartse vuistslag op de rug van [slachtoffer 1] . Het was zoals mensen doen als zij met hun vuist op tafel slaan alleen nu op de rug van [slachtoffer 1] ’.

V: Wat gebeurt er na die vuistslag op [slachtoffer 1] zijn rug?

A: Ik hoorde zo’n auw kreet van [slachtoffer 1] afkomen. Ik zag [verdachte] weglopen. Ik wilde hulp halen. 23

V: Hoeveel afstand zit er tussen de plek waar jij hebt gezien dat [slachtoffer 1] werd aangevallen met die vuistslag in zijn rug en de plek van de reanimatie.?

A: 15 tot 20 meter.24

8. De verklaring van [betrokkene 3] , afgelegd bij de politie op 14 maart 201625:

‘A: Ik zag dat [verdachte] richting [slachtoffer 1] rende.

V: Oké, [verdachte] rende richting [slachtoffer 1] , en dan?

A: Toen zag ik hem bij [slachtoffer 1] springen. Een voorwaartse sprong in de richting van [slachtoffer 1] rug.

Noot verbalisanten:

Getuige [betrokkene 3] doet de sprong voor waarbij hij afzet met zijn rechterbeen. Wij verbalisanten zien dat getuige [betrokkene 3] met zijn rechterarm een slaande neergaande beweging maakt. 26

V: Waar komt de neerwaartse beweging terecht?

A: Op [slachtoffer 1] zijn rug.

V: Waar op [slachtoffer 1] zijn rug?

A: In het gebied tussen de schouderbladen.

V: Jij ziet de neerwaarts bewegende slaande arm van [verdachte] op de rug van [slachtoffer 1] terecht komen. Wat hoorde jij?

A: Ik hoorde [slachtoffer 1] schreeuwen. Een auw kreet. Een hele harde schreeuwende pijnkreet. 27

A: [verdachte] duwde een mes in mijn handen. Hij zei iets als: ‘Hou het bij je of zorg dat het wegkomt’. Een maand voordat het incident met [slachtoffer 1] gebeurde liet [verdachte] mij een mes van hem zien. Hij pakte dit mes uit zijn broekzak of van de kast. Het was een zwart mes. Ik weet bijna honderd procent zeker dat dit het mes was wat [verdachte] mij die avond in mijn handen duwde.

A: Ik gaf het mes aan [betrokkene 2] en zei: “Hier hou bij je, die is van [verdachte] ”.

V: Even terug, jij kreeg dat mes in je hand, in welke staat?

A: In ingeklapte staat.’. 28

9. De verklaring van [betrokkene 6] , afgelegd bij de politie op 10 maart 201629:

‘A: Ik ben vanaf de woning van [verdachte] naar het feest in Berlicum gefietst. 30

A: Bij het verlaten van het terrein (de rechtbank begrijpt: [adresgegevens 2] te Berlicum ) heb ik een mes aangenomen van [betrokkene 3] . [betrokkene 3] zei toen tegen mij: “Hier, dat is van [verdachte] ”. Ik heb het mes in mijn rugzak gestopt. In het chalet (de rechtbank begrijpt: de woning van verdachte) heb ik het mes uit mijn rugzak gehaald.

V: Hoe ziet het mes eruit?

Het was een zwart mes. Ik zag dat er aan de zijkant een gleuf zat. Toen wist ik dat het een mes was. Ik heb het mes aan [medeverdachte] gegeven.

V: Jij draagt het over aan [medeverdachte] ? Wat zeg jij dan?

A: Ik zei tegen [medeverdachte] : “Hier, dit is van [verdachte] ”. [medeverdachte] nam het mes aan’.31

10. De verklaring van [medeverdachte] , afgelegd bij de politie op 23 maart 201632:

‘V: Ik wil met jou naar het moment dat jij in het chalet bent, na het vertrek bij het feest. Vertel mij wat er gebeurt. 33

A: We komen het chalet binnen. [betrokkene 2] doet zijn rugzak af. [betrokkene 2] haalt een ingeklapt mes uit zijn tas en geeft dat mes aan mij.

V: Wat wordt er gezegd als je dat mes krijgt?

A: Volgens mij zegt hij er bij dat het van [verdachte] was. Ik heb het mes bovenop de kast gelegd.

V: Heb je het mes tot aan het moment dat de politie kwam nog gezien?

A: Toen ik naar de kast keek, lag het er volgens mij niet meer. 34

11. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank op 7 februari 2017:

‘Ik was op 21 februari 2016 op het feest van [betrokkene 3] aan De [adresgegevens 2] te [geboorteplaats 2] . Ik was daar samen met mijn vriendin [betrokkene 4] , [medeverdachte] en [betrokkene 6] . Ik zag dat er een worsteling ontstond tussen [slachtoffer 1] en [betrokkene 4] . Ik heb met [slachtoffer 1] gevochten’.

12. Het OVC-gesprek in de Citroën Xsara tussen de vader van verdachte, [betrokkene 7] , en zijn moeder, [betrokkene 8] d.d. 17 maart 2016:

[betrokkene 4] verlaat de auto.

[betrokkene 7] : Nou dan moeten we toch zorgen dat als hij vrij is gegeven, die airco zo vlug mogelijk weg is.

[betrokkene 8] : ja

[betrokkene 7] : Want daar gaat gewoon heel de airco voor weg he, dat is niet zo moeilijk he

[betrokkene 8] : nee die moet je toch uit elkaar halen schat.

[betrokkene 7] : jaja dat snap ik. Maar zeg daar verders tegen niemand iets over.

[betrokkene 8] : Oh nee, tuurlijk niet. Dat mes moet gewoon ergens anders heen verdwijnen’. 35

13. Het OVC-gesprek in de Citroën Xsara tussen de vader van verdachte, [betrokkene 7] , en zijn moeder, [betrokkene 8] d.d. 23 maart 2016, waarbij wordt gesproken over de airco:

‘ [betrokkene 7] : ja en als nou de chalet vrijgegeven is dan bellen we dus nog niet dat ie vrijgegeven is.

[betrokkene 8] : nee

[betrokkene 7] : Dan regelen we eerst da en als dat geregeld is dan bel ik pas van…

[betrokkene 8] : Ja dat heb ik tegen [verdachte] ook gezegd. 36

[betrokkene 7] : Kik en als ge da ding vat ook dan doe ik handschoenen aan en dan vat ik met handschoenen vat ik dat aan en dan gooi ik het meteen in een tasje en dan zorg ik wel dat het heel vlug weg is.

[betrokkene 8] : Ja,. Dat doen wij samen schat en niemand anders klaar.

[betrokkene 7] : Nee, ja daarom’. 37

14. Het OVC-gesprek in de Citroën Xsara tussen de vader van verdachte, [betrokkene 7] , en zijn moeder, [betrokkene 8] , d.d. 25 maart 2016:

‘ [betrokkene 7] : en kik dan zeggen we de airco nemen we mee naar ons want dan kan ik bij ons de caravan warm stoken omdat wij nog gin dinges hebben en dan zeg ik hee eh.. onverstaanbaar … hij doeg ut niet de airco, die doeg ut nie meer dus we flikkeren um een eind weg. Ik sloop um en dan eh ut kunststof in de container en de rest bij ut oud ijzer’. 38

15. Het OVC-gesprek in het chalet van verdachte, dat op 26 maart 2016 werd vrijgegeven, tussen de vader van verdachte, [betrokkene 7] , en zijn moeder, [betrokkene 8] , d.d. 26 maart 2016:

‘ [betrokkene 7] : Dan neem ik de airco wel mee naar ons toe., dat we die bij ons thuis in de caravan aan zetten.

Hierna is een geluid te horen alsof er iets over de vloer verplaatst wordt’.39

16. Het OVC gesprek in de Volkswagen Polo tussen de moeder van de vriendin van verdachte, [betrokkene 9] , en de vriendin van verdachte, [betrokkene 4] , d.d. 26 maart 2016:

[betrokkene 9] : [betrokkene 10] , [verdachte] liet merke, het mes zit er niet tussen. Want hij zeet zo mooi, het mes dak gekregen heb van jouw moeder, dak gekregen he om de worstjes te snijden, dus hij liet merke van… maar ‘het’ mes zit er niet tussen’.40

(…)

[betrokkene 4] : Hij zegt het zit in de airco, Snap je. Het zit in de airco. 41

(…)

[betrokkene 4] : Nee, dat zei [verdachte] , het zit in de airco’.42

17. Het OVC-gesprek in de Citroën Xsara tussen de vader van verdachte, [betrokkene 7] , en de moeder van de vriendin van verdachte, [betrokkene 9] , d.d. 26 maart 2016:

‘ [betrokkene 7] : Ja, die airco…. Die staat nou bij ons. Hij heeft aan mij gevraagd of ik die eruit wil halen. 43

18. Tapgesprek tussen verdachte en zijn vriendin, [betrokkene 4] , d.d. 27 maart 2016:

‘ [verdachte] : je moet dadelijk gewoon aan mama vragen of het nog gelukt was met de airco.

[betrokkene 4] : Ja, die staat aan de overkant.

[verdachte] : Nee…. Vraag maar gewoon aan hun of het gelukt was met de airco’.44

19. Het OVC-gesprek in de Citroën Xsara tussen de vader van verdachte, [betrokkene 7] , en zijn moeder, [betrokkene 8] , d.d. 27 maart 2016

‘ [betrokkene 7] : Eigenluk zoude dat mes gewoon in de AA moeten gooien

[betrokkene 8] : Nee

[betrokkene 7] : Wat neen?

[betrokkene 8] : Da’s te dig bij

[betrokkene 7] : Schat denke te gij da ze alle waters hier af gaan zuuken

[betrokkene 8] : Nee maar as ze toevallig een keer hier gaan zoeken kunnen ze ut meteen linken

[betrokkene 7] : En as er niemand is, kan ik op de camping dadeluk gaan slijpen. Klein gaan slijpen. Dan doe ik dan… onverstaanbaar… ergens in en dan ga ik zoetjes een keer overal wa dumpen. Kek en als ooit zeggen van mes dan zedde gewoon wij waren aan het opruimen en hebben een mes gevonden en wu zijn ut zo at al die messen dak gewoon een…. Onverstaanbaar … buiten geflikkerd.

Gullie het alles onderzocht dus ik neem aan dat dat euh wa in de krant stond eh dat er steekwapens gevonden hadden dus oe eigu gewoon van den domme houden. Ne we hebben gewoon alle messen die we tegen kommen van um in het chalet zegge we gooien we gewoon weg zodat ie nooit geen messen meer in zun chalet het liggen. Zo breng ut gewoon’. 45

20. Het tapgesprek tussen verdachte en zijn moeder, [betrokkene 8] , op 28 maart 2016:

[verdachte] : dus het was nog gelukt met jullie airco ook?

[betrokkene 8] : Ja ja, is hartstikke goed gelukt dus euh’. 46

21. Het OVC-gesprek in de Citroën Xsara tussen de moeder van de vriendin van verdachte, [betrokkene 9] , en de moeder van verdachte, [betrokkene 8] , d.d. 22 april 2016:

‘ [betrokkene 9] : Is die airco van [verdachte] weg?

[betrokkene 8] : Die is allang weg. 47

[betrokkene 9] : Oke

[betrokkene 8] : Die is allang weg

[betrokkene 9] : oke. Hedde die tussen het oud ijzer gegooid dan?

[betrokkene 8] : in deleuh. Overal wah.

[betrokkene 9] : Oke, oke’. 48

T.a.v. feit 2

1. Het proces-verbaal van bevindingen49

‘Op 21 februari 2016 werd de woning van verdachte te [woonplaats verdachte] doorzocht. In de woonkamer troffen wij het volgende aan:50

In het dressoir werden een tweetal op vuurwapens gelijkende voorwerpen aangetroffen. Deze voorwerpen zijn in beslaggenomen onder de nummers 959913’. (De rechtbank begrijpt onder het nummer 959913 en 960084).51

2. Kennisgeving van inbeslagneming52

‘Goednummer: PL2100-2016040690-959913

Omschrijving: Wapens

Object: Overige (Veerdruk) 53

Goednummer: PL2100-2016040690-960084

Omschrijving: Wapens

Object: Overige (Veerdruk)’ 54

3. Het proces-verbaal van bevindingen55

‘Op verzoek van een collega heb ik twee wapens bekeken welke in beslag genomen waren. De wapens waren aangetroffen tijdens een zoeking in een woning.

Voorwerp 1 PL2100-2016040690-959913:

Dit voorwerp is een zogenaamd, balletjespistool, voor het verschieten van kunststof balletjes middels een veerdruksysteem, dat voor wat betreft vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een pistool, met de volgende kenmerken: merk: Sig-Sauer, model: P228.

Voorwerp 2 PL2100-2016040690-960084:

Dit voorwerp is een zogenaamd, balletjespistool, voor het verschieten van kunststof balletjes middels een veerdruksysteem, dat voor wat betreft vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een pistool, met de volgende kenmerken: merk: Colt, model: 1911-A1 Rail Gun.

Deze wapens, zijn wapens in de zin van categorie 1 onder 7 van de Wet Wapens en Munitie, gelet op artikel 3 onder a van de Regeling Wapens Munitie. Het zijn voorwerpen die voor wat betreft hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertonen met vuurwapens of met voor ontploffing bestemde voorwerpen, strafbaar gesteld in artikel 13 lid 1 in verband met artikel 55 lid 1 van de Wet

Wapens en Munitie’.

4. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank op 7 februari 2017:

‘Ik heb twee balletjespistolen bewaard in mijn woning’.

Bewijsoverwegingen ter zake het onder 1 tenlastegelegde

De betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 3]

De raadsman heeft aangevoerd dat [betrokkene 3] in zijn eerste verklaring niets heeft verklaard over een klap die verdachte op de rug van [slachtoffer 1] zou hebben gegeven. Ook heeft hij aanvankelijk met geen woord gesproken over een mes dat hij na de steekpartij op de plaats delict van verdachte overhandigd zou hebben gekregen. In zijn tweede en derde bij de politie afgelegde verklaring, afgelegd nadat er met andere getuigen over het gebeurde was gesproken, komen steeds meer belastende details voor verdachte naar voren. De getuige zou, zo blijkt uit zijn tweede verklaring, van verdachte een cilindervormig voorwerp hebben gekregen. Pas tijdens zijn derde verhoor heeft [betrokkene 3] verklaard dat het cilindervormige voorwerp dat hij van verdachte kreeg, een mes betrof. Volgens de raadsman dienen de verklaringen van [betrokkene 3] als onbetrouwbaar te worden aangemerkt en om die reden van het bewijs te worden uitgesloten.

Anders dan de raadsman ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de inhoud van en de betrouwbaarheid van de voor het bewijs gebezigde verklaringen van [betrokkene 3] te twijfelen. Dat de getuige niet meteen en volledig opening van zaken heeft gegeven, maakt dat niet anders. Daarvoor is immers een aannemelijke verklaring in het dossier te vinden.

Tijdens zijn eerste verhoor bij de politie op 21 februari 2016 verklaart de - dan nog zeventienjarige - getuige behoorlijk emotioneel te zijn. Hij wil ‘gewoon zijn maat [slachtoffer 1] , die in het ziekenhuis ligt terug’.56 In het tweede verhoor bij de politie op 24 februari 2016 vraagt de getuige uitdrukkelijk of verdachte het verhoor ook te lezen krijgt en dat hij de gedachte heeft dat verdachte er dan bij hem op terug komt. De getuige vindt het lastig open te zijn omdat de vriendin van verdachte bij hem in de supermarkt werkt.57 Tijdens zijn derde verhoor op 14 maart 2016 geeft de getuige aan dat hij bang is problemen te krijgen als hij over het mes een verklaring aflegt.58 Ook uit het verhoor dat de getuige bij de rechter-commissaris heeft afgelegd op 13 juli 2016 - en waar hij bij zijn derde, voor verdachte belastende, verklaring is gebleven - volgt dat verdachte gedurende zijn eerste verhoor in verwarring was en later bang was naar waarheid te verklaren. Hij was bang zelf verdachte te worden en hij voelde zich schuldig tegenover [slachtoffer 1] omdat hij degene was die het mes van verdachte had aangepakt. Hij kon hier niet van slapen en heeft het daarom uiteindelijk toch verteld.
De rechtbank acht deze uitleg van de getuige voor zijn verklaringsgedrag plausibel en beoordeelt de verklaringen van de getuige, zoals gebruikt voor het bewijs, in zoverre als betrouwbaar. Dat de getuige pas nadat hij met vrienden heeft gesproken over het gebeurde, komt met een voor verdachte belastende verklaring, doet daar niet aan af. Ten overstaan van de rechter-commissaris heeft de getuige immers verklaard dat hij de slaande beweging van verdachte op de rug van het slachtoffer zelf heeft gezien en dat niet nadien - naar aanleiding van een bijeenkomst met vrienden - heeft ingevuld. Voorts overweegt de rechtbank dat de verklaring van [betrokkene 3] , voor zover die verklaring ziet op de volgorde van de overdracht van het mes, de daarbij gebruikte bewoordingen en de beschrijving van het mes, steun vindt in de verklaring van [betrokkene 6] . De verklaring van [betrokkene 6] vindt op zijn beurt weer steun in de verklaring van [medeverdachte] .

Ter terechtzitting van 7 februari 2017 heeft verdachte opgemerkt dat de vrienden van het slachtoffer hem en zijn vriendin er bij willen naaien. Daarbij heeft verdachte gewezen op WhatsApp gesprekken uit het dossier. De rechtbank begrijpt deze opmerking aldus dat deze vrienden verdachte het feit in de schoenen hebben geschoven. De opmerking van verdachte is niet voldoende onderbouwd en volgt ook overigens niet uit hetgeen uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Aanleiding

Uit de bewijsmiddelen volgt dat op 21 februari 2016 een feest ter ere van de achttiende verjaardag van [betrokkene 3] is gehouden aan de [adresgegevens 2] Berlicum . Na het feest is buiten een ruzie ontstaan waarna verdachte en het latere slachtoffer, [slachtoffer 1] , met elkaar in gevecht zijn geraakt. De aanleiding hiervoor was gelegen in het feit dat de vriendin van verdachte, [betrokkene 4] , door het slachtoffer zou zijn geslagen. Op enig moment zijn verdachte en [slachtoffer 1] met elkaar op de grond terecht gekomen en vervolgens uit elkaar gehaald waarbij verdachte in een sloot/irrigatiekanaal59 is gegooid. Verdachte is hierna uit het irrigatiekanaal geklommen, naar [slachtoffer 1] toegerend en heeft hem op zijn rug geslagen. Weliswaar heeft niemand gezien dat verdachte het slachtoffer hierbij heeft gestoken, maar -gelet op de hiervoor opgesomde bewijsmiddelen - kan het niet anders zijn dan dat het verdachte is geweest die het slachtoffer op dat moment in de rug heeft gestoken.

Daarbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

Verdachte had een mes (de verklaring [betrokkene 11] )

Getuige [betrokkene 11] heeft, heel kort nadat het slachtoffer was neergestoken, ter plaatse bij de politie een verklaring afgelegd. Meteen bij die gelegenheid verklaart [betrokkene 11] dat hij op enig moment, kort voor of gedurende de confrontatie tussen verdachte en het slachtoffer, een puntig voorwerp van ongeveer twintig centimeter lang in handen van verdachte heeft gezien. Tijdens een tweede verhoor bij de politie is [betrokkene 11] bij zijn eerdere verklaring gebleven. Ook heeft hij toen het mes nader omschreven: het was een zwart mes.

Verdachte heeft weliswaar tijdens zijn verhoor bij de politie60 alsook ter terechtzitting ontkend dat hij een mes bij zich had, maar aan die verklaring hecht de rechtbank - gelet op de hiervoor opgesomde bewijsmiddelen - geen geloof. In dat verband wijst de rechtbank ook op een tapgesprek tussen de moeder en de zus van verdachte61, waaruit de rechtbank afleidt dat verdachte altijd een mes bij zich droeg en op de verklaring van [betrokkene 12] met eenzelfde strekking.62 Van enige objectieve aanwijzing in het dossier dat ook anderen die nacht een mes bij zich hadden, is niet gebleken.

Verdachte heeft met het mes gestoken (de verklaring van [betrokkene 3] )

Dat verdachte [slachtoffer 1] ook met het zwarte mes heeft gestoken volgt uit de verklaring van [betrokkene 3] . De plek waar [slachtoffer 1] - blijkens die verklaring - door verdachte op de rug is geslagen, komt immers overeen met de plek waar het steekletsel bij het slachtoffer is aangetroffen. Bovendien heeft [betrokkene 3] [slachtoffer 1] na de klap op zijn rug een hele harde pijnkreet horen slaken. Een dergelijke kreet past bij pijn die gepaard gaat met een steekverwonding waarbij vitale/kwetsbare delen van het lichaam zijn geraakt, zoals bij [slachtoffer 1] het geval was. Niet veel later, niet meer dan een aantal minuten, is [slachtoffer 1] in elkaar gezakt en gereanimeerd.

Uit de verklaring van [betrokkene 3] volgt dat verdachte het slachtoffer - anders dan door de raadsman is geconcludeerd - in zijn rug heeft gestoken nadat het grondgevecht tussen beiden tot een einde was gekomen. Dat [betrokkene 1] mogelijk bloed van het slachtoffer op zijn jas heeft gehad, is niet met de verklaring van [betrokkene 3] in strijd. Zoals hierboven al is overwogen, zijn er bij het slachtoffer immers twee steekletsels geconstateerd: één in het linker bovenbeen en één in de rug. Beide letsels hebben geleid tot bloedverlies. Ook als er bloed van het slachtoffer op de jas van [betrokkene 1] heeft gezeten, sluit dat niet uit dat het slachtoffer op een later moment door verdachte in de rug is gestoken.

Motief

Verdachte had een motief om het slachtoffer wat aan te doen. Het was immers het slachtoffer die zijn vriendin zou hebben geslagen. [betrokkene 11] heeft verdachte geconfronteerd met de vraag: “Waarom een mes?” waarop verdachte heeft geantwoord: “Kijk, mijn vriendin”. Daarmee doelde verdachte kennelijk op het letsel dat zijn vriendin door de klap had opgelopen. De rechtbank ziet hierin bevestiging van het motief van verdachte.

Verdachte heeft het mes op de plaats delict weggegeven

Verdachte heeft, alvorens hij de feestlocatie samen met zijn vriendin, [betrokkene 6] en [medeverdachte] verliet, een zwart ingeklapt mes aan [betrokkene 3] gegeven met - kort gezegd - de opdracht er voor te zorgen dat het mes zou verdwijnen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, kan deze opdracht - die kort na het steekincident plaatshad - niet anders worden begrepen dan dat [betrokkene 3] moest zorgdragen voor het wegmaken van het mes waarmee het slachtoffer was gestoken. [betrokkene 3] heeft het mes vervolgens aan [betrokkene 6] gegeven. [betrokkene 6] heeft het mes meegenomen naar het chalet van verdachte en het daar aan [medeverdachte] gegeven die het mes op een kast in het chalet van verdachte heeft gelegd.

Verdachte is bij de politie geconfronteerd met de verklaringen van [betrokkene 3] , [betrokkene 6] en [betrokkene 13] omtrent de overgifte van het mes op/nabij de plaats delict en nadien. Verdachte heeft zich hieromtrent op het zwijgrecht beroepen, hetgeen - in het licht van de bewijsmiddelen en de ernst van de tegen hem bestaande verdenking - vragen oproept. Ter terechtzitting heeft verdachte ontkend dat hij een mes aan [betrokkene 3] heeft gegeven, aan welke verklaring de rechtbank - gelet op al het voorgaande - geen geloof hecht.

Het wegmaken van het mes (de taps en OVC-gesprekken)

Bij doorzoekingen van het chalet van verdachte zijn messen in beslag genomen, maar op geen van deze messen is DNA van het slachtoffer aangetroffen. Dat roept de vraag op waar het mes, waarmee [slachtoffer 1] is gestoken, is gebleven.

Op 17 maart 2016, nadat de beperkingen van verdachte waren opgeheven, hebben de ouders van verdachte verdachte samen met zijn vriendin [betrokkene 4] in het Huis van Bewaring bezocht. Blijkens mededeling van de officier van justitie ter terechtzitting heeft de in de bezoekersruimte geplaatste afluisterapparatuur die dag geen opnames gemaakt. Wel zijn de gesprekken die zijn gevoerd op de terugweg van het bezoek in de auto - een Citroën Xsara - van de vader van verdachte, [betrokkene 7] , opgenomen. Uit dat gesprek volgt naar het oordeel van de rechtbank onmiskenbaar dat verdachte zijn ouders op de hoogte heeft gesteld van de plek waar het mes zich op dat moment bevond: in een airco in zijn chalet. Ook blijkt uit dit gesprek van het voornemen van de ouders van verdachte om, zodra het chalet van verdachte door de politie zou zijn vrijgegeven, zich van de airco en het mes te ontdoen. Ook [betrokkene 4] heeft, zo blijkt uit het OVC-gesprek dat zij met haar moeder, in de Volkswagen Polo, op 26 maart 2016 voert, - kennelijk onbedoeld - tijdens het bezoek aan verdachte uit diens mond vernomen dat het mes zich in de airco bevond. De rechtbank leidt hier uit af dat de gesprekken gaan over informatie die de betrokkenen van verdachte zelf hebben verkregen en dus niet over informatie die zij van de politie zouden hebben ontvangen, zoals door de raadsman is gesuggereerd. Niet gebleken is dat het politieonderzoek zich op de airco in het chalet heeft gericht vóórdat verdachte en zijn ouders hierover begonnen te praten.

Uit de overige voor het bewijs gebezigde tap- en OVC-gesprekken kan naar oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat de ouders van verdachte het betreffende mobiele airconditioningapparaat naar hun chalet, dat zich tegenover het chalet van verdachte bevond, hebben verplaatst en zich van het daarin verstopte mes alsmede van de betreffende airco hebben ontdaan. Verdachte informeert vervolgens of het ‘gelukt was met de airco’. Dat verdachte hier doelde op een andere airco, in het chalet van zijn ouders, die op enig moment in brand heeft gestaan, is in het licht van die tap- en OVC-gesprekken alsmede de overige bewijsmiddelen niet aannemelijk.

Opzet

De raadsman heeft aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte opzet - ook niet in voorwaardelijke vorm - had op de dood van het slachtoffer. De raadsman heeft in dit verband aangevoerd dat onduidelijk is gebleven hoe groot de kans was dat door de steek in de rug vitale delen geraakt konden worden. De raadsman heeft daarbij gewezen op een uitspraak van de rechtbank Roermond van 6 mei 2009.63 In de onderhavige zaak was sprake van een chaotische en donkere nacht, terwijl niet valt uit te sluiten dat er bij wijze van afweer is gestoken.

Het oordeel van de rechtbank

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood van het slachtoffer - is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte naar het slachtoffer is gerend, richting zijn rug is gesprongen en een neerwaartse slaande beweging heeft gemaakt op de rug van [slachtoffer 1] , zoals mensen doen als ze met hun vuist op tafel slaan. Zoals hierboven is overwogen, is dit het moment geweest waarop verdachte het slachtoffer in de rug heeft gestoken. De wond in de rug was een steekwond van flink formaat. De lengte van de steekwond betrof circa zeven centimeter. Dat de wond diep moet zijn geweest en de steek met kracht en met een groot mes moet zijn toegebracht, leidt de rechtbank af uit het sectierapport. Daaruit blijkt dat het mes tot de borstholte is doorgedrongen. Daarbij heeft het mes een doorsteek door de onderkwab van de linkerlong veroorzaakt en zijn de lichaamsslagader en de slokdarm van het slachtoffer geraakt. Het slachtoffer is aan dit letsel uiteindelijk overleden.

Naar algemene ervaringsregels roept het met kracht steken van een groot mes in de rug ter hoogte van vitale en kwetsbare lichaamsdelen - waaronder hart, longen en slagaders - de aanmerkelijke kans in het leven dat het slachtoffer daardoor komt te overlijden. Een verwonding aan (een van) deze lichaamsdelen kan immers gemakkelijk tot de dood leiden. Verdachte, die het slachtoffer van achteren heeft benaderd en juist op die plek in de rug heeft gestoken, moet zich van die aanmerkelijke kans bewust zijn geweest. Door het slachtoffer desondanks met een mes met kracht in de rug te steken, heeft verdachte de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer door zijn handelen zou komen te overlijden, bewust aanvaard. Verdachte heeft daarmee minst genomen voorwaardelijk opzet gehad op de dood van [slachtoffer 1] . Feiten of omstandigheden waaruit het tegendeel zou kunnen worden afgeleid zijn niet gebleken.

De bewezenverklaring

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

1.

op 21 februari 2016 te [geboorteplaats 2] opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte voornoemde [slachtoffer 1] in de rug gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden.

2.

op 21 februari 2016 te [woonplaats verdachte] twee wapens van categorie I onder 7°, te weten zogenaamde balletjespistolen, zijnde voorwerpen die voor wat betreft vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonden met een vuurwapen (Van het merk/model Sig-Sauer P228 respectievelijk Colt 1911-A1 Rail Gun), voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is van 8 juni 2016 tot 20 juli 2016 gedurende zes weken opgenomen geweest in het Pieter Baan Centrum (PBC) voor een gedragsdeskundige onderzoek. Verdachte heeft niet meegewerkt aan het onderzoek. Hierdoor kon niet worden vastgesteld of ten tijde van de bewezenverklaarde doodslag sprake was van een stoornis (zoals een persoonlijkheidsstoornis) bij verdachte. De rechtbank zal daarom uitgaan van volledige toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Ook overigens zijn er geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is dan ook strafbaar voor het bewezenverklaarde.

Oplegging van straf en/of maatregel

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft geëist dat aan verdachte ter zake het hem tenlastegelegde een gevangenisstraf voor de duur van elf jaren wordt opgelegd.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd, maar wel opgemerkt dat binnen de rechtspraak ter zake doodslag als uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren heeft te gelden.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijk strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Na afloop van een feest zijn verdachte en het slachtoffer [slachtoffer 1] bij een ruzie betrokken geraakt. Na escalatie van de ruzie heeft verdachte het slachtoffer met een mes gestoken. Het slachtoffer is twee dagen later aan zijn verwondingen overleden. Het slachtoffer is 21 jaar oud geworden. Aan de diverse nabestaanden heeft verdachte een onherstelbaar leed aangedaan. De door de nabestaanden (vader en zus van het slachtoffer) ter terechtzitting voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaringen getuigen op indringende wijze van het enorme leed van de nabestaanden.

Ook in de samenleving blijven daden als deze niet zonder gevolgen. Niet alleen de directe omgeving van het slachtoffer wordt opgeschrikt en geschokt door een dergelijke gebeurtenis, maar dit soort feiten versterken eveneens de in de samenleving aanwezige gevoelens van angst en onveiligheid.

Het plegen van een levensdelict als doodslag wordt beschouwd als een van de meest ernstige misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. Het nemen van leven van een ander is een zo ernstig strafbaar feit dat daarvoor enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur in aanmerking komt.

Verdachte heeft als ontkennende verdachte ter terechtzitting geen blijk gegeven van inzicht in de strafwaardigheid van zijn handelen. Verdachte heeft geweigerd mee te werken aan het onderzoek van het PBC. Ook heeft verdachte medewerking geweigerd aan het opstellen van een reclasseringsadvies. De rechtbank heeft hierdoor maar een beperkt beeld gekregen van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft in het nadeel van verdachte rekening gehouden met het feit dat verdachte tijdens het voorarrest heeft gepoogd het politieonderzoek tegen te werken, zoals uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen volgt.

De rechtbank zoekt bij de strafoplegging gewoonlijk aansluiting bij de oriëntatiepunten van het LOVS, dan wel bij straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Nu er geen oriëntatiepunten bestaan voor doodslag, heeft de rechtbank gekeken naar de strafoplegging in Nederland in soortgelijke gevallen. Op basis van het beeld daar daaruit naar voren komt, acht de rechtbank een gevangenisstraf van negen jaar, gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, passend en geboden.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf van negen jaar.

De vordering van de benadeelde partijen

De inhoud van de vorderingen

De vader van het slachtoffer, [slachtoffer 2] , heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend van in totaal € 27.040,82 ter zake materiële (begrafeniskosten ad € 7.040,82) en immateriële schade (affectieschade ad € 20.000,-) die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit heeft geleden, vermeerderd met de wettelijke rente.

De moeder van het slachtoffer, [slachtoffer 3] , heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend van in totaal € 20.000,- ter zake immateriële schade (affectieschade) die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit heeft geleden, vermeerderd met de wettelijke rente.

De broer en zus van het slachtoffer, [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] , hebben ieder een vordering tot schadevergoeding ingediend van in totaal € 17.500,- ter zake immateriële schade (affectieschade) die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen voor zover deze zien op de gevorderde affectieschade niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. De wet biedt geen ruimte voor een vergoeding van affectieschade. De vordering van [slachtoffer 2] dient, voor zover deze ziet op vergoeding van de begrafeniskosten van het slachtoffer, wel te worden toegewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde vergoedingen ter zake affectieschade niet kunnen worden toegewezen nu daarvoor iedere wettelijke basis ontbreekt. De raadsman heeft zich niet uitgelaten over de kosten gemoeid met de begrafenis van het slachtoffer.

Het oordeel van de rechtbank

Begrafeniskosten

De rechtbank acht vergoeding van de begrafeniskosten - zoals door [slachtoffer 2] gevorderd - toewijsbaar, als rechtstreeks door het onder 1 bewezenverklaarde feit toegebrachte schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verdachte is tot vergoeding van deze schade gehouden zodat de vordering voor dat deel zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 april 2016 (factuurdatum).

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Affectieschade

Affectieschade betreft immateriële schade die bestaat uit het verdriet en de pijn die is veroorzaakt door onder meer het overlijden van een persoon tot wie de benadeelde partij in een nauwe en affectieve relatie stond. Aanspraak op vergoeding van immateriële schade bestaat slechts indien en voor zover de wet op vergoeding hiervan recht geeft, zoals volgt uit de laatste zinsnede van artikel 6:95 BW.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 22 februari 2002 het volgende overwogen:

‘Het stelsel van de wet brengt mee dat nabestaanden ingeval iemand met wie zij een nauwe en/of affectieve band hadden, overlijdt ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is, geen vordering geldend kunnen maken tot vergoeding van nadeel wegens het verdriet dat zij ondervinden als gevolg van dit overlijden. Art. 6:108 BW geeft immers in een dergelijk geval slechts aan een beperkt aantal gerechtigden de mogelijkheid tot het vorderen van bepaalde vermogensschade. Hoewel deze bepaling van tamelijk recente datum is, kan er grond bestaan om de redenen die tot de daarin neergelegde regeling van de schadevergoeding hebben geleid, te heroverwegen. Niet uitgesloten is dat het wettelijk stelsel onvoldoende tegemoet komt aan de maatschappelijk gevoelde behoefte om aan degenen die in hun leven de ernstige gevolgen moeten ondervinden van het overlijden van een persoon tot wie zij - zoals hier - in een affectieve relatie hebben gestaan, enige vorm van genoegdoening te verschaffen. Het gaat echter de rechtsvormende taak van de rechter te buiten te dezer zake in afwijking van het wettelijk stelsel zonder meer een vergoeding toe te kennen. In de eerste plaats zou immers opnieuw een, aan de wetgever voorbehouden, afweging moeten worden gemaakt van de voor- en nadelen die aan het huidige stelsel verbonden zijn. Voorts vergt een herziening van het bestaande stelsel een afbakening van de gevallen waarin een vergoeding passend wordt gevonden en een concrete aanwijzing van de personen aan wie een dergelijke vergoeding toekomt. Ten slotte is het ook aan de wetgever te beoordelen of, en zo ja in hoeverre, aan de toekenning van een dergelijke vergoeding financiële grenzen gesteld moeten worden in verband met de consequenties die daaraan kunnen zijn verbonden’. 64

De raadsvrouw van de benadeelde partijen heeft gewezen op een bij de Tweede Kamer aanhangig wetsvoorstel dat vergoeding van affectieschade tracht mogelijk te maken.65 Tevens zijn er volgens de raadsvrouw aanknopingspunten voor toekenning van een dergelijke vergoeding in de literatuur en uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens te vinden. De raadsvrouw heeft dan ook - vooruitlopend op een eventuele wetswijziging - verzocht vergoeding ter zake geleden affectieschade toe te kennen. De rechtbank gaat niet mee in dat verzoek. Op dit moment bestaat er immers geen wettelijke basis voor vergoeding van affectieschade. Gelet hierop en op hetgeen de Hoge Raad hierover heeft overwogen, kunnen de betreffende vorderingen op dat punt niet worden toegewezen. De benadeelde partijen [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4] , zullen ten aanzien (van dit onderdeel) van de vordering dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partijen kunnen (dit onderdeel van) de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Beslag

Ter zake het onder 1 bewezenverklaarde feit

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan de beslagene nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.

Ter zake het onder 2 bewezenverklaarde feit

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting - dit voorwerpen zijn met betrekking tot welke de feiten zijn begaan en de voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Toepasselijke wetsartikelen

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 24c, 27, 36b, 36c, 36f, 57, 287

Wet wapens en munitie art. 13, 55.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

Ter zake het onder 1 bewezenverklaarde:

Doodslag Ter zake het onder 2 bewezenverklaarde: Handelen in strijd met artikel 13 van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Ter zake het onder 1 en 2 bewezenverklaarde:

Gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

Ter zake het onder 1 bewezenverklaarde:

Maatregel van schadevergoeding van € 7.040,82 (zegge: zevenduizendveertig euro en tweeëntachtig cent) subsidiair 70 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van
[slachtoffer 2] (vader slachtoffer) van een bedrag van € 7.040,82 (zegge: zevenduizendveertig euro en tweeëntachtig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 70 dagen hechtenis. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op. Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij ( [slachtoffer 2] ):

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] (vader slachtoffer), van een bedrag van

€ 7.040,82 (zegge: zevenduizendveertig euro en tweeëntachtig cent). Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Indien de verdachte heeft voldaan aan verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij ( [slachtoffer 3] ):

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 3] (moeder slachtoffer) in de vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij ( [slachtoffer 4] ):

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 4] (broer slachtoffer) in de vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij ( [slachtoffer 5] ):

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 5] (zus slachtoffer) in de vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil.

Ter zake het onder 1 bewezenverklaarde:

gelast de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

3. 1 1 stuk kleding, jas (goednr. 967094);

3. 1 1 stuk kleding, jas (goednr. 967096);

3. 1 1 stuk kleding, broek (goednr. 967097);

3. 1 1 stuk kleding, trui (goednr. 967098);

3. 1 1 stuk kleding, trui (goednr. 967099);

3. 1 1 stuk kleding, T-shirt (goednr. 967100);

3. 1 1 stuk kleding, broek, inclusief riem (goednr. 967103);

3. 1 1 stuk kleding, broek (goednr. 967107);

3. 1 2 stuks schoeisel, een paar schoenen (goednr. 967111);

3. 1 1 stuk kleding, shirt (goednr. 967114);

3. 1 1 stuk kleding, topje (goednr. 967116);

3. 1 4 stuks kleding, sokken (goednr. 967117);

3. 1 1 stuk kleding, broek (goednr.967118);

3. 1 1 stuk zak, rugzak (goednr. 970609).

aan de beslagene.

Ter zake het onder 2 bewezenverklaarde

beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

  1. . stuk imitatiewapen (goednr 959913);

  2. 1. stuk imitatiewapen (goednr 960084).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. L.G.J.M. van Ekert, voorzitter,

mr. B.A.J. Zijlstra en mr. M.E.L. Hendriks, leden,

in tegenwoordigheid van mr. G.J.B. van Weegen, griffier,

en is uitgesproken op 21 februari 2017.

1 p. 653.

2 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier betreffende het onderzoek ‘Altenberg’, dossiernummer 2016040690 bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. De inhoud van de bewijsmiddelen is telkens op zakelijke wijze weergegeven. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

3 p. 196-197.

4 p. 196.

5 p. 197.

6 p. 203-205.

7 p. 203.

8 p. 205.

9 p. 181-187.

10 p. 184.

11 p. 186.

12 p. 395-396.

13 p. 395.

14 p. 396.

15 p. 455-462.

16 p. 457.

17 p. 458.

18 p. 459.

19 p. 429-433.

20 p. 430.

21 p. 440-445.

22 p. 441.

23 p. 443.

24 p. 444.

25 p. 557-564.

26 p. 560.

27 p. 561.

28 p. 562.

29 p. 526-536.

30 p. 527.

31 p. 535.

32 p. 636-642.

33 p. 640.

34 p. 641.

35 p. 916.

36 p. 950.

37 p. 951.

38 p. 967.

39 p. 366.

40 p. 1161.

41 p. 1163.

42 p. 1164.

43 p. 974.

44 p. 850.

45 p. 981.

46 p. 817.

47 p. 1076.

48 p. 1077.

49 p. 104-111.

50 p. 106.

51 p. 109.

52 p. 114-117.

53 p. 115.

54 p. 117.

55 p. 718-723.

56 p. 429.

57 p. 441.

58 p. 562.

59 p. 320.

60 p. 134.

61 p. 359.

62 p. 227.

63 ECLI:NL (https://www.recht.nl/rechtspraak/uitspraak?ecli=ECLI:NL):RBROE (https://www.recht.nl/rechtspraak/uitspraak?ecli=ECLI:NL:RBROE):2009 (https://www.recht.nl/rechtspraak/uitspraak?ecli=ECLI:NL:RBROE:2009):BI3600 (https://www.recht.nl/rechtspraak/uitspraak?ecli=ECLI:NL:RBROE:2009:BI3600)

64 ECLI:NL:HR:2002:AD5356 (r.o.w. 4.2).

65 Wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht teneinde de vergoeding van affectieschade mogelijk te maken en het verhaal daarvan alsmede het verhaal van verplaatste schade door derden in het strafproces te bevorderen, kamerstuk 34257.