Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:70

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
05-01-2017
Datum publicatie
05-01-2017
Zaaknummer
01/242012-15
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2019:483, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte voor overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl verdachte verkeerde in de toestand bedoeld in artikel 8 tweede lid van de Wegenverkeerswet tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden en tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 jaar.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen.

De rechtbank verklaart de nabestaanden van het slachtoffer niet ontvankelijk in hun vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0070
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01/242012-15

Datum uitspraak: 5 januari 2017

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1994] ,

wonende te [adres 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 december 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 29 november 2016.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 11 oktober 2015 te Riethoven, gemeente Bergeijk, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (te weten een personenauto, merk Piaggio, type M64), daarmede rijdende over de weg, Dorpstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, (terwijl hij verkeerde onder aanmerkelijke invloed van stof(fen) die de

rijvaardigheid beïnvloedde)

-de ter plaatse geldende maximumsnelheid in ernstige, althans aanmerkelijke mate te overschrijden en/of

-die maximumsnelheid te blijven overschrijden, en/of (vervolgens) met een te hoge snelheid gelet op de plaatselijke situatie een bocht in te gaan althans doende was die bocht in te gaan en/of

-(vervolgens) zijn motorrijtuig in/bij deze bocht niet (voortdurend) onder controle weten te houden en/of in die bocht van de weg te geraken, althans rechtdoor te rijden (het gras in) en/of

-(vervolgens) in botsing en/of aanrijding komen met een boom(stronk) en/of een woning,

waardoor een ander, (te weten zijn passagier genaamd [slachtoffer] ) werd gedood, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

a. a) hij op of omstreeks 11 oktober 2015 te Riethoven, gemeente Bergeijk, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, Dorpstraat, (terwijl hij verkeerde onder aanmerkelijke invloed van stof(fen) die de rijvaardigheid beïnvloedde)

-de ter plaatse geldende maximumsnelheid in ernstige, althans aanmerkelijke mate heeft overschreden en/of

-die maximumsnelheid is blijven overschrijden, en/of (vervolgens) met een gelet op de plaatselijke situatie, te hoge snelheid een bocht is ingegaan althans doende was die bocht in te gaan en/of

-(vervolgens) zijn voertuig in/bij deze bocht niet (voortdurend) onder controle heeft weten te houden en/of in die bocht van de weg is geraakt, althans rechtdoor is gereden (het gras in)

en/of

-(vervolgens) in botsing en/of aanrijding is gekomen met een boom(stronk) en/of een woning,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

en/of

b) hij op of omstreeks 11 oktober 2015 te Riethoven, gemeente Bergeijk, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), voor het besturen waarvan een rijbewijs is vereist, zulks terwijl aan hem, verdachte, sedert de datum waarop aan hem verdachte, voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren zijn verstreken en de eerste afgifte van dat rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1.26 milligram, in elk geval hoger dan 0.2 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Inleiding

In de ochtend van 11 oktober 2015 heeft er in Riethoven een eenzijdig verkeersongeval plaatsgevonden met een driewielig motorvoertuig, waarbij verdachte en [slachtoffer] betrokken waren. [slachtoffer] is later die dag aan de gevolgen van het letsel dat hij bij dit ongeval had opgelopen, overleden.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, in die zin dat verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de bestuurder was van het driewielig motorvoertuig. Er waren geen directe getuigen van het ongeval en verdachte kan zich door de klap van het ongeval niet meer herinneren of hij zelf het motorvoertuig heeft bestuurd, of dat dit [slachtoffer] is geweest. De inhoud van het procesdossier maakt twijfel hierover mogelijk en indien er twijfel bestaat of verdachte het motorvoertuig heeft bestuurd, moet hij worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde.

De verdediging stelt zich subsidiair op het standpunt dat, indien moet worden aangenomen dat verdachte de bestuurder van het motorvoertuig is geweest, er geen sprake is geweest van bewuste roekeloosheid of zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw 1994) omdat, samengevat, op basis van de inhoud van het procesdossier niet kan worden vastgesteld met welke snelheid verdachte zou hebben gereden direct voorafgaand aan het ongeval. Ten aanzien van de vraag of er sprake is geweest van aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag in de zin van artikel 6 van de Wvw 1994, refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

De bewijsmiddelen. 1

De verklaring van [getuige 1] .

Ik wil een verklaring afleggen naar aanleiding van het bezoek van [verdachte] op 24 oktober 2015. Dit bezoek was nadat onze zoon [slachtoffer] overleden was ten gevolge van het verkeersongeval op 11 oktober 2015, op de Dorpstraat te Riethoven. Op bovengenoemde datum en tijdstip kwam [verdachte] samen met zijn ouders naar onze woning. Ik heb tegen [verdachte] gezegd: “ Jullie hebben de gehele avond alcohol gedronken dat heeft iedereen gezien”, of woorden van gelijke strekking. Ik hoorde toen dat [verdachte] in de richting van mij en mijn vrouw zei:” Ja, ik weet het, ik had nooit op mogen stappen en wegrijden”.2

De verklaring van [getuige 2] .

Ik wil een verklaring afleggen naar aanleiding van het bezoek van [verdachte] op 24 oktober 2015. Dit bezoek was nadat onze zoon [slachtoffer] overleden was ten gevolge van het verkeersongeval op 11 oktober 2015, op de Dorpstraat te Riethoven. Op bovengenoemde datum kwam [verdachte] samen met zijn ouders naar onze woning. Ik hoorde dat mijn man tegen [verdachte] zei : “Jullie hebben de gehele avond alcohol gedronken, dat heeft iedereen gezien”, of woorden van gelijke strekking. Ik hoorde toen dat [verdachte] in de richting van mijn man zei: ”Ja, ik weet het, ik had nooit op mogen stappen en wegrijden”.3

Het relaas van [verbalisant 1] .

[verbalisant 1] heeft in de verkeersongevallenanalyse het navolgende gerelateerd.

Het ongeval had plaatsgevonden omstreeks 01:47 uur (…) binnen de bebouwde kom van Riethoven waar een 30 km/h zone van toepassing was. Op de rijbaan werden door mij geen sporen waargenomen. Ik zag dat in de rechter grasberm rolsporen waren afgetekend welke vanuit de bocht naar links rechtdoor waren afgetekend tot aan de verharding. Op obstakels werden door mij enkele sporen waargenomen, welke van belang waren voor het onderzoek. Ik zag namelijk dat het betrokken voertuig eerst een afgezaagde boom ramde. Vervolgens reed het voertuig door een houten tuinhek, over de verharding naast de woning en botste het vervolgens tegen de gevel van de woning. Er werden door mij op de plaats van het ongeval geen zichtbare rem- of blokkeersporen aangetroffen. Bij dit ongeval was betrokken een personenauto van het merk Piaggio, [kenteken] (…) het is een driewielige motorscooter met twee bestuurbare voorwielen. Gelet op de beschadigingen aan het voertuig en de geringe beschadigingen aan de woning is zeker dat niet bijzonder hard was gereden ten tijde van de botsing.4

In een aanvullend proces-verbaal heeft [verbalisant 1] aan de hand van een formule ten behoeve van snelheidsberekeningen de aanvangssnelheid van de motorscooter herleid aan de hand van ingeschatte botssnelheid, rol- c.q. remvertraging en de gemeten afstand vanaf het punt van verlaten van de rijbaan tot aan de gevel van de woning. Gelet op de beschadigingen en vervorming aan het betrokken driewielig motorvoertuig, de beschadigingen aan de woning, de beschadiging aan de afgezaagde boom en het vernielde tuinhek werd de botssnelheid van het voertuig tegen de gevel van de woning door verbalisant ingeschat op 6,94 m/s = 25 km/h. De afstand vanaf het verlaten van de rijbaan tot aan de gevel van de woning bedroeg ongeveer 36 m. Bij een rolvertraging (zonder te remmen) van het driewielig motorvoertuig met twee personen door de grasberm over genoemde afstand van 2 m/s2 resulteerde de berekening in een aanvangssnelheid van 49,9 km/u. Bij een vertraging (met geringe kracht remmen) van 4 m/s2 zonder dat de sporenaftekening zou veranderen resulteerde de berekening in een aanvangssnelheid van 66 km/u. De stopafstand bij een snelheid van 30 km/h en een vertraging van 2 m/s2 is 17,40 m. Met stopafstand wordt bedoeld de afstand die wordt afgelegd nadat de vertraging is begonnen tot stilstand. De afstand vanaf het verlaten van de rijbaan tot aan de gevel van de woning bedroeg ongeveer 36 m. Indien de bestuurder van het driewielig motorvoertuig dus met een snelheid van 30 km/h – de ter plaatse maximaal toegestane snelheid - de rijbaan had verlaten en het voertuig had laten uitrollen dan was het voertuig ongeveer 18,6 m voor de gevel van de woning tot stilstand gekomen.5

Het relaas van [verbalisant 2] .

Op 11 oktober 2015 sprak ik met de officier van dienst gezondheidszorg, [naam officier van dienst] . Ik hoorde dat hij zei dat één van zijn ambulancebroeders tegen hem had gezegd dat [verdachte] tegen hem gezegd had dat hij zelf gereden had en dat hij zelf de helm had gedragen.6

Het relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] .

Op zondag 11 oktober 2015, omstreeks 04.30 uur, waren wij aanwezig in het Maxima Medisch Centrum te Veldhoven in verband met een eenzijdige aanrijding die had plaatsgevonden op de Dorpstraat te Riethoven. Wij waren daar omdat wij bloed hadden laten afnemen van de [verdachte] . Ik [verbalisant 4] vroeg aan [verdachte] of dat hij wist wat er was gebeurd voorafgaande het ongeluk. Wij verbalisanten hoorden de [verdachte] zeggen dat hij eerder op de avond op het driewielig motorrijtuig van zijn vader naar een feest was gereden in Westerhoven. Wij hoorden de [verdachte] zeggen dat hij eigenlijk van plan was om toen het feest was afgelopen, met zijn vriend [slachtoffer] een taxi naar huis te pakken. Wij hoorden de [verdachte] zeggen dat dit blijkbaar niet gebeurd was, dat ze samen op de motor zijn gaan rijden en dat hij niet zeker wist wie er bestuurder was geweest, maar als hij een antwoord zou moeten geven op de vraag wie bestuurder was geweest, dat hijzelf waarschijnlijk bestuurder zou zijn geweest. Verbalisanten hoorden verdachte zeggen dat hij waarschijnlijk te hard had gereden.7

Het relaas van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] .

Op 11 oktober 2015 had in de plaats Riethoven, gemeente Bergeijk een ernstig verkeersongeval plaatsgevonden. Een slachtoffer daarvan was overgebracht naar het Radboud UMC te Nijmegen. Op 11 oktober 2015 om 16.21 uur is het slachtoffer daar overleden. Het slachtoffer was genaamd: [slachtoffer] . De schouwarts deelde ons het volgende mede: ‘Het overlijden is een gevolg van hersentrauma en een schedelbasisfractuur in combinatie met een nekwervelfractuur.”8

Het relaas van verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 4] .

Op zondag 11 oktober 2015 te 01:47 uur kreeg ik, [verbalisant 7] , kennis van een verkeersongeval op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, [adres 2] , [postcode pleegplaats] Riethoven, binnen de gemeente Bergeijk. Ik, [verbalisant 4] , heb de verdachte

(rechtbank: [verdachte] ) gevraagd zijn toestemming te verlenen tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 8 Wegenverkeerswet 1994. De verdachte verleende daartoe toestemming. Op zondag 11 oktober 2015 te 03:58 uur, heeft de arts in aanwezigheid van mij, [verbalisant 4] , de verdachte door middel van een venapunctie bloed afgenomen. Ik, [verbalisant 4] , heb het bloedmonster gewaarmerkt, direct verpakt en verzegeld, alsmede het bloedafnameformulier voorzien van een genummerde en op naam gestelde analysesticker met het nummer TAAN5860NL.

Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut.

In het bloed TAAN5860NL van [verdachte] is een ethanolconcentratie gemeten van

1,26 mg/ml (= promille).9

De verklaring van verdachte.

Ik heb in de avond van 10 oktober 2015 het motorvoertuig, een Piaggio met [kenteken] , bij het huis van die ouders gezet en toen zijn wij te voet naar het feest in Westerhoven gegaan. In de vroege ochtend van 11 oktober 2015 kwamen [slachtoffer] en ik van dat feest af, op de Piaggio met [kenteken] . Ik heb vaker door de bocht van het ongeval gereden. De Piaggio met het [kenteken] staat op naam van mijn vader. Waarom ik op 25 oktober 2015 tegen de ouders van [slachtoffer] heb gezegd dat ik was opgestapt en weggereden, dat weet ik niet meer.10

Het oordeel van de rechtbank.

De bestuurder.

De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte ten tijde van het ongeval op 11 oktober 2015 de bestuurder is geweest van het driewielig motorvoertuig. Verdachte heeft ter zitting verklaard niet te weten wie de bestuurder is geweest ten tijde van het ongeval.

Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank het volgende worden vastgesteld. Het bij het bewuste ongeval betrokken motorvoertuig, een driewielig motorvoertuig van het merk Piaggio met [kenteken] , stond op naam van de vader van verdachte terwijl verdachte het voertuig reeds enige tijd in gebruik had en daarover kon beschikken. Verdachte heeft verklaard dat hij de avond voorafgaand aan het ongeval alleen op dit motorvoertuig naar een feest in Westerhoven is gereden en dat hij na dit feest samen met [slachtoffer] op dit motorvoertuig is gaan rijden. De officier van dienst gezondheidszorg heeft verklaard dat één van zijn ambulancebroeders tegen hem had gezegd dat verdachte tegen hem gezegd had dat hij zelf gereden had. Twee weken na het ongeval gaat verdachte met zijn ouders op bezoek bij de ouders van het slachtoffer [slachtoffer] . De vader van [slachtoffer] verklaart dat nadat hij verdachte ermee had geconfronteerd dat verdachte en [slachtoffer] op het feest de hele avond alcohol hadden gedronken en dat iedereen dat gezien had, verdachte tegen hem zei: Ja, ik weet het, ik had nooit op mogen stappen en wegrijden. Deze verklaring van de vader van [slachtoffer] wordt bevestigd door de moeder van [slachtoffer] , die bij datzelfde gesprek op 25 oktober 2015 aanwezig was. Verdachte ontkent ter terechtzitting niet dat hij deze verklaring heeft afgelegd, maar stelt enkel dat hij niet meer weet waarom hij dit verklaard heeft.

Gelet op al het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, kan naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte ten tijde van het ongeval op 11 oktober 2015 de bestuurder is geweest van het driewielig motorvoertuig. Naar het oordeel van de rechtbank bieden de inhoud van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting geen aanwijzingen dat [slachtoffer] de bestuurder is geweest.

Het andersluidende standpunt van de verdediging wordt verworpen.

De schuldvraag.

De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is, of verdachte zich zodanig heeft gedragen dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wvw 1994. Daarvan kan pas worden gesproken als de verdachte zich zodanig in het verkeer heeft gedragen, dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor een ander wordt gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat. Van schuld in de zin van artikel 6 van de Wvw 1994 is pas sprake in geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.

Bij deze beoordeling komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt met zich dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van de even bedoelde bepaling. Daarvoor zijn immers verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat op basis van de inhoud van het procesdossier niet kan worden vastgesteld met welke snelheid is gereden ten tijde van het ongeval. De botssnelheid van het voertuig tegen de gevel is niet nader onderbouwd. Als de botssnelheid niet goed te verifiëren is, kan ook de aanvangssnelheid niet goed worden vastgesteld. De verdediging stelt zich verder op het standpunt dat, samengevat, gelet op de plaats waar snelheidsovertredingen volgens de Aanwijzing meting snelheidsoverschrijdingen (2015A005) dienen te worden gemeten ten opzichte van de plaats van een bord met daarop de aangegeven maximumsnelheid, te weten op enige afstand na het passeren van het bord, de geschatte snelheid van het motorvoertuig niet kan worden aangemerkt als roekeloos of zeer onvoorzichtig rijgedrag.

De rechtbank stelt vast dat [verbalisant 1] heeft gerelateerd dat gelet op de beschadigingen en vervorming aan het betrokken driewielig motorvoertuig, de beschadigingen aan de woning, de beschadiging aan de afgezaagde boom en het vernielde tuinhek de botssnelheid van het voertuig tegen de gevel van de woning door hem is ingeschat op 25 kilometer per uur. Naar aanleiding daarvan heeft hij berekend dat met deze botssnelheid de aanvangssnelheid heeft gelegen tussen de 49,9 kilometer per uur (zonder te remmen) en 66 kilometer per uur (met geringe kracht remmen). Er werden op de plaats van het ongeval geen zichtbare rem- blokkeersporen aangetroffen. [naam verbalisant] heeft verder gerelateerd dat indien de bestuurder van het driewielig motorvoertuig met de toegestane snelheid van 30 kilometer per uur de rijbaan had verlaten en het voertuig had laten uitrollen, het voertuig ongeveer 18,6 meter voor de gevel van de woning tot stilstand gekomen zou zijn.

De rechtbank ziet in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd geen enkele aanleiding om de deskundigheid van deze verbalisant in twijfel te trekken en acht diens bevindingen en de aan de hand daarvan gedane inschattingen ook voldoende onderbouwd, nu hij concreet heeft aangegeven met welke factoren hij bij de schatting van de botssnelheid rekening heeft gehouden, er op de plaats van het ongeval geen zichtbare rem- of blokkeersporen zijn aangetroffen en gelet op zijn, door de verdediging niet betwiste, vaststelling dat het voertuig ruim voor de woning tot stilstand zou zijn gekomen indien de bestuurder uit de bocht was geraakt met de ter plekke toegestane maximumsnelheid van 30 kilometer per uur. Op grond van de door verbalisant gedane bevindingen en gemaakte snelheidsinschattingen is de rechtbank van oordeel dat met het motorvoertuig de ter plaatse geldende maximaal toegestane snelheid in aanmerkelijke mate is overschreden.

Gelet op het voorgaande wordt dit verweer van de verdediging verworpen.

Hetgeen door de verdediging is aangevoerd met betrekking tot de gebruikelijke, door de politie in acht te nemen afstanden tot verkeersborden met een snelheidsbeperking waarbinnen geen snelheidsmetingen dienen te worden verricht, doet naar het oordeel van de rechtbank niet ter zake, aangezien het een algemeen bekende verkeersregel is, welke ook expliciet in de genoemde Aanwijzing is verwoord, dat men zich dient te houden aan de ter plekke geldende maximumsnelheid, direct op de plaats waar een lagere maximumsnelheid gaat gelden zodat men de snelheid tijdig daarop dient aan te passen. Dit verweer wordt door de rechtbank dan ook terzijde geschoven.

Conclusie.

Op grond van de inhoud van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, staat voor de rechtbank vast dat verdachte een motorvoertuig heeft bestuurd onder invloed van een verboden hoeveelheid alcohol, dat hij met dit motorvoertuig op een voor hem bekende plek heeft gereden met een snelheid gelegen tussen de 49,9 en 66 kilometer per uur, waar 30 kilometer per uur was toegestaan, en dat hij met dit motorvoertuig van de weg is geraakt.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de genoemde verkeersfouten, en dan met name de snelheidsovertreding en het bij verdachte vastgestelde alcoholpromillage kort na het ongeval, op zichzelf maar ook in onderlinge samenhang bezien niet van dien mate om te kunnen spreken van zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. De rechtbank is wel van oordeel dat onder deze concrete, hiervoor uiteengezette omstandigheden sprake is van aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. Daarmee is er sprake van schuld in de zin van artikel 6 van de Wvw 1994.

De rechtbank acht gelet op de uitkomst van het bloedonderzoek eveneens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ten tijde van het ongeval verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wvw 1994.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna onder “de bewezenverklaring” nader zal worden omschreven.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

ten aanzien van primair

op 11 oktober 2015 te Riethoven, gemeente Bergeijk, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (te weten een personenauto, merk Piaggio, type M64), daarmede rijdende over de weg, Dorpstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, terwijl hij verkeerde onder invloed van een stof die de rijvaardigheid beïnvloedde

- de ter plaatse geldende maximumsnelheid in aanmerkelijke mate te overschrijden en

- die maximumsnelheid te blijven overschrijden, en vervolgens met een te hoge snelheid gelet op de plaatselijke situatie doende was die bocht in te gaan en

- vervolgens in die bocht van de weg te geraken en

- vervolgens in botsing te komen met een boomstronk en een woning,

waardoor een ander, te weten zijn passagier genaamd [slachtoffer] , werd gedood, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie houdt er bij het bepalen van de strafmaat rekening mee dat het bloedalcoholgehalte van verdachte ten tijde van het ongeval aanmerkelijk hoger moet hebben bedragen dan het promillage van 1,26 aangezien de bloedafname geruime tijd – ruim twee uur - na het ongeval heeft plaats gevonden. Hij eist een gevangenisstraf van 24 maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 jaar met aftrek van de tijd dat verdachte zijn rijbewijs al kwijt is geweest. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde, stelt de verdediging, onder verwijzing naar volgens de verdediging vergelijkbare zaken (ECLI:NL:RBNNE:2015:4492, ECLI:NL:RBOBR:2016:3521 en ECLI:NL:RBOBR:2016:5953) dat een maximale taakstraf, samen met een kleine voorwaardelijke gevangenisstraf en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 jaar een passende straf is voor verdachte. Bij de hoogte van de straf dient de rechtbank er rekening mee te houden dat het slachtoffer ook onvoorzichtig is geweest, door achterop te stappen (mits bewezen) bij iemand die gedronken heeft.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft door zijn schuld als bestuurder van een driewielig motorvoertuig een verkeersongeval veroorzaakt waarbij de bijrijder van verdachte, [slachtoffer] , een 20-jarige jongeman in de kracht van zijn leven, om het leven is gekomen. Verdachte verkeerde tijdens het ongeval onder invloed van een – zeker voor hem als beginnend bestuurder - verboden hoeveelheid alcohol en reed aanmerkelijk harder dan ter plaatse was toegestaan. Verdachte heeft de nabestaanden van zijn slachtoffer een onbeschrijflijk en onherstelbaar leed aangedaan. Dit leed is ook indringend ter zitting onder woorden gebracht door de vader van [slachtoffer] .

De rechtbank houdt er verder ten nadele van verdachte rekening mee dat verdachte tot op heden geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn gedragingen in het verkeer die bewuste nacht. Dit spreekt temeer aangezien verdachte medio september 2015, dus een maand voor het bewuste ongeval, door een verbalisant nog is aangesproken op gevaarlijk rijgedrag waarna hij is aangemeld bij het Verkeershandhavingsteam. Verdachte was dus een gewaarschuwd man, maar heeft daar kennelijk geen lering uit getrokken en zijn verkeersgedrag niet in positieve zin aangepast. Dat [slachtoffer] wellicht onvoorzichtig is geweest door bij verdachte achterop te stappen, als hij al wist dat verdachte (te veel) gedronken had, leidt er niet toe dat [slachtoffer] het bewuste ongeval mede heeft veroorzaakt. Het was verdachte die het stuur in handen had en die met de gashandel van het voertuig de snelheid daarvan regelde, wetende dat hij een passagier meevoerde op een motorvoertuig die bij ongevallen relatief weinig bescherming biedt voor opzittenden.

De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Bij het veroorzaken van een aan de schuld van de verdachte te wijten verkeersongeval met een dodelijk slachtoffer als gevolg, waarbij de verdachte een aanmerkelijke verkeersfout wordt verweten en de verdachte verkeerde onder invloed van een hoeveelheid alcohol onder de 570 ug/l, geldt als vertrekpunt voor het bepalen van de straf een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 jaar.

De raadsman heeft verzocht om aan verdachte, naast een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, een taakstraf en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De rechtbank ziet echter, gelet op de verwijten die verdachte worden gemaakt, geen aanleiding om van de in de oriëntatiepunten genoemde straf af te wijken en is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf van hierna te melden duur in combinatie met een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur als hierna te melden. Een taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf zou naar het oordeel van de rechtbank geen recht doen aan de ernst van het bewezen verklaarde.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf nu de rechtbank, anders dan de officier van justitie, verdachte geen grove- maar een aanmerkelijke verkeersfout verwijt en de rechtbank bij het bepalen van de strafmaat, anders dan de officier van justitie, de uitslag van het bloedonderzoek als uitgangspunt neemt voor het vaststellen van de bij verdachte aangetroffen hoeveelheid alcohol. De rechtbank is verder van oordeel dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Conclusie.

Alle feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegend is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van 2 jaar een passende straf is voor verdachte.

De vordering van de benadeelde partij nabestaanden van [slachtoffer] .

Het standpunt van de officier van justitie.

Volgens de officier van justitie bevat de vordering op meerdere onderdelen lastige civiele kwesties. Dat geldt de kleding van [slachtoffer] , die niet is te beschouwen als schade van de nabestaanden. Voor de kleding van de nabestaanden bij de uitvaart is het causaal verband betwistbaar. Shockschade is niet eenvoudig in een strafzaak inpasbaar. De gevorderde kosten van rechtsbijstand bezien mogelijk niet alleen de kosten van benadeelde partij in de strafzaak, ze zijn niet uitgesplitst. Voor de psychische nazorg is nadere onderbouwing nodig. De officier van justitie stelt zich dan ook op het standpunt dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege een onevenredige belasting van het strafgeding, met uitzondering van alle kosten opgenomen onder de post ‘begrafeniskosten’ en de telefoonkosten en reiskosten, opgenomen onder de post ‘extra kosten’. Met betrekking tot de vraag welk deel van de gevorderde advocaatkosten in direct verband staat met het strafbare feit en dus voor toewijzing in aanmerking komt, refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging stelt zich in navolging van de officier van justitie op het standpunt dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege een onevenredige belasting van het strafgeding, met uitzondering van alle kosten opgenomen onder de post ‘begrafeniskosten’. Ten aanzien van de vordering van alle kosten opgenomen onder deze kostenpost refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. Indien de rechtbank besluit dat er een bedrag aan schadevergoeding wordt toegekend, kan dit volgens de verdediging maar tot maximaal 50% van dat bedrag, gelet op het feit dat de verzekeringsmaatschappij maar 50% uitkeert gelet op de eigen schuld van het slachtoffer.

Beoordeling. Eigen schuld van het slachtoffer in de zin van artikel 6:101 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kan leiden tot vermindering van de schadevergoedingsplicht. Bij een beroep op deze bepaling moet door de rechtbank worden beoordeeld in welke mate eventueel onverantwoord of onverstandig gedrag van [slachtoffer] die nacht, als een hem toe te rekenen omstandigheid, aan het ontstaan dan wel de omvang van de schade heeft bijgedragen. Een en ander voorts met de eventuele toepassing van de in dit wetsartikel bedoelde billijkheidscorrectie. Gelet op het bepaalde in het derde lid van artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek kan de eigen schuld ook worden tegengeworpen aan de nabestaanden van de overledene.

De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak de toepassing van artikel 6:101 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek tot een zo complexe beoordeling leidt, dat de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. Dit is er onder meer in gelegen dat de rechtbank op basis van de inhoud van het procesdossier niet kan vaststellen of het slachtoffer ten tijde van het ongeval een helm droeg (er is maar één helm aangetroffen op de plaats van het ongeval) en of en hoeveel het slachtoffer zelf gedronken had en in hoeverre het slachtoffer wetenschap had van het drankgebruik van verdachte, voordat hij bij verdachte achterop het motorvoertuig is gestapt.

Gelet op het voorgaande, en gelet op het feit dat toepassing van artikel 6:101 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek in beginsel alle posten op de vordering beslaat, zal de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de gehele vordering, omdat de rechtbank van oordeel is dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Op de vraag of de nabestaanden wel een recht op vergoeding van shockschade toekomt, hetgeen de verdediging heeft betwist, zal de rechtbank reeds daarom niet nader ingaan. Dat geldt ook voor de vraag welke invloed de ontvangen verzekeringsuitkering ter zake van de kosten van de uitvaart heeft op de uiteindelijke hoogte van het te vorderen schadebedrag ter zake van de kosten van lijkbezorging. Daarbij merkt de rechtbank op dat de verdediging zich weliswaar ter zake heeft gerefereerd, maar dat voor een juiste beoordeling de aard van de verzekeringspolis, welke polis niet is overgelegd, een rol kan spelen.

De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de kosten van partijen compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

T.a.v. primair:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen.

Gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (bromfietsen daaronder begrepen) voor de duur van 2 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 179 lid 6 Wegenverkeerswet 1994.

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij de nabestaanden van [slachtoffer] , in hun vordering.

Compenseert de kosten van partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. I.L.A. Boer, voorzitter,

mr. P.M.S. Dijks en mr. W.F. Koolen, leden,

in tegenwoordigheid van mr. S. Kriekaard, griffier,

en is uitgesproken op 5 januari 2017.

1 Tenzij anders vermeld wordt verwezen naar de paginanummers uit het proces-verbaal van de politie-eenheid Oost-Brabant, district Eindhoven, PL2100-2015226565, gesloten op 12 februari 2016, aantal doorgenummerde pagina’s: 56.

2 Aanvullend proces-verbaal van verhoor getuige, proces-verbaalnummer: PL2100-2015226565-16, gesloten op 1 juni 2016, aantal bladzijden: 2.

3 Aanvullend proces-verbaal van verhoor getuige, proces-verbaalnummer: PL2100-2015226565-17, gesloten op 1 juni 2016, aantal bladzijden: 2.

4 Proces-verbaal Verkeers Ongevals Analyse, pag. 52; dit proces-verbaal volgt niet de nummering van het procesdossier, maar omvat 14 doorgenummerde pagina’s.

5 Aanvullend proces-verbaal, proces-verbaalnummer: 2015226565, gesloten op 21 juni 2016, aantal bladzijden: 2.

6 Proces-verbaal van bevindingen, pag. 54.

7 Proces-verbaal van bevindingen, pag. 47-48.

8 Proces-verbaal schouw stoffelijk overschot, pag. 53; dit proces-verbaal volgt niet de nummering van het procesdossier, maar omvat 4 doorgenummerde pagina’s.

9 Rapport ‘Alcohol in het verkeer’ van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 20 oktober 2015, zaaknummer: 2015.10.15.025.

10 Afgelegd ter terechtzitting van 22 december 2016.