Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:6932

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
29-11-2017
Datum publicatie
28-02-2018
Zaaknummer
C/01/311473 / HA ZA 16-536 + C/01/311480 / HA ZA 16-539 + C/01/311484 HA ZA 16-540
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Beeldbuizenkartel. Incident. Preliminair verweer met betrekking tot de stelplicht. Recht op schadevergoeding op grond van artikel 101 VWEU voor een ieder? Gedaagden voeren aan dat de dagvaardingen de vorderingen niet kunnen dragen en/of zo weinig gespecificeerd zijn dat daartegen geen, althans niet afdoende, verweer kan worden gevoerd. De vorderingen zouden daarom reeds in dit stadium, waarin nog niet voor antwoord is geconcludeerd, kunnen en moeten worden afgewezen. Toepassing arrest Hoge Raad ANVR/IATA waarin door de Hoge Raad voor mededingingsinbreuken een nadere invulling is gegeven aan de stelplicht. De rechtbank oordeelt dat eisers in dit stadium van de procedure vooralsnog aan de op hen rustende stelplicht hebben voldaan. Voor de beperkte toets die moet plaatsvinden in het kader van het preliminaire stelplichtverweer is het antwoord op de vraag of het Besluit van de Europese Commissie waarbij de inbreuk op artikel 101 VWEU is vastgesteld dwingend bewijs oplevert van een inbreuk op het Braziliaans mededingingsrecht en/of een onrechtmatige daad naar Braziliaans recht niet relevant, evenmin als de grenzen aan de jurisdictie van de Europese Commissie. Ook het antwoord op de vraag naar de bewijskracht van schikkingen die een aantal gedaagden heeft getroffen met de Braziliaanse mededingingsautoriteit en de onderzoeksrapporten van die autoriteit, is in dit stadium van de procedure niet relevant. Het gaat erom dat eisers met deze stukken hun vordering voldoende feitelijk hebben onderbouwd. Eisers hebben ook voldoende onderbouwd gesteld dat het handelen van de karteldeelnemers schade heeft veroorzaakt, ook voor zover die schade niet betrekking heeft op verkopen binnen de interne markt van de EER. Eisers stellen ook dat artikel 101 VWEU aan hen een rechtstreeks recht op schadevergoeding toekent indien artikel 101 VWEU is geschonden. De rechtbank oordeelt aan de hand van uitgebreide jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat niet is gebleken dat het HvJEU in het arrest C-453/99 Courage/Crehan met het gebruik van de term ‘eenieder’ heeft beoogd een aanspraak op schadevergoeding in het leven te roepen voor iedereen die stelt te zijn benadeeld door een mededingingsbeperkende overeenkomst die een overtreding van artikel 101 VWEU oplevert voor zover deze de mededinging beperkt binnen de territoriale werkingssfeer van die bepaling, maar waarbij de daadwerkelijke verkoop (de transactie waaruit het causaal verband met de inbreuk zou moeten volgen) heeft plaatsgevonden op een markt die gelegen is buiten het territoir van de EER.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/311473 / HA ZA 16-536

Vonnis van 29 november 2017

in de zaak van

de rechtspersoon naar Braziliaans recht

CEMAZ INDÚSTRIA ELETRÔNICA DA AMAZONIA S.A.,

gevestigd te Manaus, Amazonas, Brazilië,

eiseres,

advocaten mr. M. Deckers te Amsterdam,

tegen

1. de naamloze vennootschap

KONINKLIJKE PHILIPS N.V.,

gevestigd te Eindhoven,

gedaagde,

advocaat mr. D.J. Beenders te Amsterdam,

2. de rechtspersoon naar Braziliaans recht

PHILIPS DO BRASIL LTDA.,

gevestigd te Barueri, São Paulo, Brazilië,

gedaagde,

advocaat mr. D.J. Beenders te Amsterdam,

3. MR. L. DETERINK, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van LP DISPLAYS INTERNATIONAL B.V.,

wonende te Eindhoven,

gedaagde,

niet verschenen,

4. de rechtspersoon naar Braziliaans recht

SSC DISPLAYS LTDA.,

gevestigd te Manaus, Amazonia, Brazilië,

gedaagde,

niet verschenen,

5. de rechtspersoon naar Braziliaans recht

LP DISPLAYS AMAZÔNIA LTDA.,

gevestigd te Manaus, Amazonia, Brazilië,

gedaagde,

niet verschenen,

6. de rechtspersoon naar Koreaans recht

LG ELECTRONICS INC.,

gevestigd te Seoul, Zuid-Korea,

gedaagde,

advocaat mr. A. Knigge te Amsterdam,

7. de rechtspersoon naar Braziliaans recht

LG ELECTRONICS DO BRASIL LTDA.,

gevestigd te Taubaté, São Paulo, Brazilië,

gedaagde,

advocaat mr. A. Knigge te Amsterdam,

8. de rechtspersoon naar Koreaans recht

SAMSUNG SDI CO. LTD.,

gevestigd te Gyeonggi-do, Zuid-Korea,

gedaagde,

advocaat mr. C.E. Schillemans te Amsterdam,

9. de rechtspersoon naar Braziliaans recht

SAMSUNG SDI BRASIL LTDA.,

gevestigd te Manaus, Amazonia, Brazilië,

gedaagde,

advocaat mr. C.E. Schillemans te Amsterdam,

10. de rechtspersoon naar Frans recht

TECHNICOLOR S.A.,

gevestigd te Issy-les-Moulineaux, Frankrijk,

gedaagde,

advocaat mr. D.F. Lunsingh Scheurleer te Amsterdam,

11. de rechtspersoon naar Frans recht

TTD INTERNATIONAL S.A.S.,

gevestigd te Boulogne-Billancourt, Frankrijk,

gedaagde,

niet verschenen,

12. de rechtspersoon naar Amerikaans recht

TECHNICOLOR USA INC.,

gevestigd te Indianapolis, Verenigde Staten,

gedaagde,

advocaat mr. D.F. Lunsingh Scheurleer te Amsterdam,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/01/311480 / HA ZA 16-539 van

de rechtspersoon naar Braziliaans recht

ITAUTEC S.A. – GRUPO ITAUTEC,

gevestigd te São Paulo, Brazilië,

eiseres,

advocaten mr. M. Deckers te Amsterdam,

tegen

1. de naamloze vennootschap

KONINKLIJKE PHILIPS N.V.,

gevestigd te Eindhoven,

gedaagde,

advocaat mr. D.J. Beenders te Amsterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PHILIPS COMPONENTS B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

gedaagde,

advocaat mr. D.J. Beenders te Amsterdam,

3. de rechtspersoon naar Braziliaans recht

PHILIPS DO BRASIL LTDA.,

gevestigd te Barueri, São Paulo, Brazilië,

gedaagde,

advocaat mr. D.J. Beenders te Amsterdam,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LG PHILIPS DISPLAYS NETHERLANDS B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

gedaagde,

niet verschenen,

5. de rechtspersoon naar Braziliaans recht

SSC DISPLAYS LTDA.,

gevestigd te Manaus, Amazonia, Brazilië,

gedaagde,

niet verschenen,

6. de rechtspersoon naar Braziliaans recht

LP DISPLAYS AMAZÔNIA LTDA.,

gevestigd te Manaus, Amazonia, Brazilië,

gedaagde,

niet verschenen,

7. de rechtspersoon naar Koreaans recht

LG ELECTRONICS INC.,

gevestigd te Seoul, Zuid-Korea,

gedaagde,

advocaat mr. A. Knigge te Amsterdam,

8. de rechtspersoon naar Koreaans recht

SAMSUNG SDI CO. LTD.,

gevestigd te Gyeonggi-do, Zuid-Korea,

gedaagde,

advocaat mr. C.E. Schillemans te Amsterdam,

9. de rechtspersoon naar Braziliaans recht

SAMSUNG SDI BRASIL LTDA.,

gevestigd te Manaus, Amazonia, Brazilië,

gedaagde,

advocaat mr. C.E. Schillemans te Amsterdam,

10. de rechtspersoon naar Braziliaans recht

SAMSUNG ELETRÔNICA DA AMAZÔNIA LTDA.,

gevestigd te Manaus, Brazilië,

gedaagde,

advocaat mr. C.E. Schillemans te Amsterdam,

11. de rechtspersoon naar Frans recht

TECHNICOLOR S.A.,

gevestigd te Issy-les-Moulineaux, Frankrijk,

gedaagde,

advocaat mr. D.F. Lunsingh Scheurleer te Amsterdam,

12. de rechtspersoon naar Amerikaans recht

TECHNICOLOR USA INC.,

gevestigd te Indianapolis, Verenigde Staten,

gedaagde,

advocaat mr. D.F. Lunsingh Scheurleer te Amsterdam,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/01/311484 / HA ZA 16-540 van

de rechtspersoon naar Braziliaans recht

IGB ELETRÔNICA S.A., voorheen handelend onder de naam Gradiente Eletrônica S.A. en rechtsopvolger onder algemene titel van GRADIENTE ÁUDIO E VIDEO LTDA.,

gevestigd te Manaus, Amazonas, Brazilië,

eiseres,

advocaten mr. M. Deckers te Amsterdam,

tegen

1. de naamloze vennootschap

KONINKLIJKE PHILIPS N.V.,

gevestigd te Eindhoven,

gedaagde,

advocaat mr. D.J. Beenders te Amsterdam,

2. de rechtspersoon naar Braziliaans recht

PHILIPS DO BRASIL LTDA,

gevestigd te Barueri, São Paulo, Brazilië,

gedaagde,

advocaat mr. D.J. Beenders te Amsterdam,

3. MR. L. DETERINK, in zijn in hoedanigheid van curator in het faillissement van LP DISPLAYS INTERNATIONAL B.V.,

wonende te Eindhoven,

gedaagde,

niet verschenen,

4. de rechtspersoon naar Braziliaans recht

SSC DISPLAYS LTDA.,

gevestigd te Manaus, Amazonia, Brazilië,

gedaagde,

niet verschenen,

5. de rechtspersoon naar Braziliaans recht

LP DISPLAYS AMAZÔNIA LTDA.,

gevestigd te Manaus, Amazonia, Brazilië,

gedaagde,

niet verschenen,

6. de rechtspersoon naar Koreaans recht

LG ELECTRONICS INC.,

gevestigd te Seoul, Zuid-Korea,

gedaagde,

advocaat mr. A. Knigge te Amsterdam,

7. de rechtspersoon naar Braziliaans recht

LG ELECTRONICS DO BRASIL LTDA.,

gevestigd te Taubaté, São Paulo, Brazilië,

gedaagde,

advocaat mr. A. Knigge te Amsterdam,

8. de rechtspersoon naar Koreaans recht

SAMSUNG SDI CO. LTD.,

gevestigd te Gyeonggi-do, Zuid-Korea,

gedaagde,

advocaat mr. C.E. Schillemans te Amsterdam,

9. de rechtspersoon naar Braziliaans recht

SAMSUNG SDI BRASIL LTDA.,

gevestigd te Manaus, Amazonia, Brazilië,

gedaagde,

advocaat mr. C.E. Schillemans te Amsterdam,

10. de rechtspersoon naar Frans recht

TECHNICOLOR S.A.,

gevestigd te Issy-les-Moulineaux, Frankrijk,

gedaagde,

advocaat mr. D.F. Lunsingh Scheurleer te Amsterdam,

11. de rechtspersoon naar Amerikaans recht

TECHNICOLOR USA INC.,

gevestigd te Indianapolis, Verenigde Staten,

gedaagde,

advocaat mr. D.F. Lunsingh Scheurleer te Amsterdam.

De eisende partijen in de drie afzonderlijke zaken zullen hierna worden aangeduid met ‘Cemaz, Itautec en IGB’. De verschenen gedaagden in de drie afzonderlijke zaken die het verweer met betrekking tot de stelplicht hebben gevoerd zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid met ‘Philips c.s.’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaardingen, met producties,

  • -

    het proces-verbaal van de regiezitting van 21 december 2016, met de daarin vermelde stukken,

  • -

    de gezamenlijke beperkte conclusie van antwoord van Philips c.s., met producties,

  • -

    de (gezamenlijke) incidentele conclusie van antwoord tot bevoegdverklaring, tevens houdende beperkte antwoordconclusie ter zake stelplicht en verjaring van Cemaz, Itautec en IGB, met producties,

  • -

    de gezamenlijke antwoordconclusie inzake stelplicht van Philips c.s.,

  • -

    het proces-verbaal van de pleidooizitting, gehouden op 5 oktober 2017, met de daarin vermelde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het door gedaagden opgeworpen ‘incident’ inzake de stelplicht alsmede in de door een aantal van de gedaagden opgeworpen bevoegdheidsincidenten.

2 De aanleiding voor dit tussenvonnis

2.1.

Philips c.s. hebben zich – voorafgaand aan het ten gronde te voeren verweer – op het standpunt gesteld dat Cemaz, Itautec en IGB niet aan hun stelplicht hebben voldaan en dat hun vorderingen reeds daarom in dit stadium kunnen (en moeten) worden afgewezen. Tijdens de regiezitting op 21 december 2016 heeft de rechtbank Philips c.s. in de gelegenheid gesteld dit ‘preliminaire verweer’ nader te onderbouwen. IGB c.s. hebben vervolgens hun standpunt nader schriftelijk toegelicht en partijen hebben hun standpunten tegenover de rechtbank bepleit. Thans ligt in dit vonnis dan ook (uitsluitend) ter beoordeling en beslissing voor de vraag of Cemaz, Itautec en IGB – gelet op het stadium waarin de procedure zich thans bevindt – aan hun stelplicht hebben voldaan.

3 De beoordeling

3.1.

Cemaz, Itautec en IGB leggen aan hun vorderingen – kort gezegd – het volgende ten grondslag.

3.1.1.

Bij besluit van 5 december 2012 (hierna: het Besluit) heeft de Europese Commissie twee afzonderlijke inbreuken op artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) en artikel 53 van de EER-Overeenkomst in de sector voor kathodestraalbuizen vastgesteld. Volgens de Europese Commissie is er sprake geweest van een wereldwijd kartel met betrekking tot kathodestraalbuizen voor computerschermen, ook wel genoemd Colour Display Tubes (hierna: CDT en het CDT-kartel). Daarnaast is er sprake geweest van een wereldwijd kartel met betrekking tot kathodestraalbuizen voor televisieschermen, ook wel genoemd Colour Picture Tubes (hierna: CPT en het CPT-kartel). Beide kartels zijn ook onderwerp van onderzoek van de Braziliaanse mededingingsautoriteit Conselho Administrativo de Defesa Econômica (hierna: CADE). Ter onderbouwing van hun vorderingen hebben Cemaz, Itautec en IGB onder meer verwezen naar het Besluit, en naar de Technical Notes van CADE met betrekking tot de aanwezigheid van beide kartels op de Braziliaanse markt (en in het bijzonder de in het Besluit en de Technical Notes opgenomen/vastgestelde feiten).

3.1.2.

Alle gedaagden hebben volgens Cemaz, Itautec en IGB (naar Braziliaans recht) onrechtmatig jegens hen gehandeld door hun (directe of indirecte) deelname aan de CPT- en CDT-kartels. Door (in de kartels) verboden mededingingsbeperkende afspraken te maken zijn de prijzen voor CPT’s en CDT’s opgedreven. Cemaz, Itautec en IGB hebben daardoor als afnemers van CPT’s en CDT’s schade geleden omdat zij teveel voor die producten hebben betaald. Daarnaast stellen Cemaz, Itautec en IGB dat de deelnemers aan het CPT-kartel in staat waren om lagere prijzen te vragen voor hun eigen rechtstreekse televisieverkopen in Brazilië tijdens de kartelperiode. Voor zover Cemaz, Itautec en IGB zelf ook producenten van televisietoestellen zijn, konden zij daarmee niet concurreren en zijn zij door de deelnemers aan het CPT-kartel uit de markt verdreven. Ook de als gevolg daarvan door Cemaz, Itautec en IGB geleden schade moet door gedaagden worden vergoed, aldus Cemaz, Itautec en IGB.

3.2.

Volgens Philips c.s. kunnen de dagvaardingen de vorderingen niet dragen en/of zijn deze zo weinig gespecificeerd dat daartegen geen, althans niet afdoende, verweer kan worden gevoerd.

3.3.

Het standpunt van Philips c.s. komt er in de eerste plaats op neer dat de vorderingen van Cemaz, Itautec en IGB afstuiten op een niet-ontvankelijkheid of afwijzing omdat onvoldoende is gesteld om tot toewijzing te komen. Eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard indien de gestelde feiten getoetst aan de wet de vordering niet rechtvaardigen of indien niet feiten zijn gesteld waaruit, zo bewezen, het bestaan van enig recht met betrekking tot het gevorderde zou voortvloeien. De partij die een vordering instelt moet dus de feiten stellen die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden. Dit betekent dat degene die het rechtsgevolg inroept steeds zoveel feiten zal moeten stellen als nodig zijn om het ingeroepen rechtsgevolg eruit te kunnen afleiden. Wat gesteld moet worden is datgene wat er feitelijk is gebeurd waaruit afgeleid kan worden dat – in dit geval – onrechtmatig is gehandeld. De stellingen dienen ook te worden gemotiveerd. Welke feiten en hoeveel feiten in concreto precies moeten worden gesteld en in welke mate deze moeten worden gemotiveerd, hangt af van de aard van de vordering, de (eventuele) betwisting door de wederpartij en de overige omstandigheden van het geval.

3.4.

Voor mededingingsinbreuken heeft de Hoge Raad in het arrest ANVR/IATA (HR 21 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0345) nadere invulling gegeven aan de stelplicht (r.o. 3.6.1.).

“3.6.1. (…) Degene die zich op het standpunt stelt dat een ander in strijd met het mededingingsrecht handelt, dient dit te onderbouwen met de relevante (economische) feiten en omstandigheden, opdat een voldoende adequaat en gefundeerd (economisch) partijdebat en daaropvolgend rechterlijk oordeel mogelijk worden gemaakt. (…) De rechter dient immers in staat te worden gesteld, zo nodig nader voorgelicht door partijen, deskundigen en in voorkomende gevallen de Nederlandse Mededingingsautoriteit of de Europese Commissie (…), de werking van de desbetreffende markt in voldoende mate te doorgronden teneinde te kunnen bepalen of, en zo ja in welke mate, de vrije mededinging op die markt is of zou kunnen worden verstoord. Een partij die een mededingingsrechtelijke inbreukvordering instelt, kan derhalve in beginsel niet volstaan met een algemene aanduiding van mededingingsrechtelijke verboden, gepaard met de stelling dat deze verboden in het desbetreffende geval zijn geschonden. Dit is niet anders wanneer daarbij summiere aanduidingen van relevante geografische en productmarkten worden gegeven en niet nader toegespitste stellingen worden betrokken omtrent percentages van respectieve marktaandelen op de desbetreffende markten. Daardoor wordt immers niet zonder meer voldoende inzicht gegeven in de voor de beoordeling essentiële feiten en omstandigheden, zoals een zorgvuldige marktafbakening, de relevante marktstructuur en marktkenmerken, alsmede het daadwerkelijke functioneren van de relevante markt(en) en van het effect daarop van de gestelde inbreuken.”

3.5.

De rechtbank stelt voorop dat door de Europese Commissie is vastgesteld dat sprake was van een geheim kartel en dat het in dat geval voor de benadeelden vanzelfsprekend moeilijk is om bewijsmateriaal van het bestaan van het kartel te vergaren.

Cemaz, Itautec en IGB hebben aan de hand van het Besluit een omschrijving van de mededingingsbeperkende afspraken van de CDT- en CPT-kartels opgenomen in de dagvaardingen. Beide kartels maakten zich schuldig aan het vaststellen van prijzen, het vaststellen van verkoopvolumes, het vaststellen van marktaandelen, het verdelen van klanten en het uitwisselen van concurrentiegevoelige informatie. Voor de nadere onderbouwing verwijzen Cemaz, Itautec en IGB uitdrukkelijk naar (de vastgestelde feiten in) het Besluit. Cemaz, Itautec en IGB hebben in de dagvaarding ook uitdrukkelijk gesteld dat de kartels wereldwijd opereerden. De kartels hebben effecten gehad op de Braziliaanse markt en daarmee ook op afnemers in Brazilië, waaronder Cemaz, Itautec en IGB. De deelnemers aan de door het Besluit beschreven kartels hebben daarmee (ook) in strijd met het Braziliaanse mededingingsrecht gehandeld, wat naar Braziliaans recht een onrechtmatige daad oplevert, aldus Cemaz, Itautec en IGB.

Terecht hebben Cemaz, Itautec en IGB (ook in de dagvaardingen al) gesteld dat het feit dat CADE een onderzoek doet deze laatste stelling (in ieder geval in dit stadium van de procedure) voldoende ondersteunt. Zij hebben daarbij in de dagvaardingen ook gewezen op het feit dat een aantal van de gedaagden schikkingen heeft getroffen met CADE. Voorts hebben Cemaz, Itautec en IGB dit voorafgaand aan het pleidooi nader onderbouwd met de Technical Notes van CADE. Daarin staat expliciet dat het CPT-kartel (Technical Note 23/2017, paragrafen II.2.6.3, II.2.6.3.1 en II.2.6.2.2) en het CDT-kartel (Technical Note 58/2017, paragrafen II.2.5.3, II.2.5.3.1 en II.2.5.3.2) effecten hebben gehad op de Braziliaanse markt. Cemaz, Itautec en IGB hebben deze Technical Notes in het geding gebracht zodra deze waren gepubliceerd. Dat Cemaz, Itautec en IGB deze pas op een later moment hebben ingebracht in de procedure kan hen, anders dan Philips c.s. lijken te betogen, dan ook niet worden tegengeworpen.

Voorts hebben Cemaz, Itautec en IGB (zowel in de dagvaardingen als in hun gezamenlijke beperkte antwoordconclusie ter zake stelplicht) gesteld en toegelicht dat Philips c.s. (direct dan wel indirect) deel hebben genomen aan de genoemde wereldwijde kartels, daarbij eveneens refererend aan de het Besluit, de Technical Notes van CADE en de met CADE getroffen schikkingen (als vastgelegd in Consent Decrees).

Met dit alles hebben Cemaz, Itautec en IGB naar het oordeel van de rechtbank, mede in het licht van het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad – vooralsnog en in dit stadium van de procedure – voldaan aan hun stelplicht. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat, anders dan in het geval dat in het arrest ANVR/IATA aan de orde was, in dit geval volgens de (onderbouwde) stellingen van Cemaz, Itautec en IGB sprake is van twee wereldwijde “hardcore” kartels (en derhalve per definitie van gedragingen met een mededingingsbeperkende strekking), zodat – indien deelname aan die kartels door Philips c.s. zou komen vast te staan – een onderzoek naar de effecten daarvan, in ieder geval voor zover het de vaststelling van een inbreuk op het mededingingsrecht betreft, minder diepgravend zal behoeven te zijn dan wanneer geen sprake zou zijn van een hardcore inbreuk op het mededingingsrecht. Wat betreft de bijzondere omstandigheden van dit geval is verder van belang dat (de Europese Commissie heeft vastgesteld dat) sprake is van geheime kartels. Gezien dat geheime karakter is ook niet goed voorstelbaar wat Cemaz, Itautec en IGB in dit stadium meer hadden kunnen of moeten stellen.

3.6.

Anders dan Philips c.s. lijken te betogen, is voor de beperkte toets die moet plaatsvinden in het kader van het ‘preliminaire’ stelplichtverweer van Philips c.s. het antwoord op de vraag of het Besluit dwingend bewijs oplevert van een inbreuk op Braziliaans mededingingsrecht en/of een onrechtmatige daad naar Braziliaans recht niet relevant, evenmin als de grenzen aan de jurisdictie van de Europese Commissie. In zoverre onderscheidt deze zaak zich van de schadeclaim die is beoordeeld door Mr. Justice Mann in het vonnis van 23 mei 2016 in de zaak van Iiyama c.s. tegen Schott c.s. met betrekking tot het CRT-glas-kartel ([2016] EWHC 1207 (CH)). In die zaak baseerden de eisers hun vordering tot schadevergoeding op (uitsluitend) een door de Commissie vastgestelde inbreuk op artikel 101 VWEU als grondslag voor onrechtmatigheid en niet (zoals hier) op (ook) een inbreuk op het nationale mededingingsrecht van het land van waaruit zij (voornamelijk) actief zijn.

Evenmin is in dit stadium van de procedure relevant het antwoord op de vraag naar de bewijskracht van de schikkingen met CADE en de Technical Notes van CADE. Het gaat erom dat Cemaz, Itautec en IGB met die documenten hun vordering voldoende feitelijk hebben onderbouwd. Het hoeft in het kader van de stelplicht niet vast te staan dat de feiten waarop men zich beroept ook juist zijn. Dat debat dient nog gevoerd te worden.

3.7.

Cemaz, Itautec en IGB hebben voldoende onderbouwd gesteld dat het handelen van (niet alleen de door CADE onderzochte vermeende karteldeelnemers maar ook) de in het Besluit genoemde (vermeende) karteldeelnemers, die volgens hen een inbreuk hebben gemaakt op (ook) het Braziliaanse mededingingsrecht (omdat het wereldwijde kartels betreft) de door Cemaz, Itautec en IGB gestelde schade hebben veroorzaakt (causaal verband), ook voor zover die schade niet betrekking heeft op verkopen binnen de interne markt van de EER. Ook op dit punt is het antwoord op de vraag of het Besluit dwingend bewijs oplevert van een inbreuk op Braziliaans mededingingsrecht en/of een onrechtmatige daad naar Braziliaans recht niet relevant, evenmin als de grenzen aan de jurisdictie van de Europese Commissie. IGB c.s. hebben in de dagvaarding gesteld dat zij vanwege de aanwezigheid van de kartels op de Braziliaanse markt schade hebben geleden. De Technical Notes van CADE zijn in dit stadium van de procedure voldoende onderbouwing van die stelling, gelet op het daarin beschreven effect op de Braziliaanse markt. In de beperkte antwoordconclusie voeren Cemaz, Itautec en IGB vervolgens nog aan dat er ook causaal verband is tussen de schade die zij hebben geleden en de kartels zoals die in de EER zijn geïmplementeerd. In het kader van de nu gevoerde discussie over de stelplicht hoeft daar verder niet op te worden ingegaan, omdat in ieder geval al aan de stelplicht is voldaan als het gaat om het causaal verband tussen een inbreuk op het Braziliaanse mededingingsrecht, het daaruit voortvloeiend onrechtmatig handelen naar Braziliaans recht en de als gevolg daarvan geleden schade.

3.8.

IGB en Cemaz vorderen veroordeling tot schadevergoeding, deels bestaande uit een concreet genoemd bedrag en deels nader op te maken bij staat. Itautec vordert schadevergoeding nader op te maken bij staat. Met betrekking tot de schade hebben Cemaz, Itautec en IGB voldoende feiten gesteld die, mits bewezen, aannemelijk maken dat mogelijk schade is geleden. Dat is in het kader van de (mede) gevorderde verwijzing naar de schadestaat voldoende basis om nu verder te procederen. Philips c.s. verwijten Cemaz, Itautec en IGB daarom ten onrechte dat zij de rapporten met de schadeberekening door Oxera nog niet in het geding hebben gebracht.

3.9.

Het standpunt van Philips c.s. houdt in de tweede plaats in dat onvoldoende is gesteld om verweer tegen te kunnen voeren. Dit ziet op het vereiste van artikel 111 lid 2 sub b Rv dat de dagvaarding de eis en de gronden daarvan moet bevatten. Deze bepaling komt in essentie erop neer dat de dagvaarding duidelijk moet aangeven wat van de gedaagde wordt gevorderd en op grond waarvan. De strekking van deze bepaling is te waarborgen dat voor gedaagde voldoende duidelijk is wat van hem wordt verlangd, opdat hij zich daartegen behoorlijk kan verdedigen. Gelet op wat hiervoor is overwogen over de stelplicht, hebben Cemaz, Itautec en IGB ook (meer dan) voldoende aangevoerd voor Philips c.s. om verweer te kunnen voeren.

3.10.

Met betrekking tot de grondslag van de vordering wordt het volgende overwogen. Philips c.s. zijn in de gezamenlijke beperkte conclusie van antwoord ervan uitgegaan dat Cemaz, Itautec en IGB hun vorderingen kennelijk alleen op een schending van het Unierechtelijke mededingingsrecht baseren. Cemaz, Itautec en IGB hebben in de beperkte antwoordconclusie aangegeven dat de vorderingen behalve op de hiervoor genoemde grondslag, ook gebaseerd zijn op een schending van het Braziliaanse mededingingsrecht (die volgens hen leidt tot een onrechtmatige daad naar Braziliaans recht). Gevraagd naar de grondslag van de vordering hebben Cemaz, Itautec en IGB bij het pleidooi verklaard dat de grondslag van de vordering is een onrechtmatige daad, die moet worden beoordeeld naar Braziliaans recht. De onderbouwing daarvan wordt onder meer gevormd door het Besluit en de in dat Besluit vastgestelde feiten. Voor zover Cemaz, Itautec en IGB ondanks het vorenstaande toch nog een beroep doen op schadevergoeding wegens schending van artikel 101 VWEU, geldt het volgende.

3.11.

Cemaz, Itautec en IGB stellen dat uit het Unierecht voortvloeit dat zij, net als ieder ander, het recht hebben om vergoeding te vorderen van schade die het gevolg is van een overtreding van artikel 101 VWEU en dat de rechtbank in deze zaak gebonden is aan het Besluit. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijzen Cemaz, Itautec en IGB naar de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 6 november 2012, C-199/11, ECLI:EU:C:2012:684 (Commissie/Otis) en 13 juli 2006, C-295/04, ECLI:EU:C:2006:461 (Manfredi). In die arresten is bepaald dat ‘eenieder’ vergoeding van de geleden schade kan vorderen op grond van overtreding van het Unierechtelijk kartelverbod “(…) wanneer er een causaal verband bestaat tussen die schade en een door artikel 81 EG [thans artikel 101 VWEU] verboden mededingingsregeling of onderling afgestemde feitelijke gedraging.”

3.12.

Het HvJEU heeft op 20 september 2001 arrest gewezen in de zaak C-453/99 (Courage en Crehan). In die zaak was onder meer de vraag aan de orde of een partij bij een overeenkomst die de mededinging kan beperken of vervalsen in de zin van artikel 85 van het EG-Verdrag, zich voor de nationale rechter op schending van dit artikel kan beroepen voor het doen gelden van een aanspraak op bescherming in rechte tegenover de andere contractpartij, met name om vergoeding te vorderen van schade die volgens de verzoekende partij voortvloeit uit haar gebondenheid aan een met artikel 85 strijdige contractuele clausule.

Het HvJEU heeft – voor zover hier van belang – het volgende overwogen.

“(…)

20. In de tweede plaats vormt artikel 85 van het Verdrag krachtens artikel 3, sub g, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 3, lid 1, sub g, EG) een fundamentele bepaling, die onontbeerlijk is voor de vervulling van de taken van de Gemeenschap en in het bijzonder voor de werking van de interne markt (zie arrest van 1 juni 1999, Eco Swiss, C-126/97, Jurispr. blz. I-3055, punt 36).

(…)

23. In de derde plaats heeft het Hof reeds geoordeeld, dat de artikelen 85, lid 1, van het Verdrag en 86 EG-Verdrag (thans artikel 82 EG) rechtstreekse gevolgen teweegbrengen in de betrekkingen tussen particulieren en voor de justitiabelen rechten doen ontstaan die de nationale rechter dient te handhaven (zie arresten van 30 januari 1974, BRT en SABAM, „BRT I", 127/73, Jurispr. blz. 51, I – 6322, punt 16, en 18 maart 1997, Guérin automobiles/Commissie, C-282/95 P, Jurispr. blz. I-1503, punt 39).

24. Uit bovenstaande overwegingen volgt, dat elke particulier zich in rechte op schending van artikel 85, lid 1, van het Verdrag kan beroepen, ook wanneer hij partij is bij een overeenkomst die de mededinging kan beperken of vervalsen in de zin van deze bepaling.

25. Aangaande de mogelijkheid om vergoeding te vorderen van schade die is veroorzaakt door een overeenkomst of een gedraging die de mededinging kan beperken of vervalsen, zij er allereerst aan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de nationale rechter die in het kader van zijn bevoegdheden belast is met de toepassing van het gemeenschapsrecht, de volle werking van dat recht dient te verzekeren en de daarin aan particulieren toegekende rechten dient te beschermen (zie met name arresten van 9 maart 1978, Simmenthal, 106/77, Jurispr. blz. 629, punt 16, en 19 juni 1990, Factortame e.a., C-213/89, Jurispr. blz. I-2433, punt 19).

26. Aan de volle werking van artikel 85 van het Verdrag, in het bijzonder het nuttig effect van het in lid 1 neergelegde verbod, zou worden afgedaan indien niet eenieder vergoeding kon vorderen van schade die hem is berokkend door een overeenkomst of een gedraging die de mededinging kan beperken of vervalsen.

27. Een dergelijk recht maakt de communautaire mededingingsregels immers gemakkelijker toepasbaar, waardoor — vaak verborgen — overeenkomsten of praktijken die de mededinging kunnen beperken of vervalsen, minder aantrekkelijk worden. In zoverre kunnen bij de nationale rechter ingediende schadevorderingen wezenlijk bijdragen tot de handhaving van een daadwerkelijke mededinging in de Gemeenschap.

(…)”

3.13.

Uit dit arrest van het HvJEU (Courage en Crehan) blijkt niet dat het HvJEU met het gebruik van de term ‘eenieder’ (r.o. 26) meer heeft willen zeggen dan vereist is in het kader van de beantwoording van de aan het HvJEU voorgelegde prejudiciële vraag, te weten of ook iemand die partij is bij een mededingingsbeperkende overeenkomst op grond van (toen nog) artikel 85 EG-Verdrag schadevergoeding kan vorderen. Dat met de term ‘eenieder’ ook is beoogd een aanspraak op schadevergoeding in het leven te roepen voor iedereen die stelt te zijn benadeeld door een mededingingsbeperkende overeenkomst die een overtreding van artikel 101 VWEU oplevert voor zover deze de mededinging beperkt binnen de territoriale werkingssfeer van die bepaling, maar waarbij de daadwerkelijke verkoop (de transactie waaruit het causaal verband met de inbreuk zou moeten volgen) heeft plaatsgevonden op een markt die gelegen is buiten het territoir van – in dit geval – de EER, volgt daar niet uit. Logischerwijze beperkt het aan een inbreuk op artikel 101 VWEU te ontlenen recht op schadevergoeding zich tot schade die het gevolg is van gedragingen die binnen de territoriale werkingssfeer van die bepaling vallen.

3.14.

Dit wordt ondersteund door onder meer het arrest van het HvJEU van 27 september 1988, C-89/85, NJ 1991, 105 (Houtslijp). Het HvJEU overwoog daarin:

“(…)

11. Aangaande de gestelde schending van art. 85 EEG-Verdrag zij eraan herinnerd, dat ingevolge die bepaling verboden zijn alle overeenkomsten tussen ondernemingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen die de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt beperkt.

(…)

16. In dit verband zij opgemerkt dat een inbreuk op art. 85, zoals het sluiten van een overeenkomst waardoor de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt beperkt, uit een tweeledige gedraging bestaat: de vorming van het kartel en het in praktijk brengen ervan. Door de toepasselijkheid van de mededingingsrechtelijke verbodsbepalingen afhankelijk te stellen van de plaats waar het kartel is gevormd, zou het de ondernemingen natuurlijk wel erg gemakkelijk worden gemaakt om die verbodsbepalingen te omzeilen. Het gaat er dan ook om, waar aan het kartel uitvoering wordt gegeven.

17. I.c. hebben de producenten binnen de gemeenschappelijke markt aan hun prijsafspraak uitvoering gegeven. Daarbij doet niet terzake, of zij al dan niet de hulp hebben ingeroepen van in de Gemeenschap gevestigde dochterondernemingen, agentschappen, onderagentschappen of filialen, ten einde in contact te komen met aldaar gevestigde kopers.

18. Onder die omstandigheden is de bevoegdheid van de Gemeenschap om haar mededingingsregels ten aanzien van dergelijke gedragingen toe te passen, gedekt door het in het internationaal publiekrecht algemeen aanvaarde territorialiteitsbeginsel.

(…)”.

3.15.

Verdere bevestiging is te vinden in de conclusie van Advocaat-Generaal Wathelet bij zaak C-231 van 30 april 2015, ECLI:EU:C:2015:292 (Innolux):

“(…)

36.

In het houtslijparrest (punten 11 e.v.) heeft het Hof uitgaande van de bewoordingen van artikel 101 VWEU (destijds artikel 85 EG) in wezen geoordeeld dat een onderling afgestemde gedraging de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt slechts kan beperken en derhalve slechts binnen de territoriale werkingssfeer van artikel 85 EG kan vallen, indien deze gedraging betrekking heeft op rechtstreekse verkopen van het relevante product aan in de Gemeenschap gevestigde afnemers en de verkopers elkaars prijzen beconcurreren om orders van die klanten in de wacht te slepen.

37.

Het Hof is tot deze conclusie gekomen op basis van een analyse van de bewoordingen van artikel 85 EG en heeft daaraan toegevoegd dat „[o]nder die omstandigheden [...] de bevoegdheid van de Gemeenschap om haar mededingingsregels ten aanzien van dergelijke gedragingen toe te passen, gedekt [is] door het in het internationaal publiekrecht algemeen aanvaarde territorialiteitsbeginsel” (punt 18 van hetzelfde arrest). Artikel 101 VWEU (of ook artikel 102 VWEU) roept derhalve wat de territoriale bevoegdheid betreft geen bezwaren op vanuit het oogpunt van het internationale publiekrecht, juist omdat het, gelet op de wijze waarop het is geformuleerd, simpelweg niet geacht wordt extraterritoriaal te worden toegepast.

(…)”.

3.16.

Kortom, de door artikel 101 VWEU verboden gedraging beperkt zich tot het kartel voor zover dat de handel tussen de lidstaten ongunstig kon beïnvloeden. Voor zover Cemaz, Itautec en IGB betogen dat ook sprake is van transacties (inkopen/verkopen tegen door het kartel beïnvloede prijzen) op de EER-markt en dat hun schade dus mede is beïnvloed door de mededingingsbeperkende afspraken voor zover die onder het bereik van de door de Commissie vastgestelde inbreuk vallen, hebben zij dit betoog in dit stadium nog onvoldoende onderbouwd. Een partij die stelt dat hij schade lijdt door schending van artikel 101 VWEU moet immers stellen dat overeenkomst(en) tussen haar en de inbreukpleger de mededinging op de interne markt beperken, nu het doel van artikel 101 VWEU is het beschermen van de mededinging bij de handel tussen de lidstaten.

3.17.

Dit alles brengt met zich dat het ‘preliminaire verweer’ van Philips c.s. inzake de stelplicht moet worden verworpen en dat deze procedures kunnen worden voortgezet op basis van de door Cemaz, Itautec en IGB uitgebrachte dagvaardingen (en de nadien door hen in het geding gebrachte stukken) op de grondslag dat sprake is van schending van het Braziliaans mededingingsrecht, wat naar Braziliaans recht (volgens Cemaz, Itautec en IGB) een onrechtmatige daad oplevert.

3.18.

Tot slot: Philips c.s. hebben de rechtbank verzocht Cemaz, Itautec en IGB te verbieden om nadere stukken (van CADE) in het geding te brengen om hun stellingen nader te onderbouwen. Een dergelijk algemeen, niet door de goede procesorde ingekaderd, verbod is vanzelfsprekend niet aan de orde, zeker niet in situatie als deze waar bewijs van de stellingen van Cemaz, Itautec en IGB (van het marktgedrag van Philips c.s.) slechts beetje bij beetje bekend wordt voor derden onder wie Cemaz, Itautec en IGB (en het eerder bekend worden van die informatie door Philips c.s. minst genomen niet lijkt te worden bevorderd). Dit temeer gelet op het door gedaagden gevoerde verjaringsverweer (daargelaten of dat verweer doel treft). Philips c.s. kunnen zich in redelijkheid niet enerzijds op het standpunt stellen dat de onderhavige procedure reeds eerder aanhangig had kunnen en moeten worden gemaakt (zoals zij doen in het kader van het verjaringsverweer), en anderzijds betogen dat Cemaz, Itautec en IGB niet mag worden toegestaan om stap voor stap beschikbaar komende informatie over het gestelde, door Philips c.s. betwiste, kartel in het geding te brengen op het moment dat die informatie beschikbaar komt (hetgeen impliceert dat Cemaz, Itautec en IGB hadden moeten wachten met procederen tot alle denkbare relevante informatie, ook uit de CADE-procedures, (ook) voor hen beschikbaar is). Wat Philips c.s. daarmee lijken te betogen is dat Cemaz, Itautec en IGB zowel te vroeg als te laat zijn met het aanhangig maken van de onderhavige procedures, hetgeen er in feite op neerkomt dat het voeren van deze procedures volgens hen per definitie onmogelijk dient te zijn. Een argumentatie met een dergelijke uitkomst kan door de rechtbank vanzelfsprekend niet worden aanvaard.

3.19.

Om proceseconomische redenen verdient het volgens de rechtbank de voorkeur om als volgende stap in de procedure het beroep op verjaring naar Braziliaans recht door Philips c.s. te behandelen. Partijen hebben al aangegeven hierover nog te willen pleiten. De rechtbank zal de zaak daarom naar de rol verwijzen zodat partijen zich erover kunnen uitlaten of zij het ermee eens zijn dat als eerstvolgende stap in de procedure pleidooi over verjaring zal worden gehouden. Indien dit het geval is, moeten zij bij dezelfde akte de verhinderdata van partijen en hun advocaten opgeven in de maanden april, mei en juni 2018.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

verwijst de zaak naar de rol van 13 december 2017 voor akte uitlating als hiervoor bedoeld in rechtsoverweging 3.19.,

4.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, mr. E Boerwinkel en mr. K.A. Maarschalkerweerd, bijgestaan door mr. J.P.W. Manders, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 november 2017.