Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:6930

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
14-11-2017
Datum publicatie
20-02-2018
Zaaknummer
C/01/321950 EX RK 17/89
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Wet Bescherming Persoonsgegevens

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/259
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rekestnummer: C/01/321950 EX RK 17/89

Beschikking van 14 november 2017

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

gemachtigde: mr. H.F.A. Notenboom.

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HOLLANDSCHE DISCONTO VOORSCHOTBANK,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster,

gemachtigde: mr. M. Zieltjens.

Partijen worden “ [verzoekster] ” en “HDV” genoemd.

1 De procedure

1.1

Het op 12 juni 2017 door de griffie van de rechtbank ontvangen verzoekschrift strekt tot het op grond van artikel 46, eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) bevelen van het verwijderen van primair de registratie van een contract van [verzoekster] en subsidiair de bijzonderheidscodes A en 2 daarvan uit het Centraal Krediet Informatiesysteem (CKI) van de Stichting Bureau Kredietregistratie (BKR).

1.2

De zaak is mondeling behandeld ter zitting van 17 oktober 2017. Partijen hebben hun standpunten toegelicht.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster] staat negatief geregistreerd in het CKI van de BKR. Het betreft een registratie van een doorlopend krediet met contractnummer 20070200548841. Het doorlopend krediet heeft zij, tezamen met haar toenmalige partner, [naam] , op 1 februari 2007 afgesloten voor een bedrag van € 11.500,00

De registratie wordt gekenmerkt door:

  • -

    een code A (achterstand) met ingangsdatum 16 maart 2010;

  • -

    een code 2 (restant)vordering geheel opeisbaar met ingangsdatum 10 februari 2011.

2.2

In het Algemeen Reglement (AR) zijn regels en voorwaarden neergelegd waaraan bij het registreren van persoonsgegevens in het CKI moet worden voldaan.

Bij de beoordeling (onder 4) zal verwezen worden naar het AR, versie april 2010.

3 Het verzoek en het verweer

3.1

[verzoekster] verzoekt de rechtbank:

- primair HDV te bevelen de registratie van het contract met contractnummer 20070200548841 van [verzoekster] uit het CKI van de BKR te verwijderen op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 met een maximum van € 25.000,00;

- subsidiair HDV te bevelen de bijzonderheidscodes A en 2 van het genoemde contract uit het CKI te verwijderen;

- meer subsidiair tot het nemen een in goede justitie te bepalen beslissing;

onder veroordeling van HDV in de proceskosten.

3.2

[verzoekster] legt aan haar verzoek – kort samengevat – het volgende ten grondslag. Op grond van artikel 30, derde lid, AR (verzoekster verwijst steeds naar het AR, versie 2006) is een deelnemer aan kredietregistratie verplicht om betrokkene als zich een achterstand dreigt voor te doen op grond van artikel 26, eerste lid, AR tijdig en schriftelijk te waarschuwen dat verder uitstel van betaling zal leiden tot een achterstandsmelding (A) bij de BKR. Deze vooraankondiging is niet aan haar gedaan. De drie door HDV overgelegde aanmaningen heeft zij niet ontvangen. De eerste aanmaning van 5 oktober 2009 is verzonden naar een niet bestaand adres, de tweede aanmaning van 19 november 2009 en de derde aanmaning van 16 maart 2010 zijn verzonden naar het [adres] te [woonplaats] . Echter zij heeft daar gewoond noch ingeschreven gestaan. De brief van 28 oktober 2010 van HDV, waarin staat vermeld dat de vordering geheel opeisbaar is geworden, heeft zij wel ontvangen. Pas op dat moment is zij op de hoogte geraakt van de betalingsachterstand, die verband hield met het doorlopende krediet. [verzoekster] heeft vervolgens haar ex-partner gedagvaard en is zelf het doorlopend krediet gaan aflossen. Doordat de door HDV overgelegde aanmaningen niet aan [verzoekster] zijn gestuurd is op grond van artikel 23 AR het registreren van de bijzonderheidscode A ten onrechte gebeurd.

3.3

Op grond van artikel 24 AR dient de bijzonderheid dat de (restant)vordering geheel opeisbaar is geworden te worden gemeld aan het CKI met bijzonderheidscode 2. Echter in de brief van 28 oktober 2010 is niet vermeld dat het geheel opeisbaar worden van de vordering zal leiden tot registratie van bijzonderheidscode 2. Daarmee is de vermelding van de bijzonderheidscode ten onrechte geschied, aldus [verzoekster] .

3.4

Een registratie van bijzonderheden in het CKI van de BKR dient te geschieden met inachtneming van het Wbp en het AR. Uit het voorafgaande is gebleken dat de bovenvermelde registraties (bijzonderheidscodes A en 2) niet met op een zorgvuldige wijze hebben plaats gevonden, waardoor [verzoekster] in haar belangen is geschaad. Primair verzoekt zij daarom om verwijdering van de registratie van het contract in het CKI, secundair om verwijdering van de bijzonderheidscodes in het CKI.

3.5

Tot slot voert [verzoekster] aan dat de genoemde registraties in dit geval en na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet kunnen worden gehandhaafd. De inbreuk op de belangen van [verzoekster] staan niet in verhouding tot het met de verwerking van haar persoonsgegevens te dienen doelen, zijnde het waarborgen van maatschappelijk verantwoorde dienstverlening op financieel gebied. Naast het feit dat de registraties aan het verkrijgen van een hypotheek in de weg staan, is er sprake van bijkomende omstandigheden, die maken dat de nadelige gevolgen van de registraties voor [verzoekster] zo zwaar wegen dat de registraties moeten worden verwijderd. Zij doelt daarbij op haar persoonlijke omstandigheden en de onmogelijkheid om een passende huurwoning in [woonplaats] te krijgen. [verzoekster] is destijds door haar ex partner in de (financiële) problemen gekomen en heeft nooit profijt gehad van het doorlopend krediet. Ondanks dat heeft zij middels een regeling het krediet afgelost. Haar financiële toestand en die van haar huidige partner is stabiel. Ze is derhalve geen risicogeval wat maakt dat de bewaartermijn van vijf jaar geen toegevoegde waarde heeft. HDV is bovendien de enige partij die [verzoekster] (negatief) in het CKI heeft geregistreerd.

3.6

HDV heeft ten verwere aangevoerd dat de twee coderingen aparte coderingen betreffen die op hun eigen merites moeten worden beoordeeld. De drie aanmaningbrieven, verzonden op 5 oktober 2009, 19 november 2009 en 16 maart 2010 moeten [verzoekster] hebben bereikt, omdat deze naar het juiste adres zijn gestuurd waar [verzoekster] ook op dat moment woonachtig was. De verplichte vooraankondiging, voorafgaand aan het plaatsen van een achterstandscodering A, heeft dus wel degelijk plaats gevonden met als gevolg dat de geplaatste achterstandscode A in overeenstemming is met datgene wat daarover in het AR staat vermeld.

3.7

Ten aanzien van bijzonderheidscode 2 geldt volgens HDV dat daarvoor geen vooraankondiging hoeft te worden verzonden. [verzoekster] hoefde daarvoor dus niet te worden gewaarschuwd. HDV heeft in dit verband verwezen naar artikel 27 AR (versie april 2010) alsmede naar een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 februari 2017 en naar een beschikking van de rechtbank Den Haag van 30 augustus 2016. Deze bijzonderheidscode hangt samen met het feit dat de vordering ineens opeisbaar werd gesteld, omdat [verzoekster] haar betalingsverplichting niet nakwam, waarbij HDV verwijst naar haar brief van 28 oktober 2010. Ook ten aanzien van deze bijzonderheidscode 2 geldt dat deze is geplaatst in overeenstemming is met datgene wat daarover in het AR staat vermeld.

3.8

Tot slot stelt HDV zich op het standpunt dat het door [verzoekster] genoemde belang niet zwaarder weegt dan het algemeen belang van handhaving van de registraties op basis van het AR. De bewaartermijn van vijf jaar is gebaseerd op het AR. HDV dient zich daaraan te conformeren en kan daarop voor [verzoekster] geen uitzondering maken.

HDV pleit dan ook voor afwijzing van het verzoek van [verzoekster] met een veroordeling van [verzoekster] in de proceskosten.

3.9

Op hetgeen [verzoekster] en HDV verder ter onderbouwing van haar verzoek en haar verweer hebben aangevoerd zal de rechtbank voor zover nodig onder de beoordeling ingaan.

4 De beoordeling

4.1

Niet in geschil is dat [verzoekster] een betalingsachterstand had die verband hield met het doorlopende krediet dat zij en haar ex-partner op 1 februari 2007 hadden afgesloten (artikel 26 AR). Evenmin is in geschil dat in het geval niet werd voldaan aan overeengekomen betalingsverplichtingen en zich een achterstand dreigde voor te doen HDV verplicht was [verzoekster] tijdig en schriftelijk te waarschuwen dat verder uitstel van betalen zou leiden tot een achterstandsmelding bij de BKR (artikel 30, derde lid, AR).

4.2

Voor het toewijzen van het primaire verzoek tot verwijdering van het contract uit de BKR bestaat geen (wettelijke) grondslag. Daarbij dient te worden opgemerkt dat de (positieve) registratie van een doorlopende krediet als zodanig in de regel niet tot negatieve gevolgen leidt. In het geval van een negatieve registratie ligt dat wel in de rede.

4.3

Met betrekking tot het subsidiaire verzoek wordt het volgende overwogen.

De brieven van HDV aan [verzoekster] van 5 oktober 2009 en 19 november 2009 dienen te worden beschouwd als waarschuwingen via achterstandsbrieven. De brief van 16 maart 2010 aan [verzoekster] betreft een ingebrekestelling, waarin is aangegeven dat de achterstandsmelding (bijzonderheidscode A) reeds heeft plaatsgevonden. [verzoekster] betwist dat zij deze brieven heeft ontvangen. Niet is gebleken dat deze brieven aangetekend zijn verzonden. Onweersproken is gebleven dat de brief van 5 oktober 2009 naar een niet bestaand adres is gestuurd aangezien [adres] niet gelegen is in [woonplaats] , maar in [woonplaats] . De constatering aan de zijde HDV dat in de brief wel de juiste postcode staat vermeld, doet daaraan niet af. Tevens is het standpunt van [verzoekster] dat zij na de beëindiging van haar relatie met [naam] aan het adres [adres] te [woonplaats] is blijven wonen en alleen [naam] is verhuisd naar [adres] te [woonplaats] onvoldoende onderbouwd weersproken door HDV. Dit heeft tot gevolg gehad dat de brieven van 19 november 2009 en 16 maart 2010, die zijn gestuurd naar [adres] , niet zijn gezonden naar het woonadres van [verzoekster] . Nu HDV geen blijk heeft gegeven van het adequaat versturen van de achterstandsbrieven en evenmin door HDV is aangetoond dat [verzoekster] de achterstandsbrieven heeft ontvangen, kan niet worden vastgesteld dat HDV heeft voldaan aan het hiervoor vermelde vereiste van de waarschuwing. Dit heeft tot gevolg dat HDV de bijzonderheidscode A uit het CKI zal moeten verwijderen.

4.4

Ten aanzien van bijzonderheidscode 2 oordeelt de rechtbank als volgt.

Het aanmelden van bijzonderheidscode 2, gebaseerd op een betalingsachterstand, zoals in het onderhavige geval aan de orde, kan, gezien artikel 30, derde lid AR, uitsluitend na het versturen van een waarschuwing via een achterstandsbrief. In rechtsoverweging 4.3 is reeds geoordeeld dat HDV niet heeft voldaan aan het vereiste van de waarschuwing. Dientengevolge zal HDV ook de bijzonderheidscode 2 en daarmee dus de gehele negatieve BKR registratie uit het CKI moeten verwijderen.

4.5

Gezien dit oordeel behoeft hetgeen verder nog door partijen is aangevoerd geen bespreking meer.

4.6

HDV zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1

wijst het primaire verzoek van [verzoekster] af;

5.2

wijst het subsidiaire verzoek van [verzoekster] toe;

5.3

beveelt HDV om binnen twee weken na deze beschikking de genoemde bijzonderheidscoderingen A en 2 van het contract met contractnummer 20070200548841 van [verzoekster] te (laten) verwijderen uit het CKI;

5.4

veroordeelt HDV in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [verzoekster] begroot op € 982,00 waarvan € 904,00 aan salaris advocaat en € 78,00

aan verschotten;

5.5

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.K.B. van Daalen en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2017.