Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:6797

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
28-12-2017
Datum publicatie
04-01-2018
Zaaknummer
6525640 CV EXPL 17-9003
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

artikel 7:653 BW; concurrentiebeding bij arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd; overgangsrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0038
AR 2018/144
RAR 2018/58
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Zaaknummer : 6525640

Rolnummer : 17-9003

Vonnis in kort geding van 28 december 2017

in de zaak van:

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie

gemachtigde: mr. D.W.J. van Sikkelerus,

t e g e n :

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Veiligheidstechniek Nederland B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Oss,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

gemachtigde: mr. R.G.F. Lammers,

Partijen worden hierna genoemd “ [eiser] ” en “VTN”.

1 Het verloop van het geding

1.1.

Dit blijkt uit het volgende:

  1. de dagvaarding van 15 december 2017 met producties;

  2. de mondelinge behandeling die op 21 december 2017 heeft plaatsgevonden. Zijdens [eiser] zijn bij brief van 18 december 2017 de producties 16 en 17 toegezonden en bij brief van 20 december 2017 de producties 18 en 19. VTN heeft ten behoeve van de mondelinge behandeling bij brief van 19 december 2017 een akte met een eis in reconventie alsmede de producties 1 tot en met 18 toegezonden en bij brief van 20 december 2017 productie 17. De gemachtigden van partijen hebben ter zitting de standpunten toegelicht aan de hand van pleitnotities.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

in conventie en in reconventie

2.1.

[eiser] is op 20 oktober 2014 in dienst getreden bij VTN in de functie van Account Manager op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar, derhalve eindigend op 19 oktober 2015. VTN is een bedrijf dat zich bezighoudt met veiligheidstechniek in Nederland.

2.2.

In artikel 11 van de op 1 oktober 2014 ondertekende arbeidsovereenkomst is een concurrentiebeding opgenomen. Dat beding luidt:

“Voor werknemer is het volgende concurrentiebeding van toepassing.

Het is de werknemer niet toegestaan binnen een tijdvak van één jaar, in Nederland, na beëindiging van het dienstverband, zelf in enigerlei vorm een zaak gelijk, gelijksoortig, of aanverwant aan die van werkgever dan wel de met werkgever gelieerde ondernemingen te vestigen, te drijven, mede te drijven of te doen drijven, hetzij direct, hetzij indirect, als ook financieel in welke vorm ook bij een dergelijk zaak belang te hebben, direct of indirect, of daarin of daarvoor op enigerlei wijze werkzaam te zijn, hetzij tegen vergoeding, hetzij om niet, of daarin enig aandeel van welke aard ook te hebben. Bij overtreding van het in dit artikel omschreven beding verbeurt werknemer ten behoeve van werkgever een dadelijk opvorderbare boete van € 1000,- voor elke dag dat werknemer in overtreding is, hetgeen onverlet laat het recht van VTN tot vordering van de volledige schadevergoeding.”

2.3.

Op 21 september 2015 is dit contract verlengd voor de duur van 11 maanden, derhalve eindigend op 19 september 2016. Deze overeenkomst luidt, voor zover thans van belang:

“WIJZIGING/AANVULLING ARBEIDSOVEREENKOMST

Ondergetekenden:

Veiligheidstechniek Nederland B.V. (…)

en

de heer [eiser] (…)

verklaren hierbij de volgende wijziging/aanvulling op de reeds bestaande arbeidsovereenkomst te zijn aangegaan:

Werknemer is momenteel in dienst als Account Manager voor 40 uur per week, voor de tijd van 12 maanden, ingaande 20 oktober 2014 en derhalve eindigende van rechtswege op 19 oktober 2015.

Dit contract wordt voor een termijn van 11 maanden verlengd, derhalve eindigende van rechtswege op 19 september 2016.

Tussentijdse beëindiging van de arbeidsovereenkomst is voor beide partijen mogelijk met inachtneming van de wettelijk voorgeschreven opzegtermijn volgens het Burgerlijk Wetboek.”

2.4.

Op 21 juli 2016 is het tijdelijke dienstverband met ingang van deze datum omgezet in een dienstverband voor onbepaalde tijd. Deze overeenkomst luidt, voor zover thans van belang:

“WIJZIGING/AANVULLING ARBEIDSOVEREENKOMST

Ondergetekenden:

Veiligheidstechniek Nederland B.V. (…)

en

de heer [eiser] (…)

verklaren hierbij de volgende wijziging/aanvulling op de reeds bestaande arbeidsovereenkomst te zijn aangegaan:

Wijziging naar onbepaalde tijd

Werknemer is momenteel in dienst als Account Manager voor 40 uur per week, voor de tijd van 11 maanden, ingaande 20 oktober 2015 en derhalve eindigende van rechtswege op 19 september 2016. Deze tijdelijke overeenkomst is voorafgegaan door eveneens een tijdelijke overeenkomst voor de tijd van 12 maanden, ingaande 20 oktober 2014.

Met ingang van heden, 21 juli 2016, zal dit tijdelijke dienstverband worden omgezet in een vast dienstverband, eveneens voor 40 uur per week, waarbij een opzegtermijn van 2 maanden van kracht wordt.

Toevoeging Relatiebeding

Het is de medewerker verboden zakelijke betrekkingen aan te gaan met cliënten van werkgever, c.q. personen, instellingen of bedrijven die tot één jaar vóór de beëindiging van het dienstverband met medewerker cliënt van werkgever waren, binnen een tijdvak van één jaar na beëindiging van het dienstverband met medewerker, hetzij direct, hetzij indirect. Indien medewerker dit verbod overtreedt is hij een bedrag verschuldigd aan werkgever, gelijk aan de gemiddelde jaaromzet van werkgever met betreffende cliënt, welk gemiddelde wordt berekend over de periode vanaf 1 januari van enig kalenderjaar tot aan de datum van vertrek van cliënt, alsmede de daaraan voorafgaande twee volledige kalenderjaren. Dit bedrag dient, zonder dat een aanmaning of ingebrekestelling nodig zal zijn, aan werkgever te worden voldaan binnen één maand nadat de desbetreffende cliënt bij (de nieuwe werkgever van) medewerker cliënt is geworden.

Verder is het de medewerker verboden om gedurende een periode van één jaar na beëindiging van het dienstverband, direct of indirect in welke vorm dan ook telefonisch of schriftelijk contact te onderhouden, bezoeken af te leggen, onderhandelingen te voeren, zaken te doen etcetera, met ex-medewerkers van werkgever en/of met haar gelieerde ondernemingen, voor zover deze contacten gericht zijn op het bewegen van de

(ex-)medewerker tot aanvaarding van een dienstbetrekking elders of tot het aangaan van

enige vorm van samenwerking, waarbij het zakelijk belang van werkgever mogelijkerwijs wordt geschonden. Het onderhouden van contacten gericht op privéaangelegenheden valt hier uitdrukkelijk niet onder.

Bij overtreding van dit verbod zal medewerker een direct opeisbare, niet voor matiging vatbare boete aan werkgever verschuldigd zijn van € 10.000,- per overtreding en van

€ 1.000 voor elke dag dat de overtreding voortduurt, onverminderd de overige rechten van werkgever krachtens de wet of de onderhavige overeenkomst, waaronder het recht om volledige schadevergoeding te vorderen.”

2.5.

Het laatstelijk door [eiser] bij VTN verdiende salaris bedraagt € 3.200,00 bruto per maand exclusief emolumenten.

2.6.

[eiser] heeft op 29 november 2017 aan VTN medegedeeld dat hij uit dienst zal treden en dat hij per 1 januari 2018 bij de besloten vennootschap 7 Solutions B.V. (hierna: 7 Solutions) in dienst zal treden.

3 Het geschil in conventie en in reconventie

3.1.

[eiser] vordert in conventie dat de kantonrechter bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair, het concurrentiebeding per 1 januari 2018 schorst en VTN veroordeelt om hem toe te staan in dienst te treden bij 7 Solutions dan wel bij een andere werkgever, dan wel voor zichzelf begint, zolang het concurrentiebeding is geschorst;

Subsidiair, VTN veroordeelt om gedurende de tijd dat VTN hem aan het concurrentiebeding houdt, aan hem vanaf 1 januari 2018 een vergoeding te betalen van € 6.000,00 bruto per maand te vermeerderen met 8% vakantiegeld;

Primair en subsidiair, VTN veroordeelt in de kosten van deze procedure, alsook de nakosten.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vordering, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag.

Tussen partijen is geen rechtsgeldig concurrentiebeding van toepassing. Enkel in de in 2014 ondertekende arbeidsovereenkomst zijn partijen schriftelijk een concurrentiebeding overeengekomen. In de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van oktober 2015 en in de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd van 26 juli 2016 is geen concurrentiebeding opgenomen. In deze laatste overeenkomst is enkel een relatiebeding opgenomen. Ook is hierin niet bepaald dat de arbeidsvoorwaarden uit de eerdere arbeidsovereenkomst expliciet en onverkort van toepassing zouden blijven. Er is aldus niet voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste ex artikel 7:653 lid 1 sub b BW. [eiser] heeft ook niet met een concurrentiebeding ingestemd en het beding is evenmin bijgevoegd bij de overeenkomst van 26 juli 2016. En als al aangenomen moet worden dat de arbeidsovereenkomst van oktober 2015 een gelijkluidend concurrentiebeding bevat, is dit beding nietig, nu het niet voldoet aan de eisen van het sinds 1 januari 2015 geldende artikel 7:653 lid 2 BW. Een concurrentiebeding mag niet worden opgenomen in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, tenzij er een schriftelijke motivering is opgenomen waaruit blijkt dat het concurrentiebeding noodzakelijk is vanwege zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen. Een dergelijke motivering ontbreekt. Het beding is daarom nietig. De derde arbeidsovereenkomst bouwt voort op de tweede en bevat daarom ook geen geldig concurrentiebeding. Om deze reden moet het [eiser] worden toegestaan om per 1 januari 2018 in dienst te treden bij 7 Solutions.

Bovendien zijn VTN en 7 Solutions verschillende bedrijven, die verschillende diensten leveren en verschillende klanten hebben. VTN levert en onderhoudt producten en behaalt een groot deel van haar omzet met service verdeeld over tal van beschermingsmiddelen. De focus ligt op het verhandelen van veiligheidsartikelen, terwijl 7 Solutions zich heeft gespecialiseerd in op maat gemaakte oplossingen voor gasdetectie. 7 Solutions heeft ook een eigen ontwikkelingsafdeling en de omzet wordt voor 100% gerealiseerd uit gasdetectie. VTN werkt uitsluitend op de Nederlandse markt en 7 Solutions is een internationaal opererend bedrijf. VTN levert tal van beschermingsdiensten aan de Nederlandse overheid, terwijl 7 Solutions internationale en nationale klanten heeft en niet met overheden werkt. [eiser] heeft tijdens zijn werkzaamheden bij VTN ook nooit zaken gedaan met klanten die ooit zijn bediend door 7 Solutions. Verder werken zij niet met dezelfde merken van producten. Er is dan ook geen sprake van concurrentie tussen VTN en 7 Solutions.

De door [eiser] te vervullen functie bij 7 Solutions, die van Commercieel Directeur BeNeLux, verschilt zodanig van zijn functie als Account Manager bij VTN dat hij in zijn nieuwe functie geen werkzaamheden zal verrichten waarbij de bij VTN opgedane kennis oneerlijke concurrentie tot gevolg zal hebben. Het is hem daarom toegestaan om bij 7 Solutions in dienst te treden.

In het kader van de belangenafweging is relevant dat zijn nieuwe functie een aanzienlijke positieverbetering betreft, welke hij niet bij VTN kan bereiken, en dat hij er qua salaris en voorwaarden ook flink op vooruit gaat. Bij 7 Solutions krijgt hij de functie van Commercieel Directeur Benelux met een salaris van € 5.000,- bruto per maand met emolumenten. De bonusregeling zal voor hem ook veel rianter worden en hij krijgt een luxere leaseauto. Het concurrentiebeding is voor VTN niet noodzakelijk vanwege zwaarwegende bedrijfsbelangen, zodat het beding dient te worden vernietigd, althans in kort geding geschorst, op grond van artikel 7:653 lid 3 sub a BW. Verder wordt [eiser] door het beding onbillijk benadeeld (artikel 7:653 lid 3 sub b BW) en ook daarom dient het beding te worden geschorst. Hierbij speelt ook mee dat hij, indien hij aan het concurrentiebeding wordt gehouden, geen baan meer heeft en dat hij dan terugvalt op een bijstandsuitkering. De bedrijfsinformatie van VTN is voldoende beschermd door het geheimhoudingsbeding en het relatiebeding, zodat VTN er geen belang bij heeft om de vrije arbeidskeuze van [eiser] in te perken. Bovendien zijn er (oud) collega’s van [eiser] bij concurrenten van VTN in dienst getreden zonder dat zij zijn gehouden aan hun concurrentiebeding.

Voorts is de boete die staat op overtreding van het concurrentiebeding onredelijk hoog.

Gelet op het vorenstaande is het aannemelijk dat een bodemrechter het concurrentiebeding al dan niet gedeeltelijk nietig zal verklaren dan wel al dan niet gedeeltelijk zal vernietigen. Daarom vordert [eiser] primair schorsing van het concurrentiebeding per 1 januari 2018 en subsidiair dat VTN wordt veroordeeld om aan hem te betalen een vergoeding van

€ 6.000,00 per maand gedurende de tijd dat VTN hem aan het concurrentiebeding houdt.

[eiser] heeft een spoedeisend belang bij zijn vordering, omdat duidelijkheid over het concurrentiebeding van invloed is op zijn arbeidsovereenkomst bij 7 Solutions en hij en zijn gezin voor hun levensonderhoud afhankelijk zijn van de inkomsten uit hoofde daarvan.

3.3.

VTN voert, kort weergegeven, het volgende verweer.

Het onderhavige concurrentiebeding is opgenomen in de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die door partijen is getekend op 1 oktober 2014. Deze tijdelijke overeenkomst is voortgezet per 21 september 2015. Dat betreft een voor het overige ongewijzigde arbeidsovereenkomst. Er wordt verwezen naar de reeds bestaande arbeidsovereenkomst en er is vermeld dat de nieuwe overeenkomst een aanvulling is op de bestaande overeenkomst. Er is dan ook aan het schriftelijkheidsvereiste voldaan en het bij de eerste arbeidsovereenkomst schriftelijk overeengekomen concurrentiebeding behoudt dan zijn geldigheid.

De inwerkingtreding van de WWZ maakt dit niet anders. Het concurrentiebeding is immers opgenomen in de overeenkomst die is gesloten vóór de inwerkingtreding van de WWZ op dit punt. Op grond van het overgangsrecht blijft het concurrentiebeding dan gelden bij de verlenging van de arbeidsovereenkomst na de inwerkingtreding van de WWZ.

7 Solutions drijft een onderneming als bedoeld in het concurrentiebeding, nu zij uitsluitend actief is op het gebied van gasdetectie. [eiser] is bij VTN zelfs werkzaam geweest op het gebied van gasdetectie. VTN is in belangrijke mate afhankelijk van gasdetectie in met name de industrie. 7 Solutions houdt zich ook bezig met advisering, verkoop, installatie en service van gasdetectie. VTN en 7 Solutions bezoeken dezelfde (potentiële) relaties. Bovendien werkt ook 7 Solutions met overheden. 7 Solutions en VTN hebben zelfs meegedaan aan dezelfde aanbestedingen.

VTN heeft belang bij handhaving van het concurrentiebeding, nu [eiser] haar oneerlijke concurrentie kan aandoen. Hij is immers bij alle verkooptrajecten vanaf het begin tot het eind betrokken geweest en heeft kennis van de prijzen en marges van VTN en alle onderhoudscontracten op het gebied van gasdetectie. 7 Solutions heeft ook geprobeerd om zaken te doen met een belangrijke relatie van VTN. De kennis van [eiser] over de prijsstelling bij VTN is van groot belang voor zijn functie bij 7 Solutions, nu hij daar de accountmanagers precies de informatie kan geven waardoor zij onder de prijs van VTN kunnen gaan. Voorts zal [eiser] ook zelf op pad gaan bij 7 Solutions, naar dezelfde klanten. De indiensttreding van [eiser] bij 7 Solutions leidt weliswaar tot een salarisverhoging, maar ook bij VTN zou [eiser] een salarisverhoging krijgen, welke verhoging op verzoek van [eiser] is opgespaard vanwege privé redenen. Ook bij 7 Solutions heeft [eiser] geen gegarandeerde bonus. Nu [eiser] bij 7 Solutions meteen een vast contract krijgt zonder proeftijd tegen een behoorlijk salaris, lijkt het erop dat hij is weggekocht vanwege zijn kennis van VTN. De belangenafweging dient in het voordeel van VTN uit te vallen.

Verder is [eiser] volledig opgeleid door VTN door middel van producttrainingen, een salestraining en training on the job. VTN heeft geïnvesteerd in [eiser] .

De oud collega’s die niet zouden zijn gehouden aan het concurrentiebeding, zijn ook niet in dienst getreden bij een concurrent van VTN.

De boete, zoals opgenomen in het concurrentiebeding, is redelijk, gelet op het grote belang dat VTN heeft om [eiser] een zodanige prikkel te geven dat hij het nalaat haar oneerlijke concurrentie aan te doen.

Voorts heeft [eiser] niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een zodanige belemmering dat is voldaan aan het bepaalde in artikel 7:653 lid 5 BW.

[eiser] heeft eerst een arbeidsovereenkomst gesloten met 7 Solutions, daarna ontslag genomen bij VTN en vervolgens verzocht om hem te ontslaan uit de verplichtingen die voortvloeien uit het concurrentiebeding. Daarmee heeft hij VTN voor een voldongen feit geplaatst en kennelijk is de prikkel van het boetebeding voor [eiser] niet genoeg. Daarom heeft VNT een vordering in reconventie ingesteld.

3.4.

VTN vordert in reconventie dat de kantonrechter, recht doende in kort geding, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1) [eiser] verbiedt in de periode 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 in loondienst dan wel als zelfstandige dan wel anderszins werkzaam te zijn bij/voor de besloten vennootschap 7 Solutions B.V., gevestigd en kantoorhoudende te Capelle aan den IJssel en/of aan deze vennootschap gelieerde vennootschappen;

2) [eiser] veroordeelt tot betaling aan VTN van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of dagdeel dat hij in gebreke blijft te voldoen aan het onder 1) gevorderde verbod;

3) [eiser] veroordeelt in de proceskosten in conventie en in reconventie.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie :

4.1.

De vorderingen in conventie en in reconventie worden vanwege hun nauwe samenhang gezamenlijk behandeld.

4.2.

De spoedeisendheid van de vordering is door VTN niet bestreden. [eiser] heeft de spoedeisendheid van zijn vordering voldoende onderbouwd. Hij is daarom ontvankelijk in zijn vordering.

4.3.

In de onderhavige procedure, strekkende tot het treffen van een voorlopige voorziening, dient de vordering slechts te worden toegewezen indien aannemelijk is dat een overeenkomstige vordering in de bodemprocedure zal worden toegewezen.

Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

4.4.

Tussen partijen bestaat discussie over de vraag of er tussen hen een rechtsgeldig concurrentiebeding van toepassing is.

Vaststaat dat het concurrentiebeding enkel is opgenomen in de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die door partijen is ondertekend op 1 oktober 2014.

Deze arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de duur van 12 maanden, ingaande op 20 oktober 2014 en eindigende op 19 oktober 2015. Op 21 september 2015 zijn partijen een “wijziging/aanvulling van de arbeidsovereenkomst” overeengekomen, bestaande in een verlenging van het contract voor een termijn van 11 maanden, “derhalve eindigende van rechtswege op 19 september 2016”. De voorliggende vraag is of het concurrentiebeding dat in de eerste arbeidsovereenkomst is opgenomen ook geldig is voor de verlenging van de arbeidsovereenkomst en vervolgens voor de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd die per 21 juli 2016 tussen partijen geldt.

4.5.

Volgens vaste jurisprudentie is een eenmaal (in een contract voor bepaalde tijd) schriftelijk overeengekomen concurrentiebeding ook geldig voor opeenvolgende verlengingsovereenkomsten die, al dan niet stilzwijgend, onder gelijkblijvende voorwaarden zijn gesloten (zie onder meer Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22 augustus 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:7282). Dat dient in dit geval derhalve het uitgangspunt te zijn.

Op 1 oktober 2014 zijn partijen rechtsgeldig een concurrentiebeding overeengekomen voor het contract voor bepaalde tijd. De verlengingsovereenkomst is onder gelijkblijvende voorwaarden gesloten. Het betreft slechts een “wijziging/aanvulling” van de arbeidsovereenkomst bestaande in een verlenging van het contract voor 11 maanden. Dat betekent dat het overeengekomen concurrentiebeding in beginsel ook geldt voor dit contract.

4.6.

De verlengingsovereenkomst is echter gesloten op 21 september 2015. Dat is na de inwerkingtreding op 1 januari 2015 van het nieuwe artikel 7:653 BW. In lid 1 sub a van dat (nieuwe) artikel is bepaald dat een beding tussen de werkgever en de werknemer waarbij deze laatste wordt beperkt in zijn bevoegdheid om na het einde van de overeenkomst op zekere wijze werkzaam te zijn, slechts geldig is indien de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan. In lid 2 van dat artikel is bepaald dat, in afwijking van de regel van lid 1 sub a, een zodanig beding (wel) kan worden opgenomen in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, indien uit de bij dat beding opgenomen schriftelijke motivering van de werkgever blijkt dat het beding noodzakelijk is vanwege zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen.

In beginsel geldt dat het nieuwe recht direct van toepassing is vanaf de datum van inwerkingtreding. Op grond van het overgangsrecht geldt in dit geval echter een eerbiedigende werking. Artikel XXIIc Overgangsrecht WWZ luidt:

“Artikel 653 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, zoals dat artikel luidde op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel I, van deze wet blijft van toepassing op arbeidsovereenkomsten die tot stand zijn gekomen voor dat tijdstip.”

Uit de Memorie van Toelichting (Algemeen Deel 33818, nr 3) bij het Overgangsrecht op dit punt blijkt dat de regering heeft bedoeld dat op arbeidsovereenkomsten aangegaan op of na de datum van inwerkingtreding van het nieuwe recht, het nieuwe recht van toepassing is. (Er is slechts één uitzondering, namelijk tenzij een cao van toepassing is waarvoor overgangsrecht geldt.)

4.7.

De op 21 september 2015 “verlengde” arbeidsovereenkomst is juridisch gezien een nieuwe arbeidsovereenkomst. Het gaat om een nieuw contract voor bepaalde tijd dat op 21 september 2015 is aangegaan. Het eerste is immers geëindigd op 19 oktober 2015. Dat het tweede contract in de overeenkomst van 21 september 2015 is aangeduid als een “verlenging” is hierbij niet relevant.

Dat betekent dat op deze tweede arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd het nieuwe artikel 7:653 BW van toepassing is, en dat op grond van het tweede lid van dat artikel voor een rechtsgeldig concurrentiebeding de eis geldt dat bij dat beding de schriftelijke motivering van de werkgever als bedoeld in dat artikellid moet zijn opgenomen. Een dergelijke motivering is in deze arbeidsovereenkomst niet opgenomen. De conclusie moet vooralsnog zijn dat voor de tweede arbeidsovereenkomst tussen partijen geen rechtsgeldig concurrentiebeding is overeengekomen.

In dit verband is van betekenis dat voor de wetgever bij de aanscherping van de eisen voor de geldigheid van een concurrentiebeding in het geval van een tijdelijke arbeidsovereenkomst de bescherming van de belangen van de werknemer met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voorop heeft gestaan. In het geval van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met een concurrentiebeding loopt de werknemer immers het risico dat hij na het eindigen ervan geen werk meer heeft en dat hij ook niet elders in zijn vakgebied aan de slag kan gaan. De wetgever heeft deze gevolgen voor de werknemer willen beperken door eisen te stellen aan de geldigheid van een concurrentiebeding in geval van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Vanuit die optiek bezien is er ook geen reden om artikel XXIIc van het Overgangsrecht extensief te interpreteren door onder arbeidsovereenkomsten die zijn tot stand gekomen vóór de inwerkingtreding van het nieuwe artikel 7:653 BW mede te begrijpen de “voortgezette” of “verlengde” arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die is “voortgezet” c.q. “verlengd” na de inwerkingtreding van het nieuwe artikel 7:653 BW.

4.8.

Aangezien aannemelijk is dat in een bodemprocedure ook wordt geoordeeld dat voor de tweede arbeidsovereenkomst tussen partijen geen rechtsgeldig concurrentiebeding is overeengekomen, moet vooralsnog worden geoordeeld dat voor de derde, op 21 juli 2016 voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst tussen partijen, welke overeenkomst (eveneens) is aangeduid als een wijziging/aanvulling op de bestaande arbeidsovereenkomst, ook niet een rechtsgeldig concurrentiebeding geldt, nu in die arbeidsovereenkomst evenmin een schriftelijk concurrentiebeding is opgenomen.

4.9.

Gelet op het vorenstaande is voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat er sprake is van een nietig concurrentiebeding tussen partijen en dat het [eiser] (derhalve), zonder overtreding van enig concurrentiebeding, is toegestaan om per 1 januari 2018 in dienst te treden bij 7 Solutions (dan wel bij een andere werkgever, dan wel voor zichzelf te beginnen). De vordering tot schorsing van het beding is daarom toewijsbaar.

Een veroordeling van VTN om [eiser] toe te staan bij 7 Solutions in dienst te treden is betekenisloos en daarom niet toewijsbaar.

4.10.

De vorderingen in reconventie worden, gelet op het voorgaande, afgewezen.

4.11.

VTN wordt als de in conventie en in reconventie in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure, in conventie en in reconventie.

5 De beslissing

De kantonrechter, rechtdoende in kort geding:

in conventie:

schorst het tussen partijen overeengekomen concurrentiebeding;

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie:

wijst de vorderingen af;

in conventie en in reconventie:

veroordeelt VTN in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eiser] tot heden begroot op € 97,31 aan explootkosten, € 223,00 aan griffierecht en € 400,00 als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast);

verklaart dit vonnis, waar het de veroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Wiggers, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 december 2017.