Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:6763

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
28-11-2017
Datum publicatie
28-12-2017
Zaaknummer
C/01/321244 / FA RK 17-2477
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Adoptie van een pleegkind. Wijziging van voornaam en geslachtsnaam.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 227
Burgerlijk Wetboek Boek 1 228
Burgerlijk Wetboek Boek 1 4
Burgerlijk Wetboek Boek 1 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer : C/01/321244 / FA RK 17-2477

Uitspraak : 28 november 2017

Beschikking betreffende adoptie en wijziging naam in de zaak van

[adoptiefouder A] ,

en

[adoptiefouder B] ,

beiden wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

verzoekers, hierna mede te noemen: (de) aspirant-adoptiefouders,

advocaat mr. V.J. Nijenhof-van der Donk.

De procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

  • -

    het verzoekschrift (met bijlagen) van de aspirant-adoptiefouders van 18 mei 2017, ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 19 mei 2017;

  • -

    een F9-formulier (met bijlagen) van mr. V.J. Nijenhof-van der Donk van 15 juni 2017 ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 16 juni 2017;

  • -

    een rapport van de raad van [datum], ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 20 september 2017.

Het verzoekschrift strekt tot adoptie van de minderjarige:

- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]

.

Als informant is opgeroepen: mevrouw [moeder] (hierna te noemen: (de) moeder).

Tevens is ter zitting uitgenodigd de Stichting Jeugdbescherming Brabant (hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI)) en de raad voor de kinderbescherming (hierna te noemen: de raad).

De zaak is behandeld ter zitting van 31 oktober 2017. Verschenen zijn: de aspirant-adoptiefouders, bijgestaan door hun advocaat, een vertegenwoordiger van de GI en een vertegenwoordiger van de raad.

Hoewel behoorlijk daartoe opgeroepen is de moeder niet verschenen.

De beoordeling

De feiten

Uit voornoemde moeder is geboren de minderjarige:

  • -

    [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]

  • -

    .

Moeder heeft na de geboorte van [minderjarige] het besluit genomen hem af te staan ter adoptie. Zij heeft aangegeven geen rol te willen spelen in het leven van [minderjarige] . [minderjarige] heeft een periode in een pleeggezin gewoond en moeder heeft in die periode nauwelijks interesse in hem getoond. Zij heeft geen wens om geïnformeerd te worden over de ontwikkeling van [minderjarige] en er is geen behoefte aan enige vorm van contact. Met ingang van 25 juni 2016 is [minderjarige] bij aspirant-adoptiefouders gaan wonen. Bij beschikking van deze rechtbank van 19 december 2016 is het ouderlijk gezag van de moeder beëindigd en is de Stichting Jeugdbescherming Brabant, vestiging Helmond benoemd tot voogd over [minderjarige] .

Het verzoek

De aspirant-adoptiefouders verzoeken om bij beschikking, de adoptie uit te spreken van [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] als zoon van [moeder] , en daarbij te bepalen dat [minderjarige] na de adoptie de geslachtsnaam [naam] zal dragen en de voornaam van [minderjarige] te wijzigen, zodat hij de voornamen [voornamen] zal dragen.

De aspirant-adoptiefouders voeren aan dat aan alle wettelijke vereisten voor adoptie is voldaan. De aspirant-adoptiefouders willen [minderjarige] stabiliteit en zekerheid bieden voor de toekomst.

Bij gelegenheid van het verhoor hebben de aspirant-adoptiefouders verklaard er voor te kiezen dat de minderjarige de geslachtsnaam [naam] zal dragen. Voorts hebben aspirant-adoptiefouders verklaard dat zij wensen dat [minderjarige] de voornamen [voornamen] zal dragen (roepnaam [minderjarige] ), omdat [naam] de voornaam is van opa (mz). Zo krijgt [minderjarige] naast de achternaam van vaderszijde ook een naam van moederszijde mee. De aspirant-adoptiefouders willen zo tot uitdrukking laten komen dat [minderjarige] door beide families geaccepteerd wordt en hij bij beide families welkom is.

Het verweer

De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen ter zitting, niet verschenen.

Het rapport van de raad

De raad is van onderhavig verzoek in kennis gesteld en heeft in het raadsrapport van [datum] de rechtbank geadviseerd om het verzoek van de aspirant-adoptiefouders toe te wijzen.

Er bestaan geen zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] . De aspirant-adoptiefouders sluiten goed aan bij de behoeften van [minderjarige] op het gebied van hechting. Zij zorgen dat [minderjarige] zich leeftijdsadequaat kan ontwikkelen en signaleren zelf wanneer zij de kinderarts moeten inschakelen. De aspirant-adoptiefouders worden goed in staat geacht om op een positieve manier om te gaan met de mogelijkheid dat er alsnog zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] zouden ontstaan. Indien nodig zijn zij bereid om professionele hulpverlening in te schakelen.

De overwegingen

Het verzoek tot adoptie dient te worden getoetst aan de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 1:227 en 1:228 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de overgelegde stukken blijkt dat de aspirant-adoptiefouders reeds meer dan drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het verzoek hebben samengeleefd. De aspirant-adoptiefouders zijn derhalve ontvankelijk in hun verzoek tot adoptie.

Op grond van lid 3 van artikel 1:227 BW kan het verzoek alleen worden toegewezen, indien de adoptie in het kennelijk belang van het kind is, op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat het kind niets meer van zijn ouder of ouders in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft, en aan de voorwaarden, genoemd in artikel 1:228 BW, wordt voldaan.

In de bij het verzoekschrift gevoegde beschikking van deze rechtbank d.d. [datum] waarbij het ouderlijk gezag van moeder is beëindigd, is overwogen dat de moeder van [minderjarige] gedurende haar zwangerschap reeds bij het [organisatie] te kennen heeft gegeven dat zij het voornemen had tot afstand ter adoptie. Moeder ziet zichzelf niet in staat om voor [minderjarige] te zorgen, omdat de zorg voor haar twee andere kinderen, mede in combinatie met haar werk, al veel van haar vraagt. Moeder is om die reden vanaf het moment dat zij zwanger was geen binding met het kind aangegaan. Dit geldt eveneens voor de periode na de geboorte. Zij wil en kan op dit moment geen rol spelen in het leven van [minderjarige] , ook niet op afstand. De moeder heeft bij het [organisatie] en de raad wel steeds aangegeven dat de minderjarige op een goede plek terecht moet komen. Moeder is zwanger geraakt bij een ontmoeting met een [buitenlandse] man, zodat vader onbekend is en deze geen rol kan innemen in het leven van [minderjarige] .

Het verbaast de rechtbank dat de raad in zijn rapport, ofschoon het om een belangrijk beoordelingscriterium gaat, niet aangeeft of voor de toekomst redelijkerwijs is te voorzien dat [minderjarige] niets meer van zijn moeder in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft.

Ter zitting heeft de raad echter na een vraag van de rechtbank hierover, gesteld dat moeder, ondanks een korte aarzeling, er heel bewust voor heeft gekozen om afstand te doen van [minderjarige] en hem op te geven voor adoptie. Zij zou nog een brief of een kettinkje meegeven voor [minderjarige] , maar heeft dat uiteindelijk toch niet gedaan. Er is geen enkele aanwijzing dat moeder in de toekomst nog contact met [minderjarige] zou nemen.

Gelet op:

  • -

    hetgeen is overwogen in voormelde beschikking van de rechtbank Oost-Brabant,

  • -

    de omstandigheid dat de moeder in kennis is gesteld van de zitting maar niet is verschenen;

  • -

    de omstandigheid dat de moeder in de afgelopen 1,5 jaar geen contact heeft gezocht met [minderjarige] ,

  • -

    de omstandigheid dat de raad hetgeen verzoekers hebben gesteld niet heeft weersproken en zelfs ter zitting heeft bevestigd,

is de rechtbank van oordeel dat op dit moment en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat [minderjarige] niets meer van zijn moeder in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft.

Op grond van de bij het verzoekschrift overgelegde bescheiden staat vast dat:

  • -

    [minderjarige] op de dag van het verzoek minderjarig is;

  • -

    [minderjarige] niet een kleinkind is van de aspirant-adoptiefouders;

  • -

    de aspirant-adoptiefouders tenminste 18 jaar ouder zijn dan [minderjarige] ;

  • -

    geen van de ouders het verzoek tegenspreekt;

  • -

    de aspirant-adoptiefouders [minderjarige] reeds meer dan een jaar hebben verzorgd en opgevoed.

Op het moment van indiening van het verzoek hadden de aspirant- adoptief ouders nog niet aan de laatste voorwaarde voldaan. Het verzoek dateert van 19 mei 2017 en [minderjarige] is op 25 juni 2016 pas bij aspirant -adoptiefouders komen wonen. Hij woont hier inmiddels wel langer dan een jaar. Gezien de tekst van artikel 1:228 lid 1 sub f BW, waarin staat opgenomen dat de adoptanten het kind ten minste een jaar hebben verzorgd en opgevoed, hetgeen hier het geval is, er aan de voorwaarden voor adoptie voldaan.

Ten aanzien van de voorwaarden van artikel 1:228 lid 1 sub d en g BW, inhoudende dat geen der ouders het verzoek tegenspreekt en de ouders niet langer het gezag over de minderjarige hebben, overweegt de rechtbank als volgt.

Nu de moeder, hoewel behoorlijk opgeroepen, het verzoek niet heeft tegengesproken, is naar het oordeel van de rechtbank aan de voorwaarde van artikel 1: 228 lid 1 onder sub d van het Burgerlijk Wetboek voldaan.

Bij de stukken bevindt zich een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van [datum] waarbij het gezag van de moeder over [minderjarige] is beëindigd en de Stichting Bureau Brabant tot voogd is benoemd. De vader heeft nimmer het gezag gehad over [minderjarige] . Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat aan de voorwaarde van artikel 1:228 lid 1 onder sub g BW is voldaan.

De rechtbank is van oordeel dat de verzochte adoptie, op grond van de artikelen 1:227 en

1:228 BW, kan worden toegewezen nu voldoende aannemelijk is geworden dat dit in het kennelijke belang van de minderjarige is en voorts aan alle daartoe door de wet gestelde vereisten is voldaan.

Geslachtsnaam

De rechtbank is van oordeel dat er met de adoptie op basis van de bij deze te geven beschikking sprake is van een adoptie waardoor de minderjarige in familierechtelijke betrekking met de aspirant-adoptiefouders komt te staan, zodat artikel 1:5 lid 3 BW van rechtstreekse toepassing is. Nu de wet evenwel in artikel 1:5 lid 3 BW reeds bepaalt dat in een situatie als de onderhavige het kind de geslachtsnaam van de vader heeft, tenzij de adoptanten gezamenlijk verklaren dat hij de geslachtsnaam van de moeder zal hebben, zal de rechtbank het verzoek afwijzen. Aspirant-adoptiefouders hebben immers geen belang bij hun verzoek nu de door hen gewenste geslachtsnaam reeds uit de wet voortvloeit.

Voornamen

Ingevolge artikel 1:4 lid 4 BW kan de rechter wijziging van de voornamen gelasten op verzoek van de betrokken persoon of zijn wettelijk vertegenwoordiger. De gevraagde voornamen mogen ingevolge artikel 1:4 lid 2 BW niet ongepast zijn of overeenstemmen met bestaande geslachtsnamen, tenzij deze tevens gebruikelijke voornamen zijn.

De rechtbank overweegt verder als volgt.

Voornamen zijn voor een betrokkene een middel om zich binnen zijn of haar familie en in het maatschappelijk verkeer te identificeren. In die zin zijn voornamen een middel van persoonlijke en emotionele identificatie en hebben daarmee betrekking op een ieders privéleven en familie- en gezinsleven. Ondanks het gebruik van andere middelen van identificatie van personen spelen voornamen een belangrijke rol in het maatschappelijk verkeer met betrekking tot de identiteit van personen. Het rechtsverkeer heeft dan ook belang bij een zo hoog mogelijke mate van consistentie in de registratie van persoonsgegevens in het bevolkingsregister. Voor een wijziging van één of meerdere voornamen dient daarom een voldoende zwaarwichtig belang te bestaan.

De rechtbank is van oordeel dat er een voldoende zwaarwichtig belang is bij de wijziging van de voornamen in [voornamen]

Aspirant-adoptiefouders vinden het, om begrijpelijke redenen, fijn om [minderjarige] een naam van henzelf mee te geven. Zij hebben voor Erik gekozen, omdat dit de voornaam is van opa moederszijde. Zo krijgt [minderjarige] een naam van zowel vaderskant (de geslachtsnaam [naam] ) als van moederskant ( [naam] ) mee. Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat [minderjarige] door beide families volledig geaccepteerd wordt en hij bij beide families welkom is.

Nu voorts naar het oordeel van de rechtbank het verzochte niet in strijd is met de in artikel 1:4 lid 2 BW geformuleerde maatstaven zal het verzoek tot wijziging van de voornamen worden toegewezen.

De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

De beslissing

De rechtbank:

spreekt de adoptie uit van de minderjarige:

- [minderjarige] , geboren te Boxmeer op [geboortedatum]

door [adoptiefouder A] en [adoptiefouder B] ;

gelast de wijziging van de voornaam van voornoemde minderjarige van [minderjarige] in:

[voornamen] .

wijst het meer of anders verzochte af;

Deze beschikking is gegeven door mr. Bogaert, rechter, tevens kinderrechter,

en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 28 november 2017.

Conc: PvE

Tegen deze beschikking kan, voor zover het een eindbeslissing betreft, -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch
a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op
andere wijze bekend is geworden.