Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:6663

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
22-12-2017
Datum publicatie
16-04-2018
Zaaknummer
17_ 1415
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering van bijstand en oplegging van een boete. Aan het bestreden besluit ten aanzien van de intrekking en terugvordering kleeft een motiveringsgebrek, maar omdat verweerder alsnog gemotiveerd heeft toegelicht dat de aard, ernst, frequentie en hoeveelheid van de door eiser gepleegde strafbare feiten zodanig zijn dat eiser daaruit inkomsten moet hebben verworven die hij bij zijn aanvraag had moeten melden – en de rechtbank dit gemotiveerde standpunt kan volgen – heeft de rechtbank de rechtsgevolgen in stand gelaten. Ten aanzien van de boete is het bestreden besluit vernietigd voor zover het de hoogte betreft. Verweerder had de hoogte van de boete bij wijzigingsbesluit – voorafgaand aan het bestreden besluit – al verlaagd en ter zitting heeft verweerder zijn standpunt dat sprake is van opzet laten vallen en aangegeven dat sprake is van gewone verwijtbaarheid. Omdat eiser dit niet heeft betwist heeft de rechtbank op grond hiervan met toepassing van artikel 8:72a van de Awb zelf een boete opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 17/1415 en SHE 17/1527

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 december 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.W.G.M. Kral),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch, verweerder

(gemachtigde: mr. K.W.H. Hulsen).

Procesverloop

In zaak SHE 17/1415

Bij besluit van 21 september 2016 (het primaire besluit 1) heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiser beëindigd per 1 juli 2016 en ingetrokken over de periode van 10 december 2014 tot en met 30 juni 2016. Voorts heeft verweerder over genoemde periode een bedrag van € 19.396,08 teruggevorderd van eiser.

Bij besluit van 30 maart 2017 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit 1 ongegrond verklaard.

In zaak SHE 17/1527

Bij besluit van 7 november 2016 (het primaire besluit 2) heeft verweerder aan eiser een boete van € 16.753,17 opgelegd.

Bij besluit van 12 april 2017 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit 2 ongegrond verklaard.

In beide zaken

Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

De zaken zijn gevoegd behandeld ter zitting van 16 november 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. Eiser heeft van 18 maart 2014 tot en met 10 december 2014 in voorlopige hechtenis gezeten. Op 15 december 2014 heeft eiser zich bij verweerders gemeente gemeld voor een bijstandsuitkering. Op 22 december 2014 heeft eiser een aanvraag om een bijstandsuitkering ingediend. In het aanvraagformulier heeft eiser onder meer te kennen gegeven dat hij op

10 december 2014 uit detentie is gekomen en geen inkomsten heeft.

2. Bij besluit van 22 januari 2015 heeft verweerder aan eiser bijstand naar de norm van alleenstaande toegekend per 10 december 2014.

3. Bij vonnis van 4 juli 2016 (parketnummers 01/879340-14 en 01/860511-14) heeft de strafrechter eiser veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar ter zake van

- het tezamen en in vereniging plegen van een gewapende overval te Almere op

14 februari 2014,

  • -

    het medeplegen van opzetheling van een bij genoemde gewapende overval gebruikte personenauto,

  • -

    het medeplegen van bezit van bij genoemde gewapende overval gebruikte wapens (een automatisch vuurwapen en een pistool),

  • -

    en het deelnemen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van onder andere overvallen, inbraken, diefstallen, heling en verboden wapenbezit in de periode van 1 december 2011 tot en met 18 maart 2014.

Beëindiging, intrekking en terugvordering (SHE 17/1415)

4. De rechtbank stelt voorop dat eiser de beëindiging van de bijstandsuitkering per 1 juli 2016 niet heeft betwist.

5. Ten aanzien van de intrekking en terugvordering van de bijstand heeft verweerder zich in het bestreden besluit 1 op het standpunt gesteld dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden. Volgens verweerder had eiser, gelet op de rapportage van een bijstandsconsulent van verweerders gemeente van 22 januari 2015 en het genoemde vonnis van de strafrechter, uit eigen beweging zijn inkomsten en vermogen uit criminele activiteiten moeten melden. Aan die verplichting doet niet af dat eiser bij de aanvraag om bijstand kenbaar heeft gemaakt dat hij kort daarvoor uit detentie is gekomen. Voorts is eiser er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij, indien hij wel aan de inlichtingenplicht zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand zou hebben gehad. Weliswaar zien de strafbare feiten waarvoor eiser is veroordeeld op een andere periode dan waarover de bijstandsuitkering is verstrekt, maar dit laat onverlet dat eiser uit eigen beweging informatie daarover had dienen te verstrekken om het recht op bijstand te kunnen vaststellen. Er bestaat dan ook voldoende grond om over te gaan tot intrekking en terugvordering van de bijstand over de periode van 10 december 2014 tot en met 30 juni 2016, aldus verweerder.

6. Eiser voert aan dat verweerder hem ten onrechte tegenwerpt dat hij bij de indiening van de aanvraag om bijstand in december 2014 informatie had moeten verstrekken over zijn criminele activiteiten.

7. De rechtbank overweegt als volgt.

8. Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand is een belastend besluit waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan in beginsel op verweerder rust.

9. Naar het oordeel van de rechtbank biedt het enkele – op het vonnis van de strafrechter gebaseerde – gegeven dat eiser strafbare feiten heeft gepleegd onvoldoende grondslag om schending van de inlichtingenplicht aan te nemen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder in het besluit van 30 maart 2017 niet gemotiveerd is ingegaan op de bezwaargronden van eiser dat hij geen inkomsten uit die strafbare feiten heeft verworven en dat tussen de strafbare feiten en de aanvraag om bijstand bijna negen maanden waren verstreken. Dat betekent dat verweerder het besluit van 30 maart 2017 in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb heeft genomen. Gelet hierop zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. De rechtbank zal hierna bezien of de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen worden gelaten.

10. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de aard, ernst, frequentie en hoeveelheid van de door hem in de periode van 1 december 2011 tot en met 18 maart 2014 gepleegde strafbare feiten, zoals blijkt uit het strafvonnis, zodanig zijn dat eiser bij zijn aanvraag de inkomsten die hij met strafbare feiten heeft verworven had moeten melden. Verweerder wijst er daarbij op dat eiser in die periode geen te achterhalen ‘witte’ inkomsten heeft gehad. Dat eiser voorafgaande aan de aanvraag om bijstand van 18 maart 2014 tot en met 10 december 2014 in voorlopige hechtenis heeft gezeten, doet aan de verplichting om genoemde inkomsten te melden niet af, omdat eiser in die periode niet op zijn – eventuele – vermogen heeft ingeteerd, aldus verweerder.

11. Eiser heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij uit de criminele activiteiten geen inkomsten heeft gehad. Uit het strafvonnis blijkt niet dat eiser zich heeft verrijkt. Zijn aandeel in de strafbare feiten is veel minder dan de anderen, die ook een (veel) hogere straf hebben gekregen. Voorts was hij vanwege de lange duur van de voorlopige hechtenis niet gehouden om bij de aanvraag meer informatie te verstrekken, aldus eiser.

12. De rechtbank overweegt als volgt.

13. Uit het strafvonnis blijkt dat eiser, bovenop zijn betrokkenheid bij een overval en opzetheling van een auto op 14 februari 2014, in de periode van 1 december 2011 tot en

18 maart 2014 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die als oogmerk had het stelselmatig en planmatig plegen van overvallen op plekken waar hennep werd gekweekt en het plegen van inbraken waarbij kluizen en/of dure personenauto’s konden worden buitgemaakt. Een dergelijke langdurige betrokkenheid bij zulke zware vermogensdelicten rechtvaardigt de veronderstelling dat eiser daaruit aanzienlijke inkomsten heeft verworven. Voor eiser had het dan ook duidelijk moeten zijn dat hij bij de indiening van de aanvraag om bijstand zijn criminele activiteiten had moeten melden.

14. De omstandigheid dat eiser voorafgaand aan de indiening van de aanvraag om bijstand bijna negen maanden in voorlopige hechtenis heeft gezeten leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder is er immers terecht van uitgegaan dat eiser vanwege zijn detentie niet op zijn vermogen heeft hoeven interen. Daarbij betrekt de rechtbank dat bij een detentie van overheidswege in de noodzakelijke kosten van het bestaan wordt voorzien.

15. De rechtbank gaat verder voorbij aan eisers stelling dat hij geen inkomsten uit of in verband met zijn criminele activiteiten heeft ontvangen. Het is immers aan eiser om dat met overtuigende, objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken. Dat in het strafvonnis niet is vastgesteld dat eiser zich heeft verrijkt, is daartoe onvoldoende. De rechtbank wijst er in dat verband op dat in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 februari 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BP5715). Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen inkomsten uit of in verband met zijn criminele activiteiten heeft ontvangen, komen de gevolgen hiervan - namelijk dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld - geheel voor zijn rekening.

16. Gelet op hetgeen hiervoor onder 13 tot en met 15 is overwogen, zal de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit van 30 maart 2017 in stand laten.

Boete (SHE 17/1527)

17. Ter zitting is gebleken dat verweerder bij wijzigingsbesluit van 15 maart 2017 de boete heeft verlaagd naar € 2.328,-. Gelet hierop wordt het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit 2, gelet op het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht mede betrekking te hebben op het wijzigingsbesluit van 15 maart 2017, nu bij dat besluit niet volledig tegemoet is gekomen aan het bezwaar van eiser. Het bestreden besluit 2 wordt geacht te strekken tot ongegrondverklaring van het bezwaar tegen zowel het primaire besluit 2, als het wijzigingsbesluit van 15 maart 2017.

18. Partijen zijn ook ten aanzien van de opgelegde boete verdeeld over de vraag of eiser al dan niet de inlichtingenplicht heeft geschonden.

19. De rechtbank overweegt dat uit de overwegingen 13 tot en met 15 volgt dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden. Verweerder heeft, ook in het kader van het opleggen van een boete, aan de op hem rustende bewijslast voldaan.

20. Voorts heeft verweerder ter zitting zijn standpunt laten vallen dat ten aanzien van de schending van de inlichtingenplicht sprake is van opzet. Verweerder gaat bij deze gedraging bij nader inzien uit van de “gewone” verwijtbaarheid en, wat hem betreft, wordt de boete verder verlaagd naar € 1.164,-. Eiser heeft dit nadere standpunt van verweerder niet betwist.

21. De rechtbank zal, gelet op hetgeen hiervoor is vastgesteld, het beroep gegrond verklaren en het besluit van 12 april 2017 vernietigen voor wat betreft de hoogte van de boete. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72a van de Awb een boete opleggen van
€ 1.164,-.

Proceskosten en griffierechten

22. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder, met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Die proceskosten worden begroot op € 2.970,- (2 maal 1 punt voor het indienen van de bezwaarschriften, 1 punt voor de hoorzitting, 2 maal 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1 en € 495,- per punt).

23. Verder dient verweerder de door eiser betaalde griffierechten in beide beroepen te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1 gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit 1;

  • -

    laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit 1 in stand;

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit 2 wat betreft de hoogte van de boete;

  • -

    legt eiser een boete op van € 1164,- en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit 2;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.970,-;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door eiser in beroep betaalde griffierecht van € 92,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D.M. Michael, voorzitter, en mr. C.T.C. Wijsman en mr. M. van 't Klooster, leden, in aanwezigheid van H.J. Renders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.