Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:6617

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
19-12-2017
Datum publicatie
20-12-2017
Zaaknummer
01/865067-17
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2020:2145, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor mishandelingen van zijn levensgezel, bedreigingen, afpersingen en afdreigingen, poging tot afpersing, het voorhanden hebben van een wapen en munitie en smaadschrift. De rechtbank legt een gevangenisstraf van 3 jaren op met aftrek van het voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren en onder meer de voorwaarde van een contactverbod met de ex-partner. Tevens worden de maatregelen van een contactverbod met de ex-partner en haar ouders en een gebiedsverbod voor de duur van 5 jaar opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/865067-17

Datum uitspraak: 19 december 2017

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] 1962 ,

ingeschreven te [adres verdachte] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats,

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 26 september 2017 en 5 december 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 18 augustus 2017.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 5 december 2017 overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1. hij

op een of meer tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 1 februari 2010 tot en met 12 juni 2017 te Eindhoven, althans in Nederland,

(telkens) zijn levensgezel [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal,

- (met de vuist en/of een golfclub en/of een stok, althans een (hard) voorwerp) op/tegen het hoofd en/of de lip(pen) en/of het gezicht en/of de arm(en) en/of de/het be(e)n(en) en/of de borst(en) en/of de rug, althans het lichaam te slaan en/of te stompen en/of - (met geschoeide voet) op/tegen het lichaam te schoppen en/of te trappen en/of

- (met kracht) aan haar haren te trekken en/of aan haar haren over de grond te slepen en/of

- een kussen op/in het gezicht te duwen en/of geduwd te houden en/of

- een knietje op/tegen het bovenbeen, althans het lichaam te geven en/of een knie tegen het bovenbeen te duwen en/of geduwd te houden en/of - tegen een deur en/of een kast en/of een muur te duwen/gooien en/of

- een (groot) (keuken)mes tegen de keel te zetten/duwen en/of - bij de keel te pakken en/of (stevig) vast te pakken;

2. hij

op een of meer tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 1 februari 2010 tot en met 12 juni 2017 te Eindhoven, althans in Nederland,

(telkens) [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen: - "Als je dat doet, dan sla ik je neus achter in je gezicht, in je hersenen!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking

en/of

door (meermalen) een mes op de keel van die [slachtoffer] te zetten/duwen en/of een bijl in haar nek te plaatsen en/of een voet op de keel van die [slachtoffer] te zetten en/of een geweer op die [slachtoffer] te richten

en/of

door een kussen in het gezicht van die [slachtoffer] te duwen en/of geduwd te houden en/of (daarbij) dreigend de woorden toe te voegen: "Ik hoop dat je nu wel gaat luisteren en dat je doet wat ik zeg zonder tegenspraak, anders wordt het nog erger!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3. hij

op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 februari 2010 tot en met 12 juni 2017 te Eindhoven, althans in Nederland,

met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en) (voor de aankoop van een of meer horloge(s) en/of (motor)kleding en/of een of meer motorhelm(en) en/of een of meer paar (motor)laarzen en/of een bar en/of een biljart en/of een of meer auto('s) en/of een of meer motor(en)), geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer] , althans aan een ander dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte:

- (meermalen) die [slachtoffer] heeft geslagen en/of geschopt en/of aan haar haren getrokken en/of - (meermalen) dreigend tegen die [slachtoffer] gezegd dat hij haar neus achter in haar gezicht en/of in haar hersenen zou slaan als zij al haar inkomsten op zou gaan geven aan de Belastingdienst, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking

en/of

hij

op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 februari 2010 tot en met 12 juni 2017 te Eindhoven, althans in Nederland,

met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met smaad, smaadschrift en/of openbaarmaking van (een) geheim(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en) (voor de aankoop van een of meer horloge(s) en/of (motor)kleding en/of een of meer motorhelm(en) en/of een of meer paar (motor)laarzen en/of een bar en/of een biljart en/of een of meer auto('s) en/of een of meer motor(en)), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer] , althans aan een ander dan aan verdachte, welke bedreiging hierin bestond dat verdachte:

- (meermalen) tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat hij haar opdrachtgevers te kennen zou geven dat zij niet integer zou zijn en/of dat hij ervoor zou zorgen dat zij helemaal geen werk meer zou hebben, als zij niet mee zou werken aan het openen van een zwarte (tweede) bankrekening (waarvan hij de bankpas beheerde en/of het geld wat door haar opdrachtgevers werd gestort opnam en/of voornoemde aankoop/aankopen heeft verricht);

art 317 Wetboek van Strafrecht

4. hij

op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 12 juni 2017 te Eindhoven, althans in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van woning (gelegen aan de [pleegadres] te Eindhoven) en/of een geldbedrag van 100.000 euro, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

die [slachtoffer] (meermalen) heeft geslagen en/of geschopt en/of tegen een kast heeft geduwd en/of een knietje tegen het bovenbeen heeft gegeven en/of een knie tegen het bovenbeen heeft geduwd en/of geduwd gehouden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


5. hij

op of omstreeks 12 juni 2017 te Eindhoven, althans in Nederland,

een wapen van categorie III, te weten een (enkelloops, meerschots, randvuur) kogelgeweer van het merk Winchester, model 9422 Cheyenne (kaliber .22) en/of munitie van categorie III, te weten 2 (randvuur) kogelpatronen (kaliber .22), voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

6. hij

op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 juli 2017 tot en met 28 juli 2017 te Grave en/of Venray en/of Hoogerheide, gemeente Woensdrecht en/of Valkenswaard en/of gemeente Echt-Susteren en/of Boxmeer, althans in Nederland,

(telkens) opzettelijk, door middel van het verspreiden van (een) geschrift(en), de eer en/of de goede naam van [slachtoffer] heeft aangerand door tenlastelegging van een of meer bepaald(e) feit(en), met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven,

immers heeft verdachte met voormeld doel een of meerdere brieven, naar ((een) medewerker(s) van) de gemeente(n) [gemeenten] gestuurd, waarin (onder andere) staat dat die [slachtoffer] (als werknemer van die betreffende gemeente) niet integer heeft gehandeld en/of haar HBO-diploma heeft vervalst en/of persoonsgegevens heeft gelekt en/of heeft gefraudeerd;

(zie brieven op pagina 579 en verder van het proces-verbaal).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in haar vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs ten aanzien van feit 1.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte ontkent aangeefster te hebben mishandeld of te hebben bedreigd en dat de aangifte niet door enig bewijsmiddel wordt ondersteund. Verder heeft hij aangevoerd dat aangeefster over mishandelingen en bedreigingen in zijn algemeen heeft gesproken, maar dat er weinig specifieke voorvallen zijn benoemd. Daarbij vindt de raadsman het opvallend dat aangeefster zo lang heeft gewacht met het doen van aangifte nu de ten laste gelegde mishandelingen over een lange periode zouden zijn gepleegd.

De raadsman heeft aangevoerd dat in de verklaring van [zoon slachtoffer] , de zoon van aangeefster, geen ondersteuning voor de aangifte kan worden gevonden. In zijn verklaring geeft hij, op pagina 269, aan dat hij er weinig van mee heeft gekregen en zegt: “Hier schrok ik wel van want daar wist ik niets van af”. [zoon slachtoffer] heeft voordat hij zijn verklaring aflegde, met zijn moeder gesproken en het is dan ook de vraag wat hij uit eigen wetenschap heeft verklaard en wat hij van zijn moeder heeft gehoord.

Voorts is aangevoerd dat [zoon verdachte] , de zoon van verdachte, dicht bij het vuur zat, maar niets van bedreigingen of mishandelingen heeft meegekregen.

Uit de verklaring van [getuige 3] volgt dat opdrachten door aangeefster werden gegeven en verdachte dus niet de baas was in huis.

[getuige 4] , een collega van aangeefster, heeft slechts een keer gezien dat aangeefster wat vreemd liep. In zijn algemeenheid wordt echter gezegd dat aangeefster een opgewekt en vrolijk persoon is, waaruit de raadsman afleidt dat aangeefster destijds goed heeft gefunctioneerd op haar werk.

Verder is door de verdediging aangevoerd dat aangeefster tweemaal een ongeluk heeft gehad, wat het bij haar geconstateerde letsel kan verklaren. Daarbij wijst de raadsman er op dat de verpleegkundig specialist heeft aangegeven dat de informatie slechts mogelijk te maken zou kunnen hebben met handelingen van verdachte.

Het oordeel van de rechtbank. 1

Bewijsmiddelen.

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen (met uitzondering van feit 5) verwezen naar de uitwerking daarvan in de bijlage die van dit vonnis deel uitmaakt. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

De bewijsoverwegingen.

[slachtoffer] (hierna: aangeefster) heeft aangifte van onder meer mishandeling tegen verdachte gedaan. Zij is meermalen gehoord en heeft daarbij het volgende verklaard. In 2008 heeft ze verdachte leren kennen waarna zij een relatie kregen. Hoewel de relatie in het begin goed ging, veranderde het gedrag van verdachte. De eerste mishandeling heeft in februari 2010 plaatsgevonden. Aangeefster kwam ’s avonds thuis, deed de deur open en zag verdachte direct achter de voordeur staan. Verdachte trok haar toen opzettelijk en met kracht aan haar haren, waardoor zij ten val kwam. Verdachte sleurde haar daarna aan haar haren de woonkamer in. Terwijl zij nog op de grond lag, schopte verdachte met geschoeide voet tegen haar benen en rug. Aangeefster probeerde op te staan, maar doordat verdachte haar met zijn vuisten in haar gezicht sloeg, kon zij niet opstaan. Door de mishandeling had zij overal pijn en was haar gezicht blauw en opgezwollen. Verdachte is haar vanaf dat moment volledig gaan controleren, mishandelen en bedreigen. Zij werd vaak door verdachte mishandeld. Als haar houding of het gesprek dat zij met verdachte voerde, hem niet aanstond, dan werd zij geschopt en geslagen. Zij heeft over een aantal gebeurtenissen een specifieke verklaring afgelegd.

Zo verklaart zij over een incident in december 2013. Buiten werd vuurwerk afgestoken. Verdachte maakte zich hier boos over, omdat zijn honden er bang van waren. Aangeefster zei tegen verdachte dat zij er niets aan kon doen en dat verdachte moest proberen om zich een paar dagen in te houden en dit te accepteren. Verdachte begon toen tegen haar te schreeuwen. Ondertussen liep verdachte naar de keuken en pakte een keukenmes uit het messenblok, waarna hij met het mes in zijn hand naar aangeefster toe kwam lopen. Verdachte duwde het mes hard tegen haar keel aan. Aangeefster voelde dat het mes in haar keel sneed. Toen verdachte ermee stopte en wegliep, is aangeefster naar de badkamer gelopen. Daar zag ze dat ze een wond op haar keel zat en stelpte ze het bloeden.

Ook heeft aangeefster verklaard over een incident op 3 april 2017 toen zij samen met verdachte en [getuige 3] in hun woning aanwezig was. Zij was samen met verdachte in haar slaapkamer. Verdachte was boos en duwde haar met kracht tegen de deuren van de kledingkast aan. Hij gaf haar daarna een knietje tegen haar linker bovenbeen, direct boven haar knie. Vervolgens gaf hij haar een knietje tegen haar rechter bovenbeen. Ze voelde direct dat er iets goed mis was met haar linker bovenbeen en -knie. Ongeveer drie weken later is zij naar de huisarts gegaan en heeft ze verteld dat verdachte haar had mishandeld. Ze is doorgestuurd naar het ziekenhuis. Daar is een echo gemaakt en is geconstateerd dat haar bovenbeenspier was gescheurd.

Ook heeft aangeefster verklaard over een situatie van begin 2017. Zij zat op bed. Verdachte kwam de slaapkamer binnen en ging op haar benen zitten. Hij had een e-mail van haar collega gelezen en was daar boos om. Verdachte pakte een kussen en duwde dat met kracht tegen haar gezicht. Verdachte bleef het kussen tegen haar gezicht drukken, waardoor zij geen adem meer kreeg en in paniek raakte. Op enig moment liet verdachte het kussen los en zei tegen haar: “Ik hoop dat je nu wel gaat luisteren en dat je doet wat ik zeg zonder tegenspraak, anders wordt het nog erger!”

Verder heeft aangeefster verklaard dat verdachte haar een keer in haar gezicht had geslagen, waardoor zij een gat in haar bovenlip had. Zij is toen naar de huisarts gegaan om de wond te laten hechten.

De laatste keer dat zij door verdachte is mishandeld was op 12 juni 2017. Zij kwam thuis uit haar werk en verdachte sloeg meteen de deur achter haar dicht. Hij vroeg haar waarom ze haar telefoon niet had opgenomen. Opeens trok verdachte haar shirt kapot. Verdachte duwde haar tegen de deur. Aangeefster opende de deur en rende weg. Verdachte kwam haar achterna en haalde haar in. Hij gooide haar opzettelijk en met kracht tegen de muur. Ze heeft daardoor pijn aan haar schouder en pink gekregen. Ze is direct daarna naar het politiebureau gerend en heeft aangifte tegen verdachte gedaan.

Aangeefster heeft verklaard dat ze in al die jaren - uit angst - geen aangifte tegen verdachte heeft durven doen. Om haar verhaal kwijt te kunnen heeft zij wel enkele brieven aan verbalisant [verbalisant] gestuurd, waarin zij aangaf wat haar overkwam.

Uit het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] blijkt dat hij brieven d.d.

16 augustus 2012, 17 augustus 2012, 10 oktober 2012, 1 november 2012, 11 januari 2013, april 2017 en 12 juni 2017 van aangeefster heeft ontvangen. Deze brieven zijn aan het dossier toegevoegd.

De rechtbank vindt in deze brieven steun voor de aangifte. In deze brieven schrijft aangeefster - op meerdere momenten in de afgelopen jaren - dat zij veelvuldig door verdachte werd mishandeld, bedreigd en afgeperst. Hoewel de brieven wel uit dezelfde bron, namelijk van aangeefster, afkomstig zijn, staat dit er niet aan in de weg dat de brieven wel als steunbewijs kunnen dienen, te meer nu deze zijn opgemaakt – een aantal zelfs geruime tijd – voordat aangeefster aangifte heeft gedaan.

Daarbij komt voorts dat de rechtbank – anders dan de verdediging – van oordeel is dat de verklaringen van aangeefster op essentiële punten door voldoende (objectieve) andere bewijsmiddelen worden ondersteund.

Zo heeft aangeefster verklaard dat verdachte, voorafgaand aan de mishandeling op

12 juni 2017, haar shirt kapot heeft getrokken. Direct na de mishandeling is aangeefster naar het politiebureau gegaan. De verbalisant die de aangifte heeft opgenomen, heeft geconstateerd dat haar shirt kapot getrokken shirt was. Daarbij zijn door de politie tevens foto’s genomen, welke aan het dossier zijn toegevoegd, waaruit blijkt dat aangeefster blauwe plekken op haar lichaam had, waaronder op haar linker hand/pink.

Daarnaast bevindt zich medische informatie in het dossier, die de verklaring van aangeefster op verschillende punten ondersteunt. Aangeefster heeft verklaard dat verdachte haar bij de mishandeling op 12 juni 2017 letsel aan haar schouder en pink heeft toegebracht. Uit een medische verklaring d.d. 13 juni 2017 volgt dat bij onderzoek kneuzingen aan haar rechterschouder en linkerpink zijn geconstateerd.

Ook bevindt zich informatie uit aangeefsters patiëntendossier van de huisarts in het dossier. Hierin staat vermeld dat aangeefster in oktober 2011 met een wond boven haar lip bij de waarnemend arts is geweest. Aangetekend is dat aangeefster toen aangaf dat dit letsel haar door haar partner was toegebracht. Het patiëntendossier vermeldt voorts dat aangeefster in juli 2012 met volleyballen een knie tegen het bovenbeen had gehad. De rechtbank stelt vast dat aangeefster in haar brief aan verbalisant [verbalisant] d.d. 16 augustus 2012 heeft geschreven dat ze op 4 juli van verdachte een knie had gekregen, ze enorme pijn had, naar de huisarts was gegaan en aan hem heeft verklaard dat dit was gebeurd bij een wedstrijd handbal. Verder is een aantekening gemaakt van een consult dat op 14 april 2017 met de coassistent heeft plaatsgevonden. Opgetekend is dat aangeefster last had van haar linkerknie en bovenbeen na een mishandeling door haar partner. Zij had forse blauwe plekken.

Daarnaast wordt de verklaring van aangeefster ook ondersteund door de verklaring van [getuige 1] , de moeder van verdachte. Zij heeft verklaard dat zij een keer heeft gezien dat de arm van aangeefster helemaal blauw was; aangeefster zou haar toen hebben verteld dat verdachte haar dit letsel had toegebracht.

Ook wordt de verklaring van aangeefster ondersteund door de verklaring van haar zoon [getuige 2] . Hij heeft verklaard dat hij in de afgelopen zeven jaren meerdere keren heeft gezien dat zijn moeder door verdachte werd mishandeld. Ook heeft hij verklaard over een incident waarbij hij zelf een keer door verdachte is geslagen toen hij op school het cijfer één had gehaald. Ter terechtzitting heeft verdachte aangegeven dat hij [getuige 2] inderdaad eens heeft geslagen toen hij een één had gehaald. [getuige 2] heeft hierover voorts verklaard dat aangeefster hem toen had geprobeerd te beschermen, waarna zij “de volle laag” kreeg. Daarnaast heeft [getuige 2] verklaard dat hij regelmatig blauwe plekken op het lichaam van zijn moeder heeft gezien en heeft gezien dat ze moeilijk liep.

De rechtbank is van oordeel dat uit de verklaring van [zoon slachtoffer] volgt dat hij uit eigen waarneming over de mishandelingen heeft verklaard. De rechtbank is hierbij van oordeel dat het door de raadsman aangehaalde citaat: “Hier schrok ik wel van want daar wist ik niets van af”, gelet op het bovenstaande en in aanmerking genomen de tekst van de verklaring van [zoon slachtoffer] , niet ziet op de mishandelingen, maar op de verkrachtingen, waarover zijn moeder bij de politie heeft verklaard.

Tot slot wordt de verklaring van aangeefster over de mishandelingen ondersteund door de verklaring van [getuige 3] . Hij heeft verklaard dat hij medio januari 2017 bij aangeefster en verdachte is gaan wonen. In het begin van zijn verblijf zat hij een keer in de woonkamer en hadden aangeefster en verdachte ruzie over hem in de keuken. Hij rende toen naar de keuken en zag dat verdachte aangeefster sloeg. Aangeefster toonde hem ook een keer een blauwe plek op haar been en vertelde dat verdachte haar deze had toegebracht.

Ook hoorde hij een keer - kort voordat hij in mei 2017 is verhuisd naar een andere woning - een ruzie tussen aangeefster en verdachte. Verdachte en aangeefster waren toen boven. Verdachte was boos op aangeefster. [getuige 3] hoorde geschreeuw en verklaart dat het een extreme ruzie was. De rechtbank stelt vast dat dit past bij de verklaring van aangeefster, inhoudende dat verdachte in april 2017 kwaad op haar was en haar toen in de slaapkamer heeft mishandeld.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het verhoor van [getuige 3] nog dat verbalisanten expliciet hebben gerelateerd hoe een en ander met de tolk en het vertolken is verlopen. Juist doordat er veel aandacht voor een juiste vertaling is geweest, ziet de rechtbank in dit geval geen enkele aanleiding te veronderstellen dat de verklaring van [getuige 3] door een foutieve vertaling of miscommunicatie onjuist is weergegeven in het proces-verbaal van zijn verhoor, zoals door verdachte ter zitting aangevoerd.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande en de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster, toen zijnde zijn levensgezel, meerdere malen heeft mishandeld in de ten laste gelegde periode.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het slaan van aangeefster met een golfclub, stok of hard voorwerp. Hoewel aangeefster hier melding van maakt in haar brief aan [verbalisant] d.d. 16 augustus 2012, heeft zij hier tegenover de verhorende verbalisanten niet verklaard dat verdachte haar ook op die wijze heeft mishandeld, noch blijkt zulks uit enig ander bewijsmiddel. De overige ten laste gelegde handelingen acht de rechtbank wel bewezen.

Bewijs ten aanzien van feit 2.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft op zelfde gronden als bij feit 1 een vrijspraak van feit 2 bepleit.

Het oordeel van de rechtbank.

Aangeefster heeft verklaard dat verdachte haar heeft bedreigd door tegen haar te zeggen: “Als je dat doet, dan sla ik je neus achter in je gezicht, in je hersenen” en door een mes op haar keel te zetten. Zij heeft ook verklaard dat verdachte een tijdje een kussen op haar gezicht heeft geduwd en daarna heeft gezegd: “Ik hoop dat je nu wel gaat luisteren en dat je doet wat ik zeg zonder tegenspraak, anders wordt het nog erger!” Deze bedreigingen zijn niet door getuigen gehoord of gezien.

De verklaring van aangeefster over de mishandelingen zoals bij feit 1 weergegeven wordt door meerdere bewijsmiddelen ondersteund. Gelet hierop, en in aanmerking genomen dat bedreigingen als de onderhavige naadloos passen bij de bewezen geachte mishandelingen, ziet de rechtbank geen enkele aanleiding om aan het deel van de verklaring van aangeefster dat betrekking heeft op de bedreigingen te twijfelen. De rechtbank ziet dan ook voldoende steun voor dit feit in de bij feit 1 genoemde bewijsmiddelen. De rechtbank wijst hierbij in het bijzonder ook op de brieven die aangeefster aan verbalisant [verbalisant] heeft verstuurd d.d. 10 oktober 2012, 16 augustus 2012, 11 januari 2013 en april 2017 waarin aangeefster melding maakt van bedreigen die verdachte jegens haar geuit heeft.

De rechtbank acht dan ook voldoende bewijs voor de bedreigingen aanwezig. Dat voor de bedreigingen geen direct bewijsmiddel naast de verklaring van aangeefster is, doet hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan af; voldoende is dat de verklaring van aangeefster op andere essentiële punten door andere bewijsmiddelen wordt ondersteund.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster heeft bedreigd door haar een mes op de keel te zetten, een kussen in haar gezicht te drukken en daarbij te zeggen dat hij hoopt dat ze nu wel gaat luisteren en zonder tegenspraak doet wat hij zegt, want anders wordt het nog erger. Daarnaast acht de rechtbank bewezen dat verdachte aangeefster heeft bedreigd door tegen haar te zeggen dat hij haar neus achter in haar gezicht, in haar hersenen zal slaan als ze iets zou doen.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het bedreigen van aangeefster door het plaatsen van een bijl in haar nek, het zetten van een voet op haar keel en het richten van een geweer op haar. Dit omdat aangeefster enkel in haar brieven aan [verbalisant] heeft aangegeven dat verdachte dit heeft gedaan, maar dit blijkens de processen-verbaal van aangifte en processen-verbaal van verhoor niet tegenover de verbalisanten heeft verklaard en dit evenmin blijkt uit andere bewijsmiddelen. De rechtbank ziet voor dat deel van de tenlastelegging dan ook onvoldoende bewijs.

Bewijs ten aanzien van feit 3.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het onder 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft vrijspraak voor feit 3 bepleit.

De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat uit de verklaring van aangeefster volgt dat zij zelf haar facturen maakte en de administratie deed. Ook is aangevoerd dat de relatie tussen verdachte en aangeefster – gelet op de door de verdediging ingebrachte foto’s – gezellig lijkt. Op een van de foto’s is aangeefster pontificaal, lachend, zittend op de Harley Davidson te zien. Verdachte reed zelf niet op die motor en de verdediging vraagt zich dan ook af welk belang verdachte er bij zou hebben om een Harley Davidson te kopen. De verdediging heeft opgemerkt dat aangeefster in die jaren veel momenten had waarop ze “nee” had kunnen zeggen als ze dingen niet had gewild.

De verdediging heeft aangevoerd dat gezien de bepleite vrijspraak voor de feiten 1 en 2 niet bewezen kan worden dat verdachte aangeefster door mishandelingen of bedreigingen heeft gedwongen tot de afgifte van goederen. Daarbij heeft verdachte verklaard dat de aankopen in goed overleg gingen.

Het oordeel van de rechtbank.

Aangeefster heeft verklaard dat verdachte haar door geweld, door bedreiging met geweld en door bedreiging met smaad(schrift) heeft gedwongen tot de afgifte van geld aan verdachte. Voor een uitgebreidere weergave van haar verklaring hieromtrent, verwijst de rechtbank naar de bewijsbijlage bij dit vonnis. Aangeefster heeft ook verklaard dat zij door verdachte werd gedwongen om twee zakelijke rekeningen te openen. Op beide rekeningen moest een deel van de inkomsten worden gestort; de inkomsten van de ene bankrekening mocht aangeefster aan de belastingdienst opgeven, de inkomsten die op de andere rekening binnenkwamen niet. Haar geld dat op de “zwarte” rekening werd gestort, werd door verdachte uitgegeven.

Verdachte heeft volgens aangeefster van haar geld onder andere horloges, motorkleding, motorhelmen, auto’s en motoren gekocht. Zij heeft verdachte geen toestemming gegeven om gebruik te maken van haar geld of van haar bankrekeningen; hij heeft alles zonder haar toestemming gekocht.

Verdachte heeft verklaard dat hij spullen heeft gekocht van het geld dat aangeefster had verdiend. Hij heeft daarbij aangegeven dat alles in goed overleg ging en dat hij geen aankopen zonder toestemming van aangeefster heeft verricht.
De rechtbank ziet in de hierna volgende bewijsmiddelen echter steun voor wat aangeefster hierover heeft verklaard, namelijk dat dit zonder haar toestemming gebeurde en dat aangeefster gedwongen werd.

Zo heeft [getuige 3] verklaard dat verdachte een keer een auto van € 40.000,- had gekocht en dat aangeefster dat niet goed vond. Aangeefster werd hier kwaad over, waarna verdachte zei dat het zijn geld was en dat hij daarmee deed wat hij wilde.

Ook de verklaring van [zoon slachtoffer] ondersteunt de verklaring van aangeefster. Hij verklaart dat hij er van op de hoogte was dat zijn moeder financieel benadeeld werd door verdachte. Daarnaast heeft hij verklaard dat verdachte dagelijks iets kocht - ook dure

spullen - en dat verdachte dit altijd met aangeefsters geld betaalde. Ook heeft hij verklaard dat verdachte twee bankpassen van aangeefster had en dat de financiële uitgaven altijd via verdachte liepen.

Daarbij wordt de verklaring van aangeefster - voor zover het over de mishandelingen gaat, zoals bij feit 1 weergegeven - door meerdere bewijsmiddelen ondersteund. Gelet hierop ziet de rechtbank geen enkele aanleiding om aan het deel van de verklaring van aangeefster dat toeziet op de gedwongen afgifte van geld aan verdachte te twijfelen en ziet de rechtbank steun voor dit feit in de bij feit 1 genoemde bewijsmiddelen.

In het voorgaande is de rechtbank al tot het oordeel gekomen dat verdachte aangeefster heeft mishandeld en bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling.


Door de mishandelingen, de bedreigingen met geweld en de bedreiging met smaad(schrift) heeft verdachte een situatie gecreëerd waarin aangeefster werd gedwongen om te doen wat verdachte wilde en om haar geld aan verdachte af te geven dan wel toe te zien hoe verdachte zich dit geld - haar geld - toe-eigende; door de situatie die verdachte had gecreëerd was zij niet bij machte om hier verandering in te brengen.

Kortom, de rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte aangeefster heeft afgeperst en afgedreigd door haar te mishandelen en te bedreigen met geweld en smaad(schrift).

Bewijs ten aanzien van feit 4.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het onder 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de verklaring van aangeefster niet wordt ondersteund. De raadsman wijst er op dat kandidaat-notaris [notaris] niets vreemds aan de transactie vond. Ook wijst de raadsman er op dat [zoon verdachte] heeft verklaard dat hij geen reden had om enige twijfel te hebben bij de legitimiteit van de transactie.

Verdachte heeft verklaard dat de verkoop van de woning in goed overleg ging en dat de woning zou worden verkocht om de kosten te drukken; aangeefster had een hoge hypotheekrente en dat kon door de verkoop en het vervolgens terugkopen van de woning worden opgelost.

Het oordeel van de rechtbank.

Aangeefster heeft verklaard dat verdachte haar - met geweld - heeft geprobeerd te dwingen haar woning aan verdachtes zoon te verkopen en om hem, zijn zoon, € 100.000,- te schenken. De verkoop is echter niet doorgegaan, omdat zij een paar dagen voordat ze bij de notaris de akte zouden tekenen, aangifte tegen verdachte heeft gedaan en de verkoop heeft afgeblazen.

De rechtbank ziet, net zoals bij de feiten 2, 3 en 4, voldoende steun voor de verklaring van aangeefster, aangezien deze over de feiten 1, 3 en 4 op essentiële punten door andere bewijsmiddelen wordt ondersteund. Daarnaast bevindt zich ten aanzien van dit feit nog een objectief bewijsmiddel in het dossier en dat is de verklaring van kandidaat-notaris [notaris] . Hij heeft verklaard dat hij in verband met de verkoop van de woning telefonisch contact met aangeefster heeft gehad en aangeefster heeft hem toen verteld dat ze haar woning moest verkopen.

De rechtbank hecht gelet op de bewijsmiddelen volstrekt geen geloof aan de verklaring van verdachte dat alles in goed overleg zou zijn gegaan. Daarbij is van belang dat verdachte wisselend heeft verklaard over de achtergrond van de verkoop van de woning en de precieze reden van de gekozen constructie bij verkoop van de woning.

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft geprobeerd om aangeefster te dwingen haar woning aan zijn zoon te verkopen en om zijn zoon een ton te schenken. Ook hier had verdachte door de mishandelingen een zodanige situatie gecreëerd, dat aangeefster zich door dat geweld gedwongen voelde om hieraan mee te werken. Dat de verkoop van de woning en de schenking van het geld uiteindelijk niet zijn doorgegaan, was niet van de wil van verdachte afhankelijk; aangeefster heeft kort voordat de akte bij de notaris zou worden getekend aangifte gedaan en heeft zich op dat moment uit de verkoop durven terug te trekken.

Bewijs ten aanzien van feit 5.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het onder 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

Verdachte heeft dit feit bekend. De raadsman heeft zich ten aanzien van dit feit aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht op grond van het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisanten]2, het proces-verbaal onderzoek wapen3, alsmede gelet op de bekennende verklaring van verdachte4, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte - kort gezegd - een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad.

Bewijs ten aanzien van feit 6.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het onder 6 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

Verdachte heeft bekend de brieven te hebben gestuurd. De raadsman heeft zich ten aanzien van dit feit aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.

Het oordeel van de rechtbank.

Aangeefster heeft aangifte gedaan van onder meer smaad. Zij heeft verklaard dat verdachte brieven naar haar opdrachtgevers heeft gestuurd en dat zij zich hierdoor en door de gevolgen die dit voor haar heeft gehad ernstig in haar eer en goede naam voelt aangetast.

De brieven die verdachte heeft verzonden bevinden zich in het dossier. Het betreffen brieven gericht aan de [gemeenten] In deze brieven wordt aangegeven dat aangeefster niet integer heeft gehandeld, dat zij haar HBO-diploma heeft vervalst, dat zij persoonsgegevens heeft gelekt en dat zij heeft gefraudeerd.

Verdachte heeft verklaard deze brieven te hebben geschreven.

Verdachte heeft volgens aangeefster haar er middels bedreigingen en mishandelingen toe gedwongen om een deel van haar inkomsten niet aan de belastingdienst op te geven en hierover geen belasting te betalen. Verdachte heeft hier geen melding van gemaakt in zijn brieven. Bij enkele brieven heeft hij weliswaar een deel van de verklaring van aangeefster bijgevoegd, maar niet de gehele verklaring; het deel van de verklaring waarin zij aangeeft hiertoe door verdachte te zijn gedwongen heeft verdachte niet meegestuurd naar de gemeenten. Verdachte heeft aldus een verkeerde, althans onvolledige voorstelling van zaken gegeven. Ook indien verdachte van mening is dat hij haar niet heeft gedwongen zo te handelen had hij dit gedeelte van haar verklaring niet mogen weglaten, nu het de kern ervan raakt. Het achterwege laten getuigt van grote onzorgvuldigheid waardoor een ander voorzienbaar wordt geraakt in haar goede naam.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat waar verdachte over het frauderen in de brieven schrijft, sprake is van smaadschrift. Verdachte had naar het oordeel van de rechtbank ook het opzet om de eer en goede naam van aangeefster aan te randen; zijn verweer dat hij dit opzet niet had en enkel het algemeen belang voor ogen had, verwerpt de rechtbank. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat verdachte dit opzettelijk heeft gedaan om de eer en goede naam van aangeefster aan te randen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte dan wel opgesomde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1. op tijdstippen in de periode van 1 februari 2010 tot en met 12 juni 2017 te Eindhoven,

telkens zijn levensgezel [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal,

- met de vuist tegen het hoofd en/of de lip en/of het gezicht en/of de armen en/of de benen en de borsten, te slaan en/of - (met geschoeide voet) tegen het lichaam te schoppen en/of

- (met kracht) aan haar haren te trekken en/of aan haar haren over de grond te slepen en/of

- een kussen op/in het gezicht te duwen en geduwd te houden en/of

- een knietje op/tegen het bovenbeen te geven en/of een knie tegen het bovenbeen te duwen en geduwd te houden en/of - tegen een deur en/of een kast en/of een muur te duwen/gooien en/of

- een keukenmes tegen de keel te zetten/duwen en/of - bij de keel te pakken en/of vast te pakken;

2. op tijdstippen in de periode van 1 februari 2010 tot en met 12 juni 2017 te Eindhoven,

telkens [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen: "Als je dat doet, dan sla ik je neus achter in je gezicht, in je hersenen!" en door een mes op de keel van die [slachtoffer] te zetten/duwen en door een kussen in het gezicht van die [slachtoffer] te duwen en/of geduwd te houden en daarbij dreigend de woorden toe te voegen: "Ik hoop dat je nu wel gaat luisteren en dat je doet wat ik zeg zonder tegenspraak, anders wordt het nog erger!"

3. op tijdstippen in de periode van 1 februari 2010 tot en met 12 juni 2017 te Eindhoven,

met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van geldbedragen (voor de aankoop van horloges en/of motorkleding en/of motorhelmen en/of motorlaarzen en/of een bar en/of een biljart en/of auto's en/of motoren), toebehorende aan die [slachtoffer] , welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte:

- meermalen die [slachtoffer] heeft geslagen en/of geschopt en/of aan haar haren getrokken en/of

- dreigend tegen die [slachtoffer] gezegd dat hij haar neus achter in haar gezicht en/of in haar hersenen zou slaan als zij al haar inkomsten op zou gaan geven aan de Belastingdienst

en

op tijdstippen in de periode van 1 februari 2010 tot en met 12 juni 2017 te Eindhoven, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met smaad, smaadschrift en/of openbaarmaking van geheimen [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van geldbedragen (voor de aankoop van horloges en/of motorkleding en/of motorhelmen en/of motorlaarzen en/of een bar en/of een biljart en/of auto('s) en/of motoren), toebehorende aan die [slachtoffer] , welke bedreiging hierin bestond dat verdachte: meermalen tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat hij haar opdrachtgevers te kennen zou geven dat zij niet integer zou zijn en dat hij ervoor zou zorgen dat zij helemaal geen werk meer zou hebben, als zij niet mee zou werken aan het openen van een zwarte (tweede) bankrekening (waarvan hij de bankpas beheerde en het geld dat door haar opdrachtgevers werd gestort opnam en voornoemde aankopen heeft verricht);

4. op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 12 juni 2017 te Eindhoven, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld

[slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van de woning gelegen aan de [pleegadres] te Eindhoven en een geldbedrag van 100.000 euro, toebehorende aan [slachtoffer] , die [slachtoffer] heeft geslagen en/of geschopt en/of tegen een kast heeft geduwd en/of een knietje tegen het bovenbeen heeft gegeven en/of een knie tegen het bovenbeen heeft geduwd en/of geduwd gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5. op 12 juni 2017 te Eindhoven een wapen van categorie III, te weten een (enkelloops, meerschots, randvuur) kogelgeweer van het merk Winchester, model 9422 Cheyenne (kaliber .22) en munitie van categorie III, te weten 2 (randvuur) kogelpatronen (kaliber .22), voorhanden heeft gehad;

6. op tijdstippen in de periode van 1 juli 2017 tot en met 28 juli 2017 in Nederland, telkens opzettelijk, door middel van het verspreiden van geschriften, de eer en/of de goede naam van [slachtoffer] heeft aangerand door tenlastelegging van bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft verdachte met voormeld doel brieven, naar ((een) medewerker(s) van) de [gemeenten] gestuurd, waarin staat dat die [slachtoffer] (als werknemer van die betreffende gemeente) heeft gefraudeerd.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist ten aanzien van de feiten 1 tot en met 5 een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren, waaraan bijzondere voorwaarden zouden moeten gekoppeld, inhoudende een contactverbod met aangeefster en haar ouders, en met het verbod om zich binnen een straal van 100 meter bij de woning van aangeefster te bevinden, en met een locatieverbod bij de woning van haar ouders.

Tevens eist de officier van justitie om deze contactverboden en locatieverboden bij afzonderlijke maatregelen ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op te leggen, voor de duur van 5 jaren, met een vervangende hechtenis van 6 weken per overtreding.

De officier van justitie verzoekt om de dadelijke uitvoerbaarheid van deze bijzondere voorwaarden en deze maatregelen op te leggen.

Daarnaast verzoekt de officier van justitie om het in beslag genomen wapen en de munitie te onttrekken aan het verkeer.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft een vrijspraak voor de feiten 1 tot en met 4 bepleit. De raadsman heeft aangevoerd dat in dat geval met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest kan worden volstaan in combinatie met een taakstraf.

De raadsman heeft verder aangevoerd dat zelfs bij een veroordeling voor alle feiten, de eis veel te fors is.
De raadsman heeft aangevoerd van mening te zijn dat oplegging van de maatregelen voor één of hooguit twee jaren voldoende is, aanzien zijn cliënt heeft aangegeven dat de banden met aangeefster zijn doorgesneden.

Ook heeft de raadsman erop gewezen dat de dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregelen kan worden bepaald.

De raadsman heeft verder aangevoerd dat blijkens de wet de vervangende hechtenis in totaal maximaal 6 maanden mag bedragen en verzoekt de rechtbank om bij oplegging van de maatregelen expliciet te overwegen dat de vervangende hechtenis maximaal 6 maanden is.

De raadsman heeft verzocht om het bij een veroordeling te zoeken in een voorwaardelijk strafdeel, waaraan bijzondere voorwaarden kunnen worden verbonden.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zijn levensgezel jarenlang veelvuldig mishandeld en bedreigd. Ook heeft hij haar door afpersing en afdreiging veel geld afhandig gemaakt. Verdachte kocht van het geld dat hij haar afhandig maakte kleding, meerdere auto’s, dure motoren, horloges, een bar en biljart, en meer. Ook heeft verdachte met geweld geprobeerd om aangeefster ertoe te bewegen haar woning aan zijn, verdachtes, zoon te verkopen en om € 100.000,- aan zijn zoon te schenken. Uit de aangifte, maar ook uit de verklaring van het slachtoffer ter terechtzitting, volgt dat zij jarenlang in angst en onderdrukking heeft geleefd; uit angst voor represailles van verdachte, in de richting van haar of haar familie, had zij het idee dat zij geen kant op kon en niets anders kon doen dan de mishandelingen, bedreigingen, vernederingen te ondergaan en toe te zien hoe verdachte al haar geld er doorheen joeg. Op 12 juni 2017, na de zoveelste mishandeling, is aangeefster in paniek naar het politiebureau gerend en heeft zij aangifte tegen verdachte durven doen.

Aangeefster had zich veilig moeten kunnen voelen in haar eigen huis en in haar relatie. Maar in plaats van aan dat gevoel van veiligheid en aan haar veiligheid bij te dragen, heeft verdachte daar op grove wijze inbreuk op gemaakt. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van dit soort feiten daar nog lang psychische gevolgen van kunnen ondervinden. Uit de verklaring van het slachtoffer blijkt ook dat het feit grote impact op haar heeft gehad en

- ondanks dat het inmiddels aanzienlijk beter met haar gaat - nog steeds heeft. Verdachte heeft zich volstrekt niet bekommerd om de gevoelens en het welzijn van het slachtoffer; hij heeft haar mishandeld en bedreigd en heeft dat onder meer gedaan om haar te dwingen om haar geld aan hem af te staan, zodat hij en zijn zoon in luxe konden leven.

Zelfs toen verdachte gedetineerd zat heeft hij aangeefster niet met rust gelaten; vanuit het huis van bewaring heeft hij brieven aan (toenmalige) opdrachtgevers van het slachtoffer gestuurd, waarin hij haar beticht van frauderen, waardoor verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan smaadschrift.

Naast al deze feiten heeft verdachte ook nog een vuurwapen met bijbehorende munitie voorhanden gehad.

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij in 2014 in oktober is veroordeeld voor een mishandeling met oplegging van een taakstraf en in december van datzelfde jaar opnieuw is veroordeeld voor een mishandeling met oplegging van een geldboete.

De rechtbank is van oordeel dat, mede gezien de lange periode waarin de feiten hebben plaatsgevonden en gezien de ernst en veelheid van de feiten, in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf houdt de rechtbank er rekening mee dat enkele componenten van de mishandeling en de bedreiging zowel bij de feiten 1 en 2 (mishandeling en bedreiging) als bij de feiten 3 (afpersing en afdreiging) en/of 4 (poging tot afpersing) bewezen worden verklaard. De rechtbank zal hier bij het bepalen van de straf rekening mee houden, zodat eenzelfde handeling van verdachte niet dubbel wordt bestraft.

De rechtbank zal verdachte - alles overwegende - een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren opleggen waarvan 1 jaar voorwaardelijk. De rechtbank wil verdachte er met een fors voorwaardelijk strafdeel van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Bovendien acht de rechtbank van belang dat als bijzondere voorwaarden een contactverbod met aangeefster en met haar ouders wordt opgelegd, en dat verdachte zich niet binnen een straal van 100 meter van de woning van aangeefster mag bevinden. Om verdachte er toe te bewegen om zich aan de voorwaarden te houden, acht de rechtbank een fors voorwaardelijk strafdeel nodig als stevige stok achter de deur.

De rechtbank is voorts van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meerdere personen. De rechtbank zal verdachte dan ook een proeftijd van 5 jaren opleggen. Om diezelfde reden zal de rechtbank bepalen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

De rechtbank acht het voorts ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten nodig dat het hiervoor genoemde contactverbod en locatieverbod als afzonderlijke maatregelen (ex artikel 38v Sr) aan verdachte worden opgelegd, beide voor de duur van 5 jaren. Zowel bij de maatregel van het contactverbod als bij de maatregel van het locatieverbod bepaalt de rechtbank de vervangende hechtenis op 6 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. De rechtbank is van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich in ieder geval belastend zal gedragen naar een bepaald persoon of bepaalde personen toe. Om die reden zal de rechtbank dan ook bepalen dat bovengenoemde maatregelen dadelijk uitvoerbaar zijn.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft verzocht om de vordering van de benadeelde partij geheel toe te wijzen, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel en vermeerderd met de wettelijke rente.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft aangevoerd dat bij een veroordeling voor de feiten 1, 2, 3 of 4 de gevorderde reiskosten en kosten van bereddering toewijsbaar zijn.

De gevorderde schade van € 300,- die verdachte van haar rekening zou hebben opgenomen om – zonder haar toestemming – een lamp van te kopen, acht de raadsman niet toewijsbaar, omdat dit slechts wordt gesteld, niet wordt onderbouwd, en overigens ook wordt betwist. De raadsman verzoekt de rechtbank om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in dat deel van de vordering dan wel de vordering voor dat deel af te wijzen.

De raadsman heeft verzocht om de gevorderde immateriële schadevergoeding fors te beperken.

Beoordeling. De rechtbank acht € 600,39 toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte materiële schade. Dit betreft een schadevergoeding van € 50,39 voor de reiskosten, € 250,- voor de kosten van bereddering en de aangifte en een bedrag van € 300,- dat verdachte op 12 juni 2017 van de rekening van de benadeelde partij heeft gepind. De rechtbank acht deze schadepost, gezien de aard van de bewezenverklaarde feiten en in combinatie met het door de benadeelde partij overgelegde transactieoverzicht, voldoende onderbouwd. De rechtbank acht voorts € 3.000,- toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte immateriële schade.

Het totale bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 december 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk verklaren.

De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 december 2017 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Beslag.De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting - dit voorwerpen zijn met betrekking tot welke de feiten zijn begaan en die van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 24c, 27, 36b, 36c, 36f, 38v, 38w, 45, 57, 63, 261, 285, 300, 304, 317, 318.

Wet wapens en munitie art. 2, 26, 55.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegdT.a.v. feit 2:bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegdT.a.v. feit 3:afpersing, meermalen gepleegd

en

afdreiging, meermalen gepleegd T.a.v. feit 4: poging tot afpersing T.a.v. feit 5: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaat met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie T.a.v. feit 6: smaadschrift Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregelen.

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3, feit 4, feit 5, feit 6:Gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] en met de ouders van [slachtoffer] en

- zich niet zal bevinden binnen een straal van 100 meter van de woning aan de

[pleegadres] in [gemeente] (zijnde woning van [slachtoffer] ).

Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3, feit 4, feit 5, feit 6:Contactverbod voor de duur van 5 jaar.

Legt op de maatregel dat de veroordeelde op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] en met de ouders van

[slachtoffer] .

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 6 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3, feit 4, feit 5, feit 6:Gebiedsverbod voor de duur van 5 jaar.

Legt op de maatregel dat de veroordeelde zich niet zal ophouden binnen een straal van 100 meter van de woning aan de [pleegadres] te [gemeente] (woning van [slachtoffer] ).

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 6 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de opgelegde maatregelen (het contactverbod en het gebiedsverbod) dadelijk uitvoerbaar zijn.

T.a.v. feit 5:Onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen goederen, te weten:- een geweer, Winchester, 9422.22, wapennummer CHF048, G1201013 en

- munitie, patronen .22, G1201370. T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3, feit 4, feit 6: Maatregel van schadevergoeding van EUR 3.600,39 subsidiair 46 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] van een bedrag van EUR 3.600,39 (zegge: drieduizendzeshonderd euro en negenendertig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 46 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 3.000,- immateriële schadevergoeding en EUR 600,39 materiële schadevergoeding.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 december 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] , van een bedrag van EUR 3.600,39 (zegge: drieduizendzeshonderd euro en negenendertig eurocent), te weten EUR 3.000,- immateriële schadevergoeding en EUR 600,39 materiële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf

4 december 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.E.L. Hendriks, voorzitter,

mr. M.Th. van Vliet en mr. P.J.A. Huttenhuis, leden,

in tegenwoordigheid van mr. F. van Hulst, griffier,

en is uitgesproken op 19 december 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgenomen in het einddossier van de politie Eenheid Oost-Brabant, genummerd OB2R017044. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen opgenomen in genoemd einddossier.

2 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 392.

3 Het proces-verbaal onderzoek wapen, p. 356-357.

4 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 5 december 2017.