Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:6612

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
07-12-2017
Datum publicatie
19-12-2017
Zaaknummer
5995828
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

luchtvaartzaak, compensatie bij vertraagde vlucht, staking Italiaanse luchtverkeersleiding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6668
Prg. 2018/22
NJF 2018/108
NTHR 2018, afl. 1, p. 68
VR 2019/136
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zaaknummer:

Civiel Recht

Zittingsplaats Eindhoven

Zaaknummer : 5995828

Rolnummer : 17-4689

Uitspraak : 7 december 2017

Beschikking op grond van Verordening (EG) nr. 861/2007 in de zaak van:

in de zaak van:

[T.] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

gemachtigde: SRK Rechtsbijstand, S. van Leeuwen,

tegen:

de vennootschap naar buitenlands recht Ryanair Ltd.,

gevestigd te Swords, Co., Ierland,

verweerster,

gemachtigde: Dirkzwager Advocaten en Notarissen, mr. A.C.J. Houwers.

1 Het verloop van het geding

Dit blijkt uit het volgende:

a. het vorderingsformulier A van de verordening (EG) nr. 861/2007 met producties;

b. het verweerschrift met producties;

c. de conclusie van repliek met productie;

d. de conclusie van dupliek.

Tot slot is een datum voor beschikking bepaald.

2 De feiten

Tussen partijen staat, voor zover voor de beoordeling van belang, het volgende vast.

  1. Eiseres had een vlucht geboekt voor 9 april 2016 met vlucht FR 4854 van Eindhoven, Nederland naar Venetië, Italië.

  2. De vlucht van eiseres is op 9 april 2016 door verweerster geannuleerd. Verweerster heeft een alternatieve vlucht aangeboden van Eindhoven, Nederland naar Bergamo, Italië, waarvan eiseres gebruik heeft gemaakt.

  3. Eiseres is vanaf Bergamo met de bus naar Milaan gereisd en vervolgens met de trein naar Venetië gereisd.

3 Het geschil

3.1.

Eiseres stelt het volgende. Aangezien de vlucht werd geannuleerd heeft zij op grond van Verordening 261/2004 (hierna de Verordening) recht op financiële compensatie van € 250,00. Daarnaast heeft zij kosten gemaakt voor de bus- en treinreis naar Venetië en de kosten voor eten en drinken voor een -resterend- bedrag van € 21,75, dat zij ook door verweerster vergoed wil zien. Verweerster weigert voornoemde compensatie en de resterende kosten te vergoeden, zodat zij zich genoodzaakt zag onderhavige procedure te starten. De daarmee gepaard gaande kosten dient verweerster eveneens te vergoeden.

Op grond van het voorgaande vordert eiseres betaling van een hoofdsom van € 271,75 en € 40,76 wegens buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met rente en proceskosten.

3.2.

Verweerster voert het volgende verweer.

Er heeft zich een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 5 lid 3 van de Verordening voorgedaan, namelijk een staking van de Italiaanse luchtverkeersleiding, waarop zij geen invloed had. Eiseres heeft gebruik gemaakt van de aangeboden alternatieve vlucht. Verweerster heeft de kosten van die alternatieve vlucht, overeenkomstig artikel 8 van de Verordening, volledig voor haar rekening genomen. Verweerster is niet gehouden de kosten voor de treinkaart, buskaart en eten en drinken te vergoeden, nu zij deze kosten al aan eiseres heeft voldaan, en wel aan de heer [S.] .

Primair dient de vordering dan ook afgewezen te worden en eiseres dient te worden veroordeeld in de proceskosten van verweerster, waaronder de nakosten. Subsidiair dient bij een toewijzing van hoofdsom de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente afgewezen te worden.

4 De beoordeling

Toepassingsbereik Europese procedure voor geringe vorderingen en bevoegdheid rechter

4.1.

De Europese procedure voor geringe vorderingen (hierna EPGV) is – zakelijk weergegeven – in grensoverschrijdende gevallen van toepassing in burgerlijke en handelszaken, indien de waarde van een vordering, alle rente, kosten en uitgaven niet meegerekend, op het tijdstip dat het vorderingsformulier ter griffie van de rechtbank wordt ontvangen, niet meer bedraagt dan € 2.000,00, en zowel eiser als verweerder in een lidstaat wonen waarvoor de EPGV geldt (artikel 2 lid 3 EPGV), een en ander behoudens de in artikel 2 lid 2 van de EPGV genoemde uitzonderingen.

4.2.

De kantonrechter stelt vast dat de vordering binnen het toepassingsbereik van de EPGV valt, nu eiseres in Nederland woont en verweerster in Ierland gevestigd is, waarbij alle landen lidstaten zijn waarvoor de Verordening geldt.

4.3.

De kantonrechter stelt vast dat hij conform de regels in de Verordening (EG) nr. 1215/2012 bevoegd is als Nederlandse rechter van de vordering kennis te nemen. Zie voorts LJN: BJ2979, Hof van Justitie van de EG/EU, 09-07-2009, C-204/08 (Rehder-arrest), waarin is bepaald dat in het geval van luchtvervoer van personen van een lidstaat naar een andere lidstaat op grond van een overeenkomst die is gesloten met één enkele luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, het gerecht dat bevoegd is om kennis te nemen van een vordering tot compensatie gebaseerd op die vervoerovereenkomst en Verordening EG (261/2004), naar keuze van eiser het gerecht is in het rechtsgebied waarvan zich de plaats van vertrek of de plaats van aankomst van het vliegtuig bevindt, zoals deze plaatsen in die overeenkomst zijn overeengekomen.

De kantonrechter te Eindhoven is de relatief bevoegde rechter nu de overeengekomen plaats van vertrek Eindhoven was.

Buitengewone omstandigheden

4.4.

Verweerster beroept zich op artikel 5 lid 3 van de Verordening; zij stelt dat sprake is van een buitengewone omstandigheid, omdat op 9 april 2016 van 08.00 uur tot en met 14.00 uur sprake was van een staking van de luchtverkeersleiding in Italië, welke volgens haar blijkt uit de door haar overgelegde (in de Italiaanse taal opgestelde) NOTAM-berichten. Als gevolg van de staking konden volgens haar gedurende deze tijden geen vliegtuigen opstijgen en/of landen op een Italiaans vliegveld, zo ook vliegveld Venetië. Verweerster voert verder aan dat de Inspectie Leefomgeving en Transport ten aanzien van dezelfde vlucht heeft geoordeeld dat sprake is van een buitengewone omstandigheid, waarbij naar de zogeheten NEB-lijst wordt verwezen. Verweerster heeft alles in het werk gesteld om onderhavige vlucht uit te kunnen voeren, maar het bleek helaas niet mogelijk, zo stelt zij.

4.5.

Eiseres heeft aangevoerd dat indien de vlucht is geannuleerd ten gevolge van een staking van de Italiaanse luchtverkeersleiding, dit niet tot een buitengewone omstandigheid kan leiden, omdat onvoldoende door verweerster aangetoond is waarom niet had kunnen worden voorkomen dat de staking tot annulering heeft geleid. Dit mede gelet op het feit dat de NOTAM-berichten – die voor haar niet leesbaar zijn in het Italiaans – niets melden over de luchthaven van Venetië. Eiseres wijst er verder op dat de uitspraak van de Inspectie Leefomgeving en Transport een administratieve procedure betreft en geen civiele.

4.6.

De kantonrechter overweegt het volgende.

Verweerster heeft geen stukken overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat aan haar concrete beperkingen zijn opgelegd ten aanzien van vluchten van Eindhoven, Nederland naar Venetië, Italië en in het bijzonder blijkt niet van een concrete beperking ten aanzien van de onderhavige vlucht. Uit de door verweerster bij verweerschrift overgelegde stukken (productie 1) kan, nu de NOTAM-berichten in de Italiaanse taal zijn opgesteld, niet veel meer worden afgeleid dan dat een staking (de benoemde “sciopero” zoals verweerster bij dupliek heeft toegelicht) in Italië op enig moment aan de orde is geweest. Verweerster heeft bij dupliek (bijvoorbeeld) geen volledige vertaling van deze NOTAM-berichten overgelegd; verweerster bevestigt bij dupliek voorts dat de berichten niet specifiek zien op vlucht FR 4854. Uit deze NOTAM-berichten kan daarom niet worden afgeleid dat verweerster de onderhavige vlucht noodgedwongen heeft moeten annuleren. Verweerster heeft haar verweer dus onvoldoende onderbouwd en niet, althans onvoldoende, is komen vast te staan dat de annulering van vlucht FR 4854 noodzakelijk is geworden als gevolg van de staking van de luchtverkeersleiding in Italië.

4.7.

Het beroep van verweerster op de beschikking van de Inspectie Leefomgeving en Transport Nederland slaagt niet. De besluiten van deze Inspectie zijn gebaseerd op de NEB-lijst, welke lijst een beleidsregel van een bestuursrechtelijke instantie is, die de civiele rechter niet bindt. De op deze beleidsregel gebaseerde besluiten van de Inspectie Leefomgeving en Transport Nederland hebben geen formele rechtskracht. De civiele rechter heeft dus zelfstandig te oordelen op basis van de Verordening en de rechtspraak van het Europese Hof.

4.8.

Het beroep van verweerster op buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van de Verordening, kan dan ook niet slagen. De vordering van eiseres tot betaling van een compensatie van € 250,00 zal worden toegewezen.

Buskaart, treinkaart en kosten eten en drinken op 9 april 2016

4.9.

Eiseres stelt voorts dat nu verweerster haar slechts een alternatieve vlucht naar Bergamo heeft aangeboden, zij daardoor extra kosten heeft moeten maken om naar Venetië te reizen. De nog niet door verweerster aan haar voldane resterende kosten van de buskaart, treinkaart en de kosten voor eten en drinken op 9 april 2016 dient verweerster daarom te vergoeden, aldus eiseres. Bij repliek heeft eiseres nader uiteengezet hoe zij het resterende bedrag van
€ 21,75 aan kosten heeft berekend.

4.10.

De kantonrechter overweegt het volgende.

Eiseres heeft haar vordering aangaande de trein- en buskosten en kosten voor eten en drinken voldoende onderbouwd met specificaties en haar toelichting bij repliek, die door verweerster bij dupliek niet is weersproken. Door verweerster wordt het bestaan van de schade bestaande uit voornoemde kosten bovendien niet betwist. Verweerster stelt enkel, zonder nadere onderbouwing, dat zij deze kosten al aan eiseres, althans de heer [S.] , zou hebben voldaan. Verweerster heeft echter (bijvoorbeeld) geen betalingsbewijs overgelegd waaruit blijkt dat zij ook de door eiseres thans nog gevorderde € 21,75 al heeft voldaan. De vordering van eiseres zal op dit punt dan ook worden toegewezen.

Wettelijke rente

4.11.

Tegen de gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom is geen verweer gevoerd, zodat de rente kan worden toegewezen.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.12.

De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen, omdat onvoldoende is gebleken dat de verrichte buitengerechtelijke incassowerkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

Proceskosten

4.13.

Verweerster wordt als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.

5 De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt verweerster om aan eiseres te betalen het bedrag van € 271,75 wegens hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 25 mei 2016 tot de dag van de voldoening;

veroordeelt verweerster in de kosten van de procedure, aan de zijde van eiseres gevallen en tot op heden vastgesteld op een bedrag van € 78,00 wegens griffierecht en een bedrag van € 120,00 als bijdrage in het salaris van de gemachtigde van eiseres;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.J. Roeterdink, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 december 2017.