Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:6553

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
15-12-2017
Datum publicatie
19-12-2017
Zaaknummer
C/01/321742 / KG ZA 17-343
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Proceskostenveroordeling

Geen rechtens te respecteren belang bij aanhangig maken oorspronkelijke vordering strekkende tot een verbod op executie van een eerder gewezen vonnis in kort geding. Met het definitief worden van de Duitse beslissing, zijn de bij het kort geding vonnis opgelegde verboden, van rechtswege komen te vervallen. Het verkrijgen van een bevestiging van een rechtstoestand, die reeds volgt uit de lezing van het vonnis, kan niet worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang. Gedaagden hebben niet gedreigd met tenuitvoerlegging van het vonnis. Gedaagden hebben vóórdat het kort geding aanhangig werd, toegezegd niet over te zullen gaan tot executie van het kort geding vonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/321742 / KG ZA 17-343

Vonnis in kort geding van 15 december 2017

in de zaak van

1 de vennootschap naar vreemd recht ZIMMER + ROHDE GMBH,

gevestigd te Oberursel (Taunus), Duitsland,

2. de vennootschap naar vreemd recht ADO GOLDKANTE GMBH & CO. KG,

gevestigd te Oberursel (Taunus), Duitsland,

eiseressen,

advocaten mrs. M.R. Rijks en M.M.M. van Gerwen te Eindhoven,

tegen

1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ARTEX B.V,

gevestigd te Aarle-Rixtel,

2. de vennootschap naar vreemd recht HUNTER DOUGLAS BELGIUM N.V,

gevestigd te Lokeren, België,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ADO INTERIEURTEXTIEL B.V.

gevestigd te Winschoten,

4. de naamloze vennootschap naar vreemd recht ADO INTERNATIONAL NV,

gevestigd te Gent, België,

gedaagden,

advocaat mrs. J.C.H. van Manen en L.E. Dijkman te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Zimmer + Rohde c.s. en Artex c.s. genoemd worden. Daar waar eisers afzonderlijk worden bedoeld, worden zij onderscheidenlijk “Zimmer + Rhode” en “Ado Goldkante” genoemd. Daar waar gedaagden afzonderlijk worden bedoeld, worden zij onderscheidenlijk “Artex”, “Hunter Douglas”, “Ado Interieurtextiel” en “Ado International” genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 11 juli 2017 met producties, genummerd 1 tot en met 7;

  • -

    de brief van mr. Rijks van 4 augustus 2017 tevens houdende vermindering van eis, met producties, genummerd 1 en 2;

  • -

    de brief van mr. Van Manen van 8 augustus 2017 met akte overlegging producties, tevens specificatie proceskosten met producties, genummerd 1 tot en met 11;

  • -

    de brief van mrs. Van Manen en Dijkman van 28 augustus 2017;

  • -

    de producties 8 tot en met 14 van mrs. Rijks en Van Gerwen, ingekomen ter griffie van de rechtbank op 2 november 2017;

  • -

    de brief van mr. Rijks van 28 november 2017 met akte overlegging productie, genummerd 16;

  • -

    de mondelinge behandeling ter zitting van 30 november 2017;

  • -

    de pleitnota van mr. Van Gerwen;

  • -

    de pleitnota van mr. Dijkman;

  • -

    de brief van mr. Rijks van 30 november 2017 met een productie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn verwikkeld (geweest) in diverse procedures in Duitsland, België en Nederland, die betrekking hebben op de vraag wie houder is van het ADO merk in de Benelux en aan welke partij de merkrechten zijn overgedragen.

2.2.

Het Landgericht Frankfurt am Main heeft bij beslissing van 8 januari 2014 alle vorderingen van Artex c.s., strekkende tot handhaving van haar intellectuele eigendomsrechten op het ADO merk jegens Zimmer + Rohde c.s., afgewezen (productie 3 bij de dagvaarding).

2.3.

Bij vonnis in kort geding van 3 april 2014 met zaak-/ rolnummer C/09/460911 KG ZA 14-222 (productie 2 bij de dagvaarding) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag Zimmer + Rohde c.s. ieder afzonderlijk verboden om, totdat de Definitieve Beslissing is genomen, in Nederland over te gaan tot het doen van enige aanbieding, verkoop, distributie, promotie en/of enige andere handels/(activiteit) met betrekking tot goederen of diensten gelijk of soortgelijk aan gordijnen of gordijnstoffen, of enig ander raamarmatuur of accessoire met gebruik van het teken “ADO” of een daarmee verwarring wekkend overeenstemmend teken, op welke wijze dan ook, op straffe van een dwangsom.

De voorzieningenrechter heeft voorts Zimmer + Rohde c.s. ieder afzonderlijk verboden om totdat de Definitieve Beslissing is genomen, enige correspondentie te sturen en/ of enige andere mededeling te doen, op welke wijze dan ook, aan de klanten van Artex c.s. of enige andere derden in Nederland, waarin wordt meegedeeld en/ of gesuggereerd dat Artex c.s. niet de exclusief rechthebbende is op het gebruik van het Gemeenschapsmerk in de Benelux, of waarin wordt meegedeeld en/of gesuggereerd dat Zimmer + Rohde en/of Ado Goldkante de exclusief rechthebbende is/ zijn op het gebruik van het Gemeenschapsmerk in de Benelux, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

Rechtsoverweging 3.1 van dit vonnis luidt als volgt.

“De definitieve beslissing die zal worden genomen door de Duitse rechter ten gronde in het hoger beroep van het Duitse vonnis 8 januari 2014, of – indien nodig met betrekking tot de eventuele vaststelling van een door Z+R c.s. te respecteren exclusieve licentie- in een direct daarna aanhangig te maken nieuwe procedure, wordt hierna aangeduid als: “de Definitieve Beslissing”

2.4.

Artex c.s. heeft dit vonnis op 7 april 2014 aan Zimmer + Rohde c.s. doen betekenen (nagekomen productie bij brief van mr. Rijks van 30 november 2017).

2.5.

De Belgische bodemrechter heeft bij beslissing van 1 oktober 2014 (productie 9 van mrs. Rijks en Van Gerwen) onder meer het volgende beslist.

“(…)

De stakingsrechter verbiedt eisende partij om rechtstreeks of onrechtstreeks via met haar geaffilieerde ondernemingen (met inbegrip van maar niet beperkt tot ADO Goldkante Gmbh & Co. KG) in afwachting van een definitieve uitspraak van de Duitse rechter ten gronde inzake overdracht aan Artex van het ADO Benelux merk, dan wel exclusieve licentie aan verwerende partijen onder het ADO Gemeenschapsmerk (in het hoger beroep tegen het vonnis van het Landgericht Frankfurt, hierna de “Definitive Beslissing”) om over te gaan tot enige aanbieding, verkoop, distributie, promotie en/ of enige andere (handels)activiteit, met betrekking tot goederen of diensten gelijk aan of soortgelijk aan gordijnen of gordijnstoffen, of enig ander venster armatuur of accessoire, in België, en met gebruik van het teken “ADO” of een daarmee verwarring wekkend overeenstemmend teken, op welke wijze ook, als merk, als handelsnaam, als vennootschapsnaam, als domeinnaam of op welke andere wijze ook, dit onder verbeurte van een dwangsom (…)

De stakingsrechter verbiedt eisende partij om rechtstreeks of onrechtstreeks via met haar geaffilieerde ondernemingen (met inbegrip van maar niet beperkt tot ADO Goldkante Gmbh & Co. KG) in afwachting van de Definitieve Beslissing enige correspondentie te sturen en/of enige andere mededelingen te doen, op welke wijze ook, aan de klanten van verwerende partijen of enige andere derde partij in België, waarin wordt meegedeeld en/of gesuggereerd dat verwerende partijen niet de exclusief rechthebbenden zijn op het/de “ADO” merk(en) en “ADO” handelna(a)m(en) in (één of meerdere van) de Beneluxlanden, of waarin wordt meegedeeld en/of gesuggereerd dat eiseres of met haar geaffilieerde ondernemingen de exclusief rechthebbende is/zijn op het/de “ADO” merk(en) en “ADO” handelna(a)m(en) in (één of meerdere van) de Beneluxlanden, dit onder verbeurte van een dwangsom (…).

(…)”

2.6.

Bij beslissing van 8 oktober 2015 heeft het Oberlandesgericht Frankfurt am Main in hoger beroep eveneens alle vorderingen van Artex c.s. afgewezen en het incidenteel appel van Zimmer + Rohde c.s. toegewezen. Daarnaast oordeelde het Oberlandesgericht dat er geen cassatieberoep (“Revision”) open stond tegen het arrest (productie 4 bij de dagvaarding).

2.7.

Bij brief van 15 januari 2016 (productie 1 van mr. Van Manen) hebben de toenmalige advocaten van Zimmer + Rohde c.s. aan Artex c.s. onder meer bericht:

“(…) For the reasons we hereby request and, insofar as necessary, summon you to confirm us in writing, also on behalf of any subsidiary or affiliated company, fort he benefit of Z+R, as soon as possible but in any event before 29 January 2016 that the judgment of 3 April 2014 has lost its effect and you will (thus) not enforce the judgment of 3 April vis-à-vis Z+R. (…)”

2.8.

Op 29 januari 2016 heeft Artex c.s. aan Zimmer + Rohde c.s. onder meer bericht:

“(…)

Contrary to what you state in your letter, the decision by the Oberlandesgericht Frankfurt of 8 oktober 2015 (the “German Decision” ) does not qualify as a final decision within the meaning of the Dutch Decision. The Nichtzulassungsbeschwerde that was filed against the German Decision bij Artex B.V. and Hunter Douglas Belgium NV constitutes an (ordiany) appeaal, as it may result in the German Supreme Court annulling the German Decision. (…) It follows that the German Decision is therefore not a final decision. (…)” (productie 2 van mr. Van Manen).

2.9.

Op 26 januari 2017 heeft het Bundesgerichtshof het verzoek, strekkende tot Revision van het arrest van het Oberlandesgericht, afgewezen (productie 5 bij de dagvaarding).

2.10.

Bij brief van 14 april 2017 (productie 3 van mr. Van Manen) heeft mr. Rijks Artex c.s. via haar advocaat gesommeerd om uiterlijk op 26 april 2017 schriftelijk te bevestigen dat:

1. Het kort geding vonnis d.d. 3 april 2014 niet langer van kracht is en niet zal worden geëxecuteerd in Nederland, op straffe van een onmiddellijk opeisbare boete van EUR 25.000,- per dag dat in strijd wordt gehandeld met deze toezegging, onverminderd het recht van Zimmer + Rohde GmbH en Ado Goldkante GmbH & Co KG om volledige schadevergoeding te vorderen;

2) Ten aanzien van de beslissingen van het Landgericht, OLG en het BGH onvoorwaardelijk wordt erkend dat deze werking hebben in de relatie tussen partijen in Nederland, meer in het bijzonder Zimmer + Rohde Gmbh exclusief rechthebbende is tot het Uniemerk ADO (waaronder begrepen de Benelux) en Artex B.V., Hunter Douglas Belgium N.V., Ado International N.V. Ado Interiertextiel B.V. niet beschikken over een ;licentie of enige andere geldige reden hebben voor het gebruik van het Uniemerk ADO in de Benelux die aan Zimmer + Rohde GmbH kan worden tegengeworpen;

3) Ieder gebruik in Nederland van het Uniemerk ADO en/of daarmee overeenstemmende tekens zal worden gestaakt en gestaakt zal worden gehouden, op straffe van een onmiddellijke opeisbare boete van EUR 25.000,- voor iedere dag dat in strijd wordt gehandeld met deze toezegging, onverminderd het recht van Zimmer + Rohde GmbH om volledige schadevergoeding te vorderen;

4) Artex B.V., Hunter Douglas Belgium N.V., Ado International N.V. en Ado Interieurtextiel B.V. aansprakelijk zijn voor alle door Zimmer & Rohde GmbH en Ado Goldkante GmbH & Co KG geleden en nog te lijden schade alsmede voor alle gemaakte en nog te maken kosten ten gevolge van de inbreukmakende en/of onrechtmatige handelwijze en in dit kader volledige (financiële) openheid van zaken zullen geven omtrent de inbreukmakende handelingen.

2.11.

Bij e-mailbericht van 2 mei 2017 (productie 4 van mr. Van Manen) heeft mr. Van Manen aan mr. Rijks onder meer bericht:

“(…)

Cliënten betwisten dat het uw cliënten (“Z+R”) vrij staat het ADO merk in de Benelux te verhandelen.

Ook indien het kort geding vonnis in tijd gelimiteerd is, is het uw cliënten niet toegestaan de ADO merken in de Benelux te verhandelen. (…)

In dit verband verbaast het dat uw brief niet rept van het aanstaande arrest van het Brusselse hof (…). Het Belgische vonnis en het spoedig te verwachten arrest hebben meer relevantie voor de situatie in de Benelux dan het Duitse arrest, dat, (…), in Nederland niet uitvoerbaar is. (…)

(…)

Hunter Douglas stelt daarom voor het definitieve oordeel van de Brusselse rechter af te wachten (…)”

2.12.

Op 30 mei 2017 heeft mr. Rijks hierop per e-mail gereageerd en aangegeven de Belgische beslissing niet te willen afwachten (productie 5 van mr. Van Manen).

2.13.

Bij brief van 9 juni 2017 (productie 7 van mr. Van Manen) hebben de advocaten van Artex c.s. aan de advocaten van Zimmer + Rohde c.s. onder meer bericht:

“(...)

Uit onze reactie op uw uitgebreide sommatie heeft u niet kunnen afleiden dat cliënte dreigt met executie van het kort geding vonnis. Cliënte doet dat ook uitdrukkelijk niet en heeft dat ook niet gedaan. Cliënte heeft u, in antwoord op uw ruime sommatie, er op gewezen dat het Z+R, geheel los van het kort geding vonnis niet is toegestaan het merk ADO op de Beneluxmarkt te voeren. (…)”

2.14.

Bij e-mailbericht van 14 juli 2017 (productie 1 bij de brief van mr. Rijks van 4 augustus 2017) heeft de heer [naam medewerker Hunter Douglas] van Hunter Douglas (hierna: [naam medewerker Hunter Douglas] ) aan een kantoorgenoot van mrs. Rijks en Van Gerwen onder meer bericht:

“(…)

Hunter Douglas ist enttäuscht über Ihr offensichtliches Beharren auf diesen Verfahren.

Unsere Anwälte haben Ihnen nach Erhalt des Entwurfs der Vorladungsbegehren (E-Mail von Herrn Van Manen vom 2.5.2017 und der Brief von Hoyng Rokh vom 9.6.2017) ausdrücklich nochmals schriftlich mitgeteilt, dass Hunter Douglas in keiner Art und Weise die Vollstreckung des Entscheids anstrebt.

Trotz dieser Bestätigung traf gut einen Monat später die Vorladung ein. Ich bestätige hiermit noch einmal ausdrücklich, dass Hunter Douglas den Entscheid gegen Z+R nicht vollstrecken wird. Ich ersuche Sie deshalb, diensen Antrag zurückzuziehen. Andernfalls müsste Ihre Mandantschaft die Kostenfolgen einer solchen unnötigen Prozesshandlung tragen.

“(…): wir sind nach wie vor der Auffassung, dass Zimmer + Rohde nicht berechtigt ist, auf dem Benelux Markt unter der Ado Marke aufzutreten. U.a. ergibt sich das aus dem Urteil erster Instanz in Belgien. (…)”

2.15.

Bij e-mailbericht van 20 juli 2017 heeft mr. Van Manen aan mr. Van Gerwen en mr. Dijkman onder meer het volgende bericht:

“(…) The announced confirmation is not yet sufficient for Zimmer + Rohde to withdraw the preliminary injunction proceedings at the Oost-Brabant District Court. Zimmer + Rohde still has interest in the claimed injunctions since the confirmation of Mr. [naam medewerker Hunter Douglas] does not contain a penalty clause and it is unclear for Zimmer + Rohde if mr. [naam medewerker Hunter Douglas] is authorized to give such a confirmation on behalf of all involved legal entities.

Zimmer + Rohde is nevertheless willing to withdraw these proceedings but only under the condition that an irrevocable declaration under pain of a contractual penalty is provided and which decelaration is signed by authorized legal representatives of all involved legal entities. Furthermore, Zimmer + Rohde would like to receive a written confirmation that no preliminary injunction proceedings in the Netherlands will be started by Hunter Douglas if Zimmer + Rohde enters the Dutch market.

2.16.

Bij e-mailbericht van 2 augustus 2017 (productie 10 van mr. Van Manen) hebben mr. Van Manen en mr. Dijkman aan mr. Rijks bericht:

“(…)

Tot onze verbazing heeft uw cliënt ervoor gekozen om het kort geding dat is bepaald op 15 augustus a.s. door te zetten, ondanks onze herhaaldelijke bevestiging dat het kort-gedingvonnis van 3 april 2014 niet ten uitvoer zal worden gelegd. U vraagt thans om een uitgebreide onthoudingsverklaring. Er bestaat geen aanleiding voor ondertekening daarvan; (…)”

2.17.

Bij e-mailbericht van diezelfde datum heeft Artex c.s. aan de advocaten van Zimmer + Rohde c.s. laten weten dat het kort gedingvonnis van 3 april 2014 niet ten uitvoer zal worden gelegd.

3 Het geschil

3.1.

Aanvankelijk vorderde Zimmer + Rohde c.s. Artex c.s. te verbieden over te gaan tot executie van het van het kort gedingvonnis van 3 april 2014, althans schorsing van de executie van dat vonnis totdat in een bodemprocedure tussen partijen een definitieve beslissing is gewezen.

3.2.

Artex c.s. heeft echter te kennen gegeven dat zij het vonnis van 3 april 2014 niet ten uitvoer zal leggen. Gelet hierop heeft Zimmer + Rohde c.s. haar eis verminderd.

3.3.

Zimmer + Rohde c.s. vordert thans samengevat – na vermindering van eis:

Artex c.s. hoofdelijk te veroordelen in de volledige proceskosten door Zimmer + Rohde c.s. gemaakt op grond van artikel 1019h Rv, met bepaling dat Artex c.s. de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is vanaf veertien dagen na het wijzen van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening.

3.4.

Zimmer + Rohde c.s. baseert haar vordering, strekkende tot vergoeding van de proceskosten, op het arrest van de Hoge Raad van 3 juni 2016 (ECLI:NL:HR:2016:1087, GIA Systems): “3.5.3 Indien de gedaagde, na het aanhangig maken van de zaak, erin toestemt te voldoen aan hetgeen wordt gevorderd, maar partijen geen overeenstemming bereiken over de proceskosten, kan de eiser een beslissing omtrent de proceskosten verkrijgen door ter terechtzitting te verschijnen en zijn vorderingen te verminderen door intrekking van de hoofdvordering, zodat alleen de vordering tot veroordeling van de gedaagde in de proceskosten ter beoordeling overblijft.”

Nu Artex c.s. heeft toegezegd dat het kort gedingvonnis van 3 april 2017 niet ten uitvoer zal worden gelegd, moet Zimmer + Rohde c.s. worden aangemerkt als de in het gelijk gestelde partij in het oorspronkelijke geschil in de onderhavige kwestie. Omdat de ondubbelzinnige toezegging van Artex c.s. pas is verkregen nadat de onderhavige kort gedingprocedure aanhangig is gemaakt, moet Artex c.s. op grond van artikel 1019 h Rv veroordeeld worden in de volledige proceskosten ad € 18.247,56 die Zimmer + Rohde c.s. heeft moeten maken in het kader van de onderhavige procedure. Subsidiair maakt Zimmer + Rohde c.s. aanspraak op de tot 9 juni 2017 gemaakte kosten van rechtsbijstand ad € 16.289,05. De oorspronkelijke vorderingen hadden betrekking op de executie van een vonnis strekkende tot handhaving van intellectuele eigendomsrechtenrechten, zodat een kostenveroordeling op basis van artikel 1019h behoort te worden uitgesproken. Het komt voor rekening en risico van Artex c.s. dat zij niet in een eerder stadium een betreffende ondubbelzinnige verklaring heeft gegeven.

3.5.

Na de afwijzing van het verzoek tot cassatie door het Bundesgerichtshof was er hoe dan ook geen enkele twijfel meer over dat de beslissing van het Oberlandesgericht, althans de afwijzingsbeslissing van het Bundesgerichtshof, is aan te merken als de “Definitieve Beslissing” in de zin van het vonnis van de voorzieningenrechter van 3 april 2014. Hierdoor is het tijdelijke verbod dat de voorzieningenrechter in 2014 heeft opgelegd, komen te vervallen.

3.6.

Artex c.s. heeft gemotiveerd verweer gevoerd en heeft de voorzieningenrechter verzocht om Zimmer + Rohde c.s. te veroordelen in de proceskosten van Artex c.s., begroot op € 6.000,00.

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat in de onderhavige kwestie de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en dat Nederlands recht van toepassing is.

4.2.

Nu de vordering van Zimmer + Rohde c.s. louter nog ziet op een proceskostenveroordeling, moeten worden beoordeeld welke partij in het ongelijk zou zijn gesteld, zo Zimmer + Rohde c.s. haar oorspronkelijke vordering, strekkende tot een executieverbod van het kort gedingvonnis van 3 april 2014, althans schorsing van die executie, zou hebben gehandhaafd. Immers, ingevolge artikel 237 Rv wordt de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, in de proceskosten veroordeeld.

4.3.

Met Artex c.s. is de voorzieningenrechter van oordeel dat Zimmer + Rohde c.s. geen rechtens te respecteren belang had bij het aanhangig maken van haar oorspronkelijke vordering.

4.4.

Het vonnis van 3 april 2014 kon immers na 26 januari 2017 niet langer ten uitvoer worden gelegd. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

4.5.

Blijkens de tekst van het dictum van het vonnis van 3 april 2014, golden de bij dat vonnis opgelegde verboden “totdat de Definitieve Beslissing is genomen”.

Tussen partijen bestaat geen discussie over het feit dat met de afwijzing door het Bundesgerichtshof van het verzoek, strekkende tot Revision van de beslissing van het Oberlandesgericht Frankfurt am Main van 8 oktober 2014, op 26 januari 2017, die beslissing definitief is geworden. Voor beide partijen staat bovendien niet ter discussie dat gelet hierop de beslissing van 8 oktober 2014 heeft te gelden als de “Definitieve Beslissing” in de zin van het vonnis van de voorzieningenrechter van 3 april 2014. Met het definitief worden van het Duitse arrest van 8 oktober 2014, zijn de aan Zimmer + Rohde c.s. bij vonnis in kort geding van 3 april 2014 opgelegde verboden, van rechtswege komen te vervallen. Zimmer + Rohde c.s. erkennen zelf ook met zoveel woorden dat door de afwijzing door het Bundesgerichtshof, er een “Definitieve Beslissing” is verkregen in de zin van het kort gedingvonnis waardoor het dat vonnis haar kracht heeft verloren.

4.6.

Reeds gelet op het feit dat de bij vonnis van 3 april 2014 aan Zimmer + Rohde c.s. opgelegde verboden op 26 januari 2017 van rechtswege zijn komen te vervallen, moet worden geconcludeerd dat Zimmer + Rohde c.s. geen rechtens te respecteren belang had bij het aanhangig maken van het onderhavige kort geding. Het verkrijgen van een bevestiging van een rechtstoestand, die reeds volgt uit de lezing van het vonnis, kan immers niet worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang.

4.7.

Daarbij komt dat, anders dan Zimmer + Rohde c.s. stelt, Artex c.s. (na 26 januari 2017) niet hebben gedreigd met tenuitvoerlegging van het vonnis van 3 april 2014. Zimmer + Rohde c.s. heeft ook geen stukken overgelegd van na die datum waaruit enige dreiging zijdens Artex c.s. kan worden afgeleid. Het enkele feit dat Artex c.s. het vonnis op 7 april 2014 aan Zimmer + Rohde c.s. heeft doen betekenen maakt dit niet anders. Ook met het feit dat de advocaten van Artex c.s. op 2 mei 2017 hebben voorgesteld de Belgische procedure af te wachten, is nog geen sprake van een dreigende executie van het vonnis van 3 april 2014. In het bericht van 2 mei 2017 ging Artex c.s. in op de inhoudelijke sommaties van Zimmer + Rohde c.s. om het ADO merk niet te gebruiken. Op dat punt meent Artex c.s. dat, gelet op de oudere uitspraak van de Belgische rechter, de Duitse beslissing van het Oberlandesgericht Frankfurt in Nederland niet kan worden erkend, waarbij zij zich baseert op artikel 34(4) EEX-Vo (oud). Hiermee geeft Artex c.s. enkel aan dat zij zich het recht voorbehoudt om het Belgische vonnis te executeren. Dit alles laat onverlet dat van enige dreiging met tenuitvoerlegging van het vonnis van 3 april 2014, geen sprake was.

4.8.

Met Artex c.s. is de voorzieningenrechter van oordeel dat op Artex c.s. niet de plicht rust om te bevestigen wat zij zelf kunnen opmaken uit het kort gedingvonnis. Overigens heeft Artex c.s. dat wel gedaan, reeds vóórdat Zimmer + Rohde c.s. haar oorspronkelijke vordering aanhangig maakte. In haar brief van 9 juni 2017 hebben haar advocaten immers met zoveel woorden aan de advocaten van Zimmer + Rohde c.s. bericht:

“(…) Uit onze reactie op uw uitgebreide sommatie heeft u niet kunnen afleiden dat cliënte dreigt met executie van het kort geding vonnis. Cliënte doet dat ook uitdrukkelijk niet en heeft dat ook niet gedaan. (…)”

Deze bewoordingen kunnen bezwaarlijk anders worden opgevat dan als een expliciete toezegging dat Artex c.s. niet zal overgaan tot executie van het vonnis van 3 april 2017.

4.9.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat, zo Zimmer + Rohde c.s. haar oorspronkelijke vordering zou hebben gehandhaafd, de voorzieningenrechter deze vordering zou hebben afgewezen. Gelet hierop behoort Zimmer + Rohde c.s. als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te worden veroordeeld.

4.10.

De advocaatkosten in de onderhavige zaak moeten worden begroot op basis van de IE-indicatietarieven ex artikel 1019h Rv. De voorzieningenrechter stelt vast dat sprake is van een relatief eenvoudige zaak. Voor een eenvoudig kort geding geldt een bedrag van maximaal € 6.000,00. Dit bedrag zal worden toegewezen. De kosten aan de zijde van Artex c.s. worden aldus begroot op:

- griffierecht € 618,00

- salaris advocaat 6.000,00

Totaal € 6.618,00.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt Zimmer + Rohde c.s. in de proceskosten, aan de zijde van Artex c.s. tot op heden begroot op € 6.618,00;

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 15 december 2017.