Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:6492

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
13-12-2017
Datum publicatie
13-12-2017
Zaaknummer
SHE 17/3153
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:4237, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking Drank- en Horeca-, exploitatie- en aanwezigheidsvergunning. Intrekking Drank- en Horecavergunning niet meer in geschil. De feiten en omstandigheden die de burgemeester heeft betrokken bij de vraag of de Drank- en Horecavergunning van verzoeker kon worden ingetrokken omdat verzoeker niet meer voldoet aan de eis dat hij niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is, zijn relevant bij de vraag of sprake is van een verandering van omstandigheden of inzichten die intrekking van de exploitatie- en aanwezigheidsvergunning noodzakelijk maken. Er is geen grond voor het oordeel dat de burgemeester bij de beoordeling van het levensgedrag uitsluitend feiten en omstandigheden mag betrekken die gerelateerd zijn aan de exploitatie van een inrichting of die zijn vermeld in het besluit. De burgemeester heeft de intrekking van de exploitatievergunning van verzoeker noodzakelijk kunnen achten vanwege verandering van omstandigheden en inzichten als bedoeld in artikel 1:6, aanhef en onder b, van de APV. De burgemeester heeft ook de aanwezigheidsvergunning in redelijkheid kunnen intrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 17/3153 (het verzoek om een voorlopige voorziening)

SHE 17/3154 (het beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 december 2017 in de zaak tussen

[naam bedrijf] , verzoeker

(gemachtigde: mr. S. Derksen),

en

de burgemeester van de gemeente Meierijstad (voorheen de burgemeester van de voormalige gemeente Veghel), de burgemeester

(gemachtigden: F.E.M. van Buuren en R.A.M. ter Heine).

Procesverloop

Bij besluit van onbekende datum, verzonden op 15 november 2016, (het primaire besluit) heeft de burgemeester besloten de aan verzoeker verleende Drank- en Horeca-, exploitatie- en aanwezigheidsvergunning in te trekken.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om hangende dat bezwaar een voorlopige voorziening te treffen. Dat verzoek is geregistreerd onder nummer SHE 16/3617.

Bij uitspraak van 6 januari 2017 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen en het primaire besluit geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

Bij besluit van 2 november 2017 (het bestreden besluit) heeft de burgemeester het bezwaar ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om hangende dat beroep een voorlopige voorziening te treffen die zou moeten inhouden dat het bestreden besluit wordt geschorst totdat op het beroep is beslist of een voorziening wordt getroffen die de voorzieningenrechter nodig vindt.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2017. Verzoeker is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde. De burgemeester heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Feiten

1. [naam] is eigenaar van een eenmanszaak genaamd [naam bedrijf] (het eetcafé) die is gevestigd aan [adres]. Er werken drie personen in het eetcafé.

Bij besluiten van 22 augustus 2005, 23 augustus 2005 en 24 augustus 2005 heeft de burgemeester verzoeker respectievelijk een Drank- en Horeca-, exploitatie- en aanwezigheidsvergunning verleend.

Op verzoek van de burgemeester heeft de politie op 18 oktober 2016 een rapport van bevindingen opgemaakt waarin over verzoeker het volgende is vermeld:

In een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van de politie van 17 september 2016 is vermeld dat verzoeker als verdachte is aangehouden wegens mishandeling van een politieagent.

De burgemeester heeft verzoeker bij brief van 26 oktober 2016 meegedeeld dat hij voornemens is om de aan verzoeker verleende Drank- en Horeca-, exploitatie- en aanwezigheidsvergunning in te trekken. Bij brief van 7 november 2016 heeft verzoeker hierop zijn zienswijze gegeven.

Vervolgens heeft de burgemeester het primaire besluit genomen.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om hangende dat bezwaar een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is geregistreerd onder nummer SHE 16/3617.

Bij uitspraak van 6 januari 2017 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen en het primaire besluit geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

Bij brief van 8 maart 2017 is aan verzoeker een Verklaring Omtrent het Gedrag verleend.

Op 14 juni 2017 heeft een hoorzitting plaatsgevonden, waarna de Commissie Rechtsbescherming Meierijstad de burgemeester heeft geadviseerd.

Op verzoek van de burgemeester heeft de politie op 6 oktober 2017 een rapport van bevindingen opgemaakt waarin over verzoeker het volgende is vermeld:

Vervolgens heeft de burgemeester het bestreden besluit genomen.

Karakter van deze procedure: een voorlopige voorziening

2. Het gaat hier om een verzoek om een voorlopige voorziening. Uitgangspunt van de wet is dat het instellen van beroep de werking van een besluit niet opschort (artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Met andere woorden: het besluit blijft van kracht ook als er beroep tegen is ingesteld. Die hoofdregel kan worden doorbroken door het treffen van een voorlopige voorziening. De mogelijkheid daartoe is geregeld in artikel 8:81 van de Awb. In dat artikel is verwoord dat als tegen een besluit beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De verzoeker moet dus goede redenen hebben die maken dat hij de uitspraak op zijn beroep niet kan afwachten en een uitzondering op de hoofdregel dat het beroep de uitvoering van het besluit niet schorst, rechtvaardigen. Een voorlopige voorziening heeft – zoals de term al zegt – het karakter van een tussenmaatregel, in afwachting van de uitspraak op het beroep.

Onverwijlde spoed?

3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake is van onverwijlde spoed zoals artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat vereist, reeds omdat het bestreden besluit per 14 december 2017 zal worden geëffectueerd. Dat verzoeker zijn eetcafé tot nu toe gewoon heeft kunnen exploiteren en dat ook daadwerkelijk heeft gedaan, zoals de burgemeester heeft opgemerkt in het verweerschrift, doet niet af aan de spoedeisendheid op dit moment. Als het bestreden besluit per 14 december 2017 zal worden geëffectueerd, zal verzoeker zijn eetcafé namelijk vanaf dat moment niet meer mogen exploiteren en alleen nog bestellingen mogen bezorgen. Daarbij is van belang dat, zoals de voorzieningenrechter al heeft overwogen in de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening hangende het bezwaar (SHE 16/3617), het hier niet gaat om een besluit dat ziet op een financiële aanspraak, maar om een besluit dat tot gevolg heeft dat verzoeker zijn bedrijf niet meer kan uitoefenen. Dat strekt verder dan alleen inkomsten die daarmee worden misgelopen. De voorzieningenrechter is gelet op dit alles van oordeel dat niet gezegd kan worden dat het om een louter financieel belang gaat.

Kortsluiten?

4. In de kennisgevingen zijn partijen erop gewezen dat de voorzieningenrechter ook kan beslissen op het beroep. Dit is geregeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in dit geval sprake van een situatie als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb en kan daarom ook uitspraak worden gedaan op het beroep.

Beoordeling van het bestreden besluit ten aanzien van de exploitatievergunning

5. De burgemeester heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat verzoeker niet meer voldoet aan de vereisten voor het hebben van een Drank- en Horeca-, exploitatie- en aanwezigheidsvergunning.

6. Verzoeker heeft aangevoerd dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en geen kenbare, deugdelijke motivering bevat. Volgens verzoeker mocht de burgemeester de gestelde mishandeling van politieagenten niet betrekken bij de vraag of de vergunningen worden ingetrokken, omdat een oordeel over dat incident aan de strafrechter is. Ook heeft de burgemeester het verband tussen dat incident en de vraag of het noodzakelijk is om de exploitatie- en aanwezigheidsvergunning in te trekken nog steeds niet goed gemotiveerd. Verder betrekt de burgemeester volgens verzoeker ten onrechte feiten die ouder zijn dan vijf jaar en op grond van het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999 (het Besluit) is dat niet mogelijk. Ook worden feiten genoemd die niet in de limitatieve lijst van artikel 4 van dit Besluit staan. Ook heeft de burgemeester volgens verzoeker zijn belangen niet goed gewogen.

7. De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat verzoeker inmiddels zijn bezwaren tegen het intrekken van de Drank- en Horecawetvergunning heeft laten vallen omdat hij een dergelijke vergunning niet nodig heeft. Hiermee staat het besluit in zoverre dan ook vast. Het geschil gaat dus alleen nog over de intrekking van de exploitatie- en aanwezigheidsvergunning.

8. Volgens artikel 1:6, aanhef en onder b, van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Meierijstad (APV), dit is de in deze zaak van toepassing zijnde APV, kan – voor zover van belang – de exploitatievergunning worden ingetrokken indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de exploitatievergunning, intrekking noodzakelijk is vanwege de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist.

9. Volgens artikel 1:8, aanhef en onder a, van de APV kan – voor zover van belang – de exploitatievergunning door het bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van de openbare orde.

10. Een exploitatievergunning is primair een vergunning ter bevordering van het woon- en leefklimaat en de openbare orde.

11. De burgemeester heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een verandering als bedoeld in artikel 1:6, aanhef en onder b, van de APV. In dit verband heeft de burgemeester verzoeker zwaar aangerekend dat hij als verdachte is aangehouden wegens mishandeling van een politieagent en dat hij zich heeft verzet tegen zijn aanhouding, waarbij een pees van een ringvinger van een politieagent is gescheurd. Van beide incidenten is aangifte gedaan, de laatste aangifte is opgenomen als zware mishandeling. Die zaken zullen op 20 december 2017 door de strafrechter worden behandeld. Verder heeft de burgemeester er in dit kader op gewezen dat verzoeker op 4 oktober 2012 onherroepelijk is veroordeeld voor het rijden onder invloed van een personenauto/-motor en op 19 mei 2012 heeft gereden in een personenauto zonder geldig rijbewijs. Op grond van die feiten en omstandigheden vindt de burgemeester dat verzoeker niet meer voldoet aan de eis uit de Drank- en Horecawet dat een leidinggevende niet in enig opzicht van slecht levensgedrag mag zijn. Die conclusie en de daaraan ten grondslag gelegde bevindingen vindt de burgemeester relevant bij de beoordeling of naast de Drank- en Horecawetvergunning het noodzakelijk is om ook de exploitatie- en aanwezigheidsvergunning in te trekken. Hierbij heeft de burgemeester erop gewezen dat verzoeker de eigenaar en enige leidinggevende van het eetcafé is. Volgens de burgemeester kan op grond hiervan worden gezegd dat sprake is van een verandering van de omstandigheden die intrekking van de vergunningen noodzakelijk maakt.

12. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan de burgemeester worden gevolgd in zijn standpunt dat de feiten en omstandigheden die hij heeft betrokken bij de vraag of de Drank- en Horecavergunning van verzoeker kon worden ingetrokken omdat verzoeker niet meer voldoet aan de eis dat hij niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is, relevant zijn bij de vraag of sprake is van een verandering van omstandigheden of inzichten die intrekking van de exploitatie- en aanwezigheidsvergunning noodzakelijk maken. De voorzieningenrechter wijst er daarbij op dat uit rechtsoverweging 2.5.1 van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 augustus 2012 (de Afdeling) (ECLI:NL:RVS:2012:BX5952) volgt dat er geen beperkingen zijn gesteld aan de feiten en omstandigheden die bij de beoordeling van het levensgedrag mogen worden betrokken. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat de burgemeester bij de beoordeling van het levensgedrag uitsluitend feiten en omstandigheden mag betrekken die gerelateerd zijn aan de exploitatie van een inrichting of die zijn vermeld in het besluit.

13. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de genoemde feiten en omstandigheden, in het bijzonder de mishandeling van politieagenten, op gespannen voet staan met de openbare orde.

14. In aanvulling op het bestreden besluit heeft de burgemeester in het verweerschrift nog gewezen op artikel 2:28, derde lid, van de APV waarin is bepaald dat de burgemeester in afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk kan weigeren indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed, of vanwege de wijze van bedrijfsvoering van de houder of leidinggevende, of met diens levensgedrag.

15. Hiermee is expliciet in de APV geregeld dat de burgemeester ook vanwege het levensgedrag van een vergunninghouder of leidinggevende een exploitatievergunning kan weigeren.

16. De door verzoeker vermelde omstandigheden op grond waarvan de vergunning volgens hem niet kan worden ingetrokken – waaronder dat verzoeker nog niet is veroordeeld voor de mishandelingen van de politieagenten en dat het rijden zonder rijbewijs niet in het sanctiebeleid staat – leiden niet tot een ander oordeel, reeds omdat uit meergenoemde uitspraak van de Afdeling van 29 augustus 2012 blijkt dat er geen beperkingen worden gesteld aan de door de burgemeester bij zijn beoordeling te betrekken feiten en omstandigheden. Dat er onderhandelingen hebben plaatsgevonden tussen de burgemeester en verzoeker die uiteindelijk niet tot een minnelijke oplossing hebben geleid en verzoeker inmiddels wel een Verklaring Omtrent het Gedrag heeft gekregen, maakt niet dat de burgemeester daardoor de exploitatievergunning nu niet meer zou mogen intrekken. Ook vindt de voorzieningenrechter dat de burgemeester de door verzoeker genoemde financiële belangen voldoende heeft meegewogen in zijn beslissing om de vergunningen in te trekken. De burgemeester heeft het feit dat verzoeker en zijn familie voor hun inkomen afhankelijk zijn van de exploitatie van het eetcafé van minder gewicht mogen achten dan de (zware) mishandeling van politieagenten, ook als daar nog geen vonnis van de strafrechter in is gewezen. De burgemeester heeft daarbij van belang mogen achten dat verzoeker zijn onderneming niet geheel hoeft te staken, maar zonder exploitatievergunning nog wel via internet of telefonisch bestelde maaltijden kan bezorgen.

17. Gelet op het voorgaande heeft de burgemeester de intrekking van de exploitatievergunning van verzoeker noodzakelijk kunnen achten vanwege verandering van omstandigheden en inzichten als bedoeld in artikel 1:6, aanhef en onder b, van de APV. Deze grond slaagt dan ook niet.

Ten aanzien van de intrekking van de aanwezigheidsvergunning)

18. Gelet op wat de voorzieningenrechter hiervoor heeft geoordeeld, heeft de burgemeester ook de aanwezigheidsvergunning in redelijkheid kunnen intrekken. Ook deze grond faalt.

Ten aanzien van de intrekking van beide vergunningen)

19. De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond.

Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding

20. Uit artikel 8:88, eerste lid, van de Awb volgt dat de voorzieningenrechter bevoegd is een bestuursorgaan op verzoek van een belanghebbende te veroordelen tot vergoeden van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van – kort gezegd – een onrechtmatig besluit, onrechtmatige handeling of het niet tijdig nemen van een besluit. Nu van deze situaties in dit geval geen sprake is, is de voorzieningenrechter niet bevoegd om de burgemeester te veroordeling tot het vergoeden van de gestelde schade. Verzoekers verzoek om schadevergoeding wordt dan ook afgewezen.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

21. Omdat nu een uitspraak is gedaan op het beroep, heeft verzoeker geen belang meer bij het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening dan ook af.

22. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

 verklaart het beroep ongegrond;

 wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af;

 wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Dworakowski-Kelders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P.L.M.M. Mulders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 december 2017.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover daarbij is beslist op het beroep, binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.