Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:6422

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
14-12-2017
Datum publicatie
21-12-2017
Zaaknummer
17_1341
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toerekenbaar plichtsverzuim vanwege het raadplegen van de Belastingdienstsystemen voor privédoeleinden en schending van de geheimhoudingsplicht. De opgelegde disciplinaire maatregel van onvoorwaardelijk strafontslag acht de rechtbank, gezien de aard van de functie van eiseres en de daarmee verband houdende eisen van integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid, niet onevenredig.

Wetsverwijzingen
Algemeen Rijksambtenarenreglement 77
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 04-01-2018
FutD 2018-0154
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 17/1341

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 december 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.R. Hoendermis),

en

de Staatssecretaris van Financiën, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. A.K. Eisma en L.J. van Kernebeek).

Procesverloop

Bij besluit van 27 oktober 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres wegens zeer ernstig plichtsverzuim de straf opgelegd van (onvoorwaardelijk) ontslag uit ’s Rijks dienst met ingang van de tweede dag na dagtekening van dit besluit.

Bij besluit van 22 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank overweegt allereerst dat uit de op verzoek van de rechtbank door verweerder overgelegde stukken afdoende blijkt dat verweerder bevoegd was de beslissing op het bezwaar te nemen.

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiseres is op 1 oktober 2013 in dienst getreden bij de Belastingdienst en was daar laatstelijk werkzaam als medewerker opsporing, groepsfunctie F bij de Belastingdienst/FIOD te Eindhoven. Op 7 juli 2017 heeft eiseres aan haar teamleider gemeld dat zij informatie over een (op te starten) opsporingsonderzoek heeft verstrekt aan een man waarmee zij een date had. De teamleider heeft dit voorval gemeld bij het managementteam van de FIOD.

3. Eiseres is op grond van artikel 77, eerste lid, in verbinding met artikel 91, eerste lid onder c, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) op 18 juli 2016 de toegang tot de dienstgebouwen ontzegd en zij is geschorst in het belang van de dienst. Daarbij is eiseres door haar teamleider meegedeeld dat een nader onderzoek naar haar zou plaatsvinden. Op 16 augustus 2016 heeft in het kader van het onderzoek een gesprek plaatsgevonden.

Bij brief van 23 augustus 2016 is eiseres plichtsverzuim ten laste gelegd omdat het vermoeden bestond dat zij zich schuldig zou hebben gemaakt aan ernstig plichtsverzuim, bestaande uit het schenden van de geheimhoudingsplicht en het raadplegen van de Belastingdienstsystemen voor niet zakelijke doeleinden.

Op 25 augustus 2016 is eiseres meegedeeld dat, aangezien de procedure nog niet is afgerond, de ontzegging van de toegang tot de dienstgebouwen en de schorsing ook na

29 augustus 2016, onder dezelfde restricties, voor onbepaalde tijd van kracht blijven.

Verder is eiseres bij brief van 25 augustus 2016 kenbaar gemaakt dat zij, wegens ernstig plichtsverzuim, wordt voorgedragen voor de straf van voorwaardelijk ontslag op grond van het bepaalde in artikel 50, eerst lid, artikel 80 en artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l van het ARAR.

4. Bij brief van 6 september 2016 is aan eiseres het voornemen kenbaar gemaakt om haar

wegens ernstig plichtsverzuim de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag

op te leggen. Nadat daarvoor uitstel is verleend, heeft eiseres op 20 september 2016 haar schriftelijke zienswijze op dit voornemen kenbaar gemaakt aan verweerder. Op

4 oktober 2016 heeft de hoorzitting plaatsgevonden, waarin eiseres haar zienswijze op het voorgenomen besluit mondeling heeft kunnen toelichten.

5. Vervolgens heeft de besluitvorming plaatsgevonden zoals vermeld onder het procesverloop. In het bestreden besluit handhaaft verweerder zijn standpunt dat sprake is van zeer ernstig plichtsverzuim, als gevolg waarvan de onvoorwaardelijke straf van ontslag dient te worden opgelegd.

6. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres de verweten gedragingen, te weten het schenden van de geheimhoudingsplicht en het voor privédoeleinden raadplegen van de Belastingdienstsystemen, heeft begaan. Dit betekent dat de rechtbank vervolgens zal overgaan tot de beoordeling van de vraag of deze gedragingen als plichtsverzuim zijn aan te merken.

7. Op grond van artikel 80, eerste lid, van het ARAR, kan de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege disciplinair worden gestraft. Het begrip plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets wat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Het raadplegen van de systemen

8. Eiseres heeft de Belastingdienstsystemen geraadpleegd om de persoon waarmee zij uitging en zijn ouders te controleren, omdat bij haar het vermoeden was gerezen dat deze persoon in fiscale zin niet zuiver op de graat was. Verweerder kan worden gevolgd in zijn standpunt dat hier sprake is van het raadplegen van Belastingdienstsystemen voor niet-functionele doeleinden. De raadpleging had immers geen betrekking op de bij de Belastingdienst/FIOD belegde taken. Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is de aard van de verkregen informatie en de vraag of de informatie daadwerkelijk is gebruikt, naar buiten is gebracht of aan derden is verstrekt, voor de vraag of deze gedragingen plichtsverzuim opleveren minder relevant. Voorop staat dat de betreffende systemen slechts mogen worden bevraagd voor functionele doeleinden. Juist omdat zo lastig is aan te tonen wat met de opgevraagde informatie wordt gedaan, moet deze regel strikt worden gehanteerd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1060). Naar het oordeel van de rechtbank levert deze gedraging van eiseres ernstig plichtverzuim op.

9. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat voor haar niet duidelijk was dat zij haar date en zijn ouders niet mocht controleren. Eiseres heeft aangegeven dat haar enkel is meegedeeld dat het niet was toegestaan om uit nieuwsgierigheid een buurman te raadplegen in de systemen. Zij handelde echter niet uit nieuwsgierigheid, maar vanuit haar verantwoordelijkheidsgevoel voor haar werk, aldus eiseres. Zij wilde immers voorkomen dat zij zou omgaan met iemand die ‘niet zuiver op de graat was’. Naar het oordeel van de rechtbank had het voor eiseres voldoende duidelijk kunnen zijn dat het raadplegen van de systemen voor het checken van de ‘(fiscale) betrouwbaarheid’ van een date en zijn ouders niet is toegestaan. Verweerder heeft aangegeven dat bij de introductiecursus aandacht wordt besteed aan integriteit. Eiseres heeft betwist dat dit aan de orde is geweest, maar de overlegging van sheets van slechts een gedeelte van deze cursus is een onvoldoende onderbouwing van dit standpunt. Niet valt uit te sluiten dat situaties als die van eiseres aan de orde zijn geweest bij het onderdeel 'Ambtelijke integriteit', waarvan door eiseres geen sheets zijn overgelegd. Het voorbeeld van de buurman, dat verweerder volgens eiseres wel heeft gegeven, acht de rechtbank anders dan eiseres, voldoende duidelijk. Eiseres had daaruit moeten begrijpen dat het raadplegen van de systemen ter controle van de betrouwbaarheid van een date, evenals het controleren van een buurman uit nieuwsgierigheid, geen betrekking heeft op de taak waarmee de Belastingdienst/FIOD is belast. Van verweerder kan bezwaarlijk worden verwacht dat hij een uitputtend overzicht geeft van alle mogelijke situaties waarin raadpleging van de systemen niet is toegestaan.

10. Dat ook de collega’s van eiseres niet op de hoogte zouden zijn van de regels omtrent het raadplegen van de systemen, kan eiseres in onderhavige procedure niet baten. Het gaat thans immers om het handelen van eiseres en niet om dat van haar collega’s.

11. De vraag of het plichtsverzuim is aan te merken als toerekenbaar plichtsverzuim is volgens vaste rechtspraak (zie bijv. ECLI:NL:CRVB:2010:BM8443) een vraag naar de juridische kwalificatie van het betrokken feitencomplex. Voor de toerekenbaarheid is doorslaggevend of eiseres de ontoelaatbaarheid van dat gedrag heeft ingezien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen. Gelet op hetgeen hiervoor onder 9 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van het raadplegen van de systemen sprake is van toerekenbaar plichtsverzuim.

Schending van de geheimhoudingsplicht

12. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres informatie over een (op te starten) opsporingsonderzoek heeft verstrekt aan een man waarmee zij een date had. Nadat deze man haar een aantal namen had voorgehouden, heeft zij bij één van de genoemde namen – eerst non-verbaal en vervolgens verbaal – bevestigd dat tegen deze persoon een opsporingsonderzoek liep. Partijen verschillen, zo heeft de gemachtigde van eiseres ter zitting bevestigd, evenmin van mening over het feit dat dit plichtsverzuim oplevert dat ook toerekenbaar is. Wel is namens eiseres aangevoerd dat de straf van onvoorwaardelijk strafontslag niet evenredig is aan het verwijt dat eiseres kan worden gemaakt, gelet op de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden.

De evenredigheid

13. Nu de rechtbank, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel is dat het plichtsverzuim (ten aanzien van beide tenlastegelegde gedragingen) aan eiseres is toe te rekenen, was verweerder bevoegd ter zake een disciplinaire maatregel op te leggen. De maatregel van onvoorwaardelijk strafontslag acht de rechtbank, gezien de aard van de functie van eiseres en de daarmee verband houdende eisen van integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid, niet onevenredig. Verweerder heeft het belang van de dienst dan ook zwaarder kunnen laten wegen dan de belangen van eiseres.

14. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat eiseres het feit dat zij de Belastingdienstsystemen heeft geraadpleegd voor privédoeleinden, niet uit eigen beweging heeft gemeld. Daarmee heeft zij ervan blijk gegeven het inzicht te missen in wat van een ambtenaar in dienst van de FIOD verwacht mag worden. Mede hierdoor is het vertrouwen in eiseres onherstelbaar geschaad.

15. Eiseres heeft met betrekking tot het schenden van de geheimhoudingsplicht aangegeven dat zij zich op dat moment alleen met de man, met wie zij een eerste date had, in haar huis bevond, dat niemand daarvan op de hoogte was en dat zij zich bang en onder druk gezet voelde. De man had haar namelijk verteld dat hij eerder verdachte was geweest in een moordonderzoek. Ook veranderde de sfeer toen hij haar vragen begon te stellen over onderzoeken van de FIOD. Omdat zij de man uit haar huis wilde hebben, heeft zij bevestigd wat de man toch al leek te weten.

16. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseres kan worden voorgehouden dat zij zichzelf in de positie heeft gebracht waarin zij verkeerde. Zij heeft de man voorafgaand aan hun eerste date via WhatsApp informatie gegeven over haar functie bij de FIOD en er vervolgens voor gekozen de man, die zij nog niet eerder had ontmoet, bij haar thuis te ontvangen. Hetgeen eiseres (ook overigens in dit verband) heeft aangevoerd, kan de rechtbank dan ook niet tot de conclusie brengen dat de maatregel van onvoorwaardelijk strafontslag onevenredig is.

17. Alles bijeengenomen is de rechtbank van oordeel dat de gevolgen van het onvoorwaardelijk strafontslag niet onevenredig zijn aan de aard en ernst van het plichtsverzuim. Dat eiseres voorafgaand aan het ontslag altijd goed heeft gefunctioneerd, maakt dit niet anders.

18. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Soeteman, voorzitter, en mr. F.M. Rijnbeek en

mr. I. Ravenschlag, leden, in aanwezigheid van A.P.C. Lensvelt LLB, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 december 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.