Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:6416

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
12-12-2017
Datum publicatie
19-12-2017
Zaaknummer
17_229
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft als huurder van de woning op grond van artikel 24, derde lid, van de Wet WOZ recht op een beschikking en is daarom gerechtigd daartegen rechtsmiddelen aan te wenden. Een belang als bedoeld in artikel 28, eerste lid, slotzin, van de Wet WOZ hoeft door eiseres niet gesteld te worden. Dit laat echter onverlet dat een bezwaar of beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard als de indiener van dat rechtsmiddel daarbij geen belang heeft. In het onderhavige geval is van enig procesbelang niet gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/3013
Belastingblad 2018/58
V-N 2018/18.3 met annotatie van Redactie
Viditax (FutD), 21-12-2017
FutD 2018-0069
NLF 2018/0070 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 17/229

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 december 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: M.F. Rupert),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente 's-Hertogenbosch, verweerder

(gemachtigde: mr. A.G. Hendriks).

Procesverloop

Bij beschikking van 31 mei 2016 heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] (hierna: de woning), per waardepeildatum 1 januari 2015, voor het kalenderjaar 2016, vastgesteld op € 192.000.

Bij uitspraak op bezwaar van 9 december 2016 (de bestreden uitspraak) heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2017. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Feiten

Eiseres is huurder van de woning.

Bij brief van 18 mei 2016 heeft eiseres verzocht om een WOZ-beschikking op eigen naam met betrekking tot de woning. Daarbij heeft eiseres aangegeven dat zij een fiscaal belang heeft bij de WOZ-waarde inzake onder meer de inkomstenbelasting. Hierop heeft verweerder de WOZ-beschikking, als vermeld in het procesverloop, aan eiseres toegezonden. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt.

Bij brief van 8 juni 2016 heeft verweerder eiseres een ontvangstbevestiging gestuurd van het bezwaarschrift en verzocht om binnen veertien dagen na dagtekening van deze brief een kopie van de huurovereenkomst met de aanvangshuur in te sturen, om het bezwaarschrift te kunnen beoordelen. Hierop heeft eiseres niet gereageerd.

Bij brief van 4 juli 2016 heeft verweerder eiseres nogmaals verzocht bovengenoemde informatie in te sturen. Daarbij heeft verweerder aangegeven dat hij de huurovereenkomst nodig heeft om te beoordelen of eiseres belang heeft bij de WOZ-waarde. Tevens is daarbij aangegeven dat indien de huurovereenkomst niet binnen veertien dagen na dagtekening van deze brief wordt ontvangen het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Hierop heeft eiseres niet gereageerd.

Bij brief van 10 november 2016 heeft verweerder eiseres nogmaals verzocht bovengenoemde informatie in te sturen. Daarbij heeft verweerder aangegeven dat het bezwaarschrift niet-ontvankelijk zal worden verklaard indien de gevraagde informatie niet uiterlijk op 22 november 2016 door verweerder is ontvangen.

Bij e-mail van 17 november 2016 heeft de gemachtigde van eiseres verweerder medegedeeld dat niet wordt beschikt over een huurcontract met aanvangshuur. Daarbij is tevens aangegeven dat het bezwaar zich richt tegen de reeds afgegeven WOZ-beschikking, zodat verweerder wordt verzocht het bezwaar in behandeling te nemen.

Vervolgens heeft verweerder de bestreden uitspraak gedaan.

Geschil en beoordeling

1. In geschil is de vraag of verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard vanwege het ontbreken van belang. Daarnaast zal de rechtbank moeten beoordelen of, zoals eiseres heeft betoogd, verweerder de hoorplicht heeft geschonden.

2. Op grond van artikel 22, eerste lid, van de Wet WOZ stelt de heffingsambtenaar van de gemeente waarin de onroerende zaak is gelegen, de waarde van de onroerende zaak vast bij een voor bezwaar vatbare beschikking. Op grond van artikel 24, derde lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet WOZ geschiedt de bekendmaking van de beschikking door toezending aan, onder andere, degene die aan het begin van het kalenderjaar de onroerende zaak al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt.

3. Niet in geschil is dat eiseres op 1 januari 2015 gebruiker van de woning was. De heffingsambtenaar was daarom verplicht tot toezending van de beschikking aan eiseres. De rechtbank stelt vast dat verweerder dat, op verzoek van eiseres, met de onderhavige beschikking van 31 mei 2016 (alsnog) heeft gedaan. Dat verweerder op beleidsmatige gronden ervoor heeft gekozen om eiseres als gebruiker in eerste instantie niet uit eigen beweging een WOZ-beschikking toe te zenden, omdat gebruikers van onroerende zaken die tot woning dienen met ingang van 1 januari 2006 niet in de heffing van de onroerendezaakbelastingen worden betrokken, acht de rechtbank bij de onderhavige beoordeling niet relevant. Nu aan eiseres op grond van artikel 24, derde lid, van de Wet WOZ reeds een beschikking toekomt, geldt de in artikel 28, eerste lid, slotzin van de Wet WOZ gestelde eis voor de verkrijging van een beschikking niet. Dit laat echter onverlet dat een bezwaar of beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard als de indiener van dat rechtsmiddel daarbij geen belang heeft.

4. Volgens vaste rechtspraak (arrest van de Hoge Raad van 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:878) moet een bezwaar, beroep of (incidenteel) hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard als de indiener van dat rechtsmiddel daarbij geen belang heeft. Daarvan is sprake als het aanwenden van het rechtsmiddel, ongeacht de gronden waarop het steunt, hem niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen, zoals die met betrekking tot proceskosten en griffierecht. Eerst indien het aangewende rechtsmiddel de indiener ervan wel in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit dan wel eventuele bijkomende beslissingen en voldaan is aan de overige ontvankelijkheidsvereisten, moet het rechtsmiddel ontvankelijk worden geacht, de door de indiener aangevoerde gronden worden onderzocht en worden beoordeeld of het rechtsmiddel wel of niet gegrond is.

5. Vaststaat dat gebruikers (huurders) van onroerende zaken die tot woning dienen met ingang van 1 januari 2006 niet in de heffing van de onroerendezaakbelastingen worden betrokken. Het belang bij het aanwenden van rechtsmiddelen door de huurder van een woning kan dan ook niet gelegen zijn in verlaging van die op de WOZ-waarde gebaseerde belasting. In bepaalde situaties kan echter voor een huurder wel een belang bestaan bij verlaging van de WOZ-waarde. Dit is bijvoorbeeld het geval als de woning een gereguleerde huur heeft (een sociale huurwoning betreft). Van een gereguleerde huur is sprake indien de huur bij het afsluiten van het huurcontract niet hoger ligt dan de liberalisatiegrens van dat moment. Per 1 januari 2015 bedraagt de liberalisatiegrens bijvoorbeeld € 710,68. De maximale huurprijs van een sociale huurwoning wordt bepaald aan de hand van het woningwaarderingsstelsel (WWS). Een van de factoren om die maximale huur te bepalen is de WOZ-waarde van de woning. Met ingang van 1 oktober 2015 is, met het Besluit van 8 juli 2015 tot wijziging van het Besluit huurprijzen woonruimte, het WWS gewijzigd. Gevolg van deze wijziging is dat de WOZ-waarde zwaarder dan voorheen meetelt bij de bepaling van het aantal punten en daarmee de (maximale) huur van een sociale huurwoning. Dit betekent dat, indien komt vast te staan dat sprake is van een sociale huurwoning, de WOZ-waarde van invloed is op de maximale huurprijs van de woning. In dat geval kan er naar het oordeel van de rechtbank in beginsel van worden uitgegaan dat het aanwenden van een rechtsmiddel tegen de WOZ-waarde, ongeacht de gronden waarop dat steunt, eiseres in een betere positie kan brengen.

6. Eiseres is huurder van de woning. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het op haar weg aannemelijk te maken dat het bezwaar haar in een betere positie kan brengen. Eiseres heeft (eerst) ter zitting gesteld dat zij een sociale huurwoning bewoont.

7. Hoewel in de uitspraak op bezwaar is vermeld dat eiseres in een sociale huurwoning woont, heeft verweerder ter zitting toegelicht dat dit abusievelijk in de uitspraak op bezwaar is opgenomen en dat deze misslag met de in het verweerschrift gegeven toelichting is hersteld. Verweerder heeft ter zitting nogmaals, mede onder verwijzing naar het verweerschrift, aangegeven dat bij verweerder niet bekend is of de woning van eiseres een sociale huurwoning betreft. Vanuit de woningcorporaties worden geen overzichten verstrekt waaruit blijkt welke woningen sociale huurwoningen zijn en welke niet. Zonder inzicht in de huurovereenkomst met aanvangshuur kan volgens verweerder dus niet worden vastgesteld of de woning van eiseres een sociale huurwoning betreft en of de WOZ-waarde daarmee van invloed is op de hoogte van de (maximale) huurprijs. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan het in het verweerschrift en ter zitting ingenomen standpunt dat niet bekend is of sprake is van een woning in de gereguleerde huursector. Daarbij is van belang dat eiseres, ondanks diverse verzoeken van verweerder, geen huurovereenkomst heeft overgelegd.

8. Verweerder betwist, bij gebrek aan wetenschap, dat eiseres huurder is van een sociale huurwoning en dat een eventuele verlaging van de WOZ-waarde van de woning haar kan baten. De enkele mededeling van de hoogte van de aanvangshuur door eiseres ter zitting acht de rechtbank onder de gegeven omstandigheden onvoldoende. Eiseres had haar stelling dat zij huurder is van een sociale huurwoning met bewijsstukken moeten onderbouwen. Dit geldt te meer, nu eiseres pas daags voor de zitting heeft betoogd dat zij – naar eigen zeggen op grond van voortschrijdend inzicht – de bezwaar- en beroepsprocedure heeft ingezet vanwege een mogelijke invloed van de WOZ-waarde op de (maximale) huurprijs van haar woning. De rechtbank stelt vast dat eiseres de WOZ-beschikking aanvankelijk heeft opgevraagd ‘inzake onder meer de inkomstenbelasting’ en zij in het beroepschrift nog heeft aangegeven dat ‘wat de gemeente precies voor ogen had bij het opvragen van een afschrift van het originele huurcontract met aanvangshuur (…) in casu niet duidelijk (is)’ omdat ‘een huurcontract met de aanvangshuur (…) geen uitsluitsel (had) gegeven over de ontvankelijkheid van het bezwaar.’ Ter zitting heeft eiseres echter nogmaals en expliciet bevestigd dat zij niet over een huurovereenkomst beschikt en die ook niet kan overleggen. Nu eiseres tot op de zitting ook geen ander verifieerbaar bewijs heeft overgelegd ter onderbouwing van haar stelling, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken dat eiseres als huurder van de woning (enig) belang had bij de beoordeling van haar bezwaar.

9. De rechtbank is ten slotte van oordeel dat het arrest van de Hoge Raad van 20 oktober 2017 (ECLI:NL:HR:2017:2656) hier niet tot een ander oordeel noopt. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat uit dat arrest niet volgt dat elke huurder van een woning zonder meer belang heeft bij het aanwenden van een rechtsmiddel tegen een WOZ-beschikking in de situatie dat – zoals in dit geval – tot aan de zitting bij de rechtbank van een door de wetgever onderkend breder gebruik van de WOZ-waarde niet is gebleken.

10. Gelet op al het vorenstaande heeft verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard en er, gelet op het bepaalde in artikel 7:3 van de Awb terecht van afgezien om eiseres te horen. De rechtbank volgt eiseres dan ook niet in haar standpunt dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. In de aanvullende reactie van de gemachtigde van eiseres van 23 november 2017 is aangegeven dat eiseres met verweerder op een hoorzitting wil spreken over de op de zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden ‘waaronder het huurpuntenstelsel, de ingangsdatum van de huurovereenkomst, de aanvangshuur, de huidige huursom, alsmede de berekening van de maximale huur, waarbij de grootte van de vertrekken en de tuin, de energieprestatie (energie-index), de verwarmingsinstallatie, de WOZ-waarde en tal van andere zaken die mede van belang zijn bij de berekening van de maximale huur en de daarmee samenhangende door verweerder betwiste ontvankelijkheid’. Dit doet echter naar het oordeel van de rechtbank niet af aan het feit dat het voor verweerder, na ontvangst van de e-mail van de gemachtigde van eiseres van 17 november 2016, kennelijk was dat het bezwaar niet-ontvankelijk was, omdat eiseres niet beschikte over een huurcontract met aanvangshuur om haar belang bij de bezwaarprocedure tegen de WOZ-waarde aannemelijk te maken.

10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Soeteman, voorzitter, en mr. F.M. Rijnbeek en

mr. M.P. Schutte, leden, in aanwezigheid van Z. Selkan, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 december 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.