Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:6371

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
08-12-2017
Datum publicatie
08-12-2017
Zaaknummer
01/865099-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht poging tot doodslag bewezen, maar ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging omdat dit feit niet aan verdachte kan worden toegerekend. Voor dit feit wordt verdachte ter beschikking gesteld met bevel tot dwangverpleging. Daarnaast wordt verdachte schuldig verklaard zonder oplegging van straf of maatregel voor mishandeling en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht meermalen gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummers: 01/865099-17 en 01/079355-17 (ttz.gev.)

Datum uitspraak: 08 december 2017

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres] ,

thans gedetineerd te: PPC in Vught.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 november 2017.

Op de zitting van 27 oktober 2017 heeft de rechtbank de tegen verdachte, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak met parketnummer 01/865099-17 is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van

3 oktober 2017. De zaak met parketnummer 01/079355-17 is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 24 mei 2017.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

parketnummer 01/865099-17

hij op of omstreeks 17 juli 2017 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een schaar, althans een scherp en/of puntig voorwerp meermalen, althans eenmaal in de buik en/of de arm en/of de schouder, althans in het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 289/287 jo. artikel 45 Wetboek van Strafrecht)

parketnummer: 01-079355-17

1.

hij op of omstreeks 20 februari 2017 te Eindhoven [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] tegen het hoofd te slaan/stompen;

2.

hij op of omstreeks 20 februari 2017 te Eindhoven [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

-door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen "Ik sla je dood" en/of "Ik maak je

dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

-door die [slachtoffer 3] dreigend de woorden toe te voegen "Jij moet nog een keer de winkel uit

vanavond. Ik maak je dood. Ik steek je neer", althans woorden van gelijke dreigende aard

of strekking;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Bewijsbijlage.

De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Inleiding.

zaak 01/845414-17

Verdachte heeft [slachtoffer 1] meerdere keren met een schaar in het lichaam gestoken.

Hij wordt er van beschuldigd [slachtoffer 1] al dan niet met voorbedachten rade van het leven te hebben willen beroven.

zaak 01/079355-17

Verdachte heeft met het doel om gearresteerd te worden stennis geschopt in een supermarkt en daarbij medewerkers geslagen en/of verbaal bedreigd.

Het standpunt van de officier van justitie.

zaak 01/845414-17

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van de impliciet ten laste gelegde poging tot moord, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. De officier van justitie acht daarentegen de poging tot doodslag wel bewezen, omdat verdachte door opzettelijk met een schaar in onder meer de buik te steken, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer met fatale gevolgen kon worden geraakt. Dat er bij verdachte ten tijde van het steekincident sprake was van een volledig verstoorde realiteitszin in het kader van een paranoïde toestandsbeeld staat volgens de officier van justitie in de gegeven omstandigheden aan het aannemen van opzettelijk handelen niet in de weg, omdat verdachte niet van elk inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan was verstoken.

zaak 01/079355-17

De officier van justitie acht de mishandeling en de verbale bedreigingen bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

zaak 01/845414-17

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van poging tot moord, omdat verdachte niet met voorbedachten rade doch in een plotselinge opwelling als gevolg van een psychotische toestand heeft gehandeld. Volgens de raadsman staat deze gemoedstoestand tevens aan het aannemen van opzettelijk handelen in de weg, omdat verdachte van elk inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan was verstoken.

De raadsman heeft op deze grond dan ook vrijspraak bepleit van een poging moord/ doodslag. De raadsman heeft zich bovendien op het standpunt gesteld dat de poging

tot doodslag niet kan worden bewezen omdat in de gegeven omstandigheden geen aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer bestond en verdachte gezien zijn psychotische toestandsbeeld niet welbewust de kans op mogelijke fatale gevolgen heeft aanvaard.

zaak 01/079355-17

In de visie van de raadsman kunnen beide feiten worden bewezen.

Het oordeel van de rechtbank.

zaak 01/865099-17

De rechtbank verwijst voor wat betreft de inhoud van de relevante bewijsmiddelen naar de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage en overweegt voorts het navolgende.

algemeen

Er bestaat geen discussie dat verdachte op 17 juli 2017 in Eindhoven bewust de confrontatie met het slachtoffer [slachtoffer 1] heeft opgezocht en hem meerdere keren met een schaar heeft verwond, en wel in een onderarm, de achterzijde van een schouder en in de maagstreek/ bovenbuik. Dit volgt ondubbelzinnig uit de bewijsmiddelen.

opzet

De rechtbank staat allereerst voor de vraag of de hierna onder het kopje ‘strafbaarheid

van verdachte’ aan de orde zijnde ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de weg

staat aan het aannemen van opzettelijk handelen.

Volgens vaste rechtspraak staat het hebben van een ernstige geestelijke stoornis slechts dan aan de bewezenverklaring van het opzet in de weg indien het de betrokkene ten tijde van zijn handelen aan ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen heeft ontbroken. Daarvan zal slechts bij hoge uitzondering sprake zijn.

Zoals hiervoor reeds is vermeld volgt uit de bewijsmiddelen ontegenzeggelijk dat verdachte bewust de confrontatie met het slachtoffer heeft opgezocht en hem meerdere keren met een schaar heeft gestoken. Verdachte heeft hierover zelf het navolgende verklaard:

‘Zij liepen met z’n drieën. Ik werd opeens boos. De man keek mij aan. Ik was het

ineens zat. Ik flipte. Toen zij dichterbij kwamen werd ik bozer en bozer. Ik werd

boos en dacht ‘fuck it’. Ik wilde gewoon dat het stopte, ik was het zat dat de

mensen op straat mij provoceerden. Ik heb een schaar gepakt, stak de straat over

en heb de man gestoken. Ik dacht gewoon doorgaan, doorgaan. De man viel na drie

steken op de grond’ (..) ‘Hij ging er vanuit dat ik bang was en onzeker en dat ik mij

inhield. Ik denk, ik laat je zien wie ik ben’(..) ‘ Ik dacht dat ze het over mij hadden en werd boos. Ik wilde hen aanspreken en stak de straat over. Ik had een schaar in mijn hand. Ik wilde hen duidelijk maken dat ze mij met rust moesten laten. Ik heb de man een paar keer met de schaar geraakt.’

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het voorgaande dat er bij verdachte, in elk geval in enige mate, sprake is geweest van doelgerichtheid bij en afgewogen besluitvorming door de verdachte. Dat betekent dat verdachte tot op zekere hoogte besef gehad heeft moeten hebben van de draagwijdte en de mogelijke gevolgen van zijn handelen. De rechtbank ziet zich hierin gesteund door de volgende passage uit de verklaring van verdachte die geen nadere uitleg behoeft:

‘De man viel na drie steken op de grond. Ik ben een stukje teruggelopen en dacht toen ‘als ik iets doe moet ik het goed doen’. Toen ben ik terug gegaan naar de man

die op de grond lag. Ik wilde het afmaken, maar dacht ‘fuck it, waar ben ik mee

bezig’. Ik kon hem gemakkelijk doodsteken, maar heb dat niet gedaan.’

De rechtbank concludeert dat in het licht van dit alles redelijkerwijs niet de uitzonderlijke situatie kan worden aangenomen dat bij verdachte elk besef heeft ontbroken. Het verweer dat verdachte van opzettelijk handelen en daarmee van de gehele tenlastelegging dient te worden vrijgesproken wordt derhalve verworpen.

voorwaardelijk opzet

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte het slachtoffer in elk geval drie keer met een schaar heeft geraakt, en wel in een onderarm, de achterzijde van een schouder en in de maagstreek/bovenbuik. In het ziekenhuis is vastgesteld dat er sprake was van drie steek/

snijwonden van allen circa één centimeter groot met daarbij de vermelding dat deze drie verwondingen gehecht moesten worden. Voorts is in het ziekenhuis een bloedverlies van circa 200 cc geconstateerd.

De rechtbank heeft aan de hand van de zich in het dossier bevindende afbeeldingen van de schaar waargenomen dat verdachte een ijzeren schaar van circa 12,5 centimeter als wapen heeft gebruikt.

De rechtbank acht de ter zitting door verdachte aangedragen versie dat hij enkel prikkende bewegingen met de schaar heeft gemaakt en daarbij het slachtoffer lichtjes zou hebben geraakt niet aannemelijk in het licht van de bewijsmiddelen. De rechtbank acht veeleer aannemelijk dat verdachte in zijn vlaag van woede op onbeheerste wijze en met enige kracht stekende bewegingen heeft gemaakt. Dit past naar het oordeel van de rechtbank ook beter bij het geconstateerde lichamelijke letsel zoals hiervoor weergegeven en de verklaring van getuige Rijnbout: ‘Ik zag dat de donkere man in een gespannen houding stond met het voorwerp stevig vast met de punt naar voren. Ik zag iets van een stekende beweging en dat het slachtoffer ineen dook.’ Bovendien, zo stelt de rechtbank vast, heeft verdachte bij de politie meerdere keren aangegeven met de schaar te hebben gestoken.

De rechtbank acht redelijkerwijs vaststaan dat verdachte het slachtoffer in een vlaag van woede op onbeheerste wijze en met enige kracht met een schaar van circa 12,5 centimeter

in het bovenlichaam, waaronder de maagstreek/bovenbuik heeft gestoken. Het is algemeen bekend dat door een krachtige steek met een scherp of puntig voorwerp - zoals de onder-havige schaar - in de maagstreek/bovenbuik vitale organen kunnen worden geraakt wat tot een fatale inwendige bloeding kan leiden. Nu het een algemene ervaringsregel betreft moet ook verdachte, ondanks zijn geestelijke gemoedstoestand op dat moment, daarvan op de hoogte zijn geweest. Door niettemin te handelen zoals hij heeft gedaan, heeft hij welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer kon komen te overlijden.

voorbedachten rade

De rechtbank overweegt allereerst dat handelen onder invloed van een geestelijke stoornis het handelen met voorbedachten rade niet uitsluit.

Voor een bewezenverklaring van dit bestanddeel moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De vaststelling dat verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter er niet van te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdsspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Toetsend aan dit kader acht de rechtbank, met de officier van justitie en de raadsman, niet bewezen dat verdachte met voorbedachten rade het slachtoffer heeft trachten te doden.

Het handelen van verdachte en met name hetgeen hij hierover zelf heeft verklaard bevat naar het oordeel van de rechtbank dusdanige aanwijzingen dat de besluitvorming en uitvoering ervan in een plotselinge drift en minieme tijdspanne hebben plaatsgevonden,

dat hier in doorslaggevende mate betekenis aan moet worden toegekend. Dit handelen in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling staat naar het oordeel van de rechtbank aan het aannemen van voorbedachten rade in de weg.

De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van de impliciet ten laste gelegde poging tot moord.

conclusie

De rechtbank acht de poging tot doodslag bewezen.

zaak-01/079355-17

De rechtbank acht de ten laste gelegde mishandeling en verbale bedreigingen bewezen

en volstaat in dit verband met de enkele verwijzing naar de inhoud van de daarop betrekking hebbende bewijsmiddelen zoals weergegeven in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierna in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

parketnummer 01/865099-17

op 17 juli 2017 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet met een schaar

in de buik en de arm en de schouder van die [slachtoffer 1] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

parketnummer: 01-079355-17

1.

op 20 februari 2017 te Eindhoven [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] tegen het hoofd te slaan.

2.

op 20 februari 2017 te Eindhoven [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

-door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen "Ik sla je dood" en "Ik maak je

dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en

-door die [slachtoffer 3] dreigend de woorden toe te voegen "Jij moet nog een keer de winkel uit

vanavond. Ik maak je dood. Ik steek je neer", althans woorden van gelijke dreigende aard

of strekking.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

zaak 01/865099-17

Psychiater J.L.M. Dinjens en klinisch psycholoog drs. D.M.L. Versteijnen hebben op respectievelijk 6 november 2017 en 8 november 2017 gerapporteerd over de persoon

van verdachte. Volgens deskundige Dinjens is er bij verdachte sprake van schizofrenie van het paranoïde type; een chronisch psychotisch toestandsbeeld met paranoïde waanover-

tuigingen en mispercepties. Ook deskundige Versteijnen spreekt van een paranoïde psychotische toestandsbeeld, waarschijnlijk in het kader van schizofrenie. De rapporteurs zijn eensluidend in hun conclusie dat verdachte in aanloop naar en ten tijde van het ten laste gelegde in een floride paranoïde psychotische gemoedstoestand verkeerde met een volledig verstoorde realiteitstoetsing. Zij adviseren verdachte dan ook als volledig ontoerekenings-vatbaar voor zijn handelen te beschouwen.

De officier van justitie en de verdediging hebben zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat op basis van de inhoud van de rapportages kan worden aangenomen dat het ten laste gelegde feit niet aan verdachte kan worden toegerekend. De raadsman heeft hier nog de uitdrukkelijke conclusie aan verbonden dat verdachte ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging.

De rechtbank neemt de conclusies en adviezen van genoemde gedragsdeskundigen over en maakt die tot de hare.

De rechtbank acht uit het onderzoek ter terechtzitting en de inhoud van de hiervoor genoemde rapportages aannemelijk geworden dat de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit in dusdanig overheersende mate zijn beïnvloed door de ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, dat dit de conclusie rechtvaardigt dat dit feit hem wegens die stoornis niet kan worden toegerekend. De rechtbank beschouwt verdachte dan ook ten aanzien van het ten laste gelegde feit

als ontoerekeningsvatbaar. Verdachte is daarom niet strafbaar voor hetgeen te zijn laste

is bewezen verklaard en dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

zaak 01/079355-17

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten terzake van de bewezen verklaarde feiten onder parketnummer

01/079355-17. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen in dat verband bewezen

is verklaard. De rechtbank overweegt daartoe het navolgende.

De rechtbank stelt vast dat dit feitencomplex vijf maanden voor het hiervoor aan de orde zijnde voorval heeft plaatsgevonden en circa een jaar nadat in een andere zaak met feiten uit 2015 door GZ-psycholoog G.L.F. Fiddelers en psychiater drs. P. Boskan over de persoon van verdachte is gerapporteerd op 24 maart 2016. Deskundige Fiddelers spreekt van een onthechte en gehospitaliseerde man waarbij in 2015 sprake was van een drugspsychose en betrekkingswanen. De rapporteur kwalificeert dit als een ziekelijke stoornis Volgens deskundige Boskan is er naast een ziekelijke stoornis ook sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. De rapporteur spreekt in diagnostische zin van

een depressie en (mogelijk) van een psychotische kwetsbaarheid. De deskundigen zijn eensluidend in hun advies om verdachte ter zake van de verschillende feiten verminderd

en licht verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

De officier van justitie en de verdediging hebben zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat op basis van de inhoud van alle voorhanden zijnde gedragsrapportages en het tijdsverloop kan worden aangenomen dat verdachte ten tijde van de feiten op dagvaarding 01/079355-17 verminderd toerekeningsvatbaar is te achten.

De rechtbank sluit zich hierbij aan. De rechtbank acht uit het onderzoek ter terechtzitting en de inhoud van alle vier hiervoor genoemde rapportages, waarin gedurende het tijdsverloop een glijdende neerwaartse spiraal is te ontwaren, aannemelijk geworden dat verdachte ten tijde van onderwerpelijke delicten als verminderd toerekeningsvatbaar is te beschouwen en deze feiten hem niet volledig kunnen worden toegerekend.

Oplegging van maatregel.

De eis van de officier van justitie. (bijlage)

De officier van justitie heeft voor alle feiten de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging gevorderd.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft de plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis bepleit.

Het oordeel van de rechtbank.

zaak 01/865099-17

Bij de beslissing over de maatregel die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft in een paranoïde psychotisch toestandsbeeld een toevallige passant meerdere keren met een schaar in het lichaam gestoken, waaronder in diens buik. Dat het letsel relatief beperkt is gebleven en niet tot fatale gevolgen heeft geleid is niet aan verdachtes handelen te danken geweest. Het slachtoffer liep op dat moment nietsvermoedend een rondje tijdens de lunchpauze. De verdachte verkeerde op dat

moment – maar ook thans nog – in de waan dat op internet een filmpje circuleert waarop te zien is dat een andere man seksuele handelingen bij hem verricht, dat iedereen van het bestaan van dat filmpje weet en dat filmpje ook daadwerkelijk gezien heeft en dat mensen in Eindhoven hem wegens dat filmpje op straat herkennen. Toen verdachte het slachtoffer en zijn gezelschap zag lopen en hoorde lachen, raakte verdachte ervan overtuigd dat het slachtoffer en zijn gezelschap hem wegens dat filmpje uitlachten. Deze verstoorde realiteit heeft bij verdachte tot een onbeheerste woedeaanval geleid, waarop hij het slachtoffer heeft aangevallen.

Het hoeft geen betoog dat het slachtoffer door het onverwachte gewelddadige handelen van verdachte zeer beangstigende momenten heeft moeten doorstaan. Door het aanzienlijke bloedverlies (200 cc) vreesde het slachtoffer ook voor zijn leven. Verdachte heeft een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en zijn lichamelijke integriteit aangetast. Het gewelddadige handelen moet een grote indruk op het slachtoffer hebben gemaakt. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. Uit de toelichting op de vordering benadeelde partij en de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is.

Door het plegen van het onderhavige delict heeft verdachte bovendien de rechtsorde zeer ernstig geschokt. Het behoeft geen nadere bespreking dat een dergelijk op klaarlichte dag in het openbaar gepleegd geweldsdelict gevoelens van onrust en onveiligheid in de samen-leving aanwakkert.

Zoals hiervoor reeds is besproken, is er volgens de gedragsdeskundigen sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bij verdachte. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat het bewezen verklaarde feit verdachte wegens zijn ziekelijke stoornis van

de geestvermogens niet kan worden toegerekend. Dat oordeel brengt met zich dat enkel een strafrechtelijke maatregel kan worden opgelegd. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde feit in een psychiatrisch ziekenhuis dient te worden geplaatst of dat een terbeschikkingstelling (eventueel met voorwaarden) aangewezen is.

Psychiater J.L.M. Dinjens heeft in dit verband onder meer het volgende in het rapport

van 6 november 2017 geconcludeerd en geadviseerd:

‘Het recidiverisico wordt zowel klinisch als met behulp van een risicotaxatie-instrument als hoog ingeschat. Er zijn nauwelijks beschermende factoren. Het recidiverisico hang nauw samen met de ernst en aard van de psychotische klachten en symptomen. Er is een chronische psychose. Er is een hechtingsstoornis en scheefgroei in de persoonlijkheids-ontwikkeling. Er is een uitgebreide jeugdhulpverlening en justitiële voorgeschiedenis.

Er is een gestoorde agressieregulatie en impulscontrole. Er zijn problemen op alle levens-gebieden. De zorgprognose is niet gunstig. Onderzoeker adviseert uw rechtscollege betrokkene te berechten via het volwassenstrafrecht. Er is een jarenlange voorgeschiedenis

in de jeugdhulpverlening, maar dit heeft niet geleid tot een gedragsverbetering. Er is sprake van psychiatrische stoornis. Hij is niet zelfsturend of zelfredzaam. Hij is niet ontvankelijk gebleken voor een pedagogische aanpak en de psychische problemen nemen steeds verder toe, waarin betrokkene verhardt. Intensieve, integrale en langerdurende klinische behandeling wordt noodzakelijk geacht om het recidiverisico te beteugelen. De behandeling zal zich dienen te richten op het instellen van antipsychotische medicatie, bewerken van agressieregulatie en impulscontrole, psycho-educatie, terugvalpreventie en het bieden van een hooggestructureerde en veilige omgeving. Een behandeling in een voorwaardelijk kader wordt niet haalbaar geacht gezien de status van zorgmijder, het vrijwel afwezige probleem-

besef en –inzicht en de wankele behandelmotivatie. Er resteren, gezien het advies niet toe te rekenen, twee kaders: 1) plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis ex artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht. Nadeel is dat de(ze) maatregel per definitie na 1 jaar eindigt en dat de inschatting is dat betrokkene langerdurend (jarenlang) behandeling en begeleiding nodig heeft. Indien na het verstrijken van de behandelduur verdere behandeling noodzakelijk wordt geacht, bestaat er weliswaar de mogelijkheid dit voort te zetten middels een Rechterlijke Machtiging (BOPZ), maar dit valt buiten het bestek van de strafrechter.

2) behandeling in het kader van een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Voordeel is de langere behandelduur en de mogelijkheid tot een graduele resocialisatie. Onderzoeker realiseert zich het ultimum remedium criterium, maar gezien de aard en ernst van het tenlastegelegde, de ongunstige behandelprognose en het als hoog ingeschatte recidiverisico, heeft dit inhoudelijk wel de voorkeur.’

Psycholoog drs. D.M.L. Versteijnen heeft onder meer het volgende in het rapport

van 8 november 2017 geconcludeerd en geadviseerd:

‘Het recidiverisico in een soortgelijk delict wordt zowel op basis van de klinische inschatting als op basis van gestructureerde risicotaxatie-instrumenten hoog ingeschat.

Geadviseerd wordt het volwassenstrafrecht toe te passen. Gezien het ontbrekende ziektebesef en ziekte-inzicht van betrokkene, en zijn overtuiging dat hij slechts praktische hulp nodig heeft, wordt een vrijwillig kader onmogelijk geacht. Een dwingend juridisch kader wordt noodzakelijk geacht om betrokkene binnen een behandelsetting te houden en (effect van een) behandeling mogelijke te maken. Het zal naar verwachting langere tijd in beslag nemen om de psychotische problematiek dusdanig te verminderen, dat er ruimte komt voor andere belangrijke interventies. Daarnaast wordt het aanbrengen van een extern steunkader van belang geacht. De vraag is welk juridisch kader hiervoor geschikt is. Gezien het feit dat het gedrag van betrokkene volledig verklaarbaar geacht wordt uit de psychose, kan een artikel 37 worden overwogen. Het nadeel van een dergelijke maatregel is dat een artikel 37 slechts voor de duur van één jaar kan worden opgelegd. Het is moeilijk voorspelbaar hoe lang de behandeling van betrokkene zal moeten duren. Het is waarschijnlijk dat dit langer dan één jaar zal zijn, gezien de chronische diagnose, de reeds lang bestaande duur van de klachten, de geringe respons op medicatie en de weigering om aan behandeling mee te werken, waardoor mogelijk dwangprocedures zullen moeten worden ingezet. Eventueel kan, wanneer er na afloop van het jaar nog gevaar bestaat vanuit de stoornis voor betrokkene zelf of voor anderen, een Rechterlijke Machtiging worden aangevraagd om de behandeling vanuit het BOPZ-kader voort te zetten. De vraag is echter of dit kader afdoende is om mogelijk nog aanwezig gevaar adequaat te beteugelen. Een andere mogelijkheid is om de klinische behandeling, en een daarop volgend ambulant traject, op te leggen binnen een TBS met voorwaarden. Echter, daarvoor geldt dat betrokkene bereid moet zijn in enige mate mee te gaan met de gestelde voorwaarden. Dit blijkt niet mogelijk, gezien het gegeven dat er bij betrokkene geen sprake is van enig inzicht of motivatie voor behandeling. Dan is de TBS met dwangverpleging een laatste alternatief. Hoewel dit een zwaar middel is, geeft het wel mogelijkheden om de vastgelopen ontwikkeling van betrokkene mogelijk om te buigen. Juist omdat hij zo jong is, is het zinvol om vroeg met intensieve zorg in te grijpen, zodat de opgelopen schade zo klein mogelijk kan blijven. Een kliniek met een specialistische afdeling voor psychotische stoornissen is in dat geval een pre. Mijn advies voor de TBS met dwangverpleging hangt voornamelijk samen met aan de ene kant de verwachting dat een jaar te kort is om de ernstige en chronische problematiek van betrokkene dusdanig te behandelen dat het recidiverisico voldoende daalt. En aan de andere kant de ernst van het agressieve delictgedrag van betrokkene, waardoor de kans op ernstige schade bij slachtoffers hoog is. Ook in de huidige setting van het PPC is het opnieuw tot fysieke agressie gekomen. Bij voortbestaan van de psychotische klachten is de kans groot dat dit opnieuw gebeurt, met mogelijk ernstige gevolgen.’

De reclassering meldt in een omtrent de persoon van verdachte opgesteld advies d.d. 19 juli 2017 onder meer het navolgende:

‘De ontvankelijkheid voor begeleiding / behandeling is laag. begin dit jaar werd een toezicht door ons retour gestuurd omdat de heer Abdilaahi niet mee wilde werken aan de bijzonder voorwaarde klinische behandeling bij de Catamaran. Zorgelijk is dat betrokkene tot op heden elke vorm van hulp weigert, geen probleembesef en ziekte-inzicht heeft, waardoor de (gedwongen) hulp tot nu toe niet het gewenste effect heeft gehad.’

De reclassering schaart zich in haar rapport van 13 november 2017 volmondig achter

de adviezen van de gedragsdeskundigen om het volwassenenstrafrecht toe te passen en

een TBS-maatregel met dwangverpleging op te leggen.

De rechtbank neemt de bovenstaande conclusies en adviezen van de deskundigen over en maakt die tot de hare.

De rechtbank is van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling en geen minder zware maatregel noodzakelijk maakt. De rechtbank overweegt daartoe het navolgende.

Gelet op de aard en ernst van de bij verdachte aanwezige (chronische) psychotische stoornis,

het als hoog ingeschatte recidivegevaar tijdens een psychotische episode en de onverwacht (gewelddadige) wijze waarop de stoornis zich in het gedrag van verdachte pleegt te manifesteren, zonder dat dit goed door de omgeving van verdachte kan worden ingeschat, maken de verdachte naar het oordeel van de rechtbank zodanig gevaarlijk voor de maat-schappij dat alleen een maategel die de meest absolute bescherming daartegen kan bieden thans in aanmerking komt. Daar komt bij de door de rapporteurs vastgestelde noodzaak van een – naar verwachting – jarenlange intensieve klinische behandeling binnen een strak juridisch kader met de mogelijkheid van een graduele resocialisatie en hun vermelde sombere behandelprognose. Ook is bij verdachte sprake van een nagenoeg totaal gebrek aan ziektebesef en –inzicht en een zorgmijdende karakter en gebrek aan intrinsieke motivatie voor begeleiding of behandeling, hetgeen de rechtbank ook ter terechtzitting bevestigd heeft gezien door verdachtes verklaring dat hij mee wil werken aan een behandeling om aan te tonen dat hem niets mankeert. De hiervoor genoemde omstandigheden in onderlinge samenhang bezien brengen de rechtbank, alles afwegende, tot het oordeel dat alleen een TBS met dwangverpleging in aanmerking komt.

De rechtbank overweegt voorts dat is voldaan aan de formele voorwaarden om de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen. Het hierna te kwalificeren feit betreft een misdrijf waarop naar wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld.

Voorts merkt de rechtbank op dat het een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

Gezien het vorenstaande zal de rechtbank verdachte ter beschikking stellen. De rechtbank zal voorts bevelen dat verdachte van overheidswege verpleegd wordt.

zaak 01/079355-17

De rechtbank brengt in herinnering haar eerdere oordeel dat deze feiten niet volledig aan verdachte kunnen worden toegerekend. Gelet hierop en gezien de oplegging van de maatregel van TBS met dwangverpleging in de zaak met het parketnummer 01/865099-17 en de noodzaak van een spoedige behandeling, ziet de rechtbank geen toevoegde waarde

in een extra op te leggen sanctie. De rechtbank zal verdachte dan ook aan de onderhavige

twee delicten schuldig verklaren zonder oplegging van een straf of maatregel.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (parketnummer 01/865099-17)

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de vordering geheel toewijsbaar met daarbij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, telkens vermeerderd met de wettelijke rente.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schade

kan worden toegewezen, doch dat het gevorderde bedrag aan smartengeld dient te worden beperkt tot een bedrag van maximaal € 500,=, omdat in de onderbouwing geen sprake is van een vergelijkbare zaak.

Het oordeel van de rechtbank. De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (immateriële schade) en vanaf de datum van indiening van de vordering (materiële schade) tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (immateriële schade) en vanaf de datum van indiening van de vordering (materiële schade) tot de dag der algehele voldoening, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen art. 9a, 24c, 36f, 37a, 37b, 38d, 45, 285, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

t.a.v. 01/865099-17: poging tot doodslag t.a.v. 01/079355-17 feit 1: mishandeling t.a.v. 01/079355-17 feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

Verklaart verdachte niet strafbaar voor het hiervoor onder 01/865099-17 gekwalificeerde feit en ontslaat hem van alle rechtsvervolging.

Verklaart verdachte strafbaar voor de hiervoor onder 01/079355-17 gekwalificeerde feiten.

Legt op de volgende maatregelen.

t.a.v. 01/865099-17:Terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.

t.a.v. 01/079355-17 feit 1en feit 2: Schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel.

t.a.v. 01/865099-17: Maatregel van schadevergoeding van € 1.813,67 subsidiair 28 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] van een bedrag van € 1.813,67, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 28 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van € 1.200,= immateriële schadevergoeding en € 613,67 materiële schadevergoeding. De toepassing

van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op. Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (immateriële schade) en vanaf de datum van indiening van de vordering (materiële schade) tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] , van een bedrag van € 1.813,67, te weten

€ 1.200,= immateriële schadevergoeding en € 613,67 materiële schadevergoeding. Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (immateriële schade) en vanaf de datum van indiening van de vordering (materiële schade) tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.P.J. Scheele, voorzitter,

mr. T. Dompeling en mr. E.C.P.M. Valckx, leden,

in tegenwoordigheid van D.A. Koopmans, griffier,

en is uitgesproken op 8 december 2017.