Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:6349

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
08-12-2017
Datum publicatie
08-12-2017
Zaaknummer
01/860154-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bewezen dat verdachte gemeenschap met een minderjarige heeft gehad. In tegenstelling tot het advies van de reclassering past de rechtbank het meerderjarigenstrafrecht toe. De rechtbank veroordeelt verdachte tot 240 uur taakstraf en drie maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Naast een materiële schadevergoeding wordt het slachtoffer een immateriële schadevergoeding van € 1.500,-- toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01/860154-17

Datum uitspraak: 8 december 2017

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

wonende te [adres verdachte] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 november 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 19 oktober 2017.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 21 juli 2016, in elk geval in of omstreeks de maand juli 2016, te Eindhoven, met [slachtoffer] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , immers heeft hij, verdachte, zijn penis in haar vagina geduwd/gebracht en/of op en neer bewogen;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 21 juli 2016, althans in de maand juli 2016, te Eindhoven met [slachtoffer] (geboren op 6 november 2001), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn penis in haar vagina geduwd/gebracht en/of op en neer bewogen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Inleiding.

Op de verdachte rust primair de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het hebben van gemeenschap met [slachtoffer] die in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde. Subsidiair wordt hem verweten dat hij gemeenschap heeft gehad met [slachtoffer] die de leeftijd van twaalf jaar, maar nog niet die van zestien jaar had bereikt.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe van verdachte heeft bepleit dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van hetgeen hem is tenlastegelegd, omdat de rechtbank uit het wettig bewijs niet de overtuiging kan bekomen dat verdachte seks heeft gehad met [slachtoffer] .

Het oordeel van de rechtbank. 1

Bij de beantwoording van de vraag of verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, heeft de rechtbank acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen die haar uit het procesdossier zijn gebleken.

het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt d.d. 14 november 2016, dossierpagina’s 47-56, voor zover – kort en zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van [getuige 1] :

Ik ben de moeder van [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] . Zij is 14 jaar oud. Ik doe namens haar aangifte van verkrachting. [slachtoffer] vertelde mij dat ze met haar vriendin [getuige 2] in de woning van [verdachte] was en dat ze samen een drankspelletje hebben gedaan. Zij vertelde mij dat zij met [verdachte] naar zijn slaapkamer is gegaan om drank uit een drankkast te halen, dat hij haar toen achterover op bed heeft geduwd en haar handboeien heeft omgedaan. Zij vertelde mij dat [verdachte] haar toen heeft uitgekleed, besprongen en verkracht en dat dit een half uur heeft geduurd.

het proces-verbaal van verhoor getuige, opgemaakt d.d. 22 november 2016, dossierpagina’s 57-75, met bijlage, voor zover – kort en zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :

Ik was met [getuige 2] in de woning van [verdachte] . Dat was op een donderdag in de maand juni of juli 2016. Hij had mij geappt of ik naar hem toe kwam, omdat hij alleen was en een soort feestje gaf. [getuige 3] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] kwamen later ook. Voordat zij kwamen hebben [verdachte] , [getuige 2] en ik een drankspelletje gedaan, waarbij alcoholhoudende drank werd genuttigd. Ik heb vier of vijf glazen gedronken en [verdachte] heeft er een of twee gedronken. Ik voelde mij daardoor ziek, slap en misselijk en heb daar toen ook overgegeven. Toen de drank op was, zei [verdachte] tegen mij: “Kom even mee naar boven, want ik heb op mijn kamer nog een kast met drank staan”. Ik ging mee naar boven naar zijn slaapkamer. Hij pakte mij bij mijn schouders en duwt mij achterover op zijn bed. Ik zag dat hij handboeien uit zijn nachtkastje haalde en mij vastmaakte aan zijn bed. Hij begon mij uit te kleden en raakte mijn vagina en mijn borsten aan. Hij kuste me op mijn borsten en mijn buik. Hij deed mijn benen uit elkaar en deed zijn lul in mijn vagina en begon mij te neuken. Het viel mij op dat hij een doppiercing had. [getuige 2] kwam toen de kamer binnen. [verdachte] zei tegen [getuige 2] dat zij hem moest pijpen. Dat heeft ze gedaan. Toen hij klaar was, maakte hij de handboeien los en deed deze terug in dat kastje. Ik ging me vervolgens aankleden en ben naar beneden gelopen.

het proces-verbaal van verhoor getuige, opgemaakt d.d. 17 januari 2017, dossierpagina’s 88-100, met bijlage, voor zover – kort en zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van [getuige 2] :

Ik was met [slachtoffer] in de woning van [verdachte] Dat was op een doordeweekse dag in de zomervakantie van 2016. Later kwamen er nog drie andere mensen bij, waarvan ik alleen [betrokkene 2] ken. [verdachte] , [slachtoffer] en ik hebben een drankspel gedaan, waarbij alcoholhoudende drank werd genuttigd. Ik denk dat [slachtoffer] en ik zeven of acht glazen hebben gedronken en [verdachte] een stuk of vijf. Ik heb daar toen ook overgegeven. Als [slachtoffer] teveel heeft gedronken dan is zij zwak, kan zij niet veel doen en moet je haar helpen. Even later merkte ik dat [slachtoffer] weg was. Ik ging haar zoeken en ik zag haar boven in de slaapkamer van [verdachte] naakt op het bed liggen en dat ze handboeien aan haar pols omhad. Ik zag dat [verdachte] in zijn onderbroek bij [slachtoffer] lag en iets deed bij haar ter hoogte van haar borst. Ik heb [verdachte] toen ook gepijpt, omdat hij het me vroeg. [verdachte] had zo’n doppiercing aan zijn penis. Even later ben ik naar beneden gegaan.

het proces-verbaal van verhoor getuige, opgemaakt d.d. 24 januari 2017, dossierpagina’s 118-124, met bijlage, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van [getuige 3] :

Ik was met [betrokkene 2] en [betrokkene 3] in de woning van [verdachte] . [slachtoffer] was daar ook samen met een ander meisje. Er was een hoop drank. Ik zat met [betrokkene 2] en [betrokkene 3] in de tuin. [verdachte] is op enig moment samen met die twee meisjes naar binnen gegaan. Ze bleven een half uur of zo weg. Toen begon [betrokkene 2] zich af te vragen waar ze waren en is om die reden gaan kijken. Een paar minuten later kwam hij terug. Hij zei dat ze boven waren met z’n drieën en dat hij van [verdachte] niet de kamer op mocht en dat we niet naar boven mochten komen van hem. [verdachte] is later met die meisjes mee naar beneden gekomen.

het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt d.d. 10 januari 2017, dossierpagina’s 137-140, met bijlage, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als bevindingen van verbalisanten [verbalisanten]

[slachtoffer] heeft verklaard dat zij middels een WhatsApp gesprek een afspraak had gemaakt met [verdachte] Bij onderzoek naar de informatie op de telefoon van [slachtoffer] werd een verwijderd WhatsApp gesprek gevonden tussen [slachtoffer] en [verdachte] . In dit gesprek is onder andere te lezen:

6 juli 2016

12:12:30 uur  [verdachte] : Hey bab kun je morge avond

12:16:59 uur  [slachtoffer] : Jaa hoor

12:22:23 uur  [verdachte] : Mooi spreken we dat af

12:26:24 uur  [verdachte] : Trek wat sexys aan

7 juli 2016

9:27:48 uur  [slachtoffer] : Ik heb na vandaag al vakantie dus ik kan vnv wel langer

9:27:59 uur  [verdachte] : Hahaha beter!!!

9:31:54 uur  [verdachte] : Hebbje condooms?

14:56:58 uur  [slachtoffer] : Mag ik vragen of [getuige 2] mee gaat

14:57:08 uur  [slachtoffer] : Anders mag ik niet zo lang van mama

15:09:31 uur  [verdachte] : Jeej dan kunnen er trio doen

15:10:14 uur  [verdachte] Of [getuige 2] ontmaagde

15:32:09 uur  [verdachte] : We doen wel een paar goeie drank spelletjes dus berijd je maar

voor mhuhahahah

15:33:24 uur  [verdachte] : Die chinees oik ea zuipe totdat we kruipe

21:37:03 uur  [verdachte] : Are you home

21:37:35 uur  [slachtoffer] : Jaaa

21:37:49 uur  [verdachte] : Was echt gezellig

21:38:02 uur  [slachtoffer] : Ja zeker

15 augustus 2016

22:39:06 uur  [slachtoffer] : En bijna iedereen weet t van [getuige 2] em jou

22:39:20 uur  [verdachte] : Wie heeft er lopen lulle dan

22:41:25 uur  [verdachte] : Maar jij gelooft dus die onzin dat in 25 vrouwe heb verkracht

22:41:38 uur  [slachtoffer] : 25 is wel overdreven denk ik

22:41:55 uur  [verdachte] : Hou het maar gewoon op 0

22:42:20 uur  [slachtoffer] : Ong 1

22:42:49 uur  [verdachte] : l?

22:43:55 uur  [verdachte] : Jij meent die? Ik dacht is fun?

22:44:29 uur  [slachtoffer] : Als die handboeien er niet waren geweest en ik had niet

gedronken had ik t niet gedaan maarja tis gebeurd niks meer aan

te doen

22:45:10 uur  [verdachte] : Nooit nix gebeurt? Toch hah jij bent nooit bij mij geweest haha

22:46:02 uur  [verdachte] : Ik vertrouw jou dat dit ons geheim is en blijft

22:46:09 uur  [slachtoffer] : Ja

het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt d.d. 23 januari 2017, dossierpagina’s 27-28, met bijlage, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als bevindingen van verbalisanten [verbalisanten] :

Op 23 januari 2017 betraden wij de woning aan [adres verdachte] ter aanhouding van [verdachte] . Ik, [verbalisant 1] , vroeg aan verdachte waar de handboeien lagen. Ik hoorde dat hij zei dat deze in het laatje van zijn nachtkastje lagen. Ik, [verbalisant 2] , ben naar de slaapkamer van de verdachte gegaan en pakte daar de handboeien uit het laatje van het nachtkastje aan de rechterzijde van het bed van de verdachte. De handboeien bevonden zich in een kartonnen doosje met opschrift V.1.H. Genuine Leather.

het proces-verbaal verhoor verdachte, opgemaakt d.d. 24 januari 2017, dossierpagina’s 229-238, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van verdachte:

Ik heb via WhatsApp met [slachtoffer] de afspraak gemaakt om op 7 juli bij ons te gaan zuipen. Ik weet dat [slachtoffer] 15 of 16 jaar is. [slachtoffer] is met [getuige 2] gekomen. We hebben toen samen een drankspel gedaan. [getuige 2] had er zes op. Ik had er drie op en [slachtoffer] had er vier op. [slachtoffer] had op enig moment overgegeven. Zij was daarna slap. Ik vroeg de meiden om de drankflessen mee naar boven te nemen. Ze zijn met mij mee naar boven gegaan.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De rechtbank stelt voorop dat [slachtoffer] , [getuige 2] , [getuige 3] en verdachte in grote lijnen overeenkomstig hebben verklaard als het gaat om de vraag wat er zich in de avond van 7 juli 2016 in de tuin en op de benedenverdieping van de woning van verdachte heeft afgespeeld. [slachtoffer] en [getuige 2] verklaren beiden over seksuele handelingen met verdachte op zijn slaapkamer. Verdachte ontkent dat dergelijke handelingen hebben plaatsgevonden.

Met de verdediging en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat [slachtoffer] op punten wisselend en tegenstrijdig heeft verklaard. De rechtbank wijst in dit kader op de door haar afgelegde verklaring over de volgorde van de ontuchtige handelingen die door verdachte zouden zijn verricht, over het al dan niet waarnemen van een condoom en naar haar verklaring dat zij op de bewuste avond op de benedenverdieping van de woning geen bodyshots en lapdances heeft gegeven, terwijl uit het procesdossier het tegendeel in voldoende mate blijkt. Ook stelt de rechtbank vast dat gebleken is dat [slachtoffer] nooit aan het bed van verdachte geboeid geweest kan zijn, nu het bed simpelweg niet is voorzien van spijlen, bollen, haken of ogen waar handboeien aan vastgemaakt konden worden. Dit maakt naar het oordeel van de rechtbank echter nog niet dat reeds daarom geoordeeld kan worden dat de verklaring van [slachtoffer] op alle onderdelen als onbetrouwbaar en ongeloofwaardig terzijde geschoven dient te worden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat genoegzaam is gebleken dat [slachtoffer] op die bewuste avond behoorlijk onder invloed was van alcoholhoudende drank. De rechtbank acht aannemelijk dat zij mede ten gevolge van dit drankgebruik achteraf niet alle gebeurtenissen goed en in detail heeft kunnen reproduceren. De verklaring van [slachtoffer] staat bovendien niet op zichzelf en wordt op essentiële punten ondersteund door de verklaring van [getuige 2] . Zij heeft immers [slachtoffer] geboeid en naakt op het bed van verdachte zien liggen, terwijl verdachte in zijn onderbroek naast [slachtoffer] lag en ter hoogte van haar borsten iets deed. De verklaring van [slachtoffer] wordt voorts ondersteund door het gegeven dat verdachte naar eigen zeggen inderdaad een piercing door zijn eikel heeft en in het bezit is van handboeien die hij bewaart op zijn slaapkamer. De handboeien zijn ook door de politie aangetroffen.

De rechtbank neemt voorts de inhoud van voornoemde WhatsApp-berichten in aanmerking en stelt vast dat verdachte in de aanloop naar die bewuste avond aan [slachtoffer] meerdere berichten met een seksuele lading heeft verstuurd. De rechtbank wijst bijvoorbeeld naar een gesprek op 3 juli 2016 (“Me betje slaapt awesome en hij veerd goed. You wanna try”), 6 juli 2016 (“Trek wat sexys aan”) en 7 juli 2016 (“Hebbje condooms” en “Jeej dan kunnen er trio doen” en “of [getuige 2] ontmaagde”). Verder komt betekenis toe aan het gesprek tussen verdachte en [slachtoffer] op 15 augustus 2016, waarin het aantal vermeende verkrachtingen door verdachte wordt besproken. [slachtoffer] heeft in dat gesprek aangegeven dat het er “ong 1” is geweest, waarop verdachte heeft gereageerd met “Jij meent die? Ik dacht is fun”. [slachtoffer] vervolgt daarop met “Als die handboeien er niet waren geweest en ik had niet gedronken had ik t niet gedaan maarja tis gebeurd niks meer aan te doen”. Het gesprek wordt vervolgd met de reactie van verdachte, inhoudende “Nooit nix gebeurt? Toch hah jij bent nooit bij mij geweest haha. Ik vertrouw jou dat dit ons geheim is en blijft”. Gelet hierop staat naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate vast dat in die bewuste avond op de slaapkamer van verdachte op seksueel gebied iets is voorgevallen tussen [slachtoffer] en verdachte dat het daglicht kennelijk niet kan verdragen en geheim moet blijven. Dat er op de slaapkamer van verdachte iets is voorgevallen dat geheim moest blijven, past in de verklaring van [getuige 3] die verklaard heeft dat niemand naar boven en op de slaapkamer van verdachte mocht komen toen verdachte met [slachtoffer] en [getuige 2] boven was.

Aan verdachtes verklaring dat hij geen seks heeft gehad met [slachtoffer] hecht de rechtbank geen geloof en overweegt daartoe als volgt. De uitleg die verdachte geeft over de betekenis van de aangehaalde WhatsApp-berichten, namelijk dat deze betrekking hebben op het feit dat [slachtoffer] op 7 juli 2016 bij hem is geweest, dat er behoorlijk is gedronken en dat er lapdances en bodyshots gegeven zijn, overtuigt niet. In de berichten wordt immers expliciet het woord “verkrachting” gebruikt en wordt door [slachtoffer] verwezen naar het gebruik van handboeien. Verdachte reageert dan niet met een bericht in de trant van “Waar heb je het over?” maar lijkt precies te weten over welk voorval [slachtoffer] het heeft. Ook verdachtes verklaring met betrekking tot het feit dat [slachtoffer] en [getuige 2] wisten dat hij een piercing in zijn penis had en in het bezit was van handboeien overtuigt de rechtbank niet. Over het gebruik van de handboeien en over wie deze op die bewuste avond hebben gezien, heeft verdachte wisselende en onduidelijke verklaringen afgelegd. Tot slot hecht de rechtbank geen geloof aan verdachtes verklaring ter terechtzitting dat hij op de bewuste avond niet seksueel opgewonden is geraakt of gedacht heeft aan seks met (een van) de meiden. Hij heeft in de aanloop naar die avond diverse berichten aan [slachtoffer] gestuurd, waarin onder andere gesproken wordt over het meenemen van condooms, het ontmaagden van [getuige 2] en het doen van een trio. Vervolgens laat hij op de avond zelf, nadat hij aan [slachtoffer] en [getuige 2] de nodige sterke drank heeft verstrekt, toe dat zij bij hem lapdances doen en likt hij de drank van hun lichaam.

Gelet op al het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de avond van 7 juli 2016 op zijn slaapkamer gemeenschap heeft gehad met [slachtoffer] .

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld hoe het handelen van verdachte in strafrechtelijke zin gekwalificeerd dient te worden.

De rechtbank merkt allereerst op dat uit het procesdossier is gebleken dat er door verschillende personen gesproken wordt over verkrachting. Ter verduidelijking van dit begrip merkt de rechtbank op dat in strafrechtelijke zin pas sprake is van verkrachting als door geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, iemand wordt gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestaan of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Dit verwijt wordt de verdachte niet gemaakt en het is de rechtbank ook niet gebleken dat hiervan in de onderhavige zaak sprake is.

Verdachte wordt primair verweten dat hij heeft gehandeld in strijd met artikel 243 van het Wetboek van Strafrecht. In dat kader dient te worden beoordeeld of [slachtoffer] ten tijde van de seksuele handelingen verkeerde in een staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of van lichamelijke onmacht.

Uit het verhandelde ter terechtzitting en de stukken van het dossier kan de rechtbank niet afleiden dat [slachtoffer] ten tijde van de seksuele handelingen buiten bewustzijn is geweest of dat zij in een fysiek weerloze toestand heeft verkeerd. De vraag is dan ook of [slachtoffer] verkeerde in een staat van verminderd bewustzijn.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever met het opnemen van het bestanddeel verminderd bewustzijn in artikel 243 van het Wetboek van Strafrecht heeft beoogd strafbaar te stellen het plegen van seksuele handelingen, waaronder het seksueel binnendringen, met iemand die verkeert tussen waakzaamheid en geheel van de wereld zijn, waarbij van degene die verminderd bewust is in redelijkheid niet kan worden verwacht dat hij of zij weerstand biedt aan de seksuele verlangens van een ander.

De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] als gevolg van het gebruik van alcoholhoudende drank op die bewuste avond zich ziek, misselijk en slap voelde, doch niet in een zodanig vergaande staat van dronkenschap verkeerde, dat zij nauwelijks meer normaal kon functioneren. Vast staat dat zij zelf de trap naar boven is opgelopen en later ook weer zelfstandig – zonder enige hulp – naar beneden is gelopen nadat het strafbare feit was gepleegd. Dit betekent dat de rechtbank het primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen acht, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Dit geldt echter niet voor het subsidiair tenlastegelegde. De rechtbank acht bewezen dat verdachte zijn penis in de vagina van [slachtoffer] heeft geduwd en op en neer bewogen. Er is derhalve sprake van seksueel binnendringen van het lichaam. [slachtoffer] was op dat moment ruim veertien en een half jaar, terwijl verdachte toen bijna eenentwintig was. Dat deze handeling een ontuchtig karakter heeft behoeft, gelet alleen al op het verschil in leeftijd tussen verdachte en [slachtoffer] , geen verder betoog. Op dit punt is door de verdediging overigens ook geen verweer gevoerd.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen – bezien in het licht van hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen – komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

in de maand juli 2016 te Eindhoven met [slachtoffer] ( [geboortedatum slachtoffer] ), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn penis in haar vagina geduwd en op en neer bewogen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde met toepassing van het jeugdstrafrecht zal worden veroordeeld tot:

- een jeugddetentie voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden die zijn neergelegd in het omtrent verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 30 oktober 2017 [bijlage 1].

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft, gelet op de bepleitte vrijspraak, geen strafmaatverweer gevoerd.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende ten nadele van verdachte in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan seksueel contact met een minderjarige meisje dat de leeftijd van zestien jaar nog niet had bereikt. Door zijn handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van een jong meisje. Minderjarigen bevinden zich in een gevoelige ontwikkelingsfase van hun leven en moeten gelet op hun jeugdige leeftijd in het algemeen geacht worden niet of in onvoldoende mate in staat te zijn zelf hun seksuele integriteit te bewaken en de draagwijdte van hun gedrag in dit opzicht te overzien. Zij genieten daarom op seksueel gebied bescherming tegen oudere, verder ontwikkelde personen. Het is algemeen bekend dat de nadelige psychische gevolgen voor slachtoffers in zedenzaken veelal ernstig en langdurig kunnen zijn. Zo blijkt uit de slachtofferverklaring van de moeder van het slachtoffer dat ook in dit geval de gevolgen voor het slachtoffer, maar ook voor het hele gezin bijzonder verstrekkend zijn geweest. Verdachte heeft zich niet bekommerd om de schadelijke gevolgen van zijn handelen voor anderen. Hij heeft kennelijk alleen oog gehad voor bevrediging van zijn eigen lustgevoelens en heeft verder geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn gedrag.

De rechtbank weegt verder mee dat het slachtoffer, ondanks haar jeugdige leeftijd, wel een eigen aandeel heeft gehad in de door verdachte gepleegde ontuchtige handelingen. Door deels ontkleed bodyshots te geven en lapdances te doen heeft het slachtoffer een erotisch getinte sfeer gecreëerd. Daarmee is echter niet gezegd dat verdachte reeds daarom een vrijbrief had om een strafbare grens te passeren. Als volwassene had verdachte beter moeten weten, zich niet moeten laten verleiden tot het plegen van het bewezenverklaarde en zijn verantwoordelijkheid ten opzichte van het minderjarige slachtoffer moeten nemen. Verdachte heeft dit op geen enkel moment gedaan. Hij heeft zonder enige terughoudendheid sterke drank verstrekt aan het slachtoffer en haar vriendin en is meegegaan in het losbandige gedrag van de meiden.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank voorts rekening met de omstandigheid dat verdachte – blijkens een op hem betrekking hebbend uittreksel justitiële documentatieregister van 16 oktober 2017 – niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld ter zake van enig strafbaar feit.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 30 oktober 2017 dat omtrent verdachte is opgemaakt, waarin geadviseerd wordt om toepassing te geven aan het jeugdstrafrecht.

De wet biedt de mogelijkheid om bij jongvolwassenen die, gezien hun persoonlijkheid en ontwikkelingsleeftijd, nog vatbaar zijn voor pedagogische beïnvloeding, het jeugdsanctierecht toe te passen. Voor die groep jongeren kan een uitzondering worden gemaakt op de hoofdregel dat een persoon die een strafbaar feit pleegt na zijn achttiende verjaardag volgens het volwassenenstrafrecht wordt berecht. Bij toepassing van het jeugdstrafrecht op een jongvolwassene ligt het dan in de rede om aansluiting te zoeken bij de Landelijke Oriëntatiepunten voor Straftoemeting Jeugd, en straffen, maatregelen en bijzondere voorwaarden op te leggen die uiting geven aan het pedagogische karakter van het jeugdstrafrecht.

De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende aanwijzingen bestaan die een uitzondering op de hoofdregel dat meerderjarigen volgens het volwassenenstrafrecht worden berecht rechtvaardigen. Met de enkele conclusie van de reclasseringsrapporteur dat op basis van het ASR-wegingskader, intern overleg en overleg met de Raad voor de Kinderbescherming – zonder deze bevindingen nader toe te lichten – het adolescentenstrafrecht geïndiceerd is, acht de rechtbank dat voorstel onvoldoende onderbouwd. Dit geldt temeer nu op geen enkel leefgebied problemen zijn gesignaleerd, dat deze leefgebieden beschermend, ondersteunend en stabiel lijken te zijn en er geen aanwijzingen zijn dat verdachtes houding/gedrag zou kunnen samenhangen met mogelijke zedenproblematiek. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank het strafrecht voor meerderjarigen zal toepassen.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf. Een wezenlijk verschil in dit verband is het feit dat de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van het subsidiaire tenlastegelegde, anders dan het primair tenlastegelegde waarvan de officier van justitie bij haar requisitoir is uitgegaan. De rechtbank is van oordeel dat de straf die zij zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Alles afwegende acht de rechtbank het passend om aan verdachte de maximale taakstraf op te leggen gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf. De voorwaardelijke gevangenisstraf heeft met name tot doel de ernst van het gepleegde feit tot uitdrukking te brengen en verdachte een stevige waarschuwing mee te geven voor de toekomst.

Anders dan geadviseerd door de reclasseringsrapporteur en gevorderd door de officier van justitie, ziet de rechtbank geen noodzaak om aan deze voorwaardelijke straf de voorgestelde bijzondere voorwaarden te koppelen. Daartoe overweegt de rechtbank dat onvoldoende is onderbouwd dat deze voorwaarden – in ogenschouw genomen dat er onvoldoende aanwijzingen zijn gebleken voor zedenproblematiek – enige meerwaarde hebben.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd om de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen tot een bedrag van € 1.602,55, bestaande uit € 1.500,- als immateriële schadevergoeding en € 102,55 als materiele schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij dient in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft bepleit dat de causaliteit tussen het in de visie van de officier van justitie bewezen geachte feit en het gevorderde schadebedrag niet is gegeven en dat het gevorderde onvoldoende is onderbouwd.

Het oordeel van de rechtbank. De rechtbank is anders dan de verdediging van oordeel dat is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht en dat er in beginsel gronden aanwezig zijn voor toekenning van een schadevergoeding.

Voor wat betreft de gevorderde materiële schadevergoeding van € 102,55 is de rechtbank van oordeel dat deze niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt en voldoende is onderbouwd, zodat het gevorderde integraal zal worden toegewezen. Voor wat betreft de gevorderde immateriële schadevergoeding dient te gelden dat naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende is komen vast te staan dat de beschreven gevolgen alleen door het bewezenverklaarde feit zijn veroorzaakt. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde feit wel schade heeft geleden en stelt deze naar redelijkheid en billijkheid vast op € 1.500,-.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige van de gevorderde immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaren. Van dit gedeelte van de vordering is namelijk niet eenvoudig vast te stellen of deze schade rechtstreeks door het bewezen verklaard feit is toegebracht. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering in zoverre zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank een bedrag van € 1.602,55 toewijsbaar vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2016, de datum van het delict, tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De rechtbank zal voorts voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2016, de datum van het delict, tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 27, 36f en 245 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt hem daarvan vrij.

verklaart het subsidiair tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

t.a.v. het subsidiair tenlastegelegde:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straffen en maatregel:

t.a.v. het subsidiair tenlastegelegde:

  • -

    een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht;

  • -

    een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

 een maatregel van schadevergoeding van EUR 1.602,55 subsidiair 26 dagen hechtenis

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] van een bedrag van EUR 1.602,55 (zegge: éénduizendzeshonderdtwee euro en vijfenvijftig eurocent ), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 26 dagen hechtenis. Voornoemd bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 1.500,-- als immateriële schadevergoeding en een bedrag van EUR 102,55 als materiële schadevergoeding ter zake van de post "reiskosten".

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2016, de datum van het delict, tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij :

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van EUR 1.602,55 (zegge: éénduizendzeshonderdtwee euro en vijfenvijftig eurocent). Het bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 1.500,-- als immateriële schadevergoeding en een bedrag van EUR 102,55 als materiële schadevergoeding ter zake van de post "reiskosten".

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2016, de datum van het delict, tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. S.J.W. Hermans, voorzitter,

mr. J.H.L.M. Snijders en mr. M. Nuijten, leden,

in tegenwoordigheid van Ş. Altun, griffier,

en is uitgesproken op 8 december 2017.

mr. M. Nuijten is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgenomen in het einddossier “Baleraric” van de politie Eenheid Oost-Brabant, dienst regionale recherche, afdeling thematische opsporing, team zeden, genummerd PL2100-2016237430, aantal pagina’s: 253. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen opgenomen in genoemd einddossier.