Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:6333

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
29-11-2017
Datum publicatie
28-02-2018
Zaaknummer
C-01-311484 - HA ZA 16-540
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Beeldbuizenkartel. Incidenten internationale bevoegdheid. In de bevoegdheidsincidenten is aan de orde de vraag of de vorderingen tegen een aantal buitenlandse gedaagde partijen voldoende samenhang vertonen met de vorderingen tegen de Nederlandse gedaagden. Toetsing aan artikel 7 Rv in het licht van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie met betrekking tot artikel 6 EEX-Verordening (thans artikel 8 EEX-Vo II). Gevaar voor onverenigbare beslissingen bij afzonderlijke berechting van de vorderingen door verschillende nationale gerechten. Er is met betrekking tot de vorderingen tegen de buitenlandse gedaagden en de vorderingen tegen de Nederlandse gedaagden sprake van eenzelfde situatie feitelijk en rechtens. Voorzienbaar dat buitenlandse gedaagde in een kartelzaak voor de Nederlandse rechter gedaagd kan worden. Rechtbank wijst de vorderingen tot onbevoegdverklaring af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/311484 / HA ZA 16-540

Vonnis in incident van 29 november 2017

in de zaak van

de rechtspersoon naar Braziliaans recht IGB ELETRÔNICA S.A., voorheen handelend onder de naam Gradiente Eletrônica S.A. en rechtsopvolger onder algemene titel van GRADIENTE ÁUDIO E VIDEO LTDA.,

gevestigd te Manaus, Amazonas, Brazilië,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in de incidenten tot onbevoegdheid incident,

advocaat mr. M. Deckers te Amsterdam,

tegen

1. de naamloze vennootschap

KONINKLIJKE PHILIPS N.V.,

gevestigd te Eindhoven,

gedaagde in de hoofdzaak,

advocaat mr. D.J. Beenders te Amsterdam,

2. de rechtspersoon naar Braziliaans recht

PHILIPS DO BRASIL LTDA.,

gevestigd te Barueri, São Paulo, Brazilië,

gedaagde in de hoofdzaak,

advocaat mr. D.J. Beenders te Amsterdam,

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

3. MR. L. DETERINK, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van

LP DISPLAYS INTERNATIONAL B.V.,

kantoorhoudende te Eindhoven,

gedaagde in de hoofdzaak,

niet verschenen,

4. de rechtspersoon naar Braziliaans recht

SSC DISPLAYS LTDA.,

gevestigd te Manaus, Amazonia, Brazilië,

gedaagde in de hoofdzaak,

niet verschenen,

5. de rechtspersoon naar Braziliaans recht

LP DISPLAYS AMAZÔNIA LTDA.,

gevestigd te Manaus, Amazonia, Brazilië,

gedaagde in de hoofdzaak,

niet verschenen,

6. de rechtspersoon naar Koreaans recht

LG ELECTRONICS INC.,

gevestigd te Seoul, Zuid-Korea,

gedaagde in de hoofdzaak,

advocaat mr. A. Knigge te Amsterdam,

7. de rechtspersoon naar Braziliaans recht

LG ELECTRONICS DO BRASIL LTDA.,

gevestigd te Taubaté, São Paulo, Brazilië,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident tot onbevoegdheid,

advocaat mr. A. Knigge te Amsterdam,

8. de rechtspersoon naar Koreaans recht

SAMSUNG SDI CO. LTD.,

gevestigd te Gyeonggi-do, Zuid-Korea,

gedaagde in de hoofdzaak,

advocaat mr. C.E. Schillemans te Amsterdam,

9. de rechtspersoon naar Braziliaans recht

SAMSUNG SDI BRASIL LTDA.,

gevestigd te Manaus, Amazonia, Brazilië,

gedaagde in de hoofdzaak,

advocaat mr. C.E. Schillemans te Amsterdam,

10. de rechtspersoon naar Frans recht

TECHNICOLOR S.A.,

gevestigd te Issy-les-Moulineaux, Frankrijk,

gedaagde in de hoofdzaak,

advocaat mr. D.F. Lunsingh Scheurleer te Amsterdam,

11. de rechtspersoon naar Amerikaans recht

TECHNICOLOR USA INC.,

gevestigd te Indianapolis, Verenigde Staten,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident tot onbevoegdheid,

advocaat mr. D.F. Lunsingh Scheurleer te Amsterdam.

Eiseres in de hoofdzaak/verweerster in de incidenten zal hierna ‘IGB’ worden genoemd. Gedaagden in de hoofdzaak sub 7 en sub 11, tevens eiseressen in de incidenten, zullen hierna ‘LGE Brasil’ en ‘Technicolor USA’ genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding, met producties,

  • -

    het proces-verbaal van de regiezitting, gehouden op 21 december 2016, met de daarin vermelde stukken,

  • -

    de gezamenlijke beperkte conclusie van antwoord van gedaagden in de hoofdzaak, met producties,

  • -

    de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring van LGE Brasil,

  • -

    de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring van Technicolor USA,

  • -

    de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring van Technicolor USA,

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord tot bevoegdverklaring, tevens houdende beperkte antwoordconclusie ter zake stelplicht en verjaring van IGB, met producties,

  • -

    het proces-verbaal van de pleidooizitting, gehouden op 5 oktober 2017, met de daarin vermelde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in de incidenten.

2 De beoordeling in de incidenten

Het geschil

2.1.

IGB vordert in de hoofdzaak dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht verklaart dat gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het geheel van de door IGB geleden schade als gevolg van het CPT-Kartel;

  2. gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding van BRL 474 miljoen als hoofdsom met betrekking tot de geleden directe schade als gevolg van de cartel overcharge, althans de tegenwaarde in Euro omgerekend tegen de hoogste koers op de dag van betaling, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, alsmede inflatiecorrectie en wettelijke rente over dit bedrag tot en met de datum van betaling;

  3. gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van enige andere schade als gevolg van het CPT-Kartel, nader op te maken bij staat inclusief inflatiecorrectie en wettelijke rente;

  4. gedaagden hoofdelijk veroordeelt in de kosten van de procedure, inclusief de nakosten.

2.2.

IGB legt aan de vorderingen in de hoofdzaak – kort gezegd – het volgende ten grondslag.

2.2.1.

Bij besluit van 5 december 2012 (hierna: het Besluit) heeft de Europese Commissie twee afzonderlijke inbreuken op artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) en artikel 53 van de EER-Overeenkomst in de sector voor kathodestraalbuizen vastgesteld. Volgens de Europese Commissie is er sprake geweest van een wereldwijd kartel met betrekking tot kathodestraalbuizen voor computerschermen, ook wel genoemd Colour Display Tubes (hierna: CDT en het CDT-kartel). Daarnaast is er sprake geweest van een kartel met betrekking tot kathodestraalbuizen voor televisieschermen, ook wel genoemd Colour Picture Tubes (hierna: CPT en het CPT-kartel). Beide kartels zijn ook onderwerp van onderzoek van de Braziliaanse mededingingsautoriteit Conselho Administrativo de Defesa Econômica (hierna: CADE).

2.2.2.

IGB stelt tijdens de kartelperiode CPT’s te hebben afgenomen van (onder meer) gedaagden en andere karteldeelnemers voor de productie van televisietoestellen. Volgens IGB hebben alle gedaagden direct of indirect deelgenomen aan het CPT-kartel. Daarmee hebben zij – kort gezegd – (ook naar Braziliaans recht) onrechtmatig gehandeld ten opzichte van IGB als afnemer van CPT’s. IGB heeft daardoor schade geleden, op de eerste plaats omdat zij vanwege de door het kartel veroorzaakte prijsverhoging teveel voor de CPT’s heeft betaald. Gedaagden zijn gehouden die schade te vergoeden. Op de tweede plaats stelt IGB dat de karteldeelnemers in staat waren om lagere prijzen te vragen voor hun eigen rechtstreekse televisieverkopen in Brazilië tijdens de kartelperiode. IGB, als producent van televisietoestellen voor hoofdzakelijk de Braziliaanse markt, kon daarmee moeilijk, zo niet onmogelijk concurreren. Uiteindelijk is IGB door de deelnemers aan het CPT-kartel uit de markt verdreven. Ook de als gevolg daarvan door IGB geleden schade moet door gedaagden worden vergoed.

2.2.3.

IGB stelt dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 99 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) juncto artikel 2 van de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: EEX-Vo) bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen die tegen Koninklijke Philips N.V. aanhangig zijn gemaakt. De bevoegdheid van de rechtbank inzake het geschil tegen de overige in de Europese Unie gevestigde gedaagden vloeit dan volgens IGB voort uit artikel 6 EEX-Vo, vanwege de nauwe band tussen de vorderingen van IGB op die gedaagden en de vorderingen op Koninklijke Philips N.V. Voor wat betreft de buiten de Europese Unie gevestigde gedaagden is de rechtbank bevoegd op grond van artikel 7 Rv, wederom vanwege de nauwe band tussen de vorderingen van IGB op die gedaagden en de vorderingen op Koninklijke Philips N.V.

2.3.

In het incident vorderen LGE Brasil en Technicolor USA – beide gevestigd buiten de Europese Unie – dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. Zij voeren daartoe ieder afzonderlijk aan dat de op grond van artikel 7 Rv vereiste samenhang tussen de vorderingen die enerzijds tegen hen en anderzijds tegen Koninklijke Philips N.V. zijn ingesteld ontbreekt. IGB voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

Het juridisch kader

2.4.

Bij de beantwoording van de vraag of hij rechtsmacht heeft, dient de rechter zich niet te beperken tot de stellingen van de eiser, maar moet hij ook acht slaan op de beschikbare gegevens over de werkelijk tussen partijen bestaande rechtsverhouding en op de stellingen van de gedaagde. Hieruit volgt dat die rechtsmacht niet mag worden bepaald op basis van enkel de door de eiser gekozen grondslag van zijn vordering. De rechter kan zijn internationale bevoegdheid toetsen aan alle ter beschikking staande gegevens, daaronder begrepen de betwistingen van de gedaagde (zie HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:694, HvJEU 28 januari 2015, ECLI:EU:C:2015:37, NJ 2015/332 en HvJEU 16 juni 2016, ECLI:EU:C:2016:449).

2.5.

De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 7 lid 1 Rv, indien in zaken die bij dagvaarding moeten worden ingeleid de Nederlandse rechter ten aanzien van een van de gedaagden rechtsmacht heeft, aan de Nederlandse rechter ook rechtsmacht toekomt ten aanzien van in hetzelfde geding betrokken andere gedaagden, mits tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen.

2.6.

Ten aanzien van de binnen de Europese Unie gevestigde gedaagden moet de vraag naar de bevoegdheid van de rechtbank niet worden beantwoord aan de hand van de EEX-Vo, zoals door IGB is aangevoerd, maar aan de hand van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 (hierna: Herschikte EEX-Vo). De vorderingen van IGB zijn ingesteld bij dagvaarding van 22 december 2015 en vallen binnen het materiële toepassingsgebied van de Herschikte EEX-Vo.

2.7.

Ingevolge de hoofdregel van artikel 4, lid 2 Herschikte EEX-Vo is de rechtbank bevoegd om van het geschil tussen IGB en Koninklijke Philips N.V. kennis te nemen, omdat Koninklijke Philips N.V. woonplaats in Nederland heeft. Aan de orde is dan de vraag of de vorderingen van IGB tegen LGE Brasil en Technicolor USA voldoende samenhang vertonen met de vorderingen tegen Koninklijke Philips N.V.

2.8.

De wetgever (MvT, Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 108) heeft met artikel 7 Rv willen aansluiten bij de maatstaf zoals die ook is gegeven in artikel 6, onderdeel 1 EEX-Vo (thans: artikel 8, onderdeel 1 Herschikte EEX-Vo) en bij de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) daarover. Tegen deze achtergrond ligt het voor de hand ook in gevallen waarop de (Herschikte) EEX-Vo niet van toepassing is, artikel 7 Rv uit te leggen in overeenstemming met de jurisprudentie van het HvJEU met betrekking tot artikel 6 lid 1 EEX-Vo. In het navolgende zal de rechtbank daarom voor beide incidenteel eiseressen dit toetsingskader hanteren.

2.9.

Artikel 6 EEX-Vo / artikel 8 Herschikte EEX-Vo, aanhef en sub 1 bepaalt dat indien er in dezelfde procedure meer dan een gedaagde is, die gedaagden kunnen worden opgeroepen voor het gerecht van de woonplaats van een van hen, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven. Aan de rechtspraak van het HvJEU betreffende artikel 6, aanhef en sub 1, EEX-Vo kan het volgende worden ontleend.

2.10.

De bevoegdheid van de rechter van de lidstaat op het grondgebied waarvan de ‘verweerder’ zijn woonplaats heeft is het algemene beginsel en slechts bij wijze van uitzondering op dit beginsel voorziet de EEX-Vo in bijzondere bevoegdheidsregels voor limitatief opgesomde gevallen waarin de ‘verweerder’, al naar gelang het geval, kan of moet worden opgeroepen voor de rechter van een andere lidstaat. Aan de bijzondere bevoegdheidsregels moet een restrictieve uitleg worden gegeven.

2.11.

Een noodzakelijke voorwaarde voor bevoegdheid op grond van artikel 6, aanhef en sub 1, EEX-Vo is dat er in geval van afzonderlijke berechting gevaar voor onverenigbare beslissingen bestaat. Het is aan de nationale rechter om te beoordelen of dit het geval is. Daarbij dient hij rekening te houden met alle noodzakelijke elementen uit het dossier, waartoe hij in voorkomend geval, ook al is dit voor de beoordeling niet noodzakelijk, de rechtsgrondslagen van de bij hem ingestelde vorderingen in de beschouwing zal moeten betrekken (HvJEG 11 oktober 2007, ECLI:EU:C:2007:595 (Freeport); HvJEU 1 december 2011, ECLI:EU:C:2011:798 (Painer)).

2.12.

Beslissingen kunnen niet reeds tegenstrijdig worden geacht op grond van een divergentie in de beslechting van het geschil. Voor tegenstrijdigheid is vereist dat deze divergentie zich voordoet in het kader van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens (HvJEG 13 juli 2006, ECLI:EU:C:2006:458 (Roche/Primus); HvJEG 11 oktober 2007, ECLI:EU:C:2007:595 (Freeport); HvJEU 12 juli 2012, ECLI:EU:C:2012:445 (Solvay)).

Het gegeven dat tegen meerdere ‘verweerders’ gerichte vorderingen een verschillende rechtsgrondslag hebben, behoeft echter niet aan de toepassing van artikel 6, aanhef en sub 1, EEX-Vo in de weg te staan, mits voor de verweerders voorzienbaar was dat zij konden worden opgeroepen in de lidstaat waar een medeverweerder woonplaats had (HvJEU

1 december 2011, ECLI:EU:C:2011:798 (Painer)).

Bevoegdheidsincident LGE Brasil

2.13.

Met betrekking tot de vorderingen tegen LGE Brasil is de rechtbank van oordeel dat de door artikel 7 Rv vereiste samenhang met de vorderingen tegen ankergedaagde Koninklijke Philips N.V. aanwezig is. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

2.14.

IGB stelt dat LGE Brasil en Koninklijke Philips N.V. hebben deelgenomen aan een wereldwijd kartel met als doel de markt voor CPT’s, ook in Brazilië, te beïnvloeden. IGB verwijst daarbij in de eerste plaats naar het Besluit. De rechtbank constateert dat LGE Brasil echter geen geadresseerde is van het Besluit, noch daarin wordt genoemd als ‘undertaking subject to proceedings’. Het Besluit ondersteunt het standpunt van IGB dus niet.

2.15.

IGB verwijst ter onderbouwing van haar standpunt ook naar de schikkingen die zijn getroffen naar aanleiding van het onderzoek door CADE. Zowel Koninklijke Philips N.V. als LGE Brasil hebben een schikking getroffen met CADE, waarmee zij hun deelname aan de kartelafspraken hebben erkend, aldus IGB. Technical Note 23/2017 van CADE – voor zover hier van belang – als volgt:

“(…)

139. On February 4, 2015 CADE received a proposal of consent decree. (…)

140. The consent decree was approved by CADE’s Administrative Court (…). The consent decree was signed between CADE and the following companies: (i) Koninklijke Philips N.V. (…). Under this consent decree parties admitted their participation in an international cartel that covered the Brazilian market.

(…)

143. On February 4, 2014 CADE received a proposal of consent decree. (…)

144. The consent decree was approved by CADE’s Administrative Court (…). The consent decree was signed between CADE and the following companies: (i) LG Electronics Inc., and (ii) LG Electronics do Brasil Ltda. (…). Under this consent decree parties admitted their participation in an international cartel that covered the Brazilian market.

(…)”.

2.16.

Met het vorenstaande is met het oog op het onderhavige bevoegdheidsincident voldoende onderbouwd gesteld dat LGE Brasil en Koninklijke Philips N.V. hun deelname aan een kartel op de Braziliaanse CPT-markt hebben erkend. Dat LGE Brasil de door IGB gestelde reikwijdte van de aan CADE gedane erkenning betwist, leidt in dit bevoegdheidsincident niet tot een ander oordeel. Dat debat zal (verder) aan de orde kunnen komen in de hoofdzaak.

2.17.

Ook de stelling dat LGE Brasil zelf geen CPT’s heeft geleverd, maar evenals IGB afnemer van CPT’s en televisietoestelproducent was, betreft een materieel verweer, dat tijdens de behandeling van de hoofdzaak nog aan de orde kan komen. LGE Brasil voert ook nog aan dat IGB niet heeft gesteld dat zij CPT’s heeft afgenomen van LGE Brasil en stelt dat LGE Brasil nooit contractspartij van IGB is geweest. Dit maakt, indien juist, echter niet dat van eenzelfde feitelijke situatie geen sprake is. De feitelijke situatie die IGB aan haar vorderingen ten grondslag legt is immers dat zij CPT’s heeft gekocht op een markt die is beïnvloed door het CPT-kartel, waaraan LGE Brasil deelnam.

2.18.

Verder zijn de vorderingen van IGB tegen LGE Brasil en Koninklijke Philips N.V. gegrond op eenzelfde situatie rechtens. Op grond van het Braziliaanse recht is, zo stelt IGB, iedere karteldeelnemer civielrechtelijk hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die het kartel heeft toegebracht aan elk van de afnemers van CPT’s. Ten aanzien van de voorliggende vraag naar de vereiste nauwe band heeft IGB hiermee kunnen volstaan. Daar komt nog bij dat in de Technical Note van CADE staat dat LGE Brasil en Koninklijke Philips N.V. hun deelname aan eenzelfde/wereldwijd kartel op de Braziliaanse markt hebben erkend tegenover CADE.

2.19.

LGE Brasil stelt nog dat het voor haar niet voorzienbaar was dat zij voor de Nederlandse rechter zou kunnen worden opgeroepen. Deze stelling treft geen doel. Hiervoor is al geoordeeld dat sprake is van eenzelfde situatie feitelijk en rechtens. Dat maakt dat het voor LGE Brasil voorzienbaar moet zijn geweest dat zij voor de rechter van het land van vestiging van een medegedaagde kon worden opgeroepen. Overigens geldt dat het, uitgaande van de voorshands voldoende onderbouwde stellingen van IGB, voor LGE Brasil hoe dan ook voorzienbaar was dat zij kon worden opgeroepen voor de Nederlandse rechter. LGE Brasil heeft volgens die stellingen erkend te hebben deelgenomen aan een kartel met onder meer een in Nederland gevestigde mede-kartellist. Het is in zaken die zien op civielrechtelijke aansprakelijkheid wegens kartelafspraken eerder regel dan uitzondering dat tegen meerdere gedaagden gezamenlijk wordt geprocedeerd voor het gerecht van de woonplaats van een van hen.

2.20.

Bovendien is van belang dat bij afzonderlijke berechting van de vorderingen door verschillende nationale gerechten, die gerechten ieder voor zich op basis van hetzelfde feitencomplex – kort gezegd: de gestelde marktvervalsing – en met toepassing van dezelfde Braziliaanse rechtsregels moeten beslissen of gedaagden onrechtmatig hebben gehandeld jegens IGB. Bij een eventueel bevestigend oordeel op dat punt zouden die gerechten ieder afzonderlijk vervolgens ook de totale schade moeten begroten die IGB als gevolg van het bestaan van het kartel heeft geleden en, afhankelijk van de uitkomst van de eventueel te entameren vrijwaringsprocedures, tevens moeten oordelen over de onderlinge draagplicht van gedaagden. Daarbij zou een gevaar voor onverenigbare beslissingen ontstaan. Een goede rechtsbedeling vraagt dus om gelijktijdige behandeling en berechting (vgl. ook de conclusie van A-G Jääskinen bij HvJEU 21 mei 2015 in zaak C-352/13, Waterstofperoxide). Het voorgaande betekent dat de vrees voor tegenstrijdige beslissingen voldoende gerechtvaardigd is om op grond van artikel 7 Rv in dit geval aan te kunnen nemen dat de rechtbank bevoegd is van de vorderingen van IGB kennis te nemen.

2.21.

De incidentele vordering van LGE Brasil zal dus worden afgewezen. LGE Brasil zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident aan de zijde van IGB worden veroordeeld. Deze kosten worden begroot op € 904,00 (2 punten × tarief € 452,00) voor salaris advocaat.

Bevoegdheidsincident Technicolor USA

2.22.

De rechtbank is van oordeel dat ook de vorderingen die tegen Technicolor USA zijn ingesteld de door artikel 7 Rv vereiste samenhang met de vorderingen tegen Koninklijke Philips N.V. vertonen. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

2.23.

Tussen IGB en Technicolor USA is niet in geschil dat Technicolor USA, anders dan Koninklijke Philips N.V., geen geadresseerde is van het Besluit. Zij wordt daarin ook niet genoemd als ‘undertaking subject to proceedings’. De inhoud van het Besluit biedt dan ook in zoverre geen ondersteuning van het standpunt van IGB dat Technicolor USA deelnemer was aan een wereldwijd kartel. Ook is tussen partijen niet in geschil dat Technicolor USA, anders dan Koninklijke Philips N.V., niet door CADE wordt onderzocht. Daar staat tegenover dat IGB in de dagvaarding heeft gesteld dat Technicolor USA, samen met de gedaagden Technicolor S.A. en TTD International S.A.S., deel uitmaakte van de Technicolor groep en dat zij belangrijke leveranciers waren van CPT’s aan IGB tijdens de kartelperiode. Naar aanleiding van het door Technicolor USA opgeworpen bevoegdheidsincident heeft IGB haar stellingen met betrekking tot de betrokkenheid van Technicolor USA bij het CPT-kartel nader onderbouwd. Zij wijst erop dat Technicolor S.A. in het kader van het onderzoek door CADE heeft verklaard dat “[…] the Brazilian market was subordinated to THOMSON’s U.S. unit (Thomson Consumer Electronics Inc.) […]”, en dat Thomson Consumer Electronics Inc. een voormalige (handels)naam was van Technicolor USA, die de CPT’s op de Braziliaanse markt verkocht. Verder wijst IGB erop dat in de Technical Note wordt geadviseerd Technicolor S.A. te veroordelen voor handelen in strijd met het Braziliaans mededingingsrecht. Ook het feit dat – zoals de dag voor het gehouden pleidooi in dit bevoegdheidsincident bleek – Technicolor S.A. inmiddels een schikking heeft bereikt met CADE wijst op betrokkenheid van Technicolor S.A. en daarmee Technicolor USA bij het kartel, aldus IGB.

2.24.

In het kader van de beoordeling van de bevoegdheid gaat het erom dat IGB stelt dat Technicolor USA en Koninklijke Philips N.V. hebben deelgenomen aan een wereldwijd kartel met als doel de markt voor CPT’s, ook in Brazilië, te beïnvloeden. In de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid stelt Technicolor USA dat zij een werkmaatschappij is van Technicolor S.A. Technicolor S.A. wordt wel genoemd in het Besluit en wordt wel onderzocht door CADE, waarmee zij inmiddels een schikking heeft getroffen. Koninklijke Philips N.V. was voorwerp van hetzelfde onderzoek door CADE en heeft ook een schikking getroffen (zie hiervoor onder 2.15.). Uit de verklaring die Technicolor S.A. bij CADE heeft afgelegd blijkt dat Technicolor USA (toen nog Thomson Consumer Electronics Inc. geheten) actief was op de Braziliaanse markt. Tijdens het pleidooi heeft Technicolor USA erkend CPT’s te hebben verkocht aan Braziliaanse klanten. IGB heeft gelet hierop in het kader van de bevoegdheidsvraag voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is van eenzelfde feitelijke situatie. Technicolor USA betwist te hebben deelgenomen aan het kartel en heeft tijdens het pleidooi gesteld dat zij zelfstandig de prijzen van de door haar verkochte goederen bepaalde. Zij stelt ook dat de schikking die Technicolor S.A. heeft getroffen geen betrekking heeft op haar en bovendien geen erkenning inhoudt van welke inbreuk dan ook. Dit zijn verweren die (eventueel) in de hoofdzaak aan de orde kunnen komen. Dat geldt ook voor de betwisting van de stelling dat leveringen van Technicolor USA aan IGB plaatsvonden gedurende de gehele periode die het onderwerp is van deze procedure en/of steeds uitsluitend ter uitvoering van overeenkomsten tussen IGB enerzijds en Technicolor USA (en niet werden beïnvloed door een andere entiteit van de Technicolor groep) anderzijds.

2.25.

Verder zijn de vorderingen van IGB tegen Technicolor USA en Koninklijke Philips N.V. ook gegrond op eenzelfde situatie rechtens. Op grond van het Braziliaanse recht is, zo stelt IGB, iedere karteldeelnemer civielrechtelijk hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die het kartel heeft toegebracht aan elk van de afnemers van CPT’s. Ten aanzien van de voorliggende vraag naar de vereiste nauwe band heeft IGB hiermee kunnen volstaan.

2.26.

Op het punt van de voorzienbaarheid voor Technicolor USA dat zij voor de Nederlandse rechter zou worden gedagvaard is hetgeen hiervoor onder 2.19. is overwogen van overeenkomstige toepassing. Voor wat betreft het gevaar voor onverenigbare beslissingen geldt hetgeen hiervoor onder 2.20. is overwogen. De vrees voor tegenstrijdige beslissingen is voldoende gerechtvaardigd om op grond van artikel 7 Rv ook in dit geval aan te kunnen nemen dat de rechtbank bevoegd is van de vorderingen van IGB kennis te nemen.

2.27.

De incidentele vordering van Technicolor USA zal dus ook worden afgewezen. Technicolor USA zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident aan de zijde van IGB worden veroordeeld. Deze kosten worden begroot op € 904,00 (2 punten × tarief € 452,00) voor salaris advocaat.

Ten slotte

2.28.

IGB vordert hoofdelijke veroordeling van gedaagden in de kosten van het geding. Nu alleen Technicolor USA en LGE Brasil ieder voor zich bij afzonderlijke conclusies een bevoegdheidsincident hebben opgeworpen bestaat daarvoor voor zover het de kosten van de incidenten betreft geen grond.

3 De beoordeling in de hoofdzaak

3.1.

Met het voorgaande heeft de rechtbank niet een verder strekkend oordeel over de merites van de zaak willen geven dan binnen de kaders van de daar besproken incidenten is vereist.

3.2.

De bevoegdheid van de rechtbank ten aanzien van de overige gedaagden in de hoofdzaak is niet betwist. Onder meer gelet op de rechtspraak van het HvJEU wordt de vereiste samenhang aangenomen tussen de vorderingen jegens deze overige gedaagden en de vordering jegens de ankergedaagde Philips.

3.3.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 De beslissing

De rechtbank

in de incidenten

in het bevoegdheidsincident van LGE Brasil

4.1.

wijst de vordering van LGE Brasil tot onbevoegdverklaring af,

4.2.

veroordeelt LGE Brasil in de kosten van het incident, aan de zijde van IGB tot op heden begroot op € 904,00 voor salaris advocaat,

4.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in het bevoegdheidsincident van Technicolor USA

4.4.

wijst de vordering van Technicolor USA tot onbevoegdverklaring af,

4.5.

veroordeelt Technicolor USA in de kosten van het incident, aan de zijde van IGB tot op heden begroot op € 904,00,

4.6.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

4.7.

houdt iedere verdere beslissing aan in afwachting van het vonnis over het incident inzake het al dan niet voldoen aan de stelplicht.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, mr. E. Boerwinkel en mr. K.A. Maarschalkerweerd, bijgestaan door mr. J.P.W. Manders, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 november 2017.