Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:6332

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
29-11-2017
Datum publicatie
28-02-2018
Zaaknummer
C-01-311480 - HA ZA 16-539
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Beeldbuizenkartel. Incidenten internationale bevoegdheid. In de bevoegdheidsincidenten is aan de orde de vraag of de vorderingen tegen een aantal buitenlandse gedaagde partijen voldoende samenhang vertonen met de vorderingen tegen de Nederlandse gedaagden. Toetsing aan artikel 7 Rv in het licht van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie met betrekking tot artikel 6 EEX-Verordening (thans artikel 8 EEX-Vo II). Er is sprake van twee kartels, een voor Colour Display Tubes (CDT) en een voor Colour Picture Tubes (CPT). Voor een van de buitenlandse gedaagden geldt dat door de Europese Commissie alleen is vastgesteld dat zij heeft deelgenomen aan het CPT-kartel en daarvoor ook is beboet. De stellingen van eiseres bieden niet voldoende aanknopingspunten om bevoegdheid van de rechtbank aan te kunnen nemen voor de vordering van eiseres op die gedaagde uit hoofde van deelname aan het CDT-kartel. In zoverre slaagt het beroep op onbevoegdheid. Voor de overige gedaagden geldt dat er sprake is van gevaar voor onverenigbare beslissingen bij afzonderlijke berechting van de vorderingen door verschillende nationale gerechten. Er is met betrekking tot de vorderingen tegen de buitenlandse gedaagden en de vorderingen tegen de Nederlandse gedaagden sprake van eenzelfde situatie feitelijk en rechtens. Voorzienbaar dat buitenlandse gedaagde in een kartelzaak voor de Nederlandse rechter gedaagd kan worden. Rechtbank verklaart zich ten aanzien van een van de gedaagden deels onbevoegd, voor het overige wijst de rechtbank de vorderingen tot onbevoegdverklaring af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/311480 / HA ZA 16-539

Vonnis in incident van 29 november 2017

in de zaak van

de rechtspersoon naar Braziliaans recht

ITAUTEC S.A. – GRUPO ITAUTEC,

gevestigd te São Paulo, Brazilië,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in de incidenten tot onbevoegdheid,

advocaten mr. M. Deckers te Amsterdam,

tegen

1. de naamloze vennootschap

KONINKLIJKE PHILIPS N.V.,

gevestigd te Eindhoven,

gedaagde in de hoofdzaak,

advocaat mr. D.J. Beenders te Amsterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PHILIPS COMPONENTS B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

gedaagde in de hoofdzaak,

advocaat mr. D.J. Beenders te Amsterdam,

3. de rechtspersoon naar Braziliaans recht

PHILIPS DO BRASIL LTDA.,

gevestigd te Barueri, São Paulo, Brazilië,

gedaagde in de hoofdzaak,

advocaat mr. D.J. Beenders te Amsterdam,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LG PHILIPS DISPLAYS NETHERLANDS B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

gedaagde in de hoofdzaak,

niet verschenen,

5. de rechtspersoon naar Braziliaans recht

SSC DISPLAYS LTDA.,

gevestigd te Manaus, Amazonia, Brazilië,

gedaagde in de hoofdzaak,

niet verschenen,

6. de rechtspersoon naar Braziliaans recht

LP DISPLAYS AMAZÔNIA LTDA.,

gevestigd te Manaus, Amazonia, Brazilië,

gedaagde in de hoofdzaak,

niet verschenen,

7. de rechtspersoon naar Koreaans recht

LG ELECTRONICS INC.,

gevestigd te Seoul, Zuid-Korea,

gedaagde in de hoofdzaak,

advocaat mr. A. Knigge te Amsterdam,

8. de rechtspersoon naar Koreaans recht

SAMSUNG SDI CO. LTD.,

gevestigd te Gyeonggi-do, Zuid-Korea,

gedaagde in de hoofdzaak,

advocaat mr. C.E. Schillemans te Amsterdam,

9. de rechtspersoon naar Braziliaans recht

SAMSUNG SDI BRASIL LTDA.,

gevestigd te Manaus, Amazonia, Brazilië,

gedaagde in de hoofdzaak,

advocaat mr. C.E. Schillemans te Amsterdam,

10. de rechtspersoon naar Braziliaans recht

SAMSUNG ELETRÔNICA DA AMAZÔNIA LTDA.,

gevestigd te Manaus, Brazilië,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident tot onbevoegdheid,

advocaat mr. C.E. Schillemans te Amsterdam,

11. de rechtspersoon naar Frans recht

TECHNICOLOR S.A.,

gevestigd te Issy-les-Moulineaux, Frankrijk,

gedaagde in de hoofdzaak,

advocaat mr. D.F. Lunsingh Scheurleer te Amsterdam,

12. de rechtspersoon naar Amerikaans recht

TECHNICOLOR USA INC.,

gevestigd te Indianapolis, Verenigde Staten,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident tot onbevoegdheid,

advocaat mr. D.F. Lunsingh Scheurleer te Amsterdam.

Eiseres in de hoofdzaak/verweerster in de incidenten zal hierna ‘Itautec’ worden genoemd. Gedaagden in de hoofdzaak sub 10 en sub 12, tevens eiseressen in de incidenten, zullen hierna ‘Samsung Amazônia’ en ‘Technicolor USA’ genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding, met producties,

  • -

    het proces-verbaal van de regiezitting, gehouden op 21 december 2016, met de daarin vermelde stukken,

  • -

    de gezamenlijke beperkte conclusie van antwoord van gedaagden in de hoofdzaak, met producties,

  • -

    de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring van Samsung Amazônia,

  • -

    de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring van Technicolor USA,

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord tot bevoegdverklaring, tevens houdende beperkte antwoordconclusie ter zake stelplicht en verjaring van Itautec, met producties,

  • -

    het proces-verbaal van de pleidooizitting, gehouden op 5 oktober 2017, met de daarin vermelde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in de incidenten.

2 De beoordeling in het incident

Het geschil

2.1.

Itautec vordert in de hoofdzaak dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht verklaart dat gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het geheel van de door Itautec geleden schade als gevolg van het Kartel;

  2. gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van alle door Itautec geleden schade, inclusief inflatiecorrectie en wettelijke rente daarover, nader op te maken bij staat;

  3. gedaagden hoofdelijk veroordeelt in de kosten van de procedure, inclusief de nakosten.

2.2.

Itautec legt aan de vorderingen in de hoofdzaak – kort gezegd – het volgende ten grondslag.

2.2.1.

Bij besluit van 5 december 2012 (hierna: het Besluit) heeft de Europese Commissie twee afzonderlijke inbreuken op artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) en artikel 53 van de EER-Overeenkomst in de sector voor kathodestraalbuizen vastgesteld. Volgens de Europese Commissie is er sprake geweest van een kartel met betrekking tot kathodestraalbuizen voor computerschermen, ook wel genoemd Colour Display Tubes (hierna: CDT en het CDT-kartel). Daarnaast is er sprake geweest van een kartel met betrekking tot kathodestraalbuizen voor televisieschermen, ook wel genoemd Colour Picture Tubes (hierna: CPT en het CPT-kartel). Beide kartels zijn ook onderwerp van onderzoek van de Braziliaanse mededingingsautoriteit Conselho Administrativo de Defesa Econômica (hierna: CADE).

2.2.2.

Itautec stelt tijdens de kartelperiode kathodestraalbuizen – zowel CPT’s als CDT’s – te hebben afgenomen van (onder meer) gedaagden voor de productie van televisietoestellen en computerschermen. Daarnaast stelt zij ook computerschermen te hebben afgenomen van (een aantal van) gedaagden, waarin CDT’s zaten verwerkt. Volgens Itautec hebben alle gedaagden direct of indirect deelgenomen aan het CPT-kartel en het CDT-kartel. Daarmee hebben zij – kort gezegd – (ook naar Braziliaans recht) onrechtmatig gehandeld ten opzichte van Itautec als afnemer van kathodestraalbuizen. Itautec heeft daardoor schade geleden, omdat zij vanwege de door de kartels veroorzaakte prijsverhoging teveel voor de kathodestraalbuizen heeft betaald. Gedaagden zijn gehouden de door Itautec geleden schade te vergoeden.

2.2.3.

Itautec stelt dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 99 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) juncto artikel 2 van de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: EEX-Vo) bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen die tegen Koninklijke Philips N.V. zijn ingediend. De bevoegdheid van de rechtbank inzake het geschil tegen de overige in de Europese Unie gevestigde gedaagden vloeit dan volgens Itautec voort uit artikel 6 EEX-Vo, vanwege de nauwe band tussen de vorderingen van Itautec op die gedaagden en de vorderingen op Koninklijke Philips N.V. Voor wat betreft de buiten de Europese Unie gevestigde gedaagden is de rechtbank bevoegd op grond van artikel 7 Rv, wederom vanwege de nauwe band tussen de vorderingen van Itautec op die gedaagden en de vorderingen op Koninklijke Philips N.V.

2.3.

In het incident vorderen Samsung Amazônia en Technicolor USA – beide gevestigd buiten de Europese Unie – dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. Zij stellen daartoe ieder afzonderlijk dat de op grond van artikel 7 Rv vereiste samenhang tussen de vorderingen die enerzijds tegen hen en anderzijds tegen Koninklijke Philips N.V. zijn ingesteld ontbreekt. Itautec voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

Het juridisch kader

2.4.

Bij de beantwoording van de vraag of hij rechtsmacht heeft, dient de rechter zich niet te beperken tot de stellingen van de eiser, maar moet hij ook acht slaan op de beschikbare gegevens over de werkelijk tussen partijen bestaande rechtsverhouding en op de stellingen van de gedaagde. Hieruit volgt dat die rechtsmacht niet mag worden bepaald op basis van enkel de door de eiser gekozen grondslag van zijn vordering. De rechter kan zijn internationale bevoegdheid toetsen aan alle ter beschikking staande gegevens, daaronder begrepen de betwistingen van de gedaagde (zie HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:694, HvJEU 28 januari 2015, ECLI:EU:C:2015:37, NJ 2015/332 en HvJEU 16 juni 2016, ECLI:EU:C:2016:449).

2.5.

Op grond van artikel 7 lid 1 Rv komt, indien in zaken die bij dagvaarding moeten worden ingeleid de Nederlandse rechter ten aanzien van een van de gedaagden rechtsmacht heeft, aan de Nederlandse rechter ook rechtsmacht toe ten aanzien van in hetzelfde geding betrokken andere gedaagden, mits tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen.

2.6.

Ten aanzien van de binnen de Europese Unie gevestigde gedaagden moet de vraag naar de bevoegdheid van de rechtbank niet worden beantwoord aan de hand van de EEX-Vo, zoals door Itautec is aangevoerd, maar aan de hand van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 (hierna: Herschikte EEX-Vo). De vorderingen van Itautec zijn ingesteld bij dagvaarding van 3 december 2015 en vallen binnen het materiële toepassingsgebied van de Herschikte EEX-Vo.

2.7.

Ingevolge de hoofdregel van artikel 4 lid 2 Herschikte EEX-Vo is de rechtbank bevoegd om van het geschil tussen Itautec en Koninklijke Philips N.V. kennis te nemen, omdat Koninklijke Philips N.V. woonplaats in Nederland heeft. Aan de orde is dan de vraag of de vorderingen van Itautec tegen Samsung Amazônia en Technicolor USA voldoende samenhang vertonen met de vorderingen tegen Koninklijke Philips N.V.

2.8.

De wetgever (MvT, Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 108) heeft met artikel 7 Rv willen aansluiten bij de maatstaf zoals die ook is gegeven in artikel 6, onderdeel 1 EEX-Vo (thans: artikel 8, onderdeel 1 Herschikte EEX-Vo) en bij de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) daarover. Tegen deze achtergrond ligt het voor de hand ook in gevallen waarop de (Herschikte) EEX-Vo niet van toepassing is, artikel 7 Rv uit te leggen in overeenstemming met de jurisprudentie van het HvJEU met betrekking tot artikel 6 lid 1 EEX-Vo. In het navolgende zal de rechtbank daarom voor beide incidenteel eiseressen dit toetsingskader hanteren.

2.9.

Artikel 6 EEX-Vo / artikel 8 Herschikte EEX-Vo, aanhef en sub 1 bepaalt dat indien er in dezelfde procedure meer dan een gedaagde is, die gedaagden kunnen worden opgeroepen voor het gerecht van de woonplaats van een van hen, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven. Aan de rechtspraak van het HvJEU betreffende artikel 6, aanhef en sub 1, EEX-Vo kan het volgende worden ontleend.

2.10.

De bevoegdheid van de rechter van de lidstaat op het grondgebied waarvan de ‘verweerder’ zijn woonplaats heeft is het algemene beginsel en slechts bij wijze van uitzondering op dit beginsel voorziet de EEX-Vo in bijzondere bevoegdheidsregels voor limitatief opgesomde gevallen waarin de ‘verweerder’, al naar gelang het geval, kan of moet worden opgeroepen voor de rechter van een andere lidstaat. Aan de bijzondere bevoegdheidsregels moet een restrictieve uitleg worden gegeven.

2.11.

Een noodzakelijke voorwaarde voor bevoegdheid op grond van artikel 6, aanhef en sub 1, EEX-Vo is dat er in geval van afzonderlijke berechting gevaar voor onverenigbare beslissingen bestaat. Het is aan de nationale rechter om te beoordelen of dit het geval is. Daarbij dient hij rekening te houden met alle noodzakelijke elementen uit het dossier, waartoe hij in voorkomend geval, ook al is dit voor de beoordeling niet noodzakelijk, de rechtsgrondslagen van de bij hem ingestelde vorderingen in de beschouwing zal moeten betrekken (HvJEG 11 oktober 2007, ECLI:EU:C:2007:595 (Freeport); HvJEU 1 december 2011, ECLI:EU:C:2011:798 (Painer)).

2.12.

Beslissingen kunnen niet reeds tegenstrijdig worden geacht op grond van een divergentie in de beslechting van het geschil. Voor tegenstrijdigheid is vereist dat deze divergentie zich voordoet in het kader van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens (HvJEG 13 juli 2006, ECLI:EU:C:2006:458 (Roche/Primus); HvJEG 11 oktober 2007, ECLI:EU:C:2007:595 (Freeport); HvJEU 12 juli 2012, ECLI:EU:C:2012:445 (Solvay)).

Het gegeven dat tegen meerdere ‘verweerders’ gerichte vorderingen een verschillende rechtsgrondslag hebben, behoeft echter niet aan de toepassing van artikel 6, aanhef en sub 1, EEX-Vo in de weg te staan, mits voor de verweerders voorzienbaar was dat zij konden worden opgeroepen in de lidstaat waar een medeverweerder woonplaats had (HvJEU

1 december 2011, ECLI:EU:C:2011:798 (Painer)).

Bevoegdheidsincident Technicolor USA

2.13.

In het kader van de beoordeling van de bevoegdheid gaat het erom dat Itautec – zakelijk weergegeven – stelt dat Technicolor USA en Koninklijke Philips N.V. hebben deelgenomen aan wereldwijde kartels met als doel de markt voor kathodestraalbuizen (CDT’s en CPT’s) te beïnvloeden.

2.14.

In de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid stelt Technicolor USA dat de Technicolor groep, een wereldwijde groep van ondernemingen onder top-moedervennootschap Technicolor S.A., nooit actief is geweest op de CDT-markt. Technicolor USA wijst erop dat de Europese Commissie in het Besluit zowel een inbreuk op de markt voor CDT’s als een inbreuk op de markt voor CPT’s heeft vastgesteld. Van de Technicolor groep is alleen Technicolor S.A. door de Europese Commissie beboet, en alleen vanwege een inbreuk op het kartelverbod op de markt voor CPT’s, niet voor een inbreuk op de markt voor CDT’s. Dit is door Itautec niet weersproken. De inhoud van het Besluit biedt dan ook geen steun voor het standpunt van Itautec dat Technicolor USA, net als Koninklijke Philips N.V., deelnemer was aan een wereldwijd kartel voor CDT’s. Uit de door Itautec overgelegde Technical Note 58/2017 van CADE met betrekking tot het CDT-kartel blijkt ook niet dat Technicolor USA (of welke andere Technicolor-entiteit dan ook) door CADE wordt onderzocht in verband met schending van de mededingingsregels op de CDT-markt. Gelet op het vorenstaande volstaan de enkele stellingen van Itautec met betrekking tot het CDT-kartel niet om te kunnen concluderen dat er voldoende aanknopingspunten zijn voor de bevoegdheid van de rechtbank om van het geschil – voor wat betreft dat deel van de vordering van Itautec op Technicolor USA dat ziet op schade geleden door het CDT-kartel – kennis te nemen. Gelet op het debat tussen partijen zijn de stellingen van Itautec namelijk onvoldoende om de conclusie te kunnen dragen dat sprake is van eenzelfde situatie feitelijk en rechtens en (daardoor) een risico op tegenstrijdige beslissingen bij afzonderlijke berechting. Aan de voorwaarden van artikel 7 Rv is dus niet voldaan. Voor wat betreft dat deel van de vordering van Itautec dat ziet op vergoeding van schade vanwege deelname van Technicolor USA aan het CDT-kartel, zal de rechtbank zich dan ook onbevoegd verklaren.

2.15.

Voor wat betreft het deel van de vordering van Technicolor USA dat ziet op vergoeding van schade veroorzaakt door deelname van Technicolor USA aan het CPT-kartel geldt dat tussen Itautec en Technicolor USA niet in geschil is dat Technicolor USA, anders dan Koninklijke Philips N.V., geen geadresseerde is van het Besluit. Zij wordt daarin ook niet genoemd als ‘undertaking subject to proceedings’. De inhoud van het Besluit biedt dan ook in zoverre geen ondersteuning van het standpunt van Itautec dat Technicolor USA deelnemer was aan een wereldwijd CPT-kartel. Ook is tussen partijen niet in geschil dat Technicolor USA, anders dan Koninklijke Philips N.V., niet door CADE wordt onderzocht. Daar staat tegenover dat Itautec in de dagvaarding heeft gesteld dat Technicolor USA samen met de gedaagde Technicolor S.A. deel uitmaakte van de Technicolor groep en dat zij van Technicolor USA CPT’s geleverd heeft gekregen tijdens de kartelperiode. Naar aanleiding van het door Technicolor USA opgeworpen bevoegdheidsincident heeft Itautec haar stellingen met betrekking tot de betrokkenheid van Technicolor USA bij het CPT-kartel nader onderbouwd. Zij wijst erop dat Technicolor S.A. in het kader van het onderzoek door CADE heeft verklaard dat “[…] the Brazilian market was subordinated to THOMSON’s U.S. unit (Thomson Consumer Electronics Inc.) […]”, en dat Thomson Consumer Electronics Inc. een voormalige (handels)naam was van Technicolor USA, die de CPT’s op de Braziliaanse markt verkocht. Verder wijst Itautec erop dat in de Technical Note wordt geadviseerd Technicolor S.A. te veroordelen voor handelen in strijd met het Braziliaans mededingingsrecht. Ook het feit dat – zoals de dag voor het gehouden pleidooi in dit bevoegdheidsincident bleek – Technicolor S.A. inmiddels een schikking heeft bereikt met CADE wijst op betrokkenheid van Technicolor S.A. en daarmee Technicolor USA bij het kartel, aldus Itautec.

2.16.

In de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid stelt Technicolor USA dat zij een werkmaatschappij is van Technicolor S.A. Technicolor S.A. wordt wel genoemd in het Besluit en wordt wel onderzocht door CADE, waarmee zij inmiddels een schikking heeft getroffen. Koninklijke Philips N.V. was voorwerp van hetzelfde onderzoek door CADE en heeft ook een schikking getroffen, zo blijkt uit Technical Note 23/2017 van CADE met betrekking tot het CPT-kartel. Uit de verklaring die Technicolor S.A. bij CADE heeft afgelegd blijkt dat Technicolor USA (toen nog Thomson Consumer Electronics Inc. geheten) actief was op de Braziliaanse markt. Tijdens het pleidooi heeft Technicolor USA erkend CPT’s te hebben verkocht aan Braziliaanse klanten. Itautec heeft gelet hierop in het kader van de bevoegdheidsvraag voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is van eenzelfde feitelijke situatie. Technicolor USA betwist te hebben deelgenomen aan het kartel en heeft tijdens het pleidooi gesteld dat zij zelfstandig de prijzen van de door haar verkochte goederen bepaalde. Zij stelt ook dat de schikking die Technicolor S.A. heeft getroffen geen betrekking heeft op haar en bovendien geen erkenning inhoudt van welke inbreuk dan ook. Dit zijn verweren die (eventueel) in de hoofdzaak aan de orde kunnen komen. Dat geldt ook voor de betwisting van de stelling dat leveringen van Technicolor USA aan Itautec plaatsvonden gedurende de gehele periode die het onderwerp is van deze procedure en/of steeds uitsluitend ter uitvoering van overeenkomsten tussen Itautec enerzijds en Technicolor USA (en niet werden beïnvloed door een andere entiteit van de Technicolor groep) anderzijds.

2.17.

Verder zijn de vorderingen van Itautec tegen Technicolor USA en Koninklijke Philips N.V. ook gegrond op eenzelfde situatie rechtens. Op grond van het Braziliaanse recht is, zo stelt Itautec, iedere karteldeelnemer civielrechtelijk hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die het CPT-kartel heeft toegebracht aan elk van de afnemers van CPT’s. Ten aanzien van de voorliggende vraag naar de vereiste nauwe band heeft Itautec hiermee kunnen volstaan.

2.18.

Technicolor USA stelt nog dat het voor haar niet voorzienbaar was dat zij voor de Nederlandse rechter zou kunnen worden opgeroepen. Deze stelling treft geen doel. Hiervoor is al geoordeeld dat sprake is van eenzelfde situatie feitelijk en rechtens. Dat maakt dat het voor Technicolor USA voorzienbaar moet zijn geweest dat zij voor de rechter van het land van vestiging van een medegedaagde kon worden opgeroepen.

2.19.

Bovendien is van belang dat bij afzonderlijke berechting van de vorderingen door verschillende nationale gerechten, die gerechten ieder voor zich op basis van hetzelfde feitencomplex – kort gezegd: de gestelde marktvervalsing – en met toepassing van dezelfde Braziliaanse rechtsregels moeten beslissen of gedaagden onrechtmatig hebben gehandeld jegens Itautec. Bij een eventueel bevestigend oordeel op dat punt, zouden die gerechten ieder afzonderlijk vervolgens ook de totale schade moeten begroten, die Itautec als gevolg van het bestaan van het kartel heeft geleden en, afhankelijk van de uitkomst van de eventueel te entameren vrijwaringsprocedures, tevens moeten oordelen over de onderlinge draagplicht van gedaagden. Daarbij zou een gevaar voor onverenigbare beslissingen ontstaan. Een goede rechtsbedeling vraagt dus om gelijktijdige behandeling en berechting (vgl. ook de conclusie van A-G Jääskinen bij HvJEU 21 mei 2015 in zaak C-352/13, Waterstofperoxide). Het voorgaande betekent dat de vrees voor tegenstrijdige beslissingen voldoende gerechtvaardigd is om op grond van artikel 7 Rv in dit geval aan te kunnen nemen dat de rechtbank bevoegd is van de vorderingen van Itautec kennis te nemen.

2.20.

De incidentele vordering, voor zover het betreft het deel van de vordering van Itautec dat ziet op vergoeding van schade vanwege gestelde deelname van Technicolor USA aan het CPT-kartel, zal dus worden afgewezen.

2.21.

Omdat partijen over en weer gedeeltelijk in het gelijk en gedeeltelijk in het ongelijk worden gesteld, zal de rechtbank de proceskosten van het incident compenseren in die zin dat ieder van de partijen zijn eigen kosten draagt.

Bevoegdheidsincident Samsung Amazônia

2.22.

Itautec stelt het volgende. Samsung SDI Co. Ltd. (gedaagde sub 8 in de hoofdzaak) is de moedervennootschap van de Samsung SDI Groep. Samsung Amazônia en Samsung SDI Brasil LTDA. (gedaagde sub 9 in de hoofdzaak) behoren tot de Samsung SDI Groep. De Samsung SDI Groep is volgens Itautec een internationaal bedrijf dat beeldscherm- en energieproducten produceert, waaronder kathodestraalbuizen. De Samsung SDI Groep produceerde en verkocht de kathodestraalbuizen direct wereldwijd – en dus ook in Brazilië – of door middel van haar dochtervennootschappen, waaronder Samsung SDI Brasil LTDA. De Commissie heeft Samsung SDI Co. Ltd. beboet voor deelname aan het CPT- en het CDT-kartel. Daarnaast zijn Samsung SDI Co. Ltd. en Samsung SDI Brasil LTDA. onderdeel van de administratieve procedure bij CADE. Volgens Itautec hebben de drie genoemde leden van de Samsung SDI Groep kathodestraalbuizen aan haar geleverd. Meer in het bijzonder stelt Itautec in de conclusie van antwoord in het incident dat zij 184.343 CDT’s van Samsung Amazônia heeft gekocht.

2.23.

Samsung Amazônia voert ter onderbouwing van het beroep op onbevoegdheid van de Nederlandse rechter het volgende aan. Samsung Amazônia wordt in het Besluit niet genoemd en is ook geen ‘undertaking subject to proceedings’. Evenmin is zij onderwerp van de administratieve procedure bij CADE. Anders dan Itautec in de dagvaarding heeft gesteld, maakt Samsung Amazônia geen deel uit van de Samsung SDI Groep. Zij is geen dochtermaatschappij van Samsung SDI Co. Ltd., maar van Samsung Electronics Co. Ltd., en behoort tot de Samsung Electronics Groep. Samsung Amazônia produceert en distribueert in Brazilië elektronische apparatuur. Ter gelegenheid van het pleidooi is daar nog aan toegevoegd dat Samsung Electronics Co. Ltd. en haar dochtermaatschappijen geen kathodestraalbuizen produceren, maar deze wel inkopen met het oog op de productie van televisies en computers. Er is volgens Samsung Amazônia geen enkel aanknopingspunt op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat zij direct of indirect deelnam aan (een van) de kartels. De feitelijke en juridische positie van Samsung Amazônia verschilt gelet op het vorenstaande wezenlijk van die van de ankergedaagde Koninklijke Philips N.V., aldus Samsung Amazônia.

2.24.

Vaststaat dat Samsung Amazônia geen geadresseerde is van het Besluit en ook geen ‘undertaking subject to proceedings’ is. Daarnaast is door Itautec niet betwist dat Samsung Amazônia niet door de CADE wordt onderzocht. Het Besluit en de Technical Notes van CADE bieden dus geen rechtstreekse aanknopingspunten die het standpunt van Itautec over de karteldeelname door Samsung Amazônia onderbouwen. Itautec wijst er op dat het Besluit de CPT- en CDT-kartels heeft bestempeld als wereldwijde kartels. Verder ziet het onderzoek door CADE op dezelfde kartels als die in het Besluit. Omdat de CDT-markt een wereldwijde markt was, de Braziliaanse markt voor CDT’s werd beïnvloed door de wereldwijde mededingingsbeperkende afspraken en Samsung Amazônia, die de Braziliaanse markt bediende, de directe contractspartij van Itautec was, is het evident dat Samsung Amazônia CDT’s heeft verkocht tegen een prijs die is beïnvloed door het kartel waaraan Samsung SDI heeft deelgenomen, aldus Itautec. Zij wijst ook op Technical Note 58/2017 van CADE met betrekking tot het CDT-kartel, waar in paragraaf 370 het volgende staat:

“Moreover, as repeatedly said before, Brazil's market demand was met by Samsung's

production in Brazil and by imports at the rate of 70% to 30%, approximately. Imports were

mainly from Chunghwa and Philips/LPD. This means that the whole Brazilian market was

supplied by cartel members.”

2.25.

In het kader van de bevoegdheidsvraag heeft Itautec met het vorenstaande voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is van eenzelfde feitelijke situatie: deelname van Samsung Amazônia aan het wereldwijd opererende kartel. Voor zover Samsung Amazônia stelt dat zij behoort tot de Samsung Electronics Groep en dat Samsung Electronics geen beslissende invloed heeft over Samsung SDI Co. Ltd. (en in het verlengde daarvan Samsung SDI Brasil LTDA.) en dus geen karteldeelnemer is, zijn dat verweren die (eventueel) in de hoofdzaak aan de orde kunnen komen. Dat geldt ook voor het verweer dat het feit dat Samsung Amazônia actief was op de CDT-markt nog niet betekent dat zij daarmee onderdeel uitmaakte van of uitvoering gaf aan het vermeende CDT-kartel. Anders dan waar Samsung Amazônia vanuit lijkt te gaan is het voor de beoordeling van de bevoegdheid niet vereist dat vaststaat dát zij karteldeelnemer was. Die vaststelling dient plaats te vinden in de beoordeling van de hoofdzaak.

2.26.

Verder zijn de vorderingen van Itautec tegen Samsung Amazônia en Koninklijke Philips N.V. ook gegrond op eenzelfde situatie rechtens. Op grond van het Braziliaanse recht is, zo stelt Itautec, iedere karteldeelnemer civielrechtelijk hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die het kartel heeft toegebracht aan elk van de afnemers van kathodestraalbuizen. Ten aanzien van de voorliggende vraag naar de vereiste nauwe band heeft Itautec hiermee kunnen volstaan.

2.27.

Hiervoor is al geoordeeld dat sprake is van eenzelfde situatie feitelijk en rechtens. Dat maakt dat het voor Samsung Amazônia voorzienbaar moet zijn geweest dat zij voor de rechter van het land van vestiging van een medegedaagde kon worden opgeroepen.

2.28.

Bovendien is van belang dat bij afzonderlijke berechting van de vorderingen door verschillende nationale gerechten, die gerechten ieder voor zich op basis van hetzelfde feitencomplex – kort gezegd: de gestelde marktvervalsing – en met toepassing van dezelfde Braziliaanse rechtsregels moeten beslissen of gedaagden onrechtmatig hebben gehandeld jegens Itautec. Bij een eventueel bevestigend oordeel op dat punt zouden die gerechten ieder afzonderlijk vervolgens ook de totale schade moeten begroten die Itautec als gevolg van het bestaan van het kartel heeft geleden en, afhankelijk van de uitkomst van de eventueel te entameren vrijwaringsprocedures, tevens moeten oordelen over de onderlinge draagplicht van gedaagden. Daarbij zou een gevaar voor onverenigbare beslissingen ontstaan. Een goede rechtsbedeling vraagt dus om gelijktijdige behandeling en berechting (vgl. ook de conclusie van A-G Jääskinen bij HvJEU 21 mei 2015 in zaak C-352/13, Waterstofperoxide). Het voorgaande betekent dat de vrees voor tegenstrijdige beslissingen voldoende gerechtvaardigd is om op grond van artikel 7 Rv in dit geval aan te kunnen nemen dat de rechtbank bevoegd is van de vorderingen van Itautec kennis te nemen.

2.29.

De incidentele vordering van Samsung Amazônia zal gelet op het vorenstaande worden afgewezen. Samsung Amazônia zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident aan de zijde van Itautec worden veroordeeld. Deze kosten worden begroot op € 904,00 (2 punten × tarief € 452,00) voor salaris advocaat.

Ten slotte

2.30.

Itautec vordert hoofdelijke veroordeling van gedaagden in de kosten van het geding. Nu Technicolor USA en Samsung Amazônia ieder voor zich bij afzonderlijke conclusies een bevoegdheidsincident hebben opgeworpen bestaat daarvoor voor zover het de kosten van de incidenten betreft geen grond.

3 De beoordeling in de hoofdzaak

3.1.

Met het voorgaande heeft de rechtbank niet een verder strekkend oordeel over de merites van de zaak willen geven dan binnen de kaders van de daar besproken incidenten is vereist.

3.2.

De bevoegdheid van de rechtbank ten aanzien van de overige gedaagden in de hoofdzaak is niet betwist. Onder meer gelet op de rechtspraak van het HvJEU wordt de vereiste samenhang aangenomen tussen de vorderingen jegens deze overige gedaagden en de vordering jegens de ankergedaagde Koninklijke Philips N.V.

3.3.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 De beslissing

De rechtbank

in de incidenten

in het bevoegdheidsincident van Technicolor USA

4.1.

wijst de vordering van Technicolor USA tot onbevoegdverklaring toe voor wat betreft dat deel van de vordering van Itautec dat is gegrond op de gestelde deelname van Technicolor USA aan het CDT-kartel,

4.2.

wijst de vordering van Technicolor USA tot onbevoegdverklaring af voor wat betreft dat deel van de vordering van Itautec dat is gegrond op de gestelde deelname van Technicolor USA aan het CPT-kartel,

4.3.

compenseert de proceskosten in die zin dat ieder van de partijen de eigen kosten draagt,

in het bevoegdheidsincident van Samsung Amazônia

4.4.

wijst de vordering van Samsung Amazônia tot onbevoegdverklaring af,

4.5.

veroordeelt Samsung Amazônia in de kosten van het incident, aan de zijde van Itautec tot op heden begroot op € 904,00 voor salaris advocaat,

4.6.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

4.7.

verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het geschil voor wat betreft dat deel van de vordering van Itautec dat gegrond is op de gestelde deelname van Technicolor USA aan het CDT-kartel,

4.8.

houdt iedere verdere beslissing aan in afwachting van het vonnis over het incident inzake het al dan niet voldoen aan de stelplicht.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, mr. E. Boerwinkel en mr. K.A. Maarschalkerweerd, bijgestaan door mr. J.P.W. Manders, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 november 2017.