Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:6255

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
29-11-2017
Datum publicatie
01-12-2017
Zaaknummer
C/01/305031 / HA ZA 16-163
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

verplichting tot afstorting waarde pensioenaanspraken ex-echtgenote directeur/eigenaar, indirect bestuurder. De vennootschap waarin het te verevenen pensioen is ondergebracht wordt indirect door de ex-echtgenoot / eigenaar bestuurd. Alleen deze vennootschap en de ex-echtgenoot zijn tot afstorting verplicht. Geen hoofdelijk schuldenaarschap voor de overige vennootschappen binnen het concern; onderscheid tussen de zorgverplichting van de man om afstorting te bewerkstelligen en de verplichting van de pensioenvennootschap om daadwerkelijk tot afstorting over te gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6330
PJ 2018/37
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats Eindhoven

zaaknummer / rolnummer: C/01/305031 / HA ZA 16-163

Vonnis van 29 november 2017

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. O.F.J. Moorman van Kappen te Nijmegen,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TERRATORIUM B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 2] ,

gevestigd te [Eindhoven] ,

3. de stichting

[gedaagde 3] ,

gevestigd te [Eindhoven] ,

[gedaagde 4] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. M.A.J. Kemps te Eindhoven.

Eiseres zal hierna de vrouw worden genoemd. Gedaagden zullen hierna ieder afzonderlijk worden aangeduid als Terratorium, [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en de man en gezamenlijk worden aangeduid als [gedaagden] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 18 mei 2016

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 14 december 2016

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie

  • -

    de akte uitlating van de vrouw van 15 februari 2017

  • -

    de akte uitlating van [gedaagden] van 15 februari 2017

  • -

    het proces-verbaal van voortzetting van de comparitie van 20 juni 2017

  • -

    Bij bericht van 5 juli 2017 heeft de vrouw de rechtbank te kennen gegeven dat partijen geen minnelijke regeling hebben getroffen en heeft zij de rechtbank verzocht om vonnis te wijzen.

1.2.

Ten slotte is wederom vonnis bepaald.

2 De feiten

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende

weersproken en/of op grond van de onbestreden inhoud van overgelegde producties het volgende vast.

2.1.

De vrouw en de man zijn op [datum] gehuwd, uit welk huwelijk twee kinderen zijn geboren.

2.2.

Het huwelijk is geëindigd door echtscheiding. De echtscheidingsbeschikking is op 26 juli 1999 ingeschreven in de daartoe bestemde openbare registers van de burgerlijke stand van de gemeente Valkenwaard (productie 4 bij dagvaarding).

2.3.

Bestuurster en enig aandeelhouder van Terratorium is [gedaagde 2] (voorheen genaamd [A] ).

2.4.

De man was tot 29 november 2010 bestuurder van [gedaagde 2] . Vanaf genoemde datum is [gedaagde 3] de bestuurster van [gedaagde 2] . De man is bestuurder van [gedaagde 3] .

2.5.

Tijdens het huwelijk van partijen was de vrouw in loondienst werkzaam bij [A] (thans genaamd Terratorium B.V.). De man en de vrouw hebben tijdens het huwelijk pensioen opgebouwd in genoemde Beheermaatschappij, de man als directeur-grootaandeelhouder en de vrouw als werkneemster.

2.6.

Artikel 7 lid 2 van de door [A] aan de man verstrekte pensioenbrief van 22 december 1995 luidt als volgt (productie 5 bij dagvaarding):

“De verzekering van toegekende rechten zal - al dan niet geheel of gedeeltelijk - door de vennootschap kunnen worden ondergebracht bij een verzekeringsmaatschappij, een andere kwalificerende pensioenverzekeraar, dan wel zal de pensioenopbouw geheel of gedeeltelijk in eigen beheer kunnen plaatsvinden. In het laatste geval zal de vennootschap jaarlijks een bedrag reserveren, voldoende te achten om daaruit de tegenover de werknemer ontstane verplichtingen te dekken.”

2.7.

In artikel 4 van het echtscheidingsconvenant van april 1999 staat letterlijk vermeld (productie 5 bij dagvaarding):

“4. Pensioenverevening

4.1.

De man heeft pensioen in eigen beheer opgebouwd binnen de vennootschap [A] , gevestigd te Valkenswaard. Dat pensioen wordt tussen partijen verdeeld naar de normen van de Wet Verevening Pensioenrechten. E.e.a. op de wijze en conform de berekeningen zoals opgenomen in de aan dit convenant gehechte bijlagen en de daarin opgenomen berekeningswijze. Alles per de datum dat de in deze zaak uit te spreken echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De man verbindt zich, zowel voor zich in privé als namens [A] de aan de vrouw toekomende aanspraken onder te brengen bij een solide verzekeraar indien en zodra de [A] besluit de aan de man toekomende pensioenrechten ook op zodanig wijze onder te brengen. Voorts behoudt de vrouw zich het recht voor - en dat recht wordt erkend door zowel [A] als de man in privé - de aan haar toekomende pensioenrechten te converteren binnen fiscaal toelaatbare grenzen.

De man verplicht zich om binnen 6 weken na inschrijving van de onderhavige echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand ervoor te zullen zorgdragen dat het in de Wet Verevening Pensioenrechten genoemde formulier wordt ingezonden aan voornoemde vennootschap met inachtneming overigens van de door de vrouw eventueel uitgesproken voorkeur voor conversie en de man garandeert vervolgens, zowel voor zich als voor de vennootschap, dat de vennootschap vervolgens binnen 6 weken daarna schriftelijk opgave doet aan de vrouw van haar aanspraken.”

2.8.

Het in voormelde bepaling bedoelde formulier is niet aan [A] ingezonden. De man is geboren op [datum] en thans 54 jaar oud. Zijn ouderdomspensioen gaat in bij het bereiken van de leeftijd van 60 jaar.

2.9.

Omtrent het door de vrouw als werkneemster tijdens huwelijk opgebouwde pensioen is in het echtscheidingsconvenant geen bijzondere bepaling opgenomen. Voor zover hierna de door de vrouw zelf als werkneemster opgebouwde pensioenrechten worden bedoeld, wordt hierna ook gesproken over “werknemerspensioen”. De vrouw is geboren op [datum] en thans dus 57 jaar oud.

2.10.

Bij akte van 25 november 2008 zijn de statuten van [A] gewijzigd en is de naam gewijzigd in Terratorium B.V. De doelomschrijving is gewijzigd in die zin dat de vennootschap primair tot doel kreeg de (groot)handel in tegels, natuursteen en aanverwante artikelen.

2.11.

Van 2008 tot en met 2013 zijn de hierboven genoemde pensioenvoorzieningen niet in de jaarrekening van Terratorium opgenomen. In de jaarrekening 2014 zijn deze weer wel opgenomen. In de toelichting op de jaarrekening staat onder meer het volgende vermeld (productie 23 bij dagvaarding):

Voorzieningen

De pensioenvoorziening eigen beheer

Dit betreft aan de directie en zijn voormalig partner toegekende pensioenrechten. Per abuis is deze verplichting jarenlang opgenomen bij [gedaagde 2] B.V.. Met ingang van 31 december 2014 is deze verplichting, zoals voorheen, weer opgenomen bij Terratorium B.V..

De voorziening is gewaardeerd op fiscale grondslag conform ontwerprichtlijn 271.3.. Om deze verplichting te verzekeren zou per 31 december 2014 een bedrag van circa € 1.174.659,-- noodzakelijk zijn.”

2.12.

Terratorium B.V. heeft tot op heden niet besloten de aan de man toekomende pensioenrechten bij een verzekeraar onder te brengen.

2.13.

Bij brief van 10 juni 2014 heeft de financieel en fiscaal adviseur van de vrouw aan Terratorium verzocht om een opgave van de aan de vrouw toekomende pensioenrechten (productie 11 bij dagvaarding). In deze brief staat onder meer vermeld:

“Indien de pensioen rechten nog bij uw vennootschap zijn ondergebracht, verzoek ik u mij, onder overlegging van bewijsstukken, te overtuigen dat uw vennootschap mevrouw [eiseres] de zekerheid kan bieden dat de haar toekomende rechten op dit moment veilig zijn en in de toekomst ook daadwerkelijk uitgekeerd zullen kunnen worden.”

2.14.

Bij e-mailbericht van 16 juni 2014 heeft Terratorium het volgende bericht van haar pensioen consultant doorgestuurd (productie 12 bij dagvaarding):

“Per 26-7-1999 zijn door de heer [gedaagde 4] in totaal de volgende aanspraken opgebouwd:

Ouderdomspensioen (ingang 60 jaar) € 32.305

Tijdelijk overbruggingspensioen € 2.360

Partnerpensioen (70%) € 22.614

Als gevolg van de verevening van de pensioenaanspraken heeft mevrouw [eiseres] recht op de volgende pensioenaanspraken:

Ouderdomspensioen (ingang 60 jarige leeftijd dhr. [gedaagde 4] ): € 16.153 (50% x € 32.305)

Tijdelijk overbruggingspensioen (ingang 60 jarige leeftijd dhr [gedaagde 4] tot uiterlijk 65 jaar € 1.180

(50% x € 2.360)

Bijzonder partnerpensioen (ingang na overlijden dhr. [gedaagde 4] ) € 22.614

(100% x € 22.614)

Overigens heeft mevrouw [eiseres] tot aan 1-1-1995 zelf ook pensioen opgebouwd in de B.V. Deze pensioenaanspraken bedragen per 1-1-1995 als volgt:

Ouderdomspensioen (ingang 60 jaar) € 2.787

Tijdelijk overbruggingspensioen € 1.491

Partnerpensioen (70%) € 1.951

De pensioenaanspraken zijn nog steeds ondergebracht in de B.V.”

2.15.

Nadien hebben (de gemachtigden en/of de advocaten van) partijen veelvuldig met elkaar gecorrespondeerd over met name de vraag of de pensioenaanspraken van de vrouw veilig zijn en in de toekomst ook daadwerkelijk uitgekeerd kunnen worden en zo nee, hoe dat dan kan worden bewerkstelligd.

2.16.

Op 2 september 2015 heeft de vrouw verlof gekregen van de voorzieningenrechter in deze rechtbank tot het leggen van conservatoir beslag ten laste van Terratorium en van de man, met begroting van de vordering van de vrouw, inclusief rente en kosten, op

€ 642.981,60.

2.17.

Op 7 januari 2016 heeft de vrouw ten laste van de man de volgende conservatoire beslagen doen leggen:

 derdenbeslag onder F. van Lanschot Bankiers N.V. te ’s-Hertogenbosch. Dit beslag heeft voor een bedrag van € 340.039,82 doel getroffen;

 derdenbeslag onder ABN AMRO Bank N.V te Amsterdam. Dit beslag heeft voor een bedrag van € 1.737,41 doel getroffen;

 beslag op roerende zaken, meer specifiek de inboedel van de man;

 beslag op twee aan de man in eigendom toebehorende onroerende zaken.

2.18.

Op 7 januari 2016 heeft de vrouw ook conservatoire beslagen gelegd ten laste van Terratorium. Deze beslagen hebben geen doel getroffen.

2.19.

Bij vonnis in kort geding van deze rechtbank van 1 april 2016 heeft de voorzieningenrechter de vrouw veroordeeld om de onder 2.17. genoemde ten laste van de man gelegde conservatoire beslagen op te heffen.

2.20.

Partijen zijn niet nader tot elkaar gekomen.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

De vrouw vordert blijkens “akte verzoek tevens akte houdende wijziging van eis tevens akte overlegging producties” van 9 maart 2016 (samengevat):

I. met betrekking tot het door de vrouw zelf opgebouwde ouderdomspensioen:

primair:

  1. te verklaren voor recht dat de pensioenaanspraken van de vrouw ter zake van het door haarzelf opgebouwde ouderdomspensioen (ingang 60 jaar) € 2.787,-- per jaar bedragen en het daarbij behorende tijdelijke overbruggingspensioen AOW (uit te keren gedurende de periode van 59,99 jaar tot 65 jaar) € 1.491,-- per jaar en het daarbij behorende partner pensioen (70% van het ouderdomspensioen) € 1.951,-- per jaar;

  2. [gedaagden] , zo mogelijk hoofdelijk, te veroordelen tot betaling binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis van een zodanig bedrag als nodig zal zijn om voornoemde pensioenuitkering levenslang te kunnen verrichten (bij benadering, volgens de offerte van Zwitserleven van 13 augustus 2015 toentertijd een bedrag van € 85.628,--), althans een zodanig bedrag als de rechtbank zal menen juist te zijn, aan ABN AMRO Verzekeringen B.V. dan wel een door deze aan te wijzen verzekeringsmaatschappij, althans bij een door de rechtbank aan te wijzen te goeder naam en faam bekend staande verzekeringsmaatschappij af te storten;

subsidiair: ingeval de hiervoor onder 2 genoemde vordering (alsnog) onderbrengen/extern verzekeren onverhoopt toch mocht worden afgewezen:

  1. te verklaren voor recht dat [gedaagden] , allen hoofdelijk, althans die gedaagden die de rechtbank zal menen juist te zijn, zo mogelijk hoofdelijk, jegens de vrouw aansprakelijk zullen zijn voor de nakoming van de verplichtingen van Terratorium en de man tot uitkering aan de vrouw, desnoods te zijner tijd, van de aan haar toekomende ouderdomspensioen aanspraken als hiervoor onder primair sub 1 omschreven;

  2. een door de rechtbank aan te wijzen deskundige te benoemen teneinde de gang van zaken met betrekking tot de reservering van de pensioengelden en de omvang daarvan in de tijd in kaart te brengen en het aandeel van de vrouw daarin bindend vast te stellen, en [gedaagden] te gebieden daaraan hun volledige medewerking te verlenen, één en ander voor rekening van [gedaagden] dan wel voor rekening van die gedaagden die de rechtbank aansprakelijk en verantwoordelijk zult achten, voor de thans ontstane onzekerheid en onduidelijkheid over de gang van zaken en de omvang van de pensioenreserveringen;

  3. [gedaagden] , zo mogelijk hoofdelijk, te gebieden er voor te zullen zorgdragen dat de thans in Terratorium en [gedaagde 2] aanwezige pensioengelden, in die vennootschappen aanwezig zullen blijven tot het moment van afstorten dan wel als het pensioen uitkeren, en [gedaagden] te verbieden deze pensioengelden of delen daarvan te onttrekken of daaruit of daarmee betalingen te doen, beide op straffe van een dwangsom van € 50.000,--, althans een zodanig bedrag als de rechtbank zal menen juist te zijn, per overtreding en per dag dat de overtreding voortduurt, althans zodanige bewarende maatregelen te gelasten als de rechtbank mogelijk en noodzakelijk zal achten om er voor te zorgen dat de thans aanwezige pensioengelden in de betreffende vennootschappen aanwezig en veilig zullen blijven;

II. met betrekking tot het aan de vrouw toekomende verevende ouderdomspensioen van de man:

primair:

  1. te verklaren voor recht dat de pensioen aanspraken van de vrouw terzake van haar aandeel van het met de man verevende ouderdomspensioen (ingang 60 jarige leeftijd van de man) € 16.153,-- per jaar bedragen en het daarbij behorende verevende deel van het tijdelijke overbruggingspensioen AOW (ingang 60 jarige leeftijd van de man tot uiterlijk 65 jaar) € 1.180,-- per jaar en het daarbij behorende bijzonder partnerpensioen (ingang na overlijden van de man) € 22.614,-- per jaar;

  2. [gedaagden] , zo mogelijk hoofdelijk, te veroordelen tot betaling binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis van een zodanig bedrag als nodig is om voornoemde pensioenuitkering levenslang te kunnen verrichten (bij benadering, volgens de offerte van Zwitserleven van 13 augustus 2015 toentertijd een bedrag van

€ 425.190,--), althans een zodanig bedrag als de rechtbank zal menen juist te zijn, aan ABN AMRO Verzekeringen B.V. dan wel een door deze aan te wijzen verzekeringsmaatschappij, althans bij een door de rechtbank aan te wijzen te goeder naam en faam bekend staande verzekeringsmaatschappij;

subsidiair: ingeval de hiervoor onder 2 genoemde vordering tot afstorting onverhoopt mocht worden afgewezen:

  1. te verklaren voor recht dat [gedaagden] , allen hoofdelijk, althans die gedaagden die de rechtbank zal menen juist te zijn, zo mogelijk hoofdelijk, jegens de vrouw aansprakelijk zullen zijn voor de nakoming van de verplichtingen van Terratorium en de man tot uitkering aan de vrouw, desnoods te zijner tijd, van de aan haar toekomendde ouderdomspensioen aanspraken als hiervoor onder II, primair sub 1 omschreven;

  2. een door de rechtbank aan te wijzen deskundige te benoemen teneinde de gang van zaken met betrekking tot de reservering van de pensioengelden en de omvang daarvan in de tijd in kaart te brengen en het aandeel van de vrouw bindend vast te stellen, en [gedaagden] te gebieden daaraan hun volledige medewerking te verlenen, één en ander voor rekening van [gedaagden] dan wel voor rekening van die gedaagden die de rechtbank aansprakelijk en verantwoordelijk zult achten voor de thans ontstane onzekerheid en onduidelijkheid over de gang van zaken en de omvang van de pensioenreserveringen;

  3. [gedaagden] , zo mogelijk hoofdelijk, te gebieden er voor te zullen zorgdragen dat de zich thans in Terratorium en [gedaagde 2] aanweizge pensioengelden, in die vennootschappne aanwezig zullen blijven tot het moment van afstorten dan wel het als pensioen uitkeren, en [gedaagden] te verbieden deze penisoengelden of delen daarvan te onttrekken of daaruit of daarmee betalingen te doen, beide op straffe van een dwangsom van € 100.000,--, althans een zodanig bedrag als de rechtbank zal menen juist te zijn, per overtreding en per dag dat de overtreding voortduurt, althans zodanige bewarende maatregelen te gelasten als de rechtbank mogelijk en noodzakelijk zal achten om er voor te zorgen dat de thans aanwezige pensioengelden in de betreffende vennootschappen aanwezig en veilig zullen blijven;

meer subsidiair: voor het geval de hiervoor onder 1 of 2 omschreven vorderingen mochten worden afgewezen:

zodanige maatregelen, aan [gedaagden] dan wel aan die gedaagden waarvan de rechtbank meent dat die daarvoor verantwoordelijk zijn, zo mogelijk hoofdelijk, op te leggen, zo mogelijk onder oplegging van dwangsommen, dat zoveel mogelijk recht gedaan zal worden aan het verlangen van de vrouw tot zekerheid van de nakoming jegens haar van de aan haar verleende pensioenaanspraken;

uiterst subsidiair: voor het geval ook de meer subsidiaire vordering mocht worden afgewezen:

[gedaagden] , althans degene(n) waarvan de rechtbank meent dat die daarvoor aansprakelijk is/zijn, zo mogelijk hoofdelijk, vanwege het deponeren van misleidende jaarrekeningen, te veroordelen aan de vrouw te betalen de schadevergoeding zoals omschreven in productie 29, althans een zodanig bedrag als de rechtbank ter zake zal menen juist te zijn;

III. met betrekking tot de proceskosten:

veroordeling van [gedaagden] in de kosten van deze procedure alsmede in de kosten van de gelegde beslagen en in de nakosten.

3.2.

[gedaagden] voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[gedaagden] vorderen (samengevat) te verklaren voor recht dat de vrouw onrechtmatig heeft gehandeld jegens de man en dat zij uit dien hoofde jegens [gedaagde 4] aansprakelijk is voor de daardoor geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, kosten rechtens.

3.5.

De vrouw voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

De kern van het geschil wordt primair gevormd door de vraag of [gedaagden] gehouden zijn de pensioenaanspraken van de vrouw af te storten bij een onafhankelijke verzekeringsmaatschappij dan wel, subsidiair, op andere wijze te waarborgen dat tegenover deze pensioenaanspraken een reële dekking bestaat. De pensioenaanspraken van de vrouw bestaan uit de volgende twee componenten:

 het door de vrouw opgebouwde werknemerspensioen;

 het aandeel van de vrouw in het door de man tijdens huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen.

Ten onrechte en/of prematuur in rechte betrokken

4.2.

[gedaagden] hebben ter comparitie aangevoerd dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] ten onrechte zijn gedagvaard. Zowel het werknemerspensioen van de vrouw als het gedurende het huwelijk door de man opgebouwde ouderdomspensioen zijn ondergebracht in Terratorium. [gedaagde 2] en/of [gedaagde 3] zijn alleen als direct en indirect bestuurder bij Terratorium betrokken, maar de door de vrouw ingestelde vorderingen zijn, aldus [gedaagden] , niet gegrond op bestuurdersaansprakelijkheid.

Daarnaast hebben [gedaagden] aangevoerd dat de vrouw thans nog geen aanspraken heeft op pensioenbetalingen en dat deze in ieder geval nog niet opeisbaar zijn. De aanspraak van de vrouw op werknemerspensioen kan zij pas geldend maken jegens Terratorium na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd; de aanspraken op haar deel van het aan de man toekomend ouderdomspensioen kan zij alleen jegens de man geldend maken nadat dit pensioen aan hem tot uitkering is gekomen. Naar de mening van [gedaagden] dient een en ander te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van de vrouw in haar vorderingen.

4.3.

De rechtbank overweegt als volgt.
Anders dan [gedaagden] stellen zijn de vorderingen van de vrouw niet gericht op uitbetaling van het haar toekomende werknemerspensioen, respectievelijk haar aandeel in het aan de man toekomend ouderdomspensioen. De vrouw beoogt met haar vorderingen [gedaagden] rechtens afdwingbaar te verplichten zodanige voorzieningen te treffen dat gewaarborgd is dat haar aanspraken in de toekomst ook daadwerkelijk tot uitkering zullen komen. De rechtbank heeft dan ook ten aanzien van ieder van gedaagden te onderzoeken in hoeverre zij in hun specifieke rechtsverhouding ten opzichte van de vrouw gehouden zijn haar aanspraken op (toekomstige) pensioenuitkeringen zeker te stellen door afstorting van de daarmee overeenkomende waarde bij een onafhankelijke derde. Voor zover de uitkomsten van dit onderzoek ertoe leiden dat [gedaagden] , en/of ieder van hen individueel, daar rechtens niet toe verplicht zijn, moet de vordering jegens hen aan de vrouw worden ontzegd. De rechtbank gaat onderstaand nader op deze vragen in. Er is geen reden om de vrouw in haar vorderingen om deze reden niet – ontvankelijk te verklaren.

I. het door de de vrouw opgebouwde werknemerspensioen

4.4.

Terratorium erkent de aanspraak van de vrouw zoals geformuleerd in de primaire vordering onder I.1. Dit blijkt reeds uit het e-mailbericht van Terratorium van 16 juni 2014. Met Terratorium is de rechtbank daarom van oordeel dat de vrouw geen rechtens te respecteren belang heeft bij de onder I.1. gevorderde verklaring voor recht. Deze vordering zal worden afgewezen.

4.5.

Ten aanzien van de primaire vordering onder I.2. overweegt de rechtbank het volgende. Terratorium is op grond van het bepaalde in artikel 2 van de Pensioen- en spaarfondsenwet die tot 1 januari 2007 heeft gegolden en het bepaalde in artikel 23 van de huidige Pensioenwet verplicht het door de vrouw opgebouwde werknemerspensioen onder te brengen bij een pensioenverzekeraar. Vast staat dat Terratorium niet aan deze verplichting heeft voldaan.

4.6.

[gedaagden] hebben in dit verband een beroep gedaan op rechtsverwerking. Dit beroep slaagt niet. De rechtbank overweegt te dien aanzien als volgt.

Van rechtsverwerking kan in beginsel slechts sprake zijn indien de vrouw zich heeft gedragen op een wijze die onverenigbaar is met de door haar ingestelde vordering. Enkel tijdsverloop levert geen toereikende grond op voor het aannemen van rechtsverwerking. Hiervoor is meer nodig, namelijk een gedraging van de vrouw, die onder omstandigheden ook in een nalaten kan bestaan. Deze gedraging of dat nalaten dient bij Terratorium een zodanig vertrouwen te hebben opgewekt dat de vrouw geen beroep meer kan doen op het door haar ingeroepen recht. Gesteld noch gebleken is dat van bedoelde gedraging of nalaten sprake is. Zo stellen [gedaagden] niet dat de vrouw en de man in het kader van hun echtscheiding hebben afgesproken dat het werknemerspensioen niet zou worden afgestort. In het echtscheidingsconvenant staat niets vermeld over het door de vrouw opgebouwde werknemerspensioen. Daar komt bij dat Terratorium als werkgever van de vrouw een actieve informatieplicht heeft. Gesteld noch gebleken is dat Terratorium de vrouw op de hoogte heeft gebracht van de onderbrengingsplicht van de werkgever.

4.7.

[gedaagden] stellen zich op het standpunt dat de vordering tot afstorting, gebaseerd op onrechtmatige daad, is verjaard, aangezien de vrouw vanaf datum echtscheiding zou hebben geweten dat het werknemerspensioen in eigen beheer werd opgebouwd en zij daar meer dan vijftien jaar niet tegen heeft geprotesteerd. Dit verweer slaagt niet. De vrouw heeft weersproken dat haar vordering is verjaard. Zij heeft aangevoerd dat de verhouding met de man in de jaren na de echtscheiding moeizaam was en dat er zelfs gedurende een aantal jaren helemaal geen contact is geweest. Eerst in 2013 heeft zij signalen gekregen dat er problemen waren met de pensioenen van de werknemers bij [gedaagde 2] . Dit is voor haar aanleiding geweest bij Terratorium navraag te doen hoe het zat met haar eigen pensioenrechten (productie 11 bij dagvaarding). Naar aanleiding daarvan heeft zij in juni 2014 een opgave gekregen van haar pensioenrechten. De onduidelijkheden die dit voor haar opriep waren aanleiding voor haar om een en ander nader te onderzoeken. Gelet hierop en op het bepaalde in artikel 3:310 BW had het op de weg van [gedaagden] gelegen om nader toe te lichten en te onderbouwen vanaf welk eerder gelegen tijdstip dan 2013 / 2014 de vrouw bekend is geworden, of had kunnen zijn, met de beweerdelijke onrechtmatigheid en de daaruit ontstane schade. [gedaagden] - mede gelet op het hiervoor in r.o. 4.6. overwogene - hebben dat echter nagelaten.

4.8.

Op grond van het vorenstaande en met inachtneming van het bepaalde in r.o. 4.2. zal de vordering onder I.2. jegens Terratorium worden toegewezen.

4.9.

De vrouw vordert daarnaast veroordeling van de man, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] als hoofdelijk schuldenaar naast Terratorium.

4.10.

Ten aanzien van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] ziet de rechtbank geen grond tot veroordeling als hoofdelijk schuldenaar jegens de vrouw in dezen. Vast staat dat de vrouw als voormalig werkneemster alleen jegens Terratorium als (voormalig) werkgever een aanspraak heeft op pensioen. Toewijzing van de vordering jegens [gedaagde 2] en [gedaagde 3] als hoofdelijk schuldenaren naast Terratorium houdt in dat deze rechtspersonen naast Terratorium gehouden zijn aan deze pensioenverplichtingen jegens de vrouw te voldoen. Daarmee zou het beginsel van zelfstandigheid van de rechtspersoon worden doorbroken. Naar vaste rechtspraak (o.a. HR 13 oktober 2000, NJ 2000, 698) kan alleen in uitzonderlijke omstandigheden aanleiding zijn van dit beginsel af te wijken en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] met Terratorium te vereenzelvigen. De stellingen van de vrouw bieden daarvoor geen enkel aanknopingspunt. Het enkele feit dat Terratorium, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] onderdeel uitmaken van een groep vennootschappen die nauw met elkaar verbonden zijn en direct dan wel indirect door dezelfde persoon, namelijk de man, bestuurd worden is daarvoor niet voldoende. Ook de herstructurering van de onderneming van de man in 2008, noch de omstandigheid dat de man na het huwelijk met de vrouw een (nader) pensioen heeft opgebouwd in [gedaagde 2] kunnen als dergelijke omstandigheden worden aangemerkt nu er geen reële aanleiding is om te veronderstellen dat dit is gedaan om de pensioenrechten van de vrouw als werkneemster van Terratorium te frustreren. Het gevorderde onder I.2 zal daarom jegens [gedaagde 2] en jegens [gedaagde 3] worden afgewezen.

4.11.

Ten aanzien van de man heeft het volgende te gelden. De man is enig bestuurder van de [gedaagde 3] , die op haar beurt enig aandeelhouder en bestuurder is van de [gedaagde 2] die de aandelen houdt en optreedt als bestuurder van Terratorium. Daarmee is de man feitelijk degene die de rechtspersoon waar de werknemersaanspraken van de vrouw op pensioen in zijn ondergebracht beheerst en daarover de zeggenschap uitoefent. De man heeft, zoals hierna onder punt 4.15 tot en met 4.20 zal blijken, niet alleen als (indirect) bestuurder van Terratorium, maar ook als ex-echtgenoot een uit het huwelijk voortvloeiende en op de redelijkheid en billijkheid gebaseerde zorgplicht jegens de vrouw om zorg te dragen voor afstorting van het kapitaal dat nodig is om haar pensioenaanspraken veilig te stellen. Deze zorgplicht strekt zich naar het oordeel van de rechtbank ook uit over de pensioenaanspraken die de vrouw als (voormalig) werkneemster ontleent aan haar dienstverband bij [A] , nu aangenomen mag worden dat er een direct verband bestond tussen dit dienstverband en de positie van de vrouw als echtgenote van de directeur – grootaandeelhouder. Zoals de raadsman van de vrouw ter comparitie heeft verklaard beoogt de vrouw met haar vordering haar pensioen veilig te stellen. De rechtbank zal het gevorderde onder I.2 jegens de man dan ook opvatten en in zoverre ook toewijzen dat de man veroordeeld wordt ervoor zorg te dragen dat Terratorium het gevorderde onder I.2 op de aangegeven wijze nakomt.

4.12.

Aangezien de primaire vordering onder I.2. zal worden toegewezen, komt de rechtbank aan de beoordeling van de subsidiaire vorderingen onder I. niet meer toe.

II. het aan de vrouw toekomende deel van het door de man in eigen beheer opgebouwde pensioen

4.13.

Over het aandeel van de vrouw in de pensioenaanspraken van de man bestaat tussen partijen geen discussie. De man, in zijn hoedanigheid van (indirect) directeur-grootaandeelhouder van Terratorium, erkent de aanspraak van de vrouw zoals geformuleerd in de primaire vordering onder II.1. Dit blijkt reeds uit het e-mailbericht van Terratorium van 16 juni 2014 en de man heeft dit tijdens de comparitie herhaald. Met de man is de rechtbank daarom van oordeel dat de vrouw geen rechtens te respecteren belang heeft bij de onder II.1. gevorderde verklaring voor recht. Deze vordering zal worden afgewezen.

4.14.

Het pensioen voor de directeur-grootaandeelhouder, de man, mocht volgens de tot 1 april 2017 geldende pensioenwetgeving in beginsel wel in eigen beheer worden opgebouwd.

4.15.

Ten aanzien van de vraag of, en in hoeverre, de man verplicht is om zorg te dragen voor afstorting van de pensioenaanspraak van de vrouw bij een externe pensioenverzekeraar stelt de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 9 februari 2007 (ECLI:NL:HR:AZ2658) het volgende voorop.

In zijn algemeenheid brengen de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich dat de tot verevening verplichte echtgenoot die als directeur enig aandeelhouder de rechtspersoon beheerst waarin de te verevenen pensioenaanspraak is ondergebracht, dient zorg te dragen voor afstorting bij een externe pensioenverzekeraar van het kapitaal dat nodig is voor het aan de andere echtgenoot toekomende deel van de pensioenaanspraak. Van de vereveningsgerechtigde echtgenoot kan immers in beginsel niet worden gevergd dat deze bij voortduring afhankelijk blijft van het beleid dat de andere echtgenoot ten aanzien van de betrokken rechtspersoon (en de onderneming waaraan deze verbonden is) voert en het risico moet blijven dragen dat het in eigen beheer opgebouwde pensioen te zijner tijd niet kan worden betaald. Deze zorgplicht is niet afhankelijk van de vraag of partijen ten tijde van de echtscheiding zijn overeengekomen dat afstorting zou plaatsvinden (Hoge Raad 20 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9458 en HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:693).

4.16.

Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval aanspraak kan worden gemaakt op afstorting van het aan de andere echtgenoot toekomende deel van de pensioenaanspraak, dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval.

4.17.

[gedaagden] hebben aangevoerd dat de vrouw heeft aanvaard dat het pensioen in eigen beheer werd gehouden. De rechtbank overweegt dat in het convenant alleen is vermeld dat de man zich verplicht om, indien hij zijn eigen pensioen zou onderbrengen bij een verzekeraar, ook de aanspraken van de vrouw zouden worden ondergebracht bij een verzekeraar. De tekst van het convenant biedt geen aanknopingspunten voor het door [gedaagden] ingenomen standpunt dat de vrouw daarmee bewust heeft afgezien van afstorting van de met haar aandeel in de pensioenaanspraken overeenkomende waarde en dat zij de keuze om daar al dan niet toe over te gaan bij de vennootschap respectievelijk de man als indirect directeur groot aandeelhouder van Terratorium heeft gelaten. Het bepaalde in artikel 7 lid 2 van de door [A] aan de man verstrekte pensioenbrief van 22 december 1995 (bijlage van het echtscheidingsconvenant) biedt evenmin aanknopingspunten voor het door [gedaagden] ingenomen standpunt. In dat artikel worden immers een aantal opties genoemd ten aanzien van de pensioenopbouw, waaronder pensioenopbouw geheel of gedeeltelijk in eigen beheer. In dat laatste geval wordt echter wel de eis gesteld dat de vennootschap jaarlijks een bedrag moet reserveren dat voldoende is te achten om daaruit de tegenover de werknemer ontstane verplichtingen te dekken.

Andere omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat de vrouw er destijds mee heeft ingestemd dat het de man als indirect directeur-grootaandeelhouder van Terratorium onder alle omstandigheden vrij zou staan om de pensioenaanspraken in eigen beheer te houden, zijn niet gesteld of gebleken.

4.18.

Van belang is ook dat in 2008 de onderneming van de man en de daaraan gelieerde vennootschappen zijn geherstructureerd. Daarbij is [A] omgezet in Terratorium B.V. en is de doelomschrijving van de vennootschap gewijzigd van vermogensbeheer in, primair, de (groot)handel in tegels, natuursteen en aanverwante artikelen. Van 2008 tot 2014 is op de balans van Terratorium B.V. geen voorziening opgenomen voor de te verevenen pensioenaanspraken van de man. De vrouw is van mening dat deze feitelijke ontwikkelingen illustreren dat sedert het tot stand komen van het echtscheidingsconvenant het risico dat te zijner tijd haar aandeel in het te verevenen ouderdomspensioen van de man niet kan worden uitbetaald is toegenomen. De stelling van [gedaagden] dat er materieel geen verschil is tussen (de activiteiten van) [A] en Terratorium, is onvoldoende met concrete gegevens onderbouwd. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat, zoals de man heeft aangegeven, de activa van Terratorium zijn vastgelegd in voorraden natuursteen en keramiek en dat uit de jaarrekeningen blijkt dat Terratorium forse vorderingen heeft op andere groepsmaatschappijen. Ook als juist is dat Terratorium alleen intern met andere groepsmaatschappijen handelt, wil dat nog niet zeggen dat deze handelwijze risicovrij is.

De stelling van [gedaagden] dat er alleen sprake hoeft te zijn van een (fiscale) balansvoorziening gaat evenmin op. De vrouw wenst terecht zekerheid dat te zijner tijd de te verevenen pensioenaanspraken ook daadwerkelijk kunnen en zullen worden uitgekeerd (HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:693).

4.19.

[gedaagden] hebben verder aangevoerd dat onvoldoende liquide middelen aanwezig zijn om de afstorting te effectueren. Deze omstandigheid kan echter slechts dan tot de conclusie leiden dat door de vrouw geen aanspraak kan worden gemaakt op afstorting van het aan haar toekomende deel van de pensioenaanspraak, indien de vereveningsplichtige echtgenoot stelt en bij betwisting aannemelijk maakt dat de benodigde liquide middelen ook niet kunnen worden vrijgemaakt of van elders verkregen zonder de continuïteit van de bedrijfsvoering van de rechtspersoon en de onderneming waaraan deze verbonden is in gevaar te brengen. Met de vrouw is de rechtbank van oordeel dat [gedaagden] dit laatste onvoldoende hebben onderbouwd. Zo hebben [gedaagden] slechts opgeworpen, maar niet aangetoond, dat zij geen financiering kunnen verkrijgen en dat schuldoverneming door [gedaagde 2] afstuit op fiscale problemen en afspraken met de huisbankier ABN AMRO.

4.20.

De vrouw maakt er dan ook jegens de man terecht aanspraak op dat hij ervoor zorg heeft te dragen dat Terratorium B.V. tot afstorting van de waarde van het aan de vrouw toekomend aandeel in zijn ouderdomspensioenaanspraken over gaat. De rechtbank zal de vordering van de vrouw onder II.2 jegens de man in die zin opvatten en toewijzen. Voor een veroordeling van de man als hoofdelijk schuldenaar om de waarde af te storten onder een onafhankelijke derde zoals door de vrouw gevorderd ziet de rechtbank geen reden.

4.21.

Uit het voorgaande volgt ook dat de vrouw jegens Terratorium terecht aanspraak maakt op afstorting van de waarde van het aan haar toekomende aandeel in het te verevenen ouderdomspensioen van de man. Tussen partijen is niet ter discussie dat het te verevenen ouderdomspensioen van de man is ondergebracht in Terratorium zodat Terratorium in dezen heeft te gelden als het uitvoerend pensioenorgaan. Nu Terratorium door de man als (indirect) bestuurder en eigenaar wordt beheerst, kan Terratorium niet als onafhankelijk uitvoerder van de PSW en WVP worden beschouwd. Ook in de verhouding tussen de vrouw en Terratorium als (uitvoerend) pensioenorgaan brengen de eisen van redelijkheid en billijkheid mee dat van de vrouw onder de hiervoor besproken omstandigheden niet langer kan worden gevergd dat zij het risico blijft dragen dat het in Terratorium ondergebrachte pensioen te zijner tijd niet kan worden betaald. (Hoge Raad 12 maart 2004, NJ 2004, 636). De vordering onder II.2 jegens Terratorium zal daarom worden toegewezen.

4.22.

Voor veroordeling van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] als hoofdelijk schuldenaar naast Terratorium ziet de rechtbank geen reden nu niet is gebleken dat zij in dit verband enige verplichting hebben jegens de vrouw.

De rechtbank verwijst verder naar hetgeen zij hiervoor onder punt 4.10 heeft overwogen ten aanzien van de pensioenaanspraken van de vrouw uit hoofde van haar dienstverband met Beheermaatschappij Harrie [gedaagde 4] . Ook voor de aanspraken die de vrouw als vereveningsgerechtigde ontleent aan het ouderdomspensioen van de man geldt om dezelfde redenen als daar verwoord dat er geen aanleiding bestaat om [gedaagde 2] en [gedaagde 3] te vereenzelvigen met Terratorium.

4.23.

Hetgeen partijen overigens hebben aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden en zal daarom buiten bespreking blijven.

4.24.

Aangezien de primaire vordering onder II.2. zal worden toegewezen, komt de rechtbank aan de beoordeling van de subsidiaire, meer subsidiaire en uiterst subsidiaire vorderingen onder II. niet meer toe.

III. de proceskosten

4.25.

Gezien het feit dat partijen ex-echtelieden zijn, is er aanleiding de proceskosten tussen hen te compenseren. Dit betekent dat de gevorderde nakosten zullen worden afgewezen.

in reconventie

4.26.

[gedaagden] stellen dat de vrouw onrechtmatig heeft gehandeld jegens de man in privé door ten laste van hem ingrijpende conservatoire beslagen te leggen, terwijl zij niets te vorderen heeft van de man in privé. De vrouw is volgens [gedaagden] van rechtswege aansprakelijk voor alle schade die door het vexatoire beslag is veroorzaakt.

4.27.

Uit hetgeen in conventie is overwogen, met name onder punt 4.9 en 4.20 vloeit voort dat de op 7 januari 2016 door de vrouw ten laste van de man in privé gelegde beslagen onterecht zijn. De man in privé is jegens de vrouw niet gehouden het benodigde kapitaal beschikbaar te stellen voor afstorting.

4.28.

Het gaat om de volgende beslagen:

 derdenbeslag onder F. van Lanschot Bankiers N.V. te ’s-Hertogenbosch. Dit beslag heeft voor een bedrag van € 340.039,82 doel getroffen;

 derdenbeslag onder ABN AMRO Bank N.V te Amsterdam. Dit beslag heeft voor een bedrag van € 1.737,41 doel getroffen;

 beslag op roerende zaken, meer specifiek de inboedel van de man;

 beslag op twee aan de man in eigendom toebehorende onroerende zaken.

4.29.

De vrouw is aansprakelijk voor de schade die de man als gevolg van de vexatoire beslagen heeft geleden. De rechtbank ziet geen aanleiding om de schade nader te laten opmaken bij staat, aangezien:

  1. de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vrouw reeds bij vonnis in kort geding van 1 april 2016 heeft veroordeeld om genoemde ten laste van de man gelegde conservatoire beslagen op te heffen;

  2. de man de componenten waaruit de door hem gestelde schade zou bestaan, opsomt onder randnummer 53 van de conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie.

In het licht van het vorenstaande zou de omvang van de schade reeds bekend moeten zijn. De rechtbank zal de man daarom in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de omvang van de schade. De zaak zal daartoe naar de rol worden verwezen.

4.30.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt Terratorium tot betaling binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis van een zodanig bedrag als nodig zal zijn om de in r.o. 3.1. onder I.1. genoemde pensioenuitkering levenslang te kunnen verrichten (bij benadering, volgens de offerte van Zwitserleven van 13 augustus 2015 toentertijd een bedrag van € 85.628,--), aan ABN AMRO Verzekeringen B.V. dan wel een door deze aan te wijzen verzekeringsmaatschappij;

5.2.

veroordeelt de man ervoor zorg te dragen dat Terratorium binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis een zodanig bedrag betaalt als nodig zal zijn om de in r.o. 3.1. onder I.1. genoemde pensioenuitkering levenslang te kunnen verrichten (bij benadering, volgens de offerte van Zwitserleven van 13 augustus 2015 toentertijd een bedrag van
€ 85.628,--), aan ABN AMRO Verzekeringen B.V. dan wel een door deze aan te wijzen verzekeringsmaatschappij;

5.3.

veroordeelt Terratorium tot betaling binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis van een zodanig bedrag als nodig is om de in r.o. 3.1. onder II.1. genoemde pensioenuitkering levenslang te kunnen verrichten (bij benadering, volgens de offerte van Zwitserleven van 13 augustus 2015 toentertijd een bedrag van € 425.190,--), aan ABN AMRO Verzekeringen B.V. dan wel een door deze aan te wijzen verzekeringsmaatschappij;

5.4.

veroordeelt de man ervoor zorg te dragen dat Terratorium binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis een zodanig bedrag betaalt als nodig is om de in r.o. 3.1. onder II.1. genoemde pensioenuitkering levenslang te kunnen verrichten (bij benadering, volgens de offerte van Zwitserleven van 13 augustus 2015 toentertijd een bedrag van € 425.190,--), aan ABN AMRO Verzekeringen B.V. dan wel een door deze aan te wijzen verzekeringsmaatschappij

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

compenseert de proceskosten, in die zin dat ieder van partijen de eigen proceskosten dient te dragen;

5.7.

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

in reconventie

5.8.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 3 januari 2018 voor het nemen van een akte uitlating door de man als weergegeven in r.o. 4.30.;

5.9.

houdt elke verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E.M. Effting-Zeguers en in het openbaar uitgesproken op 29 november 2017.