Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:6205

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
21-11-2017
Datum publicatie
27-11-2017
Zaaknummer
5366151 / EJ VERZ: 16-506
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

arbeidszaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-1426
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Zaaknummer: 5366151 / EJ VERZ: 16-506

Beschikking van 21 november 2016

in de zaak van:

[eiser]

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

gemachtigde: mr. R.A.A. Duk,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DIT Services B.V.,

statutair gevestigd te ‘s-Hertogenbosch,

verweerster,

gemachtigde: mr. J. [advocaat DIT] .

Partijen zullen in het vervolg worden aangeduid als “ [eiser] ” en “DIT Services”.

1 Het procesverloop

1.1.

[eiser] heeft op 12 september 2016 een verzoekschrift ex artikel 7:681 BW ter griffie ingediend.

1.2.

Op 18 oktober 2016 is namens DIT Services een verweerschrift ingediend met veertig producties, tevens houdende (tegen)verzoeken ex artikel 7:686a lid 3 BW.

1.3.

Gelet op de hoeveelheid van de door DIT Services ingebrachte tegenverzoeken en producties en de omstandigheid dat er tussen partijen meerdere procedures aanhangig zijn, heeft de gemachtigde van [eiser] verzocht om een regiezitting. Dit verzoek is door de kantonrechter, met redenen omkleed, afgewezen.

1.4.

Op 25 oktober 2016 zijn door [eiser] productie 3 tot en met 5 nagezonden.
Op 26 oktober 2016 zijn door DIT Services nog een drietal producties in- c.q. nagezonden: productie 19 die abusievelijk niet was bijgevoegd, alsmede productie 41 en 42.

1.5.

Op 28 oktober 2016 heeft een inhoudelijke mondelinge behandeling plaatsgevonden. Beide partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen verder ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

1.6.

Vervolgens is beschikking bepaald.

2. De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd betwist, staan tussen partijen de volgende feiten vast.

2.1.

[eiser] , geboren op [datum] , is sinds 4 augustus 2003 in dienst bij DIT Services.
DIT Services maakt onderdeel uit van de DIT Groep, gespecialiseerd in de bemiddeling van technisch (uitvoerend) personeel in de bouw-, metaal- en techniekindustrie via detachering, uitzending en payrolling.

[eiser] is bij besluit van 21 juni 2013 benoemd tot statutair (mede-)bestuurder van DIT Holding in de functie van algemeen directeur / CEO. [eiser] stuurde het gehele managementteam van de DIT Groep aan.

Sinds januari 2016 is de heer [financieel directeur DIT Groep] (hierna: [financieel directeur DIT Groep] ) financieel directeur van de DIT Groep.

2.2.

Tot voor kort bestond het bestuur van de DIT Groep uit [eiser] en de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ). [naam 1] - in het kader van een eerder gesloten minnelijke regeling ter beëindiging van zijn dienstverband reeds vrijgesteld van zijn werkzaamheden – is per 30 juli 2016 formeel teruggetreden als statutair bestuurder van de DIT Groep.

Coöperatieve H2 Equity Partners Fund III Holding U.A. (hierna: de Aandeelhouder) houdt een rechtstreeks belang van 77% in DIT Holding. De Aandeelhouder houdt tevens een belang van 90% van alle preferente aandelen in DIT Holding. Namens de Aandeelhouder zijn de heren [naam 2] (hierna: [naam 2] ) en [naam 3] (hierna: [naam 3] ) als senior associate de primaire contactpersonen van de DIT Groep.

De andere aandelen in DIT Holding worden gehouden door DIT Management B.V., Franck Employement B.V. (de management B.V. van de heer [naam 1] ) en R.N.B. Beheer B.V. (de management B.V. van de oud DGA van de DIT Groep).

2.3.

In juni 2016 heeft [financieel directeur DIT Groep] zelfstandig onderzoek gedaan naar het declaratiegedrag van [eiser] , dat bij hem heeft geleid tot argwaan over de schaal en de wijze waarop [eiser] had gedeclareerd en/of op andere wijze vennootschappelijke gelden voor eigen gebruik had aangewend. [financieel directeur DIT Groep] heeft deze vermoedens op 13 juni 2016 bekend gemaakt aan [naam 2] en [naam 3] als contactpersonen van de Aandeelhouder. Hierop heeft de aandeelhouder besloten om [naam 4] Bedrijfsrecherche (hierna: [naam 4] ) in te schakelen. Op 17 juni 2016 is [eiser] door [naam 2] tijdens een voortgangsgesprek verteld dat er vermoedens waren gerezen van ernstige misstanden in verband met door hem ingediende declaraties en gedane betalingen. Ook is aan [eiser] verteld dat [naam 4] was ingeschakeld voor het doen van onderzoek. [eiser] is gevraagd hangende het onderzoek thuis te blijven. Ook is hem gevraagd zijn zakelijke telefoon en laptop achter te laten. [eiser] heeft hieraan gehoor gegeven.

Het gesprek van 17 juni 2016 is per brief aan [eiser] bevestigd. Tevens is [eiser] op die dag uitgenodigd voor een algemene vergadering van aandeelhouders (hierna: AvA) van DIT Holding B.V. op 4 juli 2016.

2.4.

Op vrijdag 17 juni 2016 is [naam 4] gestart met haar inhoudelijk onderzoek.

2.5.

Op dinsdag 21 juni 2016 heeft de Aandeelhouder de rechtbank Noord-Holland verzocht conservatoir derdenbeslag te mogen leggen op de bankrekeningen van [eiser] . De rechtbank heeft dit verzoek op 22 juni 2016 toegewezen.

2.6.

Op 30 juni 2016 vond een gesprek plaats tussen [naam 4] en [eiser] , waarbij [eiser] is gehoord over de onderzoeksresultaten tot dan toe.

2.7.

Bij e-mail van 30 juni 2016 heeft de gemachtigde van [eiser] aangedrongen op uitstel van de AvA van 4 juli 2016.

2.8.

Op 8 juli 2016 heeft [naam 4] een voorlopig onderzoeksrapport opgesteld. Op 8 juli 2016 zijn de gronden van het voorgenomen ontslag van [eiser] als statutair bestuurder van DIT Holding B.V. aangevuld.

2.9.

Op 14 juli 2016 vond de AvA van DIT Holding B.V. plaats, waarin [eiser] is gehoord en hij zijn reactie heeft gegeven op de voorlopige onderzoeksresultaten van [naam 4] . Vervolgens is besloten tot ontslag van [eiser] als statutair bestuurder en aansluitend is [eiser] als werknemer van DIT Services ontslagen op basis van dezelfde redenen die ten grondslag lagen aan het ontslag als statutair bestuurder. In de (concept) notulen zijn deze redenen als volgt benoemd:

“- Er is voldoende gebleken dat door [eiser] uitgaven zijn gedaan met middelen van DIT, met de zakelijke creditcard of via het indienen van declaraties, die als zuiver of deels privé kunnen worden beschouwd. Het

argument van [eiser] dat overzichten van de creditcarduitgaven van [eiser] sinds 2015 niet meer worden verstrekt, ondanks dat [eiser] hier per e-mail meerdere malen op zou hebben aangedrongen,

is geen rechtvaardiging. De betreffende e-mails zijn, voor zover [advocaat DIT] weet, niet door [naam 4] aangetroffen tijdens het onderzoek. Bovendien is [eiser] als bestuurder eindverantwoordeljk voor de administratie en

heeft hij daar ook toegang toe.

- - [eiser] heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn privéuitgaven. Hij had deze uitgaven zelf bij de Vennootschap moeten aangeven en had zelf ook een lijstje met deze uitgaven kunnen bijhouden. Sommige

privé-uitgaven dateren van een behoorlijke tijd geleden. Uit niets blijkt dat [eiser] wilde terugbetalen. [eiser] heeft onzorgvuldig gehandeld.
- - Het feit dat [eiser] voor honderden dan wel duizenden dan wel tienduizenden euro’s uitgaven heeft gedaan waarvan op zijn minst onduidelijk is of sprake is van zakelijke uitgaven.
- - De hoogte van de gedane beweerdelijke zakelijke uitgaven afgezet tegen het bruto maandsalaris van [eiser] , maar ook de winst van de Vennootschap en haar groepsmaatschappijen. [eiser] had met meer gematigdheid dergelijke uitgaven moeten doen. Los van het declaratiereglement zou ieder weldenkend bestuurder op een meer correcte manier om zijn gegaan met declaraties of uitgaven met de zakelijke

creditcard.
- - Daarnaast waren de aandeelhouders niet op de hoogte van deze uitgaven.
- - [eiser] heeft niet verantwoordelijk gehandeld.
- - De samenwerkingsovereenkomsten met onder andere SubAdvies blijven vragen oproepen. In elk geval zijn dit ongeoorloofde nevenwerkzaamheden. Zo [eiser] hier zelf niet beter van is geworden heeft hij andere partijen er beter van laten worden.

Het onderzoek zal worden voortgezet. [advocaat DIT] noemt in dat verband de vaststellingsovereenkomst en het te veel betaalde salaris.


[advocaat DIT] (advocaat van DIT Holding) concludeert dat [eiser] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en in strijd met goed bestuurderschap, in strijd met goed werknemerschap, in strijd met geldende fatsoensnormen en in strijd met geldende normen van transparantie. Het gedrag van [eiser] was onzorgvuldig en kan niet door de beugel. Een en ander vormt ieder voor zich en in onderlinge samenhang bezien, een of meerdere dringende redenen opleveren. [advocaat DIT] benoemt dat wordt gerefereerd aan dringende redenen als het gaat om de positie van [eiser] als werknemer.”

2.10.

Per 14 juli 2016 was [naam 2] tijdelijk statutair bestuurder van DIT Holding. Per 30 juli 2016 is [naam 5] (hierna: [naam 5] ) enig statutair bestuurder van DIT Holding B.V.

2.11.

Op 29 augustus 2016 heeft [naam 4] het definitieve onderzoeksrapport opgesteld.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[eiser] heeft verzocht om bij beschikking, voor zover rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, DIT Services te veroordelen om aan [eiser] te betalen:

  1. € 11.685,00 bruto als salaris over de periode van 20 juni 2016 tot en met 14 juli 2016, vermeerderd met de wettelijke verhoging ad 50% en de wettelijke rente vanaf 14 juli 2016 tot de dag der volledige betaling;

  2. € 47.167,92 plus 8% als gefixeerde vergoeding (gelijk aan het salaris van 14 juli 2016 tot en met 31 oktober 2016), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 juli 2016 tot en met de dag der volledige betaling;

  3. € 69.556,50 bruto als transitievergoeding (20 x 1/6 + 6 x ¼ maandsalarissen); en

  4. een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen billijke vergoeding, met wettelijke rente vanaf 14 juli 2016 tot de dag der volledige betaling;

kosten rechtens.

3.2.

[eiser] stelt dat het hem gegeven ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven. De aan [eiser] verweten feiten waren DIT Services (en DIT Holding B.V.) in elk geval genoegzaam bekend ruim vóór 21 juni 2016, de dag waarop toestemming is gevraagd aan de rechtbank Noord-Holland om beslag te mogen leggen onder [eiser] . In het beslagrekest zijn immers de aan [eiser] gemaakte verwijten in detail beschreven.

Aan [eiser] is door DIT Services een aantal inhoudelijke verwijten gemaakt die er – kort samengevat – op neerkomen dat [eiser] zich ten koste van DIT Services persoonlijk zou hebben verrijkt en/of dat hij onverantwoorde uitgaven zou hebben gedaan. Vóór en in de AvA van 14 juli 2016 heeft [eiser] die verwijten in detail besproken. Op dat weerwoord is in de vergadering en bij het horen van [eiser] op 14 juli 2016 niet of nauwelijks, in elk geval niet adequaat, gereageerd. Tegen deze achtergrond bevat de ontslagbrief de dato 18 juli 2016 géén deugdelijke opgave voor de redenen van het gegeven ontslag. De enkele verwijzing naar de concept notulen is onvoldoende. Van DIT Services mocht worden verwacht dat zij in die brief concreet zou benoemen welke van de aan [eiser] gemaakte verwijten zij wel en welke zij niet handhaafde en, voor zover zij deze verwijten wenste te handhaven, wat haar reactie op het weerwoord van [eiser] ten aanzien van die verwijten was.

De verwijten van DIT Services komen er in de eerste plaats op neer dat [eiser] met zijn zakelijke creditcard ook privé-uitgaven heeft gedaan en dat hij kosten door DIT Services heeft laten betalen die geen zakelijk karakter hebben. Voor een klein deel ging het inderdaad om privé-uitgaven, maar [eiser] heeft nooit de bedoeling gehad die kosten niet zelf te dragen. Daarvoor was echter nodig dat de administratie hem de gevraagde overzichten voorlegde, zodat [eiser] kon aanwijzen wat zakelijk en wat privé was. Zo was in het verleden steeds gehandeld. Ondanks herhaalde verzoeken van zijn kant waren hem tot kort voor het tijdstip van het ontslag op staande voet die overzichten niet verstrekt. Bij andere dan door DIT Services als privé geoormerkte, met de creditcard betaalde posten is wel degelijk van zakelijke kosten sprake.

Daarbij zij aangetekend dat in de periode dat [eiser] voor DIT Services werkte, steeds ruimhartig kosten zijn gemaakt en in voorkomende gevallen door [eiser] zijn gedeclareerd. Het patroon van declareren/kosten maken van [eiser] wijkt niet af van het patroon van declareren van zijn voorgangers als bestuurder (voor 2013) en van zijn medebestuurder [naam 1] , die tevens (indirect) aandeelhouder in DIT Holding B.V. is. De aandeelhouders van DIT Holding B.V. waren met dit declaratiegedrag bekend en hadden dat in elk geval kunnen zijn, evenals de directeuren van DIT Services vóór de promotie van [eiser] tot bestuurder dat waren en evenals zijn medebestuurder dat was. Er is ook jaarlijks accountantscontrole toegepast en dat gaf geen aanleiding tot vragen of opmerkingen over de declaraties en de kosten. [eiser] houdt het er dan ook op dat DIT Services ‘een stok heeft gezocht om de hond te slaan’.

Verder stelt [eiser] dat hem ten onrechte wordt verweten dat bij SubAdvies sprake zou zijn geweest van ‘ongeoorloofde nevenwerkzaamheden’. Aan [naam 4] heeft [eiser] zijn rol in de relatie tot SubAdvies uiteengezet en uitgelegd hoe het tot een overeenkomst tussen de DIT Groep en SubAdvies is gekomen. Daarop is zijdens DIT Services niet gereageerd.

Ook heeft [eiser] aangevoerd dat sinds hij bestuurder was de resultaten van de DIT Groep sterk verbeterd zijn.

Door de gang van zaken heeft DIT Services een onwerkbare situatie gecreëerd en mitsdien ziet [eiser] ervan af vernietiging van de opzegging te vorderen.

[eiser] maakt jegens DIT Services wel aanspraak op het nog niet uitbetaalde salaris over de laatste periode van het dienstverband (21 dagen), de vergoeding wegens onregelmatig ontslag, de transitievergoeding en een door de kantonrechter te bepalen billijke vergoeding.

3.3.

DIT Services heeft verweer gevoerd en heeft daarbij verzocht:

Primair :

1. alle verzoeken van [eiser] af te wijzen;

2. [eiser] op grond van artikel 7:677 lid 2 jo. lid 3 onder a BW te veroordelen tot betaling van € 19.884,15, vermeerderd met wettelijke rente over dit bedrag vanaf
14 juli 2016 tot aan de dag van betaling, althans voor recht te verklaren dat DIT Services deze vordering mag verrekenen met enig bedrag dat DIT Services aan [eiser] verschuldigd is;

3. [eiser] wegens te veel betaald loon, inclusief vakantiebijslag, te veroordelen tot betaling van € 29.717,92, vermeerderd met wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 oktober 2016 tot aan de dag van betaling, althans voor recht te verklaren dat DIT Services deze vordering mag verrekenen met enig bedrag dat DIT Services aan [eiser] verschuldigd is;

4. [eiser] wegens een verschuldigde persoonlijke lening te veroordelen tot betaling van € 1.500.00 netto, vermeerderd met wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 juli 2016 tot aan de dag van betaling, althans voor recht te verklaren dat DIT Services deze vordering mag verrekenen met enig bedrag dat DIT Services aan [eiser] verschuldigd is;

5. voor recht te verklaren dat het saldo van de eindafrekening van het dienstverband van [eiser] minus € 31.059,16 bruto bedraagt (uitgaande van onder andere een saldo aan vakantiedagen van minus 50 vakantiedagen en 18 vakantieuren), althans minus € 30.752,00 bruto bedraagt (uitgaande van onder andere minus 50 vakantiedagen), althans minus
€ 307,16 bruto (uitgaande van onder andere minus 18 vakantieuren), en [eiser] te veroordelen dit bedrag aan DIT Services te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 juli 2016 tot aan de dag van betaling, althans voor recht te verklaren dat DIT Services bevoegd deze vordering mag verrekenen met enig bedrag dat DIT Services aan [eiser] verschuldigd is;

6. [eiser] te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding aan DIT Services, althans voor recht te verklaren dat DIT Services bevoegd is deze billijke vergoeding te verrekenen met enig bedrag dat DIT Services aan [eiser] verschuldigd is;

Subsidiair:

7. indien en voor zover U Edelachtbare (een van) de verzoek(en) van [eiser] (gedeeltelijk) toewijst, dit ten hoogste te doen tot de in het verweerschrift genoemde subsidiaire bedragen en de beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren dan wel aan ten uitvoerlegging van de beschikking de voorwaarde te verbinden dat [eiser] zekerheid stelt voor een bedrag gelijk aan het toegewezen bedrag vermeerderd met 25%;

Zowel primair als subsidiair:

8. voor recht te verklaren dat DIT Services de in de bodemprocedure van [eiser] gevorderde bedragen mag verrekenen met enig in deze procedure aan [eiser] toegewezen vordering; en

9. [eiser] te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten.

3.4.

Op de verweren van DIT Services zal hierna – voor zover van belang voor de beoordeling van het verzoek van [eiser] en de tegenverzoeken van DIT Services - nader worden in gegaan.

4 De beoordeling

De verzoeken van [eiser]

Onverwijldheid ontslag

4.1.

Het toetsingskader voor de beoordeling van de vraag of een ontslag op staande voet onverwijld is gegeven, wordt gevormd door artikel 7:677 lid 1 BW en de inhoud die daaraan is gegeven door de Hoge Raad in (onder meer) zijn arresten van 15 februari 1980 (ECLI:NL:HR:1980:AC4006) en 21 januari 2000 (ECLI:NL:HR:2000:AA4436).

Hieruit volgt dat het een werkgever voorafgaand aan een ontslag op staande voet is toegestaan en zelfs op grond van goed werkgeverschap verplicht kan zijn, zorgvuldig onderzoek te verrichten, mits dit onderzoek voortvarend plaatsvindt.

Het vermoeden van malversaties is onvoldoende voor een ontslag op staande voet (zie Hoge Raad 4 februari 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4537). De stelling van [eiser] dat DIT Services reeds op 22 juni 2016, toen het beslag werd gelegd, genoeg wist voor een ontslag op staande voet, wordt door de kantonrechter niet gevolgd. Het onderzoek van [naam 4] was toen net gestart, [eiser] en andere betrokkenen waren nog niet gehoord en er was nog slechts sprake van vermoedens van misstanden.

[eiser] is op 30 juni 2016 voor het eerst inhoudelijk gehoord door [naam 4] en heeft tijdens de AvA op 14 juli 2016 voor het eerst zijn reactie (kunnen) (ge)geven op de voorlopige onderzoeksresultaten van [naam 4] van 8 juli 2016.

De Ava had eerder plaats kunnen vinden, maar deze is (mede) op verzoek van de gemachtigde van [eiser] uitgesteld om [eiser] gelegenheid te bieden zijn kant van het verhaal voor te bereiden en op de AvA te vertellen. Verder is het onderzoek dat [naam 4] heeft moeten doen naar gedane uitgaven en declaraties van [eiser] (waarbij ook diverse personen zijn gehoord) omvangrijk geweest. Daarbij komt dat het afbreukrisico van DIT Services groot was en dat de bevoegdheid tot ontslag van [eiser] als werknemer van DIT Services niet eerder ontstond dan op de Ava (tot het ontslag van [eiser] als bestuurder van DIT Holding B.V. en de benoeming van [naam 2] als bestuurder was er immers geen bevoegdheid om DIT Services zelfstandig te vertegenwoordigen). Het voorgaande in onderling verband bezien brengt de kantonrechter tot het oordeel dat DIT Services voortvarend heeft gehandeld en dat het ontslag van [eiser] zodoende onverwijld is gegeven.

Mededeling dringende redenen

4.2.

Met betrekking tot de stelling van [eiser] dat in de ontslagbrief van 18 juli 2016 geen deugdelijke opgave is gegeven van de redenen voor het gegeven ontslag, verwijst de kantonrechter naar het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2806, waaruit volgt dat het vereiste van onverwijlde mededeling van de dringende reden voor ontslag op staande voet ertoe dient dat voor de wederpartij onmiddellijk duidelijk is welke eigenschappen of gedragingen de ander hebben genoopt tot het beëindigen van de dienstbetrekking. Verder is de letterlijke tekst van een ontslagbrief niet steeds doorslaggevend en dient de vermelde opzeggingsgrond mede te worden uitgelegd in het licht van de omstandigheden van het geval (zie Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:290).

Naar het oordeel van de kantonrechter was het voor [eiser] , in het licht van de hele voorgeschiedenis, waaronder de voorlopige onderzoeksresultaten van [naam 4] van 8 juli 2016 en de AvA van 14 juli 2016 (waarin de gronden voor het ontslag van [eiser] als bestuurder van DIT Holding B.V. zijn benoemd en op basis waarvan [eiser] ook als werknemer van DIT Services is ontslagen) voldoende duidelijk welke feiten en omstandigheden aan zijn ontslag ten grondslag lagen. Van DIT Services hoefde in dit verband niet te worden verlangd dat zij concreet aangaf welke van de aan [eiser] gemaakte verwijten zij wel en niet handhaafde en, voor zover zij verwijten wenste te handhaven, wat haar reactie op het weerwoord van [eiser] ten aanzien van die verwijten was, omdat er bij [eiser] in redelijkheid geen twijfel over kan hebben bestaan dat hij ook zou zijn ontslagen als slechts een deel van de weergegeven verwijten (benoemd in de AvA naar aanleiding van de voorlopige onderzoeksresultaten van [naam 4] ) zou zijn komen vast te staan.

4.3.

De conclusie is dan ook dat er geen formeel gebrek kleeft aan het gegeven ontslag.

Dringende reden(en)

4.4.

Vervolgens ligt ter beoordeling voor de door DIT Services gegeven dringende redenen voor ontslag.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet stelt de kantonrechter het volgende voorop. Het ontslag op staande voet is een ultimum remedium dat, gelet op de verstrekkende gevolgen daarvan, slechts bij uitzondering mag worden gegeven. Op grond van artikel 7:678 lid 1 BW worden als dringende redenen in de zin van lid 1 van artikel 7:677 BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen, of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van zodanige dringende redenen sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren ook in de beschouwing te worden betrokken de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben.

4.5.

De kantonrechter destilleert uit de ontslagbrief de volgende dringende redenen:

1. Door [eiser] zijn uitgaven gedaan met middelen van DIT Services, met de zakelijke creditcard of via het indienen van declaraties, die als zuiver of deels privé kunnen worden beschouwd;

2. [eiser] heeft voor buitenproportionele bedragen uitgaven gedaan waarvan op zijn minst onduidelijk is of sprake is van zakelijke uitgaven;

3. Er is sprake van ‘ongeoorloofde nevenwerkzaamheden’ van [eiser] .

4.6.

De kantonrechter stelt voorop dat de laatstgenoemde dringende reden, inhoudende dat er sprake is van ongeoorloofde nevenwerkzaamheden van [eiser] , op zichzelf bezien onvoldoende onderbouwd is om als dringende reden te kunnen worden aangemerkt. In de conceptnotulen van de AVA van 14 juli 2016 is in dit verband enkel opgemerkt dat ‘samenwerkingsovereenkomsten met onder andere SubAdvies vragen op blijven roepen’. In het verweerschrift is dienaangaande aanvullend betoogd dat [eiser] transacties is aangegaan buiten zijn functie-omschrijving, maar hieruit kan niet zonder meer geconcludeerd worden dat het ging om ongeoorloofde nevenwerkzaamheden.

4.7.

Van de eerst genoemde dringende reden, dat door [eiser] uitgaven zijn gedaan met de zakelijke creditcard van DIT Services of via het indienen van declaraties die als privé kunnen worden beschouwd, worden hierna de door [eiser] onbetwiste onderdelen besproken.
heeft erkend dat – naar eigen schatting – zo’n € 35.000,00 van zijn zakelijke uitgaven privéuitgaven betroffen. Een deel van deze privéuitgaven zijn gedaan met de zakelijke creditcard van DIT Services. Het betreft onder meer privéuitgaven voor kleding en privé (ski-)vakanties

[eiser] stelt in dit verband dat zijn eigen creditcard niet overal werd geaccepteerd en dat hij in dat geval de zakelijke creditcard van DIT Services gebruikte.

[eiser] heeft ook erkend dat een deel van de door hem ingediende declaraties privé uitgaven betroffen, waaronder een factuur van 31 mei 2015 betreffende sierbestrating voor het woonadres van [eiser] , alsmede (gedeeltelijke) huur van een private jet, annuleringskosten voor de huur van een jacht en een factuur van schildersbedrijf SAN van
1 april 2016, waarvan [eiser] de kosten eerst in privé heeft betaald en later heeft doorgedeclareerd aan DIT Services.

[eiser] stelt in dit verband onder meer dat (vroeger) bij DIT Services een regeling bestond waarbij privégoederen konden worden aangeschaft door het aankoopbedrag te laten verrekenen met het salaris. Op deze manier zou dan geen BTW hoeven te worden betaald.

Wat betreft de annuleringskosten voor de huur van een jacht heeft [eiser] aangevoerd dat hij toestemming heeft gekregen van [naam 1] om de annuleringskosten door DIT Services te laten betalen.

Meer in zijn algemeenheid heeft [eiser] in dit verband aangevoerd dat hij nooit de bedoeling heeft gehad voornoemde kosten niet zelf te dragen, maar dat daarvoor nodig was dat de administratie hem overzichten voorlegde, zodat hij kon aanwijzen wat zakelijk en wat privé was. Ondanks herhaalde verzoeken van zijn kant waren hem tot kort voor het tijdstip van het ontslag op staande voet die overzichten niet verstrekt, aldus [eiser] terwijl dit in het verleden wel gebeurde.

4.8.

Hetgeen [eiser] heeft aangevoerd ter rechtvaardiging overtuigt de kantonrechter niet. Vooropgesteld wordt dat een werknemer zorgvuldig met een door de werkgever ter beschikking gestelde creditcard dient om te gaan. Dat is één van de verplichtingen van een goed werknemer. Het had op de weg van [eiser] gelegen om geen privéuitgaven met de zakelijke creditcard van DIT Services te doen en mocht dit onverhoopt toch gebeuren deze uitgaven z.s.m. terug te betalen. Dat er een cultuur bestond van deze wijze van (door)declareren is door DIT Services gemotiveerd betwist. Zo dit al zo zou zijn geweest, vormt dit, gelet op de voorbeeldfunctie van [eiser] binnen het bedrijf, onvoldoende rechtvaardiging voor zijn gedrag. Het gaat niet aan om privéuitgaven door te declareren, zodat op die wijze BTW kan worden ontlopen. Als algemeen directeur was [eiser] de beleidsbepalende figuur, zette hij de toon voor de overige werknemers binnen DIT Services en hij diende het goede voorbeeld te geven. Dat deze handelwijze bij DIT Services gebruikelijk was, wordt overigens door DIT Services uitdrukkelijk betwist.

Uit niets blijkt dat [eiser] de intentie heeft gehad om bovengenoemde kosten zelf te dragen. Bepaalde uitgaven en/of declaraties dateren, zoals DIT Services onweersproken heeft gesteld, al van juni 2015 (zoals de sierbestrating) of december 2015 (de kleding). Naar DIT Services onweersproken heeft gesteld, heeft [eiser] van alle privéuitgaven over de jaren 2015 en 1016 tot nu toe niets terugbetaald. Door DIT Services wordt gemotiveerd betwist dat [eiser] de financiële administratie meermaals zou hebben gevraagd om overzichten van gedane uitgaven te verstrekken maar deze niet zou hebben ontvangen en dat [eiser] niet beschikte over creditcardafschriften. Echter, ook indien wordt uitgegaan van de stelling van [eiser] dat de financiële administratie niet op orde was, ontslaat dit [eiser] , als algemeen directeur, niet van zijn eindverantwoordelijkheid in deze. [eiser] kan zich, gelet op zijn functie en de daarbij horende (eind)verantwoordelijk-heid niet verschuilen achter zijn (voorheen medebestuurder) [naam 1] of een falende administratie.
4.9. Ter onderbouwing van de tweede genoemde dringende reden, inhoudende dat [eiser] voor buitenproportionele bedragen uitgaven heeft gedaan waarvan op zijn minst onduidelijk is of sprake is van zakelijke uitgaven, heeft DIT Services onder meer de volgende door [naam 4] onderzochte uitgaven aangevoerd:

  • -

    een factuur van 16 juni 2015 voor zes tuinstoelen ter waarde van € 4.176,00;

  • -

    een horloge ter waarde van € 12.000,00 als afscheidscadeau voor [naam 1] , ter zake waarvan [eiser] op 8 maart 2016 een declaratie van € 4.560,00 heeft ingediend;

  • -

    uitgaven in twee Londense stripclubs in de nacht van 7 op 8 januari 2016 van in totaal € 10.664,82;

  • -

    [eiser] heeft gedurende de jaren 2014-2016 grote partijen wijn op kosten van DIT Services besteld die op zijn woonadres werden afgeleverd;

  • -

    [eiser] heeft vanaf eind 2014 tot medio 2016 ten minste € 16.166,61 gedeclareerd aan diners, lunches en borrels die door hem als zakelijk zijn aangemerkt en heeft (alleen al in 2016) voor € 18.325,25 aan diners en lunches uitgegeven met de zakelijke creditcard van DIT Services;

  • -

    [eiser] heeft gedurende de jaren 2013 tot medio 2016 veelvuldig golfuitgaven ten laste van DIT Services laten komen van ruim € 180.000,00;

  • -

    [eiser] heeft op 26 oktober 2015 op kosten van DIT Services een hometrainer aangeschaft van € 1.369,90;

  • -

    [eiser] heeft op 14 juli 2014 op kosten van DIT Services een luxe fietskoffer gekocht ter waarde van € 629,99.

4.10.

[eiser] heeft ter zitting, onder verwijzing naar zijn conclusie van antwoord, genomen in een bij de rechtbank Noord-Holland aanhangige bodemprocedure, tegen alle bovengenoemde voorlopige onderzoeksresultaten van [naam 4] verweer gevoerd.

De kantonrechter zal hierop meer in het algemeen en voor zover relevant voor de beoordeling van deze tweede genoemde dringende reden, ingaan.
[eiser] voert in dit verband allereerst aan dat voornoemde uitgaven, die inderdaad soms excessief lijken, allemaal zakelijke uitgaven betroffen en veelal kunnen worden geschaard ofwel onder de noemer ‘netwerken’ ofwel onder de noemer ‘goed zijn voor je personeel’.

Deze verklaring van [eiser] overtuigt de kantonrechter echter niet. Met DIT Services, onderkent de kantonrechter dat netwerken, in de zin van goede relaties met klanten of portentiele klanten onderhouden, onderdeel uitmaakt van de functie van [eiser] . Voornoemde uitgaven echter, illustreren dat het netwerken van [eiser] niet enkel tot (puur) zakelijke uitgaven leidde voor zakelijke relaties. In dit kader is illustratief de ‘business trip’ naar een nieuwe leverancier in London, waarbij [eiser] op kosten van DIT Services met een aantal collega’s een dure nachtclub in Londen heeft bezocht. Verder blijkt uit het hiervoor weergegeven overzicht een veelvoud van excessieve uitgaven, waaronder dure wijn, dure etentjes, dure golfuitjes met veelal dezelfde relaties, dure (ongevraagde en niet zakelijke) uitgaven waaronder het horloge voor [naam 1] en de fietskoffer ‘ten behoeve van DIT Services’, waarvan niet inzichtelijk is of en in hoeverre dit zakelijke uitgaven betroffen.
De stelling van [eiser] dat hij zijn uitgaven in alle openheid deed en sinds langere tijd, rechtvaardigt zijn handelwijze niet. [eiser] was eindverantwoordelijk voor de financiële administratie binnen DIT Services en was in feite zijn eigen controleur. Hieraan doet de omstandigheid dat de jaarlijkse accountantscontrole blijkbaar geen vragen heeft opgeroepen niet af.
DIT Services heeft gemotiveerd betwist dat de Aandeelhouder op de hoogte was van het buitensporige uitgavenpatroon van [eiser] . Verder heeft DIT Services met cijfers onderbouwd betwist dat de voorgangers van [eiser] eenzelfde uitgavenpatroon als [eiser] kenden en dat het goed ging met de bedrijfsresultaten van DIT Services onder leiding van [eiser] .
De kantonrechter neemt als voldoende vaststaand aan dat het uitgavenpatroon van [eiser] binnen de DIT Groep buitenproportioneel was en niet enkel (puur) zakelijke uitgaven betrof, waarbij mede in aanmerking is genomen de aard en omvang van het bedrijf van DIT Services (een MKB bedrijf opererend op de Nederlandse markt en geen multinational) en de positie van [eiser] binnen DIT Services. Als algemeen directeur was hij de beleidsbepalende figuur, zette hij de toon voor de overige werknemers binnen DIT Services en diende hij het goede voorbeeld te geven.

4.11.

Naar het oordeel van de kantonrechter levert het complex van voornoemde feiten en omstandigheden voldoende grond op voor een ontslag op staande voet.

4.12.

De persoonlijke omstandigheden van [eiser] maken, gelet op de aard en de ernst van het aan hem te maken verwijt, niet dat dit gedrag kan worden vergoelijkt, noch leggen deze omstandigheden en de daarbij te betrekken ingrijpende gevolgen van het ontslag voor [eiser] een zodanig gewicht in de schaal dat het ontslag op staande voet geen stand houdt.

4.13.

De conclusie van het vorenstaande is dat het aan [eiser] gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is.

4.14.

Nu [eiser] zich bij het ontslag heeft neergelegd, staat tussen partijen vast dat het dienstverband tussen hen op 14 juli 2016 is geëindigd. [eiser] heeft dan ook recht op een correcte eindafrekening tot en met 14 juli 2016.

DIT Services voert in dit verband aan dat [eiser] geen aanspraak kan maken op enige nabetaling ter zake loon dan wel wettelijke verhoging en/of wettelijke rente omdat het saldo van de eindafrekening negatief is. [eiser] is volgens DIT Services uitgegaan van een onjuist bedrag aan loon en [eiser] heeft een negatief saldo aan vakantiedagen.
De door DIT Services geleden schade overschrijdt volgens DIT Services vele malen het bedrag aan loon dat [eiser] vordert. DIT Services doet in dit verband, voor zover nodig, een beroep op verrekening.

4.15.

Verrekening is - ook bij einde dienstverband - op grond van artikel 7:632, tweede lid, BW slechts mogelijk voor zover het loon de beslagvrije voet overtreft. Het (algemene) en niet nader onderbouwde beroep op verrekening in dit verband treft derhalve geen doel.
Doel treft wel het verweer dat [eiser] bij het verzoek om DIT Services te veroordelen tot betaling van achterstallig salaris over de periode van 20 juni 2016 tot en met 14 juli 2016 is uitgegaan van een onjuist bedrag aan loon. Tussen partijen is niet in geschil dat is overeengekomen dat [eiser] in twee stappen zijn salaris mocht verhogen tot een bedrag gelijk aan het salaris van zijn medebestuurder [naam 1] (2/3 deel in 2014 en 1/3 deel in 2015). Blijkens de berekening die door DIT Services in de procedure is ingebracht (productie 42) blijkt genoegzaam dat in het licht van deze afspraak abusievelijk teveel salaris aan [eiser] is uitgekeerd. Als niet, althans onvoldoende weersproken dient ervan te worden uitgegaan dat het loon van [eiser] per vier weken € 11.330 bruto exclusief 8% vakantiegeld bedraagt.

Gezien alle omstandigheden van het geval wordt de wettelijke verhoging over het niet betaalde loon gematigd tot 20% en niet tot nihil, zoals door DIT Services ten verwere aangevoerd, omdat DIT Services het verschuldigde loon (in ieder geval het bedrag van de voor [eiser] geldende beslagvrije voet), in overeenstemming met haar wettelijke verplichtingen, ook bij het einde van de arbeidsovereenkomst had kunnen betalen.

4.16.

Nu er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan de kant van [eiser] , is voor het toekenningen van een transitievergoeding en een billijke vergoeding geen plaats. Deze verzoeken van [eiser] dienen te worden afgewezen.

De (tegen)verzoeken van DIT Services

4.17.

Het verzoek van DIT Services om [eiser] ex artikel 7:677 lid 2 juncto lid 3 onder a BW te veroordelen tot betaling van € 19.884,15 ter zake gefixeerde schadevergoeding is als niet, althans onvoldoende weersproken, toewijsbaar.

4.18.

Het verzoek van DIT Services om [eiser] te veroordelen tot betaling van
€ 29.717,92 wegens teveel betaald loon, inclusief vakantiebijslag, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 17 oktober 2016 tot aan de dag van betaling, is eveneens als niet, althans onvoldoende weersproken, toewijsbaar.

4.19.

Het verzoek van DIT Services om [eiser] te veroordelen tot betaling van
€ 1.500,00 wegens een verschuldigde persoonlijke lening is, voor zover nodig gelet op de erkenning van [eiser] van de verschuldigdheid hiervan, eveneens toewijsbaar.

4.20.

De verzochte verklaring voor recht dat DIT Services bevoegd is haar vorderingen te verrekenen met enig bedrag dat zij aan [eiser] verschuldigd is, is met in achtneming van hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.15, toewijsbaar als na te melden.

4.21.

De verzochte verklaring voor recht dat de eindafrekening van het dienstverband van [eiser] een bepaald (negatief) bedrag bedraagt is niet toewijsbaar. DIT Services heeft daartoe niet, althans onvoldoende gemotiveerd, gesteld. DIT Services heeft in dit verband immers enkel gesteld dat [eiser] een negatief saldo aan vakantie uren heeft van 18 uur en dat [eiser] zeer veelvuldig (minimaal 50 werkdagen) afwezig is geweest in verband met ‘niet zakelijke uitjes’. Het had op de weg van DIT Services gelegen om de door haar verzochte verklaring voor recht en meer in het bijzonder de door haar verzochte bedragen nader te onderbouwen met objectieve verifieerbare bescheiden, te meer gelet op het korte tijdsbestek (10 dagen) dat zit tussen indiening van het verweerschrift en de mondelinge behandeling van onderhavige procedure. Bij gebreke van alle benodigde gegevens, is er voor [eiser] onvoldoende gelegenheid geweest om deze stelling(en) van DIT Services gemotiveerd te weerleggen. Voor bewijslevering op dit punt is, voor zover door DIT Services aangeboden, dan ook geen plaats.

4.22.

Met betrekking tot het verzoek van DIT Services om [eiser] , naast de verzochte gefixeerde schadevergoeding, te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding, oordeelt de kantonrechter dat dit verzoek geen steun vindt in de wet. Immers, uit artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW volgt slechts dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer een billijke vergoeding kan toekennen en niet (ook) op verzoek van de werkgever. Voor analoge toepassing van artikel 7:671b lid 9 sub c en artikel 7:671c lid 3 sub c BW, zoals verzocht door DIT Services, bestaat evenmin grond, nu het systeem van de wet zich daartegen verzet en daarenboven gesteld noch gebleken is dat DIT Services, naast de schade vanwege onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst, schade heeft geleden door de beëindiging van het dienstverband van [eiser] .

De verzochte billijke vergoeding wordt dan ook afgewezen.

4.23.

Gelet op de aard van de procedure en de veelvoud van de verzoeken die over en weer slechts deels worden toegewezen, zullen de kosten van de procedure worden gecompenseerd als na te melden.

5 De beslissing

De kantonrechter:

In de verzoeken van [eiser] :

veroordeelt DIT Services om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen het verschuldigde loonbedrag over de periode van 20 juni 2016 tot en met 14 juli 2016 (uitgaande van een verschuldigd loon van € 11.330,00 bruto exclusief 8% vakantietoeslag per vier weken), te vermeerderen met de wettelijke verhoging ad 20% en de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 juli 2016;

wijst af het meer of anders verzochte;

In de (tegen)verzoeken van DIT Services:

veroordeelt [eiser] op grond van artikel 7:677 lid 2 jo. lid 3 onder a BW tot betaling aan DIT Services van (het netto equivalent van) € 19.884,15 bruto, vermeerderd met wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 juli 2016 tot aan de dag van betaling;

veroordeelt [eiser] wegens te veel betaald loon, inclusief vakantiebijslag, tot betaling aan DIT Services van (het netto equivalent van) € 29.717,92 bruto, vermeerderd met wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 oktober 2016 tot aan de dag van betaling;

veroordeelt [eiser] wegens een verschuldigde persoonlijke lening tot betaling aan DIT Services van € 1.500.00 netto, vermeerderd met wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 juli 2016 tot aan de dag van betaling;

verklaart voor recht dat DIT Services de bedragen van vorenstaande toegewezen verzoeken mag verrekenen met het aan [eiser] toegewezen (loon)bedrag, vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente, voor zover dit bedrag boven de voor [eiser] geldende beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475d Rv uit komt;

wijst af het meer of anders verzochte;

In zowel de verzoeken van [eiser] als ook in de (tegen)verzoeken van DIT Services:

compenseert de proceskosten in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gewezen door mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden, kantonrechter en op

21 november 2016 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.